Heeft het zin om jarenlang op de schoolbanken te zitten? Toch wel: iemand met een diploma hoger onderwijs verdient van bij de start al een stuk meer dan iemand die niet heeft verder gestudeerd. En ook later stijgt zijn/haar loon aanzienlijk sneller. Een overzicht…
Iemand zonder diploma hoger onderwijs verdient gemiddeld 3.676 euro bruto per maand, zo blijkt uit het Jobat Salariskompas. Ter vergelijking: het algemeen gemiddeld brutomaandloon in België bedraagt 4.420 euro en iemand met een professionele bachelor op zak mag rekenen op een maandelijks gemiddeld brutoloon van 4.168 euro.
Naar de universiteit gaan vs. naar een hogeschool is bovendien nóg lucratiever. Een academische bachelor levert namelijk gemiddeld 4.611 euro bruto per maand op, oftewel 10,63% meer dan iemand met een professionele bachelor. Werknemers die hun academische master hebben gehaald, krijgen later een gemiddeld brutomaandloon van 5.131 euro. Dat is 23,10% hoger dan het gemiddeld brutomaandloon van professionele bachelors en zelfs 39,58% hoger dan dat van werknemers zonder diploma hoger onderwijs.
Diploma Gemiddeld brutoloon
Geen diploma hoger onderwijs 3.676 euro
Professionele Bachelor (Hogeschool) 4.168 euro
Academische Bachelor (Universiteit) 4.611 euro
Academische Master (Universiteit) 5.131 euro
Vergelijking 2025 vs. 2019
Door de jaren heen zijn deze lonen trouwens allemaal mooi gestegen, voor de hoogst opgeleiden nog net iets meer. Anno 2019 moest iemand zonder diploma hoger onderwijs tevreden zijn met een brutomaandloon van gemiddeld 2.899 euro. Vandaag verdient hij/zij dus precies 26,8% meer.
Een professionele bachelor verdiende in 2025 van zijn/haar kant 26,76% meer dan in 2019, toen het gemiddeld brutomaandloon nog 3.288 euro bedroeg. Academische bachelors vs. academische masters zagen hun salaris stijgen met respectievelijk 24,49% en 25,76%. In 2019 bedroeg hun gemiddeld brutomaandloon immers nog 3.704 euro (Ac. bachelor) en 4.080 euro (Ac. master).
Verdien jij zoals het hoort? Vergelijk je loon met dat van anderen dankzij het Jobat Salariskompas
Loonevolutie
Ten slotte leggen hoger opgeleiden ook een sterkere loonevolutie af in hun eigen loopbaantraject. Van start tot einde zien zij hun salaris meer dan verdubbelen (+149,16%). Een academische master start immer gemiddeld op 3.102 euro bruto per maand en mag na 30 jaar ervaring rekenen op 7.729 euro bruto per maand op zijn/haar loonbrief.
Iemand zonder een diploma hoger onderwijs start op 2.728 euro en ziet zijn/haar salaris slechts mondjesmaat groeien, tot uiteindelijk gemiddeld 4.326 euro bruto per maand, wat een stijging van slechts 58,58% bedraagt.
Bachelors zitten daar middenin. Als professionele bachelor mag je uitgaan van een loonevolutie van +104,66%, zijnde 2.790 euro aan de start, 5.710 euro na 30 jaar ervaring.
Academische bachelor zien hun bruto maandloon tijdens hun loopbaan van 2.747 euro naar 6.576 euro evolueren, een groei van 139,39% in 30 jaar tijd.
Dus ja, verder studeren en een hoger diploma (proberen) behalen loont inderdaad, vanaf de start én ook later in je loopbaan. Je weet dus waarom je studeert of gestudeerd hebt..
Maar daarmee willen we niet zeggen dat een goede vakman ook niet behoorlijk zijn brood kan verdienen.
Storend gedrag in de klas kost lestijd, leidt tot conflicten en vreet aan de motivatie van leraren. Hoe brengen we weer rust in de klas? Expert Kristof Das: “Wees warm én duidelijk. Met de nadruk op en.”
Kristof Das (docent UCLL en begeleider Campus MAX Middenschool, Tessenderlo): “Zijn leerlingen stouter dan vroeger? Hebben we meer problemen met gezag? De verzuchting over stijgend storend gedrag hoor je bij heel wat leraren. Wat niet toegenomen lijkt: ernstig grensoverschrijdend gedrag, zware feiten. Die uitzonderlijke gevallen bestonden vroeger ook al.”
“Wanneer we kijken naar storend gedrag in de klas, zien we een ander beeld. In het internationale TALIS-onderzoek uit 2024 geven leraren aan dat ze steeds meer tijd spenderen aan klasmanagement en ordehandhaving. We spelen daardoor in de eerste graad secundair per les gemiddeld 14 minuten kwijt. Daarmee bengelen we in Europa achteraan.”
“Of er vroeger meer respect was voor leraren? Het klopt alleszins dat je toen bij je diploma een pakketje autoriteit cadeau kreeg. Leerlingen, ouders, bij uitbreiding de hele maatschappij vond: de juf of meester heeft het bij het rechte eind. En viel er een sanctie op school, dan spelden ze je thuis nóg eens de les. Dat is vandaag niet meer zo. Ouders stellen je gezag in vraag. Leerlingen zijn mondiger. En leraren geven aan dat klasmanagement steeds meer energie vraagt.”
Hoe verklaar je dat storend gedrag in de klas toeneemt?
Kristof Das: “In dat debat – en in elke lerarenkamer – hoor je vaak 2 geluiden. Aan de ene kant de psychologische insteek. Die vertrekt vanuit een individuele, soms diagnostische benadering: storend gedrag in de klas als iets wat je leerling per leerling bekijkt en probeert op te lossen. Terwijl elke leraar weet dat moeilijk gedrag in de klas best meevalt als je een leerling 1-op-1 hebt, maar iets heel anders is in een hele klasgroep. Als leraar voel je je machteloos wanneer de focus te sterk op een individuele benadering ligt: ‘Zóveel kinderen met bijzondere noden, ik ben daar niet voor opgeleid’.”
“In de andere hoek staat de sociologische, breed maatschappelijke benadering. Die wijst naar gezinnen in armoede, veranderende waarden, kinderen die nooit een nee krijgen. En leraren die het in hun eentje moeten rooien in een samenleving die hen niet meer respecteert. Ook aan die boodschap heb je als leraar weinig. Want ongelijkheid en andere wereldproblemen los je in je klas niet op met een vingerknip.”
“Gelukkig is er iets wat leraren en scholen wél zelf in handen kunnen nemen: hun pedagogische aanpak, de kracht van goed lesgeven. Die stem kreeg in het debat de voorbije jaren te weinig aandacht. Onterecht, want op wat er in je les gebeurt, heb je als leraar wel impact. Goed lesgeven kan ook als de omstandigheden tegenzitten. Of als de noden van individuele leerlingen hoog zijn.”
Hierover publiceerde Els Van Emelen een bespreking van een artikel uit Knack.
Els Van Emelen, is wiskundedocent en onderzoeker bij UCLL, en het artikel verscheen op 6 december 2024.
Korte samenvatting De kernboodschap is dat de dalende wiskundeprestaties in Vlaanderen volgens Van Emelen niet door één oorzaak komen. Ze wijst vooral op drie problemen: Te veel versnippering van de leerstof Leerlingen leren technieken en trucjes, maar begrijpen onvoldoende de onderliggende wiskundige verbanden. Daardoor herkennen ze eenzelfde principe niet wanneer het in een andere vorm terugkomt. Wiskunde zou juist moeten draaien om patronen, structuren, logica en verbanden. Te veel voorstructurering Werkboeken en oefeningen geven leerlingen vaak al tabellen, schema’s en voorgeschreven denkstappen. Dat maakt oefeningen gemakkelijker, maar neemt tegelijk een deel van het denkwerk weg. Volgens Van Emelen zijn fouten maken, zoeken en worstelen met een probleem juist belangrijke onderdelen van leren. De lat ligt te laag Door de nadruk op haalbare minimumdoelen wordt volgens haar te weinig verder gebouwd op wat leerlingen al kunnen. Ze geeft breuken als voorbeeld: leerlingen krijgen minder complexe wiskundige bewerkingen aangeboden dan vroeger. Haar argument is dat leerlingen juist door met moeilijkere leerstof te oefenen, de basis beter kunnen beheersen.
Wat moet er volgens haar veranderen? Van Emelen pleit voor een wiskundeonderwijs dat opnieuw sterker inzet op diep begrip in plaats van alleen het correct uitvoeren van procedures.
Concreet betekent dat: meer aandacht voor samenhang en leerlijnen; leerlingen laten ontdekken waarom een methode werkt; meer ruimte voor zelfstandig denken en fouten maken; open problemen waarbij verschillende oplossingsstrategieën mogelijk zijn; leerlingen hun redenering laten uitleggen en bespreken; niet bang zijn om leerlingen leerstof boven het minimum aan te bieden; meer vakinhoudelijke opleiding en professionalisering van leerkrachten.
Een belangrijke nuance is dat “de lat hoger leggen” volgens haar niet betekent dat elk kind hetzelfde hoge niveau moet halen. Ze vergelijkt het met zwemmen: als je wilt dat iedereen 25 meter kan zwemmen, moet je leerlingen niet na 25 meter uit het zwembad halen, maar ook laten oefenen op langere afstanden. Niet iedereen zal 100 meter halen, maar die extra uitdaging kan ervoor zorgen dat meer leerlingen de 25 meter bereiken.
Een interessant praktijkvoorbeeld Het artikel beschrijft een basisschool in Beringen waar UCLL leerkrachten begeleidt bij het wiskundeonderwijs. Leerkrachten krijgen wekelijks tijd voor overleg en professionalisering. De resultaten van de leerlingen op de OVSG-toets wiskunde stegen daar tot ongeveer 10% boven het vroegere gemiddelde. Ook Nederlands en wereldoriëntatie gingen erop vooruit. (LinkedIn)
In één zin Volgens Van Emelen moeten we minder focussen op leerlingen zo snel mogelijk naar het juiste antwoord leiden, en meer op hen leren denken, redeneren en verbanden leggen — met hogere verwachtingen, diepere kennis en sterkere vakinhoudelijke ondersteuning van leerkrachten.
In de lagere school blijven leerlingen het vaakst zitten in het eerste leerjaar: ruim 1 kind op de 20 deed het eerste leerjaar vorig jaar opnieuw, blijkt uit cijfers van het Departement Onderwijs. Dat cijfer zou kunnen dalen nu kleuters op het einde van de derde kleuterklas verplicht kunnen worden om een jaar langer in de kleuterklas te blijven.
Ongeveer 1 op de 20 leerlingen in het eerste leerjaar blijft zitten, veel meer dan in de andere jaren van de lagere school. Onderwijspersoneel zegt dat kinderen die te vroeg naar het eerste leerjaar gaan, vaker vastlopen, en dat de derde kleuterklas vaak een betere plaats is om zich verder te ontwikkelen.
Vanaf komend schooljaar kunnen kinderen tegengehouden worden vóór ze naar de lagere school gaan: het advies van de kleuterschool wordt bindend. Vorig schooljaar was 5,6 procent van de leerlingen in het eerste leerjaar een ‘zittenblijver’. Dat cijfer schommelt een klein beetje, maar het is al jaren gelijkaardig. Opvallend, want van het tweede tot het zesde leerjaar ligt dat veel lager. “In ons eerste leerjaar wordt echt de basis gelegd voor wat daarna komt, voor taal, voor rekenen”, vertelt professor Mieke Goos van UHasselt, die zittenblijven in het eerste leerjaar onderzocht. “Tellen tot 10, letters kennen, woorden vormen … Als het bij die basis fout loopt in het eerste leerjaar is dat een van de voornaamste redenen dat er voor leerlingen beslist wordt om hen niet te laten doorstromen.” “Waar veel scholen ook rekening mee houden, zijn de mogelijkheden die ze hebben om verhoogde zorg te geven, en de mogelijkheden thuis om extra begeleiding buiten school te voorzien.” En dan kunnen ze beslissen dat een leerling niet door mag stromen. Ook juf Selina van het eerste leerjaar in Antwerpen geeft zowat elk schooljaar 1 leerling in haar klas de boodschap dat die het jaar opnieuw moet doen. “Vaak gaat het om leerlingen die we al wilden tegenhouden op het einde van de derde kleuterklas omdat ze nog niet schoolrijp zijn.”
Niet schoolrijp, toch door En toch gaan die kinderen vaak door, want “ouders hadden tot nu de keuze om hun kind toch in het eerste leerjaar in schrijven, ook als we anders adviseren”, verklaart juf Selina. Het advies van de klassenraad is in die derde kleuterklas nog niet bindend, in tegenstelling tot het advies in het eerste leerjaar. Ouders hebben liever dat hun kind al ‘leert in plaats van speelt’, maar in de derde kleuterklas wordt ook al ingezet op leren
Elke Allard, schooldirecteur van kleuterschool Hoeven in Kasterlee, ziet hoe ouders hun kleuters meestal toch laten doorstromen ondanks advies om in de kleuterklas te blijven. “Vaak loopt het daarna mis. Kinderen die te vroeg naar het eerste leerjaar gaan, haken af, vooral als ze sociaal nog heel jong en speels zijn, en dan ‘op de klok’ moeten werken in de lagere school.” Serena ziet als zorgcoördinator bij de kleuters en het eerste leerjaar in een gemeenteschool in Asse ook hoe het eerste leerjaar soms te hoog gegrepen is. “De nodige rekenvaardigheden, de eerste letterherkenning, … soms is het een verhaal van kennis, maar soms merken we ook dat kinderen sociaal-emotioneel nog niet klaar zijn om over te gaan naar het eerste leerjaar. Sommige kinderen hebben langer tijd nodig om daarin te groeien.”
In de derde kleuterklas is er een wisselwerking tussen spelen en leren. En net daarvoor dient voor haar de derde kleuterklas. “Een derde kleuterklas is nog een wisselwerking tussen spelen en leren. Er wordt sterk ingezet op de werkhouding: gericht kunnen luisteren, mooi aan tafel zitten, een werkje maken … Maar er zijn ook nog momentjes om te spelen, en dat spelen is minder aan de orde in het eerste leerjaar.” Ouders zien dat vaak zwart-wit, legt juf Selina uit. “Ze geven aan dat ze liever hebben dat hun kind toch al leert in plaats van speelt. Die perceptie is jammer, want in de derde kleuterklas wordt – op een speelse manier – al heel sterk ingezet op leren. De nieuwe minimumdoelen voor kleuters maken voor ouders nu hopelijk al duidelijker dat we ook van kleuters veel verwachten en dat ze dus ook veel kunnen leren van een extra jaar in de derde kleuterklas.”
Advies wordt bindend, maar is dat de oplossing? Aan het eind van komend schooljaar wordt het advies van de kleuterschool bindend. In theorie zullen minder kinderen dan het eerste leerjaar moeten overdoen, omdat ze in de kleuterschool die extra ontwikkelingstijd krijgen. Zorgcoördinator Serena vindt dat “dubbel”. “Ik ben wel erg blij met het vertrouwen dat scholen zo krijgen, maar we hebben natuurlijk geen glazen bol. Misschien dat we nu nog voorzichtiger gaan zijn als we twijfelen.”
Directeur Elke Allard, kleuterschool Hoeven “Het is afhankelijk van kind tot kind wat de beste beslissing is. Er zijn kinderen die nog niet alle vaardigheden hebben, maar wel een sterke werkhouding. Ze willen leren, die vaardigheden zullen misschien wel volgen. Maar als die werkhouding er nog niet is, is dat een ander verhaal.” Directeur Allard benadrukt het nut van de derde kleuterklas. “Het is beter dat ze vóór het eerste leerjaar tegengehouden worden. Het is zo belangrijk dat de basis goed ontwikkeld is. Je kan geen huis bouwen als de fundering niet stevig is en wij hebben daar wel een redelijk goed zicht op.” Al vindt ze het wel een grote verantwoordelijkheid, omdat het “ook maar een inschatting” blijft. “Soms verrassen ze ons en lukt het wél.”
Volgens professor Goos is de derde kleuterklas overdoen – gemiddeld genomen – wel het beste alternatief. “In het eerste leerjaar zijn vriendschapsgroepen al iets harder gevormd en dat is heel pijnlijk in dat bisjaar. Vriendschappen waar een knip in komt, dat weegt op het welbevinden van de kinderen.”
Ik zou pleiten om meer middelen in de zorg te investeren, zodat kinderen kunnen samenblijven Maar die keuze tussen kleuterklas of eerste leerjaar maakt professor Goos met pijn in het hart. “Wat ik nog liever zou zien, is dat kinderen kunnen doorstromen en bij hun leeftijdsgenoten blijven, maar dan met extra ondersteuning.” “En daar knelt het schoentje: heel veel scholen zetten met man en macht, met de allergrootste liefde, in op basiszorg en verhoogde zorg, maar die middelen zijn beperkt. Dan is het gemakkelijker om de kinderen toch een jaar tegen te houden. Ik zou pleiten om meer middelen in de zorg te investeren.”
De belangrijkste zaken zijn: Meer Nederlands: in het secundair onderwijs kunnen leerlingen die vanuit het basisonderwijs komen en extra ondersteuning nodig hebben 3 uur extra Nederlands krijgen. De klassenraad van het basisonderwijs bepaalt of dat nodig is. (Vlaanderen.be) Minder lesuitval: de regels rond pedagogische studiedagen, evaluatiedagen en het schorsen van lessen veranderen. Zo mag de laatste schooldag geen pedagogische studiedag meer zijn. (Vlaanderen.be) Nieuwe minimumdoelen basisonderwijs: er komen nieuwe minimumdoelen, met veel aandacht voor Nederlands, wiskunde en kennis. Het beleid “Ieder kind taalheld” wordt verder ingevoerd. (Vlaanderen.be) Besparingen in het secundair onderwijs: voor 2026-2027 is de voorziene besparing teruggebracht tot ongeveer €63,5 miljoen. Dat kan gevolgen hebben voor de organisatie en middelen van scholen. (Vlaanderen.be) Nieuwe regels voor moederschapsbescherming voor onderwijspersoneel gaan in vanaf 1 september 2026. (Vlaanderen.be)
De Vlaamse overheid heeft een volledig overzicht per onderwijsniveau voor schooljaar 2026-2027. (Vlaanderen.be)
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.