by admin | sep 6, 2026 | Onderwijs
In het schooljaar 2025-2026 had ruim een op de vijf leerlingen in het secundair onderwijs in Vlaanderen minstens één jaar schoolachterstand. In het lager onderwijs ging het om ongeveer een op de tien leerlingen. Dat blijkt uit cijfers die Statistiek Vlaanderen heeft gepubliceerd.
In de lagere school is het aandeel leerlingen met een jaar achterstand licht gestegen tot 13,5 procent. Een belangrijke kanttekening bij die stijging: dit jaar werden voor het eerst de leerlingen uit het methodeonderwijs in de cijfers opgenomen. Statistiek Vlaanderen benadrukt ook dat het niet alleen gaat om leerlingen die moeten blijven zitten, maar bijvoorbeeld ook om kinderen die later met school zijn begonnen of tijdelijk zijn uitgevallen door ziekte.
Ook in het secundair onderwijs blijft de trend relatief stabiel in vergelijking met de voorbije jaren. Ruim een op de vijf leerlingen (23 procent) had er minstens één jaar schoolse achterstand. In het zesde middelbaar liep dat aandeel op tot 26,7 procent, een lichte daling ten opzichte van vorig jaar (27,3 procent).
Over het algemeen is de achterstand het kleinst in het algemeen secundair onderwijs (aso), waar in totaal 7,3 procent van de leerlingen één jaar achterstand had. In het technisch secundair onderwijs (tso) lag dat cijfer op 22,2 procent, in het kunstsecundair onderwijs (kso) op 23,9 procent en in het beroepssecundair onderwijs (bso) op 38,2 procent. Gemiddeld hebben jongens in het lager en secundair onderwijs vaker schoolse achterstand dan meisjes.
Bron: HLN
by admin | sep 6, 2026 | Varia
Het inferno in de Hoge Venen was blijkbaar niet infernaal genoeg om premier Bart De Wever (N-VA) uit vakantie te laten terugkeren, ook al had hij beloofd dat wel te zullen doen bij een crisis. En waar wacht Theo Francken (N-VA) op om de zeven A400M’s van de luchtmacht om te vormen tot gigantische blusvliegtuigen?
Ach, de brand in de Hoge Venen die 3.200 hectare (and counting) natuur in vlammen deed opgaan, is eigenlijk helemaal geen ramp. Dat zeggen wij niet, maar dat kunnen we afleiden uit de verklaringen van premier Bart De Wever (N-VA) vlak voor zijn vertrek naar Japan. Hij bracht er zijn vakantie door omdat zijn zoon een tijdje gaat studeren in Yokohama. De Wever bezocht er onder meer Hiroshima, waar de eerste atoombom viel.
Vorig jaar werd hij aangespoord door zijn centrumlinkse coalitiepartners (Vooruit en Les Engagés) om dringend uit vakantie terug te komen om de crisis rond Gaza in zijn regering te bedwingen. De Wever weigerde echter zijn vakantie in Zuid-Afrika te onderbreken.
Dit keer hoopte hij van een ongestoorde vakantie te kunnen genieten. Dat zei hij aan Dag Allemaal op 14 juli. “Uiteraard ben ik altijd bereikbaar bij een crisis. Indien nodig keer ik zelfs terug”, liet hij optekenen. HLN.be maakte er meteen de titel van.
Het viel trouwens op hoe gretig de premier inging op de vraag van de populaire media om zijn vakantieplannen uit de doeken te doen. “De politiek is even bijzaak”, schrijft Dag Allemaal. Aan Humo had De Wever ook al laten weten dat hij hoopte dat “dat Donald Trump in de augustusmaand geen eigenaardigheden doet”.
Wie ook zijn traditionele zomerinterview kreeg, was Vooruit-minister Rob Beenders, de tijdelijke huisbewaarder van Wetstraat 16. Op de vraag wat er zou gebeuren als er zich rampen of andere ernstige zaken zouden voordoen, antwoordde hij: “Wanneer het echt ernstig is, zal de premier wel worden teruggeroepen.”
Blijkbaar is de brand in de Hoge Venen voor de premier dus geen crisis, geen ramp en geen ‘ernstige zaak’. Hij onderbrak zijn vakantie niet toen de vlammen vanaf 14 augustus in sneltempo de Hoge Venen in lichterlaaie zetten.
Tijdens zijn verblijf in Tokio had De Wever een opmerkelijk bericht gepost op Instagram. Hij en zijn dochter waren naar het Shintoschrijn in Hakone getrokken “om te offeren aan de weergoden”. Op dat eigenste moment, op vrijdag 14 augustus, begonnen de Hoge Venen te branden.
Een typische, sarcastische opmerking van De Wever (een zachtere variant van de omstreden post van Theo Francken tijdens de hittegolf: “Geniet van het prachtig weer. En LEEF!”) werd zo een venijnige boemerang in zijn gezicht.
Blijkbaar besefte De Wever dat zijn bericht misplaatst was. Zondag publiceerde hij (in de drie landstalen) een ingetogen steunbetuiging aan de hulpverleners en sprak hij zijn medeleven uit met de slachtoffers.
Vorige donderdag (20/8), toen in eigen land minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin (MR) de vervroegd samengeroepen commissie Binnenlandse Zaken in de Kamer toesprak, postte De Wever nog een vrolijke foto van zijn dochter die het opname tegen sumoworstelaars.
De Wevers afwezigheid stond in schril contrast met de kordate aanpak van koning Filip. Die leidde maandag een delegatie van excellenties (waaronder vicepremier Jan Jambon (N-VA) die de premier verving) om zich van de ernst van de situatie in de getroffen dorpen en in het gigantische natuurgebied te vergewissen.
Sinds de overstroming van Ruisbroek in 1976 weten ze op het kasteel van Laken dat een koning er snel bij moet zijn wanneer er zich in het land een grote ramp voordoet. Koning Boudewijn verscheen toen pas op 6 januari (drie dagen na de ramp) in de straten van de deelgemeente van Puurs, die bijna volledig was overstroomd nadat de dijk van de Vliet het begaf. Hij kreeg meteen forse kritiek van de getroffen bewoners.
Een radeloze vrouw zou hem afgesnauwd hebben: “Sire, ze moeten u zelf met uw sjokkedeizen in het water gooien.” Een andere Ruisbroekenaar gooide de vorst voor de voeten dat er in België 30 miljard (Belgische franken, omgerekend 3,3 miljard euro vandaag) beschikbaar was voor “de vliegers” (F-16’s) en maar 300 miljoen frank (33 miljoen euro van vandaag) voor de dijken. De koning was danig onder de indruk van de kritiek en zou zich nadien nooit meer laten betrappen op een foutje.
Jean-Luc Dehaene (toen CVP, nu CD&V) onderbrak in 1996 in volle Dutroux-affaire zijn vakantie in Sardinië niet en zou het nadien een van de grootste inschattingsfouten noemen die hij ooit maakte.
De Wever heeft geluk dat de media zijn afwezigheid niet uitvergrootten, een bewijs dat hij nog steeds in een mediatieke état de grâce vertoeft. Ook de oppositie maakte (nog) geen punt van de afwezigheid van De Wever.
Geen eigen blusvliegtuigen
Die afwezigheid De Wever staat in schril contrast met de alomtegenwoordigheid van zijn partijgenoot, minister van Defensie Theo Francken. Die begon meteen na het uitbreken van de brand aan een frenetiek media-offensief. De inzet van zes Panther-bluswagens van het leger werd breed uitgesmeerd en elke dag kwamen er updates die moesten aantonen dat ‘zijn’ manschappen wel degelijk nuttig werk verrichten.
Toch waren de redders in nood vooral de Nederlanders, de Noren, de Zweden en de Duitsers, die samen zeven helikopters inzetten die de brandhaard konden bestrijden op plaatsen die de legervoertuigen niet konden bereiken.
Er kwam al snel kritiek dat België niet klaar was om een serieuze ramp als deze op te vangen. Die kritiek kwam niet alleen uit politieke hoek, maar ook van het Climate and Environment Risk Assessment Center (CERAC). Dat centrum werd tijdens de regering-De Croo, na de overstromingen in Wallonië in 2021, opgericht door Ecolo-minister Zakia Khattabi. In hun rapport uit 2025 staat dat er al sinds 2011 plannen bestaan om de capaciteit om natuurbranden te bestrijden fors te verhogen door de aankoop van bluswagens. Dat jaar woedden er grote branden in de Hoge Venen en op de Kalmthoutse Heide. “Wegens gebrek aan middelen werden die plannen blijkbaar niet opgevolgd”, schrijft het CERAC, dat dinsdag de hoop uitsprak dat deze brand “de laatste wake-upcall” zal zijn.
Blijkbaar voelde Theo Francken zich persoonlijk geviseerd door de kritiek, want hij publiceerde een lang bericht op X waarin hij uiting geeft aan zijn “grote ergernis” dat de politiek de schuld krijgt van de ramp. Hij looft de inspanningen van Defensie en pareert de kritiek dat België niet over eigen blusvliegtuigen beschikt. Volgens Francken komt dat omdat er in België te weinig plekken zijn waar een vliegtuig water kan scheppen. “We hebben niet genoeg grote meren en onze rivieren zijn te smal. Bovendien roepen deze manoeuvres sterke lokale weerstand op.”
Maar klopt dat wel? De Belgische luchtmacht beschikt over zeven gigantische A400M-vrachtvliegtuigen. Die dienen vooral om materieel of humanitaire hulp te vervoeren. Ze werden al ingezet in Gaza en bij de brandbestrijding in Bordeaux.
Vorig jaar, op 16 juli, stelde PS-kamerlid Philippe Courard (zelf een officier bij de reserve) Theo Francken de vraag of het Belgisch leger van plan was om de toestellen aan te passen zodat ze ook als blusvliegtuigen zouden kunnen dienen. Airbus, de producent van de A400M had eind juni een test gedaan waarvoor er speciale kits met watertanks in het vrachtruim van het toestel werden gemonteerd. Vanaf de luchthaven van Nîmes werden vluchten uitgevoerd waarbij maar liefst 20.000 liter water (of brandvertrager) werd gedropt. De resultaten waren spectaculair. De A400M kan op korte start- en landingsbanen ingezet worden, kan aan lage snelheid (230 kilometer per uur) en op heel lage hoogte (30 meter) boven de vlammen vliegen.
De vrachtvliegtuigen kunnen ook op amper tien minuten tijd volledig vol worden gepompt en hoeven dus hun water niet uit meren of rivieren te scheppen. Ter vergelijking: een Chinook-helikopter kan zo’n 7.600 liter water droppen, een H145M-helikopter (waarvan België er 20 aangekocht heeft) zo’n 1.200 liter en de Canadair-vliegtuigen zo’n 6.000 liter. Als alle zeven A400M-toestellen van de luchtmacht met een special kit voor brandbestrijding zouden worden uitgerust, dan zou er in een mum van tijd 140.000 liter water kunnen worden uitgestort en dat verschillende keren per dag. Daarmee had de brand – wellicht – in de kiem gesmoord kunnen worden.
Toen Courard Francken vorig jaar vroeg of hij overwoog om de A400M’s aan te passen, had de minister daar nog niet van gehoord. Hij gaf aan zijn medewerkers de opdracht om de zaak te onderzoeken. In september liet hij in een antwoord op een schriftelijke opvolgvraag weten dat de aanpassing niet voorzien is, omdat de “ontwikkeling van deze capaciteit” nog niet op punt stond.
In zijn bericht op X spreekt Francken ook kort over de A400M. Volgens hem bevinden de Franse tests zich nog in een experimentele fase waardoor het niet duidelijk is of de technologie al kan worden ingezet.
Het kabinet van minister Francken bevestigt aan Apache dat de Franse plannen nog in een experimentele fase zitten en dus op dit moment nog niet worden meegenomen in de strategische planning van Defensie.
Dat is kras want Frankrijk zette eind juli wel degelijk een A400M in om de branden in de Landes te bestrijden, zo meldde Euronews. Het ging over het enige toestel dat momenteel is uitgerust met een bluskit. Navraag bij Airbus leert dat de Franse vliegtuigbouwer al veel verder staat dan de “experimentele fase”. Een woordvoerder laat aan Apache weten dat Airbus “klaar is om de kits in serie te produceren”. Over de kostprijs wil hij niks kwijt, maar hij noemt die “verwaarloosbaar” in vergelijking met de aankoop van eventuele nieuwe toestellen.
Het is verwonderlijk dat Theo Francken zich zo oppervlakkig laat informeren over wat een enorme doorbraak zou kunnen zijn in de manier waarop in Europa natuurbranden kunnen worden bestreden. Hij kiest blijkbaar voor de versnelde aankoop van middelgrote transporthelikopters (SO Air Task Unit – Medium/Heavy Transport Helicopters). De voorkeur van Francken gaat uit naar de Amerikaanse Chinook-toestellen van het Amerikaanse bedrijf Boeing. Die beslissing moet door de volgende regering genomen worden want de levering is voorzien voor … 2033.
Er werd al 1,3 miljard euro voorlopig ingeschreven in de strategische visie. Daarmee zouden elf helikopters kunnen worden gekocht. Die moeten vooral dienen om special forces te vervoeren, maar ze kunnen ook uitgerust worden om branden te bestrijden. De Nederlandse helikopter die werd ingezet in de Hoge Venen bewees daar zijn nut.
Francken hoopt dat die aankoop kan worden versneld maar wijst de “linkse” partijen met de vinger die een afkeer zouden hebben van legeraankopen bij Amerikaanse bedrijven. Hij vergeet daarbij te vertellen dat de toestellen, zelfs als ze nu zouden worden besteld, pas binnen enkele jaren beschikbaar zullen zijn.
Dat daarmee de begroting van deze regering met een paar honderd miljoen zal worden bezwaard, is blijkbaar al evenmin een probleem voor de minister. En dat terwijl premier De Wever stilaan gruwelijke nachtmerries krijgt als hij denkt aan het begrotingstekort en de stijgende staatsschuld.
De kans dat de A400M-toestellen snel kunnen worden aangepast voor een veel lagere kost, is erg waarschijnlijk. Als Francken, na de vraag van Philippe Courard, zich had geïnformeerd bij Airbus en al zeven kits had besteld, dan stond ons land nu bovenaan de wachtlijst. Spanje heeft er vorige maand al 15 besteld.
Francken haalde echter wel zijn slag thuis. Tijdens het debat in de kamercommissie toonden zowel CD&V als Vooruit zich bereid om de bestelling van de helikopters te versnellen. De minister van Defensie kwam zo als dé grote politieke winnaar uit deze rampweek.
Pot verwijt de ketel
Dat Francken zijn neus ophaalt voor de goedkopere en snellere aanpassing van de A400M lijkt wel een verhaal van ‘de pot verwijt de ketel’. In het verleden heeft Theo Francken zich altijd een koele minnaar van de A400M getoond. Dat kadert in zijn minachting voor de Europese wapenindustrie, die door Frankrijk wordt gedomineerd.
In 2024 publiceerde hij een opiniestuk in De Tijd waarin hij kritiek leverde op het voorstel van Europarlementslid Wouter Beke (CD&V) om een Europees leger uit te bouwen en een Eurocommissaris voor Defensie te benoemen. “Meer samenwerken drukt de kosten en leidt tot meer inzet. Dat klinkt goed, maar Europees staat niet noodzakelijk gelijk aan efficiënt. Europa is amper in staat consequent, degelijk en inzetbaar militair materiaal te produceren. De NH-90-helikopter en het A400M-transportvliegtuig leden onder de uiteenlopende eisen van de landen, jaren vertraging en consequente budgetoverschrijdingen. Dat resulteerde in onbetrouwbare, dure en nauwelijks inzetbare toestellen”, schreef hij.
Bij andere gelegenheden noemde hij de A400M te log. De toestellen moesten de legendarische C-130 vrachtvliegtuigen vervangen. Die waren in de hele wereld beroemd omdat ze met uiterste precisie en vanop grote hoogte voedsel konden droppen in gebieden waar er hongersnood was. Sinds ze uit dienst zijn genomen organiseerde de luchtmacht nog maar één keer een voedseldropping (in Gaza).
In 1976, na de overstroming in Ruisbroek en het bezoek aan de koning, besefte België dat er dringend werk moest worden gemaakt van de versterking van de dijken. Dat resulteerde in het Sigmaplan.
Het valt af te wachten of uit het gehakketak en de steriele zondebokpolitiek van vandaag ook enig staatsmanschap zal groeien om ook een grootschalig rampenplan uit te rollen dat bescherming biedt tegen de verwoestende gevolgen van de klimaatopwarming. Dat er daarbij, net als in 1976, vooral naar het budget van Defensie wordt gekeken, is vanzelfsprekend. Zeker wanneer militair materiaal ‘dubbel’ kan worden gebruikt: voor de reële klimaatoorlog die ons steeds vaker en heviger zal treffen en tegen de virtuele oorlog aan de grenzen van Europa die we vrezen maar die er (nog) niet is.
Bart De Wever, die wel voluit communiceerde over de virtuele vergadering met Europese regeringsleiders over de vluchtelingencrisis in Ceuta, moet zijn eerste zinnige woord over de belangrijkste natuurramp in ons land sinds 1911 nog uitspreken. Benieuwd of hij de budgettaire inspanningen die gelinkt zijn aan de klimaatoorlog in zijn begrotingsbesprekingen voorzien heeft.
Bron: Apache.be
by admin | sep 6, 2026 | Economie
Officieel is Vlaams minister van Mobiliteit Annick De Ridder (N-VA) niet betrokken bij het initiatief om het Vlaamse loodswezen te privatiseren. Documenten die Apache kon inkijken vertellen het echte verhaal: al sinds 2018 probeert De Ridder de privatisering door te duwen, in dienst van Port of Antwerp-Bruges.
Wie zit er achter de plannen om het Vlaamse loodswezen te privatiseren?
Nadat Apache vorige maand uit de doeken deed dat Annick De Ridder een aanzienlijk deel van de Vlaamse overheidsdienst die zeeschepen naar de havens loodst wil privatiseren, deed de minister er alles aan om het beeld te zetten dat het initiatief niet van haar komt.
Documenten die Apache kon inkijken vertellen een ander verhaal. Apache reconstrueert de strijd die De Ridder al acht jaar achter de schermen voert.
Stakingsbreker
Een minister die haar eigen administratie de pas afsnijdt, ligt dan ook bijzonder gevoelig. Tegelijk was het voor De Ridder dansen op een slappe koord: ze kon de plannen waar ze zelf achterstaat moeilijk afbranden.
Aan persagentschap Belga liet ze, na publicatie van het artikel op Apache, weten dat ze “die signalen ernstig (wil) nemen” en dat ze “bereid (is) om dergelijke voorstellen met een breed maatschappelijk draagvlak op hun merites te beoordelen”.
In een antwoord op een parlementaire vraag vorig jaar deed De Ridder al hetzelfde: de plannen voor privatisering omarmen, maar het initiatief ervoor elders leggen. “Ik initieer zelf een verzelfstandiging niet actief”, klonk het toen. “Wel vind ik het zinvol om dit te verkennen wanneer er vanuit het veld vragen over worden gesteld”.
Maar de documenten die Apache verzamelde, vertellen een ander verhaal. Sinds De Ridder begin 2019 Antwerps schepen bevoegd voor de Haven werd, probeert ze samen met Port of Antwerp-Bruges een privatisering van het Vlaamse loodswezen op de rails te krijgen.
Zo’n privatisering moet de stakingsmacht van de loodsen breken en ervoor zorgen dat ze de haven niet langer kunnen lamleggen met hun acties.
Lobbyist De Wever
“Volgens Rob Smeets (CEO van Port of Antwerp-Bruges, red.) is het de bedoeling om vanuit de haven van Antwerpen via Bart De Wever druk uit te oefenen op de Vlaamse Regering om een verzelfstandiging van het Vlaams Loodswezen op te nemen in het eerstvolgende Vlaams Regeerakkoord.”
Dat staat in een mail van 6 oktober 2018, met als onderwerp “krachtlijnen en aandachtspunten verzelfstandiging Vlaams Loodswezen. – VERTROUWELIJK”.
De mail werd verstuurd door loods Sven Deridder aan een uitgebreide groep collega-loodsen. Deridder is op dat moment een van de drijvende krachten achter het privatiseringsinitiatief. Samen met een aantal andere loodsen heeft hij zich verenigd in de zogenoemde Daedalus-groep.
De timing is opvallend: goed een week voor de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2018. De politieke wereld is volop in campagnemodus en dat zal zo blijven tot de regionale en federale verkiezingen van 2019.
“Heden is er geen politieke wil om de loodsen te verzelfstandigen”, schrijft Deridder. “Men heeft bang van de vakbonden. De Antwerpse haven (nieuwe wind) is de druk op de Vlaamse regering aan het verhogen.”
Geen eigen initiatief
Een mail van de Daedalus-groep over de plannen voor verzelfstandiging enkele weken later – N-VA heeft op dat moment de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen net gewonnen en De Ridder loopt zich warm als toekomstig havenschepen – maakt nog duidelijker dat de Antwerpse haven mee in de cockpit zit:
“De havens van hun kant hebben ons reeds meegedeeld dat zij al hun politieke invloed zullen aanwenden (…) Het is aan de havens om de politiek ervan te overtuigen dat dit ‘money well spent’ is.”
Enkele maanden later, bij de regionale verkiezingen van 25 mei 2019, haalt N-VA in Vlaanderen bijna een kwart van de stemmen. Terwijl de onderhandelingen voor de vorming van wat later de regering-Jambon zal worden volop aan de gang zijn, nodigt De Ridder op 27 juni 2019 de Beroepsvereniging van Loodsen (BvL) uit.
Uit het verslag van de vergadering dat de BvL-leden in hun mailbox vinden, blijkt dat De Ridder het privatiseringsidee op tafel legde en het fiat vroeg van de BvL:
“Tot slot bracht de havenschepen de verzelfstandiging van het loodswezen ter tafel, alsook de politieke stappen die daartoe gezet zouden kunnen worden. Aangezien dit vooralsnog geen materie is voor de BvL, maar wel van een korpsoverschrijdende en supra-syndicale stroming onder de loodsen (de Daedalus-groep, red.), hebben we de havenschepen geïnformeerd dat zulke zaken niet kaderen binnen het bestel van de BvL en deze meeting. Het is duidelijk dat een juiste profilering van de positie van de BvL (en haar Algemene Vergadering) in dit dossier op zijn plaats was, aangezien de havenschepen alle partijen leek te bundelen als ‘de loodsen’.”
Hoewel de beroepsvereniging zich duidelijk niet achter de privatiseringsgedachte schaart, duikt het voorstel enkele maanden later expliciet op in het Vlaamse regeerakkoord van 30 september 2019:
“We werken een structurele oplossing uit voor het verzekeren van de continuïteit van de dienstverlening in het kader van de toegankelijkheid van de Vlaamse havens. Samen met de loodsen worden de voorwaarden onderzocht waaronder de Dienst Afzonderlijk Beheer Loodswezen kan evolueren naar een bedrijfsstructuur in eigen beheer van die loodsen.”
Het lobbywerk vanuit de haven via N-VA, met voorop het schepencollege van Bart De Wever en Annick De Ridder, heeft gewerkt.
Nooit vergaderd
Het regeerakkoord zal echter dode letter blijven. De portefeuille Mobiliteit komt niet bij N-VA terecht, maar bij Lydia Peeters (Anders). Voor de liberale politica lijkt het privatiseren van het loodswezen geen absolute prioriteit.
Peeters schakelt de gewestelijke havencommissaris in en roept via haar administratie een werkgroep in het leven op zoek naar structurele oplossingen voor de aanslepende problemen rond financiering. Maar concrete privatiseringsplannen blijven uit.
In de Commissie voor Mobiliteit van het Vlaams Parlement probeert De Ridder de zaak nochtans vooruit te duwen door gericht te vragen naar de stand van zaken.
Ze benadrukt daarbij nogmaals dat het voor de Antwerpse haven “heel belangrijk is dat er op een performante manier gewerkt kan worden zonder dat er te pas en te onpas onrust is”, maar het zweepje mist doel: de privatiseringsplannen lijken een stille dood gestorven.
Dat wordt helemaal duidelijk wanneer ook Filip Dewinter (Vlaams Belang) in het parlement een vraag stelt aan minister Peeters over de privatiseringsplannen en de Daedalus-groep. Het antwoord van Peeters is helder:
“Er vinden geen gesprekken of onderhandelingen plaats en evenmin hebben deze ooit plaatsgevonden tussen Maritieme Dienstverlening en Kust (de bevoegde Vlaamse administratie, red.), mezelf of mijn kabinet en de zogenaamde ‘Daedalus-groep’. In zoverre ons gekend bestaat deze groep niet meer en was dit louter een denktank van individuele loodsen.”
Daarna wordt het stil rond de privatiseringsgedachte.
Nieuw leven
Dat verandert eind september 2024, wanneer De Ridder haar post als Antwerpse havenschepen inruilt voor die van Vlaams minister voor Mobiliteit en de plannen om het Vlaamse loodswezen te privatiseren, samen met het oude netwerk, nieuw leven inblaast.
Dat resulteerde in een nota waarin loodsen die eerder ook betrokken waren bij de Daedalus-werkgroep, gedetailleerd beschrijven hoe de privatisering vorm moet krijgen.
Apache berichtte eerder hoe de nota duidelijk maakt dat het initiatief mee uitgaat van minister De Ridder, die ook instaat voor de decretale verankering ervan.
De publicatie van het artikel daarover komt dan ook bijzonder ongelegen. De Ridder antwoordt niet op vragen van Apache en komt een week later, via andere kranten, met een eigen narratief. Daarin blijft ze uitdrukkelijk haar eigen actieve rol ontkennen.
Opvallend genoeg spreken ook de loodsen die achter de nota en de privatisering staan de minister daarover tegen: het initiatief komt van de minister, niet van hen.
Belangrijk detail: in een mail aan alle loodsen van een van de initiatiefnemers staat letterlijk dat het project om te privatiseren extern wordt gefinancierd en dat de initiatiefnemers daarvoor worden betaald.
“Ja, het klopt dat een deel van de tien collega’s transparant een bedrijfje hebben opgericht in eigen naam om dit project uit te werken (…) Dat geld komt niet uit de zakken van de loodsen, maar is een lening die terugbetaald zal worden wanneer het project lukt (…) De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de hoogte van de vergoeding van een AO (AO staat voor administratieve opdracht. De vergoeding daarvoor schommelt rond de 600 euro bruto per prestatie. red.) Niet spectaculair dus…”
Gevraagd naar meer duiding laat Sven Deridder weten “niet gemandateerd te zijn om over het VLW-project enig commentaar te geven”. Hij suggereert daarvoor aan te kloppen bij … het kabinet van Annick De Ridder. Daar klopte Apache eerder al vruchteloos aan voor een reactie.
Bron: Apache.be
by admin | sep 6, 2026 | Economie
Langdurig zieken moeten opnieuw aan het werk. Maar wie wil werken, botst vaak op de grenzen van de werkvloer. Aangepast werk blijkt een struikelblok en financiële prikkels voor werkgevers hebben voorlopig nauwelijks effect. “Er is nood aan een mentaliteitsverandering bij werkgevers én collega’s van zieke werknemers, maar dat kost veel tijd.”
Sabine Bovend’aerde (51) en Shauni Boeykens (33) zijn beiden chronisch ziek. Toch willen ze zoveel mogelijk blijven werken. Bovend’aerde − die een rolstoel gebruikt en moeilijk op haar werk raakt − vroeg haar werkgever of ze vanuit huis mag werken. Volgens de fiscale specialist werkzaam bij de overheid kan ze haar taken prima vanuit haar thuis in Leuven uitvoeren.
Boeykens, die als jobcoach bij het OCMW werkt, wil een beperkt aantal uren extra vanuit huis werken om in een rustige omgeving administratieve taken af te maken die op het werk steeds blijven liggen. Beide vrouwen kregen geen toestemming.
De werkgever van Bovend’aerde vindt dat de vrouw het sociaal contact met haar collega’s verliest als ze niet meer fysiek op het werk verschijnt. De vraag van Boeykens wordt geweigerd, omdat het volgens de leidinggevende “niet fair is tegenover collega’s”. Beide vrouwen zitten inmiddels opnieuw ziek thuis.
Grote nood aan aanpassingen
Bovend’aerde en Boeykens zijn geen uitzonderingen. België telt inmiddels meer dan een half miljoen mensen die langer dan een jaar arbeidsongeschikt zijn. Het aantal langdurig zieken is tussen 2021 en 2025 met 17,9% gestegen, blijkt uit cijfers van het Riziv. Tussen 2024 en 2025 bedroeg de stijging 4,5%. De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in 2025 is een van de factoren die het aantal zieke werknemers doet toenemen, schrijft het Riziv. Vooral bij vrouwen is de stijging groot.
Het terug-naar-werkbeleid moet een antwoord formuleren op die toename. Sinds begin 2026 is de aanpak verder aangescherpt. Niet alleen werknemers en mutualiteiten, maar ook werkgevers en artsen krijgen meer verantwoordelijkheden en financiële prikkels om werkhervatting en aangepast werk mogelijk te maken.
Voor veel langdurig zieken zijn aanpassingen op de werkvloer of aan de arbeidsvoorwaarden een belangrijke vereiste om het werk te hervatten. Volgens een bevraging van het CM Gezondheidsfonds heeft meer dan de helft daar nood aan. Twee derde krijgt minstens de helft van de gevraagde aanpassingen. Een op drie werknemers krijgt hooguit de helft van wat ze vragen.
“In vergelijking met een eerder onderzoek uit 2021 is er een positieve evolutie”, zegt Luc Van Gorp, voorzitter van het CM Gezondheidsfonds. “Tegelijk moet er nog een lange weg worden afgelegd. Werkaanpassingen zijn een belangrijke succesfactor voor een duurzame werkhervatting.”
Mutualiteiten hebben er belang bij dat werkhervatting slaagt. Sinds kort is een deel van de financiering gekoppeld aan het aantal langdurig zieken dat mutualiteiten opnieuw aan het werk krijgen.
Onbegrip voor thuiswerkende collega
De aanpassing die Bovend’aerde en Boeykens vragen, lijkt op het eerste gezicht eenvoudig. Toch is Christophe Vanroelen, socioloog aan de Vrije Universiteit Brussel, gespecialiseerd in de relatie tussen werk en gezondheid, niet verbaasd dat de twee geen toestemming kregen om vaker thuis te werken. “Thuiswerk is een verzoek dat langdurig zieken bij hun re-integratie vaker stellen”, zegt hij. “Het lijkt een kleine moeite om daarin mee te gaan. Maar in de praktijk wordt het vaak geweigerd met als argument dat de regels voor iedereen gelijk moeten zijn.”
Volgens Vanroelen heeft dat te maken met het gebrek aan een duurzaam re-integratiebeleid van werkgevers. “Het gaat niet alleen over het uitwerken van een doordacht beleid, maar ook over de communicatie rond het beleid binnen het bedrijf”, merkt Vanroelen op. “De angst van werkgevers dat collega’s gaan protesteren tegen regels die voor langdurig zieken anders zijn dan voor andere werknemers, is vaak terecht. We moeten leren omgaan met langdurig zieken en een ouder wordende werknemerspopulatie. Dat vereist draagvlak en communicatie. Er is nood aan een mentaliteitsverandering bij werkgevers én collega’s van zieke werknemers, maar dat kost tijd.”
Vanroelen is voorstander van de extra financiële prikkels die werkgevers krijgen om zieke werknemers te re-integreren op de werkvloer. “Jarenlang is er vooral gekeken naar werknemers. Zij zijn de zwakste schakel in de meeste arbeidsrelaties en je zag dat het beleid jaar na jaar strenger werd voor deze groep. Werkgevers worden pas sinds januari medeplichtig gemaakt aan het succes van het terug-naar-werkbeleid.”
Toch denkt de socioloog dat er meer winst te halen valt met een beleid dat inzet op het voorkomen van uitval. “Pak risicovolle situaties aan. Wees alert als mensen klachten ontwikkelen. Een burn-out kan je meestal van ver zien aankomen. En reageer direct als iemand zich ziek meldt. Eenmaal langdurig afwezig is het heel moeilijk om de draad weer op te pakken.”
Werkgevers laten premie liggen
Van de financiële prikkels die werkgevers krijgen om langdurig zieke werknemers in dienst te nemen of goed te begeleiden bij uitval, wordt volgens onderzoek van het Riziv opvallend weinig gebruik gemaakt. “89% van de werkgevers die er recht op hebben, vraagt de werkhervattingspremie niet aan”, zegt Niels Morsink, adviseur van de studiedienst van de socialistische vakbond ABVV. “Dat kan liggen aan een gebrek aan kennis over de premie.”
Het ABVV waarschuwt dat activering niet los kan worden gezien van de arbeidsomstandigheden die mensen ziek maken.
“Het heeft weinig zin om iemand te dwingen terug te keren naar de werkvloer die hem of haar ziek heeft gemaakt als daar niets verandert. Zolang de regering de arbeidsomstandigheden verslechtert, is het terug-naar-werkbeleid dweilen met de kraan open”, zegt Morsink. “Denk aan de versoepeling van de regels rond nachtarbeid. Dat zal leiden tot meer arbeidsongeschiktheid. Ook het verhogen van de pensioenleeftijd zonder regeling voor zware beroepen werkt contraproductief als je het aantal zieke werknemers wil terugdringen.”
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en vicepremier Frank Vandenbroucke (Vooruit), bevoegd voor het terug-naar-werkbeleid, geeft toe dat “financiële incentives niet volstaan” om het aantal zieke werknemers op de arbeidsmarkt terug te dringen. “Met goede communicatie tussen werknemer en werkgever of inzetten op aangepast werk bereik je meer resultaten. Maar dat is vaak niet de kerntaak van een werkgever.”
De minister wil daarom inzetten op het toegankelijker maken van goede begeleiding van werkgevers via de vouchers van het terug-naar-werkfonds. “Met de vouchers kunnen werkgevers de begeleiding van zieke werknemers uit handen geven aan een gespecialiseerde dienstverlener. Want oplossingen zoeken voor iemand met gezondheidsproblemen is altijd maatwerk.”
Vandenbroucke erkent dat preventie een sleutelrol speelt. “Werkgevers en preventiediensten moeten problemen detecteren voordat mensen uitvallen, niet erna. Vrouwen en mannen ervaren niet altijd dezelfde gezondheidsrisico’s op het werk, en oudere werknemers hebben andere noden dan jongere. Werkbaar werk betekent dat arbeidsomstandigheden, werkritme en aanpassingen afgestemd zijn op wie het werk doet.”
Voor psychisch kwetsbare personen zoals Jeroen, die beschreef hoe de afstand tot de arbeidsmarkt door de activering voor hem net groter werd, bestaat volgens Vandenbroucke het IPS-traject (Individuele Plaatsing en Steun). “Dit is een wetenschappelijk onderbouwde aanpak die mensen met een psychische kwetsbaarheid snel naar een echte betaalde baan begeleidt, met intensieve coaching op maat en nauwe samenwerking tussen de jobcoach en de geestelijke gezondheidszorg.”
Te veel nadruk op aangepast werk
De minister is voorzichtig positief over de resultaten van het beleid. Volgens Vandenbroucke stijgt het aantal mensen in invaliditeit minder snel dan eerder werd verwacht, hervatten steeds meer mensen gedeeltelijk het werk en stromen zij vaker door naar een volledige werkhervatting. Ook het ziekteverzuim zou voor het eerst in 25 jaar dalen.
Maar werkgeversorganisaties vinden dat de discussie te veel focust op aangepast werk. Volgens het Verbond van Belgische Ondernemingen is in drie kwart van de gevallen geen aanpassing van het werk of de werkpost nodig. Een werkhervatting kan ook worden bemoeilijkt door bijvoorbeeld een slechte relatie met de werkgever of collega’s, de vrees om niet meer mee te zijn met nieuwe werkmethodes of een groeiende afstand tot de arbeidsmarkt. “Er zijn dus andere redenen die een verklaring vormen waarom mensen niet opnieuw aan het werk gaan”, stelt woordvoerder Magaly Knapen. “Bovendien moet er meer aandacht zijn voor preventie en re-integratie bij andere werkgevers.”
Bron: Apache.be
by admin | sep 6, 2026 | Economie
Langdurig zieken opnieuw aan het werk helpen, vraagt maatwerk, veiligheid en respect voor wat iemand nog aankan. “Veel langdurig zieken voelen zich opgejaagd. Ze zijn bang dat een kleine stap richting werk meteen leidt tot de druk om volledig aan de slag te gaan.”
Fietsen kan Sabine Bovend’aerde (51) niet meer, die fysieke inspanning is te zwaar. In 2019 werd Bovend’aerde, die voor FOD Financiën werkt, ziek. Uit onderzoek bleek dat ze lijdt aan het chronische-vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). Daarnaast heeft ze ook last van chronische gewrichtspijn en zenuwpijnen. Hierdoor is niet enkel fietsen, maar ook reizen met het openbaar vervoer te belastend. Om haar werkplek in Leuven te bereiken, neemt ze de auto.
Omdat haar aanvraag voor een parkeerkaart bij de FOD Sociale Zekerheid werd afgewezen, moet Bovend’aerde haar auto in een naburige parkeergarage zetten. “De parkeerkosten moet ik zelf betalen. Vanaf de parkeergarage moet ik zelfstandig in mijn rolstoel over een modderig pad op mijn werk zien te geraken. Voor ik daar arriveer, ben ik al uitgeput en dan moet de werkdag nog beginnen.”
Bovend’aerde, die halftijds werkt en halftijds een ziekte-uitkering krijgt, vroeg aan haar werkgever de toestemming om vanuit huis te werken. Dat werd maar gedeeltelijk toegestaan. “Ik moet verplicht twee halve dagen naar het kantoor in Brussel komen om het sociaal contact met mijn collega’s te onderhouden.”
Dat is voor de chronisch zieke vrouw niet haalbaar. “Het gaat niet alleen over de verplaatsing naar het kantoor. Ook aanwezig zijn in een ruimte waar verschillende mensen aan het werk zijn, is heel vermoeiend. De drukte en het rumoer putten mij volledig uit. Ik wil graag blijven werken, maar in deze omstandigheden houd ik het niet vol.”
Toen haar werkgever niet van gedachten veranderde, besloot Bovend’aerde vijf maanden loopbaanonderbreking te nemen. “Ik heb die tijd nodig om weer op adem te komen, te bedenken hoe het verder moet en een aantal zaken te regelen zoals poetshulp en gezinshulp om te zorgen dat ik niet volledig uitval.”
Naast een kleine RVA-vergoeding betaalt Bovend’aerde haar loopbaanonderbreking grotendeels zelf. “Wat gaat er na 1 oktober gebeuren wanneer ik weer aan het werk ga? De druk op langdurig zieken neemt toe. Maar wie kijkt er naar de werkgevers? Zonder hun bereidheid om de arbeidsomstandigheden aan te passen, zal het activeringsbeleid niet werken.”
Klap in het gezicht
Net als Bovend’aerde wil ook sollicitatiecoach Shauni Boeykens (33) graag blijven werken. Maar ook haar leidinggevende is maar in beperkte mate bereid de arbeidsomstandigheden aan te passen.
In 2023 meldde Boeykens zich ziek bij haar werkgever, het OCMW, nadat ze jarenlang had gekampt met pijn en extreme vermoeidheid. “Ik vond het vreselijk om uit te vallen en zei: ‘Ik blijf niet lang weg. Over hooguit twee maanden ben ik weer aan het werk.’”
Maar dat liep anders. Boeykens kreeg de diagnose fibromyalgie, een chronische aandoening die onder meer gepaard gaat met wijdverspreide pijn en zware vermoeidheid. Ze heeft ook chronische migraine. Haar klachten begonnen na ernstige zwangerschapscomplicaties.
Omdat Boeykens niet lang thuis wilde blijven, hervatte ze begin 2025 het werk via progressieve tewerkstelling voor acht uur per week.
“Het was heel zwaar en ik had veel moeite om me te concentreren. Het administratieve werk bleef telkens liggen. Daarom stelde ik mijn leidinggevende voor om twee uur extra vanuit huis te werken.”
Het antwoord voelde als een klap in het gezicht. “Mijn leidinggevende zei dat thuiswerk niet fair was tegenover mijn collega’s en weigerde mijn verzoek. Terwijl ik door de FOD Sociale Zekerheid erkend ben als persoon met een handicap. Dat betekent dat je recht hebt op werk dat is afgestemd op je noden.”
Sinds september 2025 zit Boeykens opnieuw thuis. Twee maanden geleden kreeg ze bericht van haar werkgever, die haar wil ontslaan om medische redenen. “Dat is enorm frustrerend. Ik wil heel graag een bijdrage leveren aan de maatschappij en heb veel te bieden. Inclusie is op papier duidelijk iets heel anders dan in de praktijk.”
Persoonlijke aanpak
Waar Boeykens en Bovend’aerde botsen op de bereidheid van hun werkgevers om de arbeidsomstandigheden aan te passen, raakt Jeroen* in paniek bij de druk die hij ervaart door het activeringsbeleid.
Eind juni werd hij opgeroepen voor een gesprek met de adviserende arts van de Christelijke Mutualiteit. Die besliste dat hij verplicht moet deelnemen aan een terug-naar-werktraject. Weigert hij, dan verliest Jeroen 10% van zijn uitkering.
“Ik was compleet in shock en zwaar geïntimideerd. Sindsdien heb ik te maken met de ene paniekaanval na de andere. Wat houdt dat terug-naar-werktraject in?”
De 55-jarige man kampt al jaren met ernstige gezondheidsproblemen. In 2000 liep hij een hiv-besmetting op en in 2006 kreeg hij lymfeklierkanker. Daarna volgden een burn-out, een ernstige depressie en meerdere langdurige psychiatrische opnames. Jeroen probeerde de voorbije twintig jaar verschillende keren het werk deeltijds te hervatten, maar telkens zonder succes. In 2020 werd hij volledig arbeidsongeschikt verklaard.
“Mijn gezondheid is sinds de oproep eind juni flink achteruitgegaan. Ik heb het gevoel dat mijn klachten niet serieus worden genomen. Er wordt niet echt naar mij geluisterd. Ik heb behoefte aan een aanpak die kijkt naar wat ik nog aankan.”
Het gebrek aan persoonlijke begeleiding heeft een grote impact op Jeroen. “Ik ben psychisch een wrak. Mijn laatste restje arbeidspotentieel is verdwenen.”
Jeroen schreef minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) een brief waarin hij zijn problematiek uitvoerig uit de doeken doet. Hij eindigt met de vraag of de minister zijn getuigenis wil meenemen in de evaluatie van de activering van chronisch zieken.
Vandenbroucke antwoordde dat hij inzet op een beleid “waarbij mensen met een ziekte- of invaliditeitsuitkering persoonlijk worden gecontacteerd en niet behandeld als nummer of dossier”.
“De minister antwoordt naast de kwestie”, reageert Jeroen. “Ik voel me juist wél als nummer behandeld.”
Gebrek aan kennis
De angst voor activering leeft ook bij Boeykens. Ze vreest dat het huidige beleid langdurig zieken eerder afschrikt dan activeert. “Veel mensen willen liever werken dan thuiszitten. Maar activering moet veilig en op maat gebeuren. Vandaag voelen veel langdurig zieken zich opgejaagd en onzeker. Ze zijn bang dat, als ze aangeven dat ze een paar uur willen werken of vrijwilligerswerk willen doen, meteen de vraag volgt of ze dan niet volledig aan de slag kunnen. Maar je bent niet zomaar genezen”, merkt Boeykens op. “Je moet leren leven met je verminderde energie. Soms is het verstandiger om je niet te tonen, dan is de kans groter dat je met rust wordt gelaten.”
Langdurig zieken worden in het publieke debat nog te vaak voorgesteld als mensen die niet willen werken of misbruik maken van het systeem, zegt Boeykens. “Politici dragen bij aan dat beeld. Dat creëert een groot onveiligheidsgevoel.”
Volgens Boeykens zijn veel van de langdurig zieken vrouwen met aandoeningen als ME/CVS en fibromyalgie. “Het zijn complexe, slecht begrepen aandoeningen waarbij het zenuwstelsel en immuunsysteem een belangrijke rol spelen.”
Dat gebrek aan kennis heeft te maken met een tekortkoming van de geneeskunde. “Medisch onderzoek heeft zich altijd sterk op het mannelijk lichaam gericht. Artsen moeten beter kunnen inschatten wat iemand mankeert en wat die persoon nog aankan. Daarvoor is meer onderzoek nodig naar de verschillen tussen mannen en vrouwen en een holistische benadering.”
Overheid past eigen beleid niet toe
De overheid roept werkgevers op om de werkomstandigheden aan te passen zodat mensen met gezondheidsproblemen aan het werk kunnen blijven. Dan is het teleurstellend, vindt Bovend’aerde, dat dat bij haar eigen werkgever niet lukt.
“De FOD Financiën is zelf een overheidsdienst. Dan is het ontluisterend dat het beleid dat de overheid voor anderen uitdraagt in mijn geval niet wordt toegepast.”
Daarnaast botst ze op een gebrek aan coördinatie tussen de verschillende diensten waarmee langdurig zieken te maken krijgen. “Als zieke werknemer moet je zelf je weg zoeken tussen de mutualiteit, de werkgever, de arbeidsarts en andere diensten. Er is niemand die het geheel overziet en samen met jou kijkt wat nodig is om het werken haalbaar te maken.”
Jeroen is een gefingeerde naam vanwege privacyredenen. Zijn echte naam is bij de redactie bekend.
Bron: Apache.be