Hoeveel leed willen we nog aanzien voor we het echt anders durven doen? Die vraag stelt Lize Van Dyck zich af in deze hete dagen.
Ik schrok me te pletter deze ochtend wanneer ik mijn appartementsgebouw buiten wandelde en er in de hoek van de kleine hal een jonge man lag te rusten op een platte kartonnen doos. Niet meteen wat ik verwacht had op mijn laatste, snikhete schooldag. Ik bracht hem wat water en eten en vertrok naar mijn werk, waar ik elke dag voor cursisten sta met dezelfde amandelkleurige huid en mooie groenbruine ogen, die teveel leed gezien hebben.
De hal is het koelste plekje van mijn blok in Deurne. U weet wel, Deurne van de bomenkap, de 190 hectare grote, verlieslatende luchthaven en waar de politie jongeren oppakt, omdat ze na de zwemuren in de vijver duiken. Een superdivers, dichtbevolkt district, dat zwaar kreunt onder de hitte. Volgens Theo Francken hebben we nochtans geen reden tot klagen en worden we erop gewezen dat een fris pintje en BBQ aan het zwembad the way to go zijn.
Dergelijke uitspraken doen meteen denken aan het discours van de boertige en tegelijk elitaire, steeds meer in de waan verkerende, Amerikaanse president. Een discours waarin alle respect en waardigheid van tafel geveegd worden. Ook wij leven intussen in een land dat beteugeld wordt door gefrustreerde macho’s, die elke vorm van medemenselijkheid, realiteitszin en empathie lijken te missen. Leiders die keuzes maken ten bate van een kleine groep rijken en waarvan het gewone volk – en al zeker mensen in armoede – almaar meer de dupe zijn.
Ons beleid steunt oorlogsvoerders, investeert en masse in (AI) wapens en roept tegelijkertijd moord en brand over migratiestromen. Onze leiders zitten samen met de taliban en zaaien tegelijk angst over mannen uit andere oorden, die het op onze meisjes en vrouwen gemunt zouden hebben. Vrouwenrechten, pff laat me niet lachen. Om over de hypocrisie rond de steun aan Israëls genocide maar te zwijgen.
Goh, wat haalt ze veel door elkaar, hoor ik u denken. Welja en nee. Het hangt immers allemaal samen. Ons huidig systeem staat op ontploffen. De uitputting van onze natuur, met klimaatverandering tot gevolg, een onmenselijk beleid en oorlogen, een heilig geloof in AI, de bedreiging van onze basis mensenrechten. Noem het post-kapitalisme, neo-fascisme, technocratie, oligarchie, kies er maar eentje uit.
Maar net door die ruk naar extreemrechts en het wansmakelijk egocentrisme van psychopathische superrijken, wordt de gewone mens stilaan wakker. Er sluimert iets in de straten.
En het begint klein. Door offline en online protest. Door jongeren die nodige verkoeling zoeken in vijvers en fonteinen. Door mensen die ethische keuzes maken en samenkomen rond verbinding. Door mensen die bomen en water eisen, in plaats van de zakken te vullen van diegenen die de planeet verwoesten.
De omwenteling komt, het keerpunt in zicht. De vraag is hoeveel leed, hittegolven en extreem weer, hoeveel mensen op kartonnen dozen en doden op straat we nog willen aanzien. De democratie is uitgehold, de mensenrechten met de voeten geveegd.
Maar jij en ik, beste lezer, kunnen de nodige verandering teweeg brengen. Roep onze politici op ter verantwoording. Start met je leven in te richten naar die betere wereld die jij wil zien. Ik ben er alvast klaar voor.
Op 1 mei wuifde de Leuvense jeugdhulporganisatie De Wissel haar directeur Luc Deneffe uit. Een markante sociale ondernemer gaat op pensioen. Maar zijn hart blijft liggen bij jongeren en gezinnen die in zeer precaire omstandigheden leven. “Zit als jongere maar eens in de ‘bijzondere jeugdzorg’. Zo’n begrip geeft je meteen een etiket voor het leven.”
Bijzondere jeugdzorg
Luc pikt me op aan het station van Tienen. Dat is geen toevallige keuze, zoals straks nog zal blijken. We lunchen in een eethuisje dat gerund wordt door mensen met een beperking.
Luc zoekt meteen verbinding met me. Dat we nu beiden als ervaren rotten in het sociaal werk het statuut van gepensioneerde delen. Al voegt hij er meteen aan toe dat zijn voortraject wel bijzonder is: Luc was als econoom lange tijd actief in de financiële en bedrijfswereld. Pas aan het begin van dit millennium maakt hij een merkwaardige oversteek naar de jeugdhulp.
Hij vertelt dat hij mijn Sociaal.Net-columns over jargon in sociaal werk graag leest. “We staan te weinig stil bij de kwetsende kracht van de woorden die we gebruiken. Zit als jongere maar eens in de ‘bijzondere jeugdzorg’. Zo’n begrip geeft je meteen een etiket voor het leven. Met dat ‘verbijzonderen’ duwen we deze jongeren uit de samenleving. Vroeg of laat gaan we daarvoor afgerekend worden.”
Onmacht
Ik grijp naar de actualiteit om zijn punt scherp te maken. Pas nog veroordeelde een rechtbank de Vlaamse Gemeenschap voor haar falende jeugdhulp. In het zoveelste debat in ‘De Afspraak’ belooft minister Gennez dat er beterschap op komst is met extra capaciteit en een nieuw monitoringsysteem dat het jeugdhulpaanbod transparanter maakt.
“Ik kan de minister nu al vertellen dat haar goedbedoelde beleidskeuzes weinig zoden aan de dijk zullen brengen. Ze vertrekken van het foute idee dat een performante en coherente jeugdhulp de problemen van deze jongeren en hun gezinnen kan oplossen.”
“We zijn voortdurend met capaciteitsvragen bezig: is er genoeg, is het voldoende vraaggericht, moeten we nog verder specialiseren? Maar alomtegenwoordige wachtlijsten en veelvuldige doorverwijzingen van de ene specialist naar de andere drukken ons met de neus op de feiten: we krijgen de gaten en breuken niet gedicht.”
“We voelen dat we falen en mislukken. Die onmacht beantwoorden we door op zoek te gaan naar nog meer van hetzelfde: nog meer capaciteit, vraag en aanbod nog beter monitoren en afstemmen. Dat is onvermijdelijk een doodlopend spoor. We moeten de economische logica van vraag en aanbod verlaten en weer op zoek gaan naar aansluiting met de brede samenleving.”
Ongemakkelijk gevoel
Ik vertel Luc dat ik zijn analyse herken en dat ik me daar ook wat ongemakkelijk bij voel. Met integrale jeugdhulp bouwden overheid en werkveld een ingewikkeld managementsysteem uit van hulpmodules, indicatiestellingen en toegangspoorten. Ik was destijds een van de mede-architecten van die integrale jeugdhulp.
Als een volleerd hulpverlener – al zal hij zichzelf nooit zo noemen – neemt Luc mijn ongemak over. “Ook ik beken: vanuit De Wissel werkten we mee aan dat ‘pakjessysteem’. Het klinkt straf, maar in onze jeugdhulp zijn jongeren en gezinnen een logistieke uitdaging geworden. We stellen een diagnose en leiden vervolgens het gelabelde pakketje naar de meest aangepaste hulp. Daarbij willen we onze capaciteit liefst zo efficiënt mogelijk benutten.”
“Al draait De Wissel mee in dat systeem, toch hebben we altijd geprobeerd om die indicatiestellingen, modules en toegangspoorten achterwege te laten en te luisteren naar wat jongeren en gezinnen echt nodig hebben, eerder dan onze modules in de vitrine te zetten.”
De kracht van verbeelding
“Die switch is niet makkelijk, want in de jeugdhulp beginnen we vaak waar heel wat antwoorden gestopt zijn. Wil je oplossingen die echt werken en die aansluiten bij wat gezinnen nodig hebben, laat dan de verbeelding spreken, zoals Seppe Vanhex dat mooi verwoordde. Onmacht kan ook een kracht zijn, als je die deelt met de mensen in een kwetsbare situatie en met hen op stap gaat als metgezel. Dat is wat ik leerde in de jeugdhulp.”
“Als je een jongere bijvoorbeeld vraagt ‘voor wie of wat zou jij je bed uitkomen?’, dan spreek je verstaanbare taal. Als het antwoord is: ‘Om geld te verdienen, een brommer te kopen en daarmee ver weg te rijden’, dan heeft dat betekenis. Vandaaruit kan je verder bouwen. Hetzelfde geldt voor de vader die wil gaan werken omdat zijn kinderen dan in die klas kunnen vertellen dat papa werkt.”
“Zulke betekenisvolle vragen stellen is zoveel belangrijker dan gespecialiseerde diagnoses stellen. Waar ga je naartoe als je iets ernstigs overkomt? Kan je grenzen stellen? Het talent van hulpverleners die voortdurend zo’n vragen stellen, brengt veel meer op dan gelijk welke vorm van capaciteitsbeheer. Je ontdekt zo waar mensen effectief van van wakker liggen, in plaats van te focussen op de zaken waarvan jij vindt dat ze moeten wakker liggen.”
“Zo brengen we jeugdhulp ook dichter bij de samenleving. Want hulpverlening gaat ook over huisvesting, werk en inkomen, onderwijs, vrijetijd… Zo zijn er in de jeugdhulp nog te veel mensen die denken dat ze niet met armoedebestrijding moeten bezig zijn.”
Luc schudt een citaat van Desmond Tutu uit de mouw: “Er komt een moment waarop we moeten stoppen met alleen maar mensen uit de rivier te trekken. We moeten stroomopwaarts gaan om te ontdekken waarom ze erin vallen.”
Ruimte voor nabijheid
Ondertussen horen we in die samenleving noodkreten over mentale problemen, geweld binnen en buiten het gezin, sociale isolatie, schooluitval, jongeren die het slachtoffer zijn van prostitutie en mensenhandel. Hoe kijkt Luc naar de stelling dat het niet goed gaat met onze jongeren?
“Sommige jongeren zijn er echt slecht aan toe. Hun gedrag en isolement kunnen extreem zijn. Als samenleving ervaren we opnieuw die onmacht waarmee we helaas weerom fout omgaan: nog meer specialisatie, nog meer medicatie, nog meer opsluiting, nog meer isolatie. We organiseren breuken tussen ouders en kinderen die nog moeilijk te herstellen zijn.”
“Die dynamiek gaat helemaal de verkeerde weg op. Een doctoraatsonderzoek besluit dat de jeugdhulp vaak onbedoeld de problemen versterkt die ze probeert op te lossen. Jeugdhulp lijkt steeds meer te maken te hebben met controle en discipline dan met hulp. Dat een deel van die jeugdhulp – de gesloten gemeenschapsinstellingen – intussen onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaams minister van Justitie, spreekt boekdelen.”
“De onderbuik van onze samenleving heeft grote honger naar orde, controle en voorspelbaarheid. We zijn die vandaag ongezond aan het voeden. We willen een lik-op-stukbeleid, ook voor jongeren die nog volop aan het opgroeien zijn. We creëren veel meer gesloten en beveiligde plaatsen dan pakweg in Nederland. Onverantwoorde ouders moeten gesanctioneerd worden. En intussen houden we het hele voortraject van uitsluiting en gemiste kansen buiten beeld. Voor mij is dan duidelijk: de samenleving moet in therapie.”
Keihard werken
“In De Wissel proberen we deze nefaste dynamieken te doorbreken vanuit een realistische ambitie: voor jongeren en gezinnen die al veel te veel begeleiders, verwijzers en organisaties achter de rug hebben, willen we een eindstation zijn, geen tussenstation. We willen als ‘hoopverleners’ niet het zoveelste breukmoment zijn in een traject. Doorverwijzen is taboe.”
“Dat is keihard werken, maar het kan. Onze hulpverleners gaan tot het uiterste om mensen in schrijnende gezinssituaties te ondersteunen, zodat ouders in staat zijn om papa of mama te blijven. Ik bewonder hulpverleners die samen met die gezinnen blijven doorzetten.”
Om dat mogelijk te maken, gaf Luc als leidinggevende zijn medewerkers alle ruimte. Vertrouwen stond centraal, regels en procedures bleven op de achtergrond. “Maar ik was ook veeleisend”, blikt Luc terug. “Discussies over afstand houden, liggen me niet. Bij De Wissel sta je heel dicht bij de jongeren en gezinnen. Dat is soms heftig en kan je emotioneel behoorlijk uitputten.”
“Ik weet dat je als hulpverlener sterk in je schoenen moet staan om daar mee om te gaan, zeker als je gezinssituaties ziet die fel contrasteren met je eigen gezin. Maar het is de enige manier om met die jongeren en gezinnen op pad te blijven gaan in een hobbelige samenleving met veel valkuilen.”
“Ik heb dus oneindig veel respect voor sociale professionals, maar benadruk tegelijk het besef dat ze er niet zijn om alle maatschappelijke vraagstukken naar zich toe te trekken en op te lossen. Sociaal werk en sociaal engagement zijn de opdracht van iedere burger. Als sociale professionals moeten we erover waken dat we niet te veel plaats innemen in de samenleving. We moeten wat meer samen leven om minder hulp te moeten verlenen.”
Daad bij het woord
Voor wie nog mocht twijfelen: Luc Deneffe is niet alleen een kritische visionair, maar ook een pragmaticus die de daad bij het woord voegt. We wandelen samen verder door Tienen en houden halt aan een oud scholencomplex waar een groep jongeren rondhangt in het Overkophuis. Ze komen meteen naar Luc en omhelzen hem hartelijk. Hetzelfde tafereel wat verderop bij ontmoetingsplek De Zwerm. Een man vertrouwt me meteen toe: “Dit is mijn plekje, beste bezoeker. Buiten De Zwerm heb ik geen familie.”
Het is geen toeval dat Luc hier meteen herkend wordt: hij zette zijn sterke schouders mee onder beide initiatieven. “Een onderzoekster trok rond in Tienen en luisterde onbevangen naar bewoners, jong en oud. Ze vroeg hen onder andere: ‘Waar kan je naartoe als je je niet goed voelt of als je problemen hebt?’ Zo verzamelde ze wel honderdvijftig plaatsen in de stad waar mensen iets voor elkaar kunnen betekenen, zoals een bankje aan een boerderij of een wolwinkelierster die weet wie een kamer ter beschikking heeft. En opvallend: niemand vermeldde een hulporganisatie.”
“Ook De Zwerm en het Overkophuis moesten plekken worden waar mensen iets voor elkaar kunnen betekenen, een aanvulling bij het ‘warmtenet’ dat we ontdekten. Als mensen in het sociale werkveld me dan vragen of De Zwerm een soort buurthuis is en of het Overkophuis een laagdrempelige jeugdhulporganisatie moet worden, zeg ik: niets van dat alles. Het Overkophuis is voor mij geen zoveelste advies- of hulpcentrum dat gerund wordt door professionele hulpverleners of experts. We zetten ons buiten de logica van vraag en aanbod en houden het Overkophuis dichtbij de jongeren zelf, als een eigen ontmoetingsplek.”
Wonderlijke samenwerking
Luc Deneffe: de directeur die gevangen zat in het web van de jeugdhulp, maar er tegelijkertijd ook wist aan te ontsnappen door te blijven dromen, zijn verbeelding overeind te houden en out of the box te werken. Terug richting station, vraag ik Luc of hij tevreden met pensioen gaat.
“Ik heb gewerkt in een fantastische organisatie die me de ruimte gaf om in de samenleving een steentje te verleggen. Onlangs zochten we onderdak voor twee jongeren in nood. Het ging als een vuurtje rond in ons netwerk en binnen de kortste tijd hadden we twee kamers. Mensen willen zich echt wel engageren, zolang ze niet lastiggevallen worden met formele zaken zoals verzekeringen of het risico beticht te worden van ontvoering van minderjarigen. Dat soort ballast belemmert vaak de solidariteit binnen de samenleving.”
“We zijn trouwens niet de enige jeugdhulpvoorziening die zo wil werken. In het CANO-netwerk ontmoette ik veel collega’s met de neus in dezelfde richting. Dat netwerk was voor mij een van de meest verrijkende samenwerkingen.”
“En met De Boomgaard bouwen we in Kessel-Lo aan een zorgdorp met wooneenheden en een krachtige buurtwerking. Wat daar gebeurt vind ik een bijzonder hoopgevend wonder. We verbinden er maatschappelijk engagement aan professionele hulpverlening. Dat project is een succes omdat wij met vier directeurs die geen tijd hadden gewoon de sleutel aan die buurt hebben gegeven. Vertrouwen en geloof in burgers die zich willen engageren en ‘het goede’ willen doen. Daar draait het om.”
Wat gebeurt er wanneer solidariteit alleen nog gerechtvaardigd is voor wie zijn pech kan bewijzen? Een samenleving die rechtvaardigheid steeds meer aan individuele verantwoordelijkheid meet, dreigt langzaam een wrokkige samenleving te worden.
De afgelopen weken ontspon zich op de papieren en virtuele pagina’s van Samenleving & Politiek een boeiend debat rond de ideologische positie van Frank Vandenbroucke. In een reactie op een artikel van Brecht Rogissart en Yannis Skalli-Housseini waarin de auteurs hem zijn ‘verbestuurlijking’ verweten, schetst Frank Vandenbroucke hoe zijn denken in de jaren 1980 geëvolueerd is, en hoe dat zijn politiek handelen tot op vandaag bepaalt. Kort gezegd komt het erop neer dat Vandenbroucke zijn visie niet langer laat steunen op een analyse van de economische en sociale verhoudingen binnen onze kapitalistisch georganiseerde samenleving, maar wel op een normatief concept van sociale rechtvaardigheid dat vervolgens enigszins gemoduleerd moet worden gegeven de weerbarstigheid van de mens zoals hij is.
Of we vandaag inderdaad geen fundamentele analyse van het kapitalisme meer behoeven ter onderbouw van onze politieke praxis, en of zo’n kritische analyse per se betekent dat we het socialisme weer in het vaarwater duwen van de verdediging van de belangen van een bepaalde klasse (en misschien is die klasse vandaag wel verdampt), dat zijn cruciale vragen waarvoor ik hier helaas de ruimte niet heb om erop in te gaan.
De kritiek die ik hier wil formuleren begint in die zin ’te laat’; opdat we niet volledig naast elkaar zouden praten, aanvaard ik even de weg die Vandenbroucke is ingeslagen en die leidt van wat we gemakshalve een ‘maatschappijkritisch geïnspireerd socialisme’ kunnen noemen, naar een ‘ethisch geïnspireerde sociaal-democratie’ (of, volgens Eric Corijn, slechts een ‘sociaal-liberalisme’). Het is het rechtvaardigheidsbegrip dat Vandenbroucke hanteert dat ik hier onder de loep wil nemen.
Allicht is voor hem mijn kritiek oud nieuws: voor mezelf helpt de formulering misschien om mijn eigen denken te verhelderen.
Van structuuranalyse naar rechtvaardigheid
Het ankerpunt van het politiek handelen van Vandenbroucke is dus een bepaald normatief begrip van sociale rechtvaardigheid, dat vertrekt van het onderscheid tussen ‘keuze’ en ‘omstandigheden’, tussen ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘geluk’. Bovendien legt hij er de nadruk op, mijns inziens terecht, dat we rekening moeten houden “met hoe mensen zich feitelijk gedragen in de concrete samenleving”: dus met de weerbarstigheid van de mens, en de weerbarstigheid van de wereld.
Zijn begrip van sociale rechtvaardigheid is echter minder vanzelfsprekend dan op het eerste gezicht kan lijken, en botst precies op die weerbarstigheid van de mens, met kwalijke gevolgen voor de manier waarop we ons tot elkaar verhouden in onze samenleving.
In zoverre Frank Vandenbroucke gelijkheid als een fundamentele waarde begrijpt, schrijft hij zich in de socialistische traditie in. De vraag is natuurlijk hoe we ‘gelijkheid’ als politieke waarde invullen, wat we verstaan onder gelijkheid als een politiek of moreel na te streven ideaal. Hij verwerpt ‘gelijke uitkomsten’ als een vanzelfsprekend foute invulling van dat begrip; het gemak waarmee hij dat doet, toont alleszins hoezeer hij gelijkheid minstens in deze context louter denkt in termen van middelen waarover we al dan niet beschikken. Zijn bezwaar tegen gelijke uitkomsten als politiek na te streven ideaal is al even vanzelfsprekend: het botst met ons rechtvaardigheidsgevoel dat de uitkomst van ons handelen telkens gelijkgetrokken wordt, ongeacht wat we doen of laten. Bovendien kan men zich de vraag stellen waarom we nog wat zouden ondernemen, als men de vruchten die we van onze nijver en vlijt willen plukken voor onze neus weggraait om te geven aan wie zich overgaf aan een luilekkerleventje.
Goed – maar hoe moeten we gelijkheid dan wél begrijpen?
Hier grijpt Vandenbroucke terug naar de traditie van het liberaal egalitarisme, of ‘luck egalitarianism‘, zoals dat ontwikkeld werd door onder andere Ronald Dworkin en G.A. Cohen, en dat we -zeer vereenvoudigend gesteld- een vertoog kunnen noemen dat ‘gelijke kansen’ naar voor schuift als normatief ideaal.
Fundamenteel voor deze positie is het onderscheid tussen enerzijds omstandigheden die buiten de controle van het individu liggen (‘luck’), en anderzijds de keuzes die het individu zelf maakt (‘choice’); dit onderscheid vormt de normatieve basis voor aanspraken op solidariteit. Iemand heeft slechts recht op de solidariteit van de gemeenschap in zoverre zijn noden en behoeften níet het resultaat zijn van zijn eigen keuzes. Een faire verdeling van de middelen in de samenleving moet een weerspiegeling zijn van de keuzes die mensen maken, en niet van omstandigheden buiten hun controle om. De mens wordt als het ware voor zijn verantwoordelijkheid geplaatst: hij krijgt wat hij verdient. Door de staat afgedwongen herverdeling van middelen is dus slechts gerechtvaardigd in zoverre het brute pech compenseert.
De grenzen van ‘luck egalitarianism’
Er vallen wel wat bezwaren te bedenken tegen ‘luck egalitarianism‘ als theorie van sociale rechtvaardigheid waar ik hier niet verder op inga: wat, bijvoorbeeld, met de miserie waarin iemand belandt door zijn eigen foute keuzes?, vraagt deze visie niet dat we hem aan zijn lot moeten overlaten? Neen, kan men als ‘luck egalitarian’ antwoorden: ‘fairness’ is niet de enige waarde die in een rechtvaardige samenleving vorm moet krijgen; er kan -er moet- ook plaats zijn voor mededogen.
En wat met de radicaal verschillende omstandigheden waarin mensen hun keuzes maken: hoe kunnen we hun verantwoordelijkheid evalueren, hoe kunnen we oordelen of zij recht hebben op onze solidariteit, wanneer hun beginsituatie zo verschillend is? Wel, zal men zeggen, een rechtvaardige samenleving vraagt inderdaad dat we streven naar een gelijk speelveld waarbinnnen mensen vervolgens hun keuzes kunnen maken: alleen dan kunnen verschillende uitkomsten ook effectief de weerspiegeling zijn van hun eigen verantwoordelijkheid, en dus rechtvaardig, en kunnen we bijsturen waar nodig. Maar hier is het probleem dan weer dat de posities die personen innemen op het ene moment het resultaat zijn van uitkomsten op een eerder moment: komt het streven naar het gelijktrekken van het speelveld dan niet neer op het gelijktrekken van uitkomsten op dat eerdere moment – een gelijkheidsstreven dat eerder werd verworpen als vanzelfsprekend onhoudbaar?
En als dat níet zo is, welke inhoud hebben in de politieke praktijk zo vlot gebezigde frasen als ‘het effenen van het speelveld’ of ‘iedereen gelijk aan de start’ dan nog, behalve die van een leeg retorisch gebaar waar men verder geen enkele waarde of betekenis aan hecht? Dat ideologische tegenpolen van Frank Vandenbroucke hier precies dezelfde taal hanteren als hij kan men hem natuurlijk niet verwijten, maar het roept wel de vraag op hoe het komt dat het ‘gelijke kansen’-vertoog zo vlot gehanteerd kan worden binnen een visie die allesbehalve de zijne is.
Hier wil ik echter dieper ingaan op een andere moeilijkheid. Absoluut cruciaal in de visie op sociale rechtvaardigheid zoals die geformuleerd wordt in het ‘luck egalitarianism’ is de lijn die we trekken tussen omstandigheden en keuze: waar eindigt de rol van omstandigheden waarvoor het individu niet verantwoordelijk gehouden kan worden en waar begint zijn eigen verantwoordelijkheid?
Waar ligt de verantwoordelijkheid?
‘Luck egalitarianism’ heeft aanleiding gegeven tot een bloeiende literatuur waarin het wemelt van de hypothetische voorbeelden en abstracte tegenvoorbeelden om dit onderscheid helder te krijgen – helaas zonder al te veel succes.
Het uitgangspunt is nochtans eenvoudig genoeg: als jij een noeste werker bent, en ik liever in mijn zetel lig, dan kan ik niet eisen dat jij je verdiensten afstaat aan mij. Maar wat met verschillen in talent, of karakter? Waar trekken we de lijn en bakenen we de invloed af van genen, van opvoeding, van omgeving? Als jij een aardig potje kunt voetballen, terwijl ik nog geen deuk in een pakje boter trap: geeft dat dan aanleiding tot compensatie? En als jij niets liever doet dan dag in dag uit een bal tegen de muur te trappen tot je wordt opgepikt door een grote club waar je het grote geld kunt verdienen: in welke zin is dat dan jouw verantwoordelijkheid, jouw keuze, jouw verdienste?
Ronald Dworkin geeft hier het voorbeeld van een persoon die een lager-betaalde baan aanneemt: vermits hij voor die baan gekozen heeft wetende dat zij slecht betaalt, geeft het lage loon hem geen aanspraak op compensatie tegenover een grootverdiener. Maar blijven hier geen cruciale dimensies achterwege? Waarom kiest iemand voor die baan, en niet voor een baan die beter betaalt? Heeft hij dat dan zomaar voor het kiezen? En waarom betaalt die baan zo slecht, terwijl in een andere job het veelvoud verdiend kan worden? Zijn marktuitkomsten dan ipso facto rechtvaardige uitkomsten? Ongewild leidt onze analyse van sociale rechtvaardigheid in termen van ‘luck egalitarianism‘ ons zo toch weer tot de noodzaak om de werking van de marktmaatschappij zélf aan een kritische analyse te onderwerpen, en blijkt dat we het ons dus niet kunnen veroorloven om onze politieke praxis níet te steunen op een analyse van de concrete economische en sociale verhoudingen in onze kapitalistisch georganiseerde maatschappij (wat nog niets zegt over de uitkomst van zo’n kritische analyse).
Blijkt het in theorie en met sterk vereenvoudigde hypothetische voorbeelden al moeilijk om het veld van eigen verantwoordelijkheid af te bakenen van het domein van omstandigheden die buiten onze controle vallen, dan hoeft het geen betoog dat het in de praktijk al helemaal ondoenbaar is om de rol van eigen keuze en de bijdrage van externe factoren in een situatie uit elkaar te rafelen, en vast te stellen in hoeverre die situatie iemands eigen verantwoordelijkheid is, in hoeverre het ‘buiten zijn schuld om’ gebeurde. Frank Vandenbroucke erkent wel die complexiteit en praktische moeilijkheid om in concrete situaties de lijn te trekken, maar ziet daarin nog geen reden om het onderscheid tussen verantwoordelijkheid en ‘luck’ als normatieve basis voor het politieke handelen op te geven. Maar wat betekent een normatief houvast voor het politieke handelen, als het ons in de praktijk en in concrete situaties niet toelaat om te bepalen wat rechtvaardigheid van ons vraagt?
Het klopt natuurlijk dat we onszelf en elkaar in de dagelijkse omgang voortdurend verantwoordelijk houden en ter verantwoording roepen: het is constitutief voor wie we zijn als mens dát we verantwoording kunnen afleggen voor wat we doen en laten. Een ervaring van de wereld als onbeheersbaar, als niet te bemeesteren, impliceert een totale vervreemding ten aanzien van de wereld, en is psychologisch onleefbaar. Het punt is dus niet dat niets onze verantwoordelijkheid zou zijn: het punt is dat principieel onbeslisbaar is waar we de grens trekken.
De reactieve attitudes die ons leiden in de beoordeling van concrete, individuele situaties waarmee we in ons dagelijkse leven geconfronteerd worden, reactieve attitudes waarvan we zelf ook wel weten dat zij feilbaar zijn en die voortdurend bijgesteld worden naarmate we een beter zicht krijgen op de omstandigheden waarin iemand handelt, zijn niet zonder meer overdraagbaar op het abstracte, ‘universele’ niveau waarop de politieke autoriteit de regels moet vastleggen om ‘keuze’ voor eens en voor al te onderscheiden van ‘omstandigheden’, ‘verantwoordelijkheid’ van ‘bruut geluk’. Hoe we in de politieke praxis de grens trekken, en waar we de grens trekken, is daar zélf een ideologisch bepaalde keuze, geen neutrale vaststelling van objectieve feiten; het onderscheid waarop deze normatieve theorie van sociale rechtvaardigheid steunt, is zo zelf al de belichaming van een ideologie die in ‘luck egalitarianism‘ echter volledig buiten beeld blijft.
Van rechtvaardigheid naar controle
De nadruk die ‘luck egalitarianism’ en het ‘gelijke kansen’-vertoog leggen op de rol van ‘eigen verantwoordelijkheid’ als beoordelingscriterium voor aanspraken op de solidariteit van de gemeenschap is zelf zowel symptoom als oorzaak van het in de vergetelheid raken van onze onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid, en van de idee dat we als gemeenschap verantwoordelijk kunnen zijn voor het lot dat iemand treft, ten kwade of ten goede, zonder dat dit iemands ‘schuld’ of ‘verdienste’ hoeft te zijn. De blik verschuift naar het allerindividueelste gedrag van de allerindividueelste persoon: alsof we in een poging om zo correct mogelijk te bepalen wat de rol is van keuze en eigen verantwoordelijkheid in iemands lot, en welk recht hij dus heeft op onze solidariteit, vooral ‘beter moeten kijken’, het individu onder de microscoop van de politieke autoriteit moeten leggen. Hoe meer we weten van zijn doen en laten, hoe meer we zijn gedrag kunnen controleren en waar nodig bijsturen, hoe rechtvaardiger ons ingrijpen.
Allicht onbedoeld leidt de rechtvaardigheidstheorie die ontwikkeld wordt in ‘luck egalitarianism’, door de focus die zij legt op de eigen verantwoordelijkheid, in de politieke praxis tot een disciplinerende surveillance-maatschappij, terwijl de sociale structuren die onze maatschappij en ons lot vormgeven volledig uit het blikveld van het politieke handelen en ingrijpen verdwijnen. Paradoxaal genoeg eindigt een normatieve theorie die start met het intuïtief plausibele idee om verantwoordelijkheid centraal te plaatsen zo met het verhullen van de sociale structuren waarbinnen we ons bewegen als iets waarvoor we als gemeenschap verantwoordelijkheid kunnen nemen: onze marktmaatschappij verschijnt als een bruut feit waar we machteloos tegenover staan.
Ook op het niveau van de individuele persoon doet zich een gelijkaardige paradox voor: opdat iemand recht zou hebben op onze solidariteit vereist ‘luck egalitarianism’ dat zijn lot het gevolg is van omstandigheden die niet zijn eigen keuze zijn. Men moet als het ware z’n uiterste best doen om te tonen wat men níet kan, men moet bewijzen hoezeer de maatschappij níet zit te wachten op uw bijdrage – men moet hulpeloos zijn opdat men hulp zou verdienen. Alleen voor zover we geen controle hebben over de eigen situatie, alleen voor zover we machteloos zijn tegenover wat ons overkomt, kunnen we aanspraak maken op de solidariteit van de gemeenschap. Maar het is precies deze ervaring van machteloosheid, hebben we gezien, deze ervaring van een wereld als onbeheersbaar, die ons vervreemdt van onze eigen plaats in de wereld, en die bijzonder zwaar is om dragen. Het is een ironische omkering van wat emancipatorisch bedoeld was …
De verschuiving die deze theorie bewerkstelligt in ons begrip van sociale rechtvaardigheid, van het niveau van een structuuranalyse van de samenleving naar het niveau van het gedrag van de individuele persoon, haakt zo wel degelijk in op een fundamentele basiservaring van de mens: we moeten onszelf kunnen begrijpen als handelend in de wereld.
Hoe rechtvaardigheid wrokkig wordt
Dit idee, dat we verantwoordelijk zijn voor wat wij bereiken in de wereld, is echter niet perfect symmetrisch. Wat ons ten goede gebeurt, zullen wij toeschrijven aan ons eigen handelen, terwijl onze mislukkingen ons overkomen ondanks onze inspanningen. “Nothing dies harder than the desire to think well of oneself,” schrijft T.S. Eliot ergens. Dit verlangen om het goede van zichzelf te denken is geen moreel falen of een psychologische zwaktes, maar sluit precies aan bij de noodzaak om de wereld als beheersbaar te ervaren om onszelf overeind te houden in de chaos van die wereld. Wie wat hem ten goede gebeurt niet beleeft als het resultaat van zijn eigen handelen, maar slechts als bruut geluk, dreigt uiteindelijk net zo goed ten onder te gaan aan zijn ervaring van machteloosheid en vervreemding.
Dat maakt de mens echter behoorlijk weerbaarstig voor een theorie van sociale rechtvaardigheid die aansluiting zoekt bij deze fundamentele basiservaring van de mens. ‘Luck egalitarianism‘ stelt immers dat iemand slechts recht heeft op de solidariteit van de gemeenschap in zoverre zijn noden en behoeften níet het resultaat zijn van zijn eigen keuzes, en dat door de staat afgedwongen herverdeling van middelen slechts gerechtvaardigd is in zoverre het brute pech compenseert. Omgekeerd geldt dan ook dat alleen ‘bruut geluk’ een gerechtvaardigde aanleiding kan geven aan de staat om middelen af te romen: als wat we bereikt hebben in het leven ‘onze eigen verdienste’ is, het resultaat van onze inspanningen en van de juiste keuzes die we gemaakt hebben in het leven, dan horen deze verdiensten ook buiten het bereik van de herverdelende greep van de staat te blijven. Als het echter inderdaad zo is dat wij haast niet anders kunnen dan wat ons ten goede overkomt aan ons eigen toedoen toe te schrijven, terwijl ons falen te wijten is aan omstandigheden buiten onze controle om – dan ziet een herverdelende staat die zichzelf rechtvaardigt door steun te zoeken bij theorieën als ‘luck egalitarianism’ zich voor een enorm probleem geplaatst.
Wat wij verdienen, begrijpen we immers als onze eigen verdienste: het is onze eigen verantwoordelijkheid, het resultaat van onze eigen keuzes – en hoe voordeliger onze positie in de wereld, hoe gretiger we zullen verdedigen dat verschillen in sociale positie verschillen in verdienste weerspiegelen. Een theorie van sociale rechtvaardigheid die steunt op het onderscheid tussen ‘verantwoordelijkheid’ en ‘luck’ haakt hier op zo’n wijze in op diepe structuren van de menselijke ervaring van de wereld en van zichzelf in de wereld, dat zij -onbedoeld- de legitimatie wordt van sociaal verschil. En wanneer onze goede positie in de wereld geen ‘bruut geluk’ is, maar onze eigen verdienste, dan moeten de verdiensten die daarbij horen ook buiten de greep van de herverdelende staat blijven, op straffe van een inbreuk op wat deze theorie zelf rechtvaardig en legitiem noemt. Waar de dwingende macht van de herverdelende staat desondanks ingrijpt in onze verdiensten, zullen wij ons tekortgedaan voelen.
Bovendien projecteren we ook onze eigen positie op de ander, die een beroep wil doen op onze solidariteit: als wij onze positie te danken hebben aan onze eigen keuzes, is het dan niet zo dat ook hij zijn positie te wijten heeft aan zíjn eigen keuzes? En als dat zo is, heeft hij geen recht op onze solidariteit … Deze rechtvaardigheidstheorie bouwt zo een diepe argwaan in tegenover de ander, een wantrouwige interesse in zijn doen en laten, in de keuzes die hij gemaakt of nagelaten heeft. Zijn beroep op onze solidariteit is intrinsiek verdacht, en rechtvaardigt de inzet van de disciplinerende surveillance-staat om hem in al zijn stappen te controleren.
Maar omgekeerd geldt ook dat wie inderdaad getroffen wordt door brute pech, wie machteloos en hulpeloos de slagen van het lot moet ondergaan, deze ervaring zal projecteren op de ander, en diens positie als even onverdiend zal zien als de eigen positie, het resultaat van de willekeur van het rad van fortuin. Het wantrouwen van de fortuinelijke tegenover het beroep van de onfortuinlijke op de solidariteit van de gemeenschap, de argwaan waarmee zijn leven onder de microscoop van de politieke macht wordt gelegd, zal hij ervaren als diep vernederend, een wel erg hoge prijs voor de schamele ondersteuning die hij er maar voor krijgt. Ook hij zal zich tekortgedaan voelen.
In een lezing die Frank Vandenbroucke vorig jaar gaf aan Oxford, verbaast hij er zich over hoe zelfs na de covid-crisis het politieke debat zich al snel weer toespitste op individuele verantwoordelijkheid, het probleem van moral hazard, de potentieel onrechtmatige aanspraken op onze solidariteit. Die verbazing wekt zelf verbazing.
Individuele verantwoordelijkheid en keuze als normatieve richtlijn nemen voor de politieke praxis leidt immers recht naar de wrokkige samenleving. Dat is geenszins de bedoeling van ‘luck egalitarianism‘, hij zal wellicht opmerken dat zulks zelfs gebaseerd is op een flagrante misvatting van wat ‘luck egalitarianism’ eigenlijk inhoudt, maar het is wel wat er gebeurt wanneer we deze rechtvaardigheidstheorie loslaten in onze geïndividualiseerde samenleving, waaruit het idee van lotsverbondenheid verdwenen is – mede doordat deze normatieve theorie het politieke handelen in onze samenleving is gaan bepalen.
De federale regering verwacht vandaag het rapport van het Monitoringcomité over de staat van de begroting. Die cijfers zullen de basis vormen van de begrotingsonderhandelingen de komende weken en wellicht maanden. Eén ding is al duidelijk: ons land krijgt voortdurend alarmsignalen over de begroting en ook hier zal dat niet anders zijn. Maar wie zendt die signalen uit? En hoe ziet een begrotingsjaar eruit?
We moeten het rapport van het Monitoringcomité niet afwachten om het te weten. De federale regering moet nog eens op zoek naar miljarden euro’s in een poging om onze begroting op orde te krijgen. Alle alarmpeilen staan al een hele tijd op rood.
Maar van wie komen die alarmsignalen? Wie zijn dus die bewakers van de begroting? En hoe ziet een typisch begrotingsjaar er precies uit voor de federale regering? VRT NWS zet voor jou even alles op een rij. Omwille van de duidelijkheid focussen we hier dus enkel op het traject van de federale regering.
Klik hieronder de tijdslijn open van een typisch begrotingsjaar voor de federale regering. We starten in juni, omdat er vanaf dan rapporten komen die de basis vormen voor de begroting van het volgende jaar:
Europese NAVO-landen hebben hun defensie-uitgaven gemiddeld met 20 procent opgetrokken in vergelijking met het jaar ervoor. Dat blijkt uit de meest recente cijfers. Op de NAVO-top in Den Haag vorig jaar beloofden de lidstaten een hogere (financiële) inspanning te leveren voor defensie en veiligheid, tot 5 procent van het bbp. Sommige landen investeren in gloednieuwe wapensystemen, andere in megaprojecten, maar lang niet iedereen doet dezelfde duit in het zakje.
De jaarlijkse NAVO-top – dit keer in Ankara, Turkije – nadert en veel lidstaten maken daarom de balans op. Een jaar geleden beloofden ze in Den Haag, onder druk van de Amerikaanse president Donald Trump, om hun defensie-investeringen op te krikken. Al jaren klinkt vanuit de Verenigde Staten de kritiek dat te veel Europese landen de Amerikaanse veiligheidsparaplu als vanzelfsprekend beschouwen en zelf te weinig bijdragen aan hun eigen verdediging.
De meest recente cijfers tonen een duidelijke breuk met dat verleden. De defensie-uitgaven van Europese NAVO-landen stegen in 1 jaar tijd met maar liefst 20 procent tot ongeveer 514 miljard euro. Dat staat in rapporten van de NAVO , het Zweedse vredesinstituut SIPRI en de Amerikaanse denktank Atlantic Council . Men spreekt van de sterkste stijging sinds de jaren 50.
Tegelijk daalden de totale Amerikaanse defensie-uitgaven met ongeveer 7,5 procent tot zo’n 800 miljard euro. Dat betekent niet dat de VS plots fors bespaart op het leger. De daling komt vooral doordat het Congres geen nieuwe grote steunpakketten voor Oekraïne heeft goedgekeurd.
Toch is het symbolische effect enorm: voor het eerst nemen Europese landen zelf massaal meer verantwoordelijkheid op.
Oost-Europa domineert
Vooral aan de oostflank van de NAVO is sprake van een ware mobilisatie. Polen loopt voorop en besteedt inmiddels ongeveer 4,5 procent van zijn bbp aan defensie. Ook Letland en Estland investeren uitzonderlijk zwaar. Die landen voelen de dreiging vanuit Rusland veel directer en reageren daar ook op.
Opvallend is ook Noorwegen: voor het eerst in de NAVO-geschiedenis geeft een Europees land per inwoner meer uit aan defensie dan de Verenigde Staten. In Noorwegen draagt elke inwoner ongeveer 3.000 euro af aan het Noorse defensieapparaat, terwijl dat in de VS ongeveer 2.500 euro is.
Ter vergelijking: bij ons draagt elke (belastingbetalende) Belg zo’n 1.000 tot 1.200 euro per jaar bij (bij een gemiddeld Belgisch inkomen).
De grootste verschuiving komt echter uit Duitsland. Dat land verhoogde zijn defensiebudget met 24 procent tot ongeveer 97 miljard euro en werd zo de grootste defensie-investeerder van Europa.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.