Op tickets, eten en overnachtingen: sommige pretparken 3 keer getroffen door btw-verhoging

Op tickets, eten en overnachtingen: sommige pretparken 3 keer getroffen door btw-verhoging

De pret- en themaparken zijn kwaad nu de federale regering de btw in de sector wil verdubbelen van 6 naar 12 procent. Sommige parken worden door de maatregel zelfs drie keer geraakt: zo komt er een hogere toeslag op tickets, op eten én op overnachtingsplekken. 

In een gezamenlijke mededeling zeggen Belgoparks, Attractions & Tourisme en de Koepel van Attracties & Musea dat de geplande btw-verhoging een schepje boven op “een opeenstapeling van uitzonderlijke lasten” betekent. Ze wijzen naar opeenvolgende loonindexeringen, algemene inflatie, stijgende energiekosten, de coronacrisis en strengere eisen op het gebied van veiligheid en onderhoud.

Door de nieuwe regel zouden vooral pretparken die een hotel of huisjes aanbieden veel meer toeslagen moeten betalen – denk aan Plopsaland of Pairi Daiza. Want niet alleen het toegangsticket wordt zwaarder belast, ook de hotdog of het pakje friet dat je in een kraampje koopt en de overnachting. Ook spelers als Technopolis of Sea Life worden getroffen.

“De belastingverhoging gebeurt bovendien in een Europese context, waarin de meeste buurlanden verlaagde tarieven hanteren”, zeggen ze. Ze vrezen dat minder buitenlandse toeristen voor een van de 600 toeristische attracties in België zullen kiezen en dat meer Belgen in grensregio’s voor de buurlanden zullen kiezen.

Uitstel tot 2027

In de eerste plaats vraagt de sector uitstel tot minstens 1 januari 2027. “De tarieven voor 2026 zijn al vastgelegd en bekendgemaakt. Er zijn contracten gesloten met Belgische en buitenlandse scholen, groepen, bedrijven en touroperators, en er zijn al veel tickets verkocht”, klinkt het. 

De 3 koepelorganisaties vragen ook enkele flankerende maatregelen zoals “een blokkering op het verhogen en invoeren van verblijfs- en andere belastingen voor attracties en musea op gemeentelijk, stedelijk, provinciaal en regionaal niveau”. 

Bron: vrt.nws

Vlaanderen investeert recordbedrag in schoolgebouwen: “De grootste renovatiegolf ooit”

Vlaanderen investeert recordbedrag in schoolgebouwen: “De grootste renovatiegolf ooit”

De Vlaamse regering investeert deze regeerperiode 3,2 miljard euro in schoolinfrastructuur. Ze wil op die manier een inhaaloperatie doen voor de bouw van nieuwe scholen en het vernieuwen van oude schoolgebouwen. Daar zijn nu lange wachttijden. 

In 2029, het laatste jaar van de Vlaamse legislatuur, stijgt het budget voor schoolinfrastructuur tot 750 miljoen euro. Dat laat minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) weten. Bij het begin van de legislatuur zei Demir al meer in infrastructuur te willen investeren. Daarvoor sneed ze onder meer in het budget voor laptops.

Het jaarlijkse investeringsbudget stijgt van 571 miljoen euro in 2025 naar 750 miljoen euro in 2029, goed voor in totaal 3,2 miljard euro. Het is de grootste investering in schoolgebouwen ooit. 

Naast nieuwbouw ligt de focus op vervangingsinvesteringen: oude gebouwen vernieuwen, installaties vervangen, toegankelijkheid verbeteren en infrastructuur moderniseren zodat die opnieuw voldoet aan de huidige noden. 

“We beginnen niet van nul. Maar de achterstand in schoolinfrastructuur is gigantisch: wachtlijsten, oude gebouwen, energieverspilling”, laat Demir weten. Er wordt ook extra geïnvesteerd in bijkomende plaatsen en aangepaste infrastructuur.

Asbest verdwijnt definitief

De minister maakt bovendien werk van een volledige asbestsanering in alle Vlaamse scholen. Het decreet daarvoor werd vanmorgen goedgekeurd in de Commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement.

“Asbest heeft geen plaats in een omgeving waar kinderen elke dag spelen en leren”, aldus Demir. “Daarom betalen we vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe decreet 100 procent van de kosten voor asbestverwijdering terug. Niet 60, niet 70, maar alles.”

Volgens de nieuwste Schoolgebouwenmonitor – die morgen officieel verschijnt – heeft 61 procent van de schoolvestigingen vandaag nog asbest in hun gebouwen.

Bron: vrt.nws

Beste nieuwsombudsvrouw: “Krijgen leerkrachten echt 3.600 euro netto pensioen?”

Beste nieuwsombudsvrouw: “Krijgen leerkrachten echt 3.600 euro netto pensioen?”

Veel ongeloof de afgelopen dagen in de mailbox van het nieuwsombudsteam. De cijfers die de redactie publiceerde in verband met het pensioen van leerkrachten deden hier en daar wat wenkbrauwen fronsen. In de eerste plaats bij het onderwijzend personeel zelf. 

“Er staat volgens mij een fout in de tabellen met de pensioenbedragen. Dat kunnen in mijn ogen geen nettobedragen zijn. Mijn moeder werkte meer dan 30 jaar voltijds als statutaire master in het onderwijs en heeft minder dan 3.000 euro netto sinds ze met pensioen is.”

“In het artikel over de pensioenhervorming wordt gesuggereerd dat wie nu als master in het onderwijs op 63 jaar met pensioen gaat meer dan 3.600 euro pensioen per maand krijgt. Dat klopt niet. Ik ga in september op pensioen na 41 jaar in het onderwijs en op mijn 65e. Ik werkte de hele tijd als licentiaat/master. Mijn pensioen zal ongeveer 3.200 euro bedragen. Geen idee waar u uw cijfers vandaan haalt. Wat jullie vermelden moet zo ongeveer het pensioen van een directeur zijn.”

Waar komen de cijfers vandaan?

Hoe zit dit nu precies? Eerste belangrijke vraag: waar komen deze cijfers vandaan? Ik merk de cijfers voor het eerst op in Terzake van 21 november. Er wordt hier duidelijk gezegd dat ze van het kabinet van minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) komen. Die wil met de cijfers in de verf zetten dat de pensioenen bij de leerkrachten geleidelijk aan zullen dalen en dat wie tot de wettelijke pensioenleeftijd werkt, minder nadeel zal ondervinden dan wie vroeger stopt. Over hoeveel pensioen de leerkrachten uiteindelijk zullen krijgen, wordt niets gezegd, behalve dat dit volgens de minister sowieso meer zal zijn dan dat van andere werknemers of zelfstandigen.

De redactie ging daarna verder met die cijfers aan de slag. Op 25 november komt hierover een uitgebreid artikel online en ook in de podcast Het Kwartier en Terzake wordt er dieper op ingegaan. Hier wordt wel een bedrag geplakt op hoeveel een leerkracht die nu op 63 jaar met pensioen gaat, krijgt: voor masters gaat het om 3.607 euro netto en voor bachelors om 2.877 euro netto. 

Hoe zijn ze berekend? 

In het artikel en in de Terzake-reportage van 25 november wordt in het midden gelaten hoe de cijfers berekend zijn. De redactie lijkt er wel van uit te gaan dat het om gemiddeldes gaat. Dat wordt zo gezegd in Het Kwartier. Ze vergelijkt de bedragen ook met het gemiddelde van alle pensioenen in ons land. Een vergelijking die sowieso moeilijk ligt, want dat laatste gaat over verschillende stelsels en diploma’s. Maar dat wordt ook wel opgemerkt in Terzake en in Het Kwartier. 

Net zoals het nieuwsombudsteam kreeg ook de redactie hier vragen over binnen. Want krijgt een leerkracht met een masterdiploma die op 63 jaar met pensioen gaat nu daadwerkelijk 3.607 euro pensioen? De cijfers van het kabinet zijn ramingen die de Pensioendienst heeft gemaakt om de impact van de hervormingen in kaart te brengen. Navraag bij de Pensioendienst leert de redactie dat het niet om gemiddeldes gaat.

De cijfers gaan uit van een onmiddellijke start van de loopbaan na het afstuderen aan een volle lesopdracht, om dan een volledige loopbaan te werken zonder onderbrekingen tot aan de vroegste of wettelijke pensioendatum. Het resultaat is volgens de Pensioendienst dus veeleer een maximaal pensioenbedrag. Toch wel een belangrijke nuance in heel dit verhaal. Zeker voor leerkrachten die nu volop zicht proberen te krijgen op hun pensioen. 

Beter duiden

De redactie had de cijfers beter moeten duiden. Ondertussen is er in het online artikel een correctie en aanvulling gepubliceerd. Dat is belangrijk, ook al blijft de essentie van de berichtgeving overeind, namelijk dat jonge leerkrachten honderden euro’s minder pensioen zullen krijgen dan hun collega’s die vandaag met pensioen gaan. Als kijkers, lezers en luisteraars de redactie op onnauwkeurigheden betrappen, doet hen dat vaak ook twijfelen aan de rest van de berichtgeving. Nauwkeurig berichten blijft dus een enorm belangrijk principe om het vertrouwen van het publiek te behouden.

Bron: vrt.nws

Arizona knipt in de index: loondiefstal in ‘light’-verpakking

Arizona knipt in de index: loondiefstal in ‘light’-verpakking

Al honderd jaar is de index een schild tegen duurdere winkels en lagere lonen. Arizona zet er nu de schaar in: een ‘indexsprong light’ die vooral werknemers en gepensioneerden doen inleveren, terwijl bedrijven cashen.

De automatische indexering van de lonen en uitkeringen zijn het resultaat van een jarenlange sociale strijd. In 1920, te midden een zware economische crisis, werd daarover de eerste CAO (Collectieve Arbeids-Overeenkomst, die heeft in België kracht van wet, nvdr) afgesloten in de sector ‘mijn-, hout- en stoffering’. Die koppelde de lonen aan de stijging van de consumptieprijsindex.

Dat instrument volgt hoe de prijzen evolueren van goederen en diensten die gezinnen dagelijks kopen. Die index moet “representatief” zijn: de korf waarvan men de prijzen meet, moet zo goed mogelijk overeenkomen met wat een gemiddeld huishouden verbruikt.

Dankzij het systeem van automatische loonindexering, stijgen de lonen en sociale uitkeringen betrouwbaar met de levensduurte en wordt de uitholling van de koopkracht tegengehouden. Sinds 2015 wordt de index jaarlijks geactualiseerd. Sommige goederen of diensten worden minder gekocht (zoals vaste telefoonlijn), andere komen erbij (zoals mobiel internet). 

Zo werd de index een belangrijk instrument in de strijd tegen de armoede en een belangrijk instrument van solidariteit.

Steeds maar morrelen aan de index

De regering De Wever-Rousseau is niet de eerste die knabbelt aan die automatische indexering De eerste volledige indexsprongen werden beslist door de regering Martens IV in 1982 en 1984. De prijzen stegen toen met meer dan 2 procent, maar lonen en uitkeringen werden niet aangepast. Mensen konden dus vanaf toen minder kopen met hun loon. 

De Regering Di Rupo deed dit in 2013 nog eens over en ook de regering Michel kopieerde dit recept in 2015. Dit lijkt misschien niet zo erg want het is telkens eenmalig. Maar niets is minder waar. Je sleept elke indexsprong heel je carrière mee.

Twee voorbeelden. Je bent vandaag 56 jaar en je hebt een brutomaandloon van 3.500 euro. Door één indexsprong verlies je 70 euro per maand. Dat betekent een brutoverlies van ongeveer 8.400 euro op je 66ste. Als je vandaag 27 jaar bent en een brutomaandloon hebt van 3000 euro, verlies je 60 euro per maand of in totaal 28.800 euro wanneer je op 67 jaar op pensioen gaat. 

Gezondheidsindex en andere truken van de foor

Sinds 1983 gebeurt de aanpassing van de lonen en uitkeringen aan het viermaandelijkse gemiddelde van de index (dat is de afgevlakte index), niet meer aan de maandelijkse stijging. Daardoor worden prijsstijgingen met vertraging doorgerekend, wat een tijdelijk koopkrachtverlies oplevert.[1]

In 1994 werd de ‘gezondheidsindex’ ingevoerd. Uit de indexkorf werden alcoholische dranken, tabakswaren en benzine en diesel gehaald. Hierdoor volgen – vandaag nog steeds dus – de lonen en uitkeringen de reële prijsstijgingen niet meer. Vooral door de enorme prijsstijgingen van benzine en diesel sindsdien, voel je dit sterk in de portemonnee. De gezondheidsindex is een pure besparingsmaatregel die verkocht werd als gezondheidsbeleid.

Nieuw is de verschoven toepassing van de automatische indexering van de pensioenen. Vroeger werden deze aangepast aan de levensduurte één maand nadat de spilindex werd overschreden. De regering De Wever besliste de pensioenen pas aan te passen de derde maand na de overschrijding van de spilindex. Zo verliest een gepensioneerde met 1500 euro per maand 60 euro bij elke indexaanpassing.

Arizona: ’indexsprong light’

In de begroting wordt twee keer een gedeeltelijke indexsprong voorzien: in 2026 en in 2028.

Tot aan een brutoloon van 4.000 euro zal er wel nog geïndexeerd worden. Wie meer verdient, zal het bedrag daarboven niet geïndexeerd zien. Voor pensioenen is de grens 2.000 euro bruto. De helft van het bespaarde bedrag moet de werkgever doorstorten naar de staatskas, de andere helft mag hij zelf houden.

Dat komt neer op een nieuwe diefstal en verdere afbouw van de automatische indexering van de lonen en uitkeringen. De krant De Standaard schrijft dat het over 41 procent van de werknemers gaat en over 45 procent van de gepensioneerden. 

Het gaat dus helemaal niet over de ‘rijke toplaag’ maar over mensen met een klein beetje meer dan het gemiddeld pensioen van 1.640 bruto of een mediaan loon dat 3.850 euro bruto bedraagt.[2] 

Omgekeerde Robin Hood

Deze ‘indexsprong light’ wordt verkocht als besparingsmaatregel maar dat klopt niet helemaal. De overheid wint er wel bij doordat ze de indexering van de ambtenarenlonen en pensioenen slechts gedeeltelijk moet toepassen. Maar de overheid verliest ook doordat het niet volledig indexeren van de lonen en pensioenen ook minder inkomsten genereert via belastingen en sociale zekerheidsbijdragen. 

Het belangrijkste effect is het verschuiven van inkomen van de werknemers naar de bedrijven. De regering neemt van de ‘net niet arme’ werknemers om daarvan de helft aan de rijke aandeelhouders te geven. De bedrijven besparen nogmaals flink op de lonen, bovenop de 25 miljard jaarlijkse subsidies die ze al ontvangen van de overheden. 

Regering van de rijken

Deze grafiek toont dat het aandeel van de lonen daalt en het aandeel van de winsten van de bedrijven stijgt. Er gaat dus een steeds groter deel van de geproduceerde rijkdom naar de aandeelhouders. Daar bovenop komt nu nog de helft van de opbrengst van de twee gedeeltelijke indexsprongen voor de lonen boven de 4000 euro.

Het is een duidelijke politieke keuze, ook van deze regering met Vooruit en CD&V, om bedrijven en dus de aandeelhouders cadeaus te blijven geven, ten koste van diegene die moeten werken voor hun inkomen. Dit is opnieuw regelrechte loondiefstal. En ondertussen is de winsthonger van de aandeelhouders niet te stillen.

Notes: 

[1] Stel dat je nettoloon 2.000 euro is. De index staat drie maanden lang op 100 en springt in februari plots naar 110, een stijging van 10 procent. Nadien blijft hij drie maand onveranderd. Als lonen meteen met de maandindex zouden volgen, dan krijg je in februari onmiddellijk 10 procent erbij en ga je naar 2.200 euro.
Met de afgevlakte index gebeurt dat trager, omdat men met het viermaandelijks gemiddelde werkt. In februari wordt dat gemiddelde (100 + 100 + 100 + 110) / 4 = 102,5. Je loon stijgt dan niet met 10 maar met 2,5 procent, naar 2.050 euro. In maart wordt het gemiddelde 105 en ga je naar 2.100 euro. In april is het gemiddelde 107,5 en stijg je naar 2.150 euro. Pas in mei, wanneer het viermaandelijks gemiddelde volledig op 110 uitkomt, beland je op 2.200 euro. Het eindpunt is hetzelfde, maar je voelt de prijsstijging meteen en je loon volgt na drie maand. 

[2] Een mediaan loon van 3850 euro betekent dat de helft van de werknemers een loon heeft dat hoger is dan dat bedrag en de helft lager dan dat bedrag. 

Bron: dewereldmorgen.be

Ook de top moet eerlijk bijdragen: er is geen alternatief

Premier De Wever mag dan geloven dat welvaart van de top neerdaalt, echte groei begint bij solidariteit. Laat de grootvermogens eindelijk meebetalen aan onze toekomst.

Een gezonde begroting kan alleen als de grote vermogens hun deel doen. De belastingmix in België is ongelooflijk scheef doordat vooral arbeid voor de inkomsten moet zorgen. Vermogens buiten schot laten, is een privilege voor de top dat niet te houden is. Dit inkomstenprobleem voor de overheid negeren en in plaats daarvan enkel naar uitgaven kijken is onverantwoord, niet duurzaam en niet van deze tijd. Bovendien, het is al vaker geprobeerd. Het is een mislukt recept dat voor meer ongelijkheid zorgt en daarmee een gevaarlijke voedingsbodem creëert voor sociaal ongenoegen en populisme. Alsof we daar nog niet genoeg van hadden.

Iedereen is het er over eens dat de begroting gezond moet worden. Alleen: de klassieke besparingslogica klopt mathematisch niet. De overheid heeft een inkomstentekort omdat de samenleving met de nieuwe uitdagingen van deze tijd kampt: vergijzing, defensie, klimaat. Mensen verwachten daarvoor een overheid die oplossingen biedt, dus moet je middelen vinden. Hervormingen in de sociale zekerheid en arbeidsmarkt zijn noodzakelijk, maar alleen daarmee kom je er niet. Wie kijkt naar de groepen die vooral langdurig ziek zijn – ouderen, vrouwen, mensen met een burn-out – ziet dat vooruitgang daar niet in een vingerknip wordt geboekt (en het voor de grote meerderheid alles behalve om ‘profiteurs’ gaat). En wie beseft dat ook Vlaanderen, waar het laaghangend fruit aan maatregelen allang geplukt is, nog altijd niet aan een werkzaamheidsgraad van 80% raakt, weet dat makkelijke oplossingen niet bestaan. Hoed je voor populisten die enkel naar de andere landsdelen wijzen: van hen hoef je geen oplossingen te verwachten.

SCHEEFGEGROEIDE INKOMSTEN

Omdat enkel hervormingen niet voldoende zijn en de resultaten pas op termijn zichtbaar worden, wordt besparingsretoriek van stal gehaald. Bij gebrek aan visie, herhalen rechtse politici sinds mensenheugenis het mantra there’s no alternative. Er zal koste wat kost bespaard moeten worden. Er wordt niet vastgesteld dat het noodzakelijk is omwille van scheefgegroeide uitgaven. Het is simpelweg de enige optie die in overweging wordt genomen. Rechts vergeet altijd dat een budget twee kanten telt. Scheefgegroeide inkomsten komen nooit in aanmerking voor hervorming. Die vergeetachtigheid lijkt doelbewust om belangengroepen te beschermen, of vanuit rechtse ideologische dogma’s, met weinig verdiensten voor de uitdagingen waar we nu voor staan, zoals groeiende ongelijkheid en populisme.

Naar welke besparingen kijkt rechts dan? De federale bevoegdheden, zoals justitie en politie, houden zich nu al met moeite recht. Internationale solidariteit, altijd het eerste symbolische slachtoffer voor rechts – wisselgeld voor de begroting, immens tastbare resultaten op het veld – heeft al mogen dokken. Wat uiteindelijk altijd onuitputtelijk in aanmerking komt voor rechts zijn dan de sociale uitgaven. Vanuit een verkeerd geïnformeerd mensbeeld, zal daar altijd nog wel wat te rapen vallen. Voorstellen die N-VA en MR op tafel leggen bij de onderhandelingen en in hun partijprogramma’s, verraden dat de begroting in evenwicht brengen voor hen hetzelfde is als fundamenteel in de sociale welvaartsstaat kappen. Dat zou een grote fout zijn. In plaats daarvan zou het land op orde krijgen juist als kans aangegrepen moeten worden om een scheefgegroeid systeem van overbelasting van arbeid ten opzichte van kapitaal eindelijk recht te trekken. De verdediging van ons samenlevingsmodel waar we verantwoordelijk zijn voor elkaars welzijn en gelijke kansen in welvaart: dat zou pas staatsmanschap zijn.

BELASTINGSPARADOX

Rechts schermt met de hoogste belastingdruk van Europa als reden om niets aan de inkomstenzijde te doen. Dat is maar een deel van het verhaal. De waarheid is dat in verhouding onze middenklasse het grootste deel van de belastingdruk draagt. België heeft een belastingsparadox waarbij we arbeid wurgen en kapitaal sparen. Het allermeeste vermogen is in de handen van slechts een kleine groep. De effectieve belastingvoet van die kleine groep, is aanzienlijk lager dan de modale werknemer. Dat komt doordat kapitaal op alle mogelijke voordelige belastingregimes kan rekenen. Dat is simpelweg niet te rechtvaardigen. Het is onhoudbaar dat modale werknemers op hun belastingbrief meer bijdragen aan de samenleving dan de top. Zeker juist wanneer de samenleving zulke grote financiële noden heeft. Een structureel begrotingsevenwicht is niet haalbaar zonder een hervorming van de inkomstenzijde.

Bij het openingscollege politicologie aan de UGent door premier, Bart De Wever, stond welvaart centraal. Het was een mooie glimp in het wereldbeeld van N-VA en MR. Welvaart wordt in het plaatje van rechts gemaakt door de mensen aan de top, de grote investeerders en industriëlen. Daarom is voor hen de belastingsparadox rechtvaardigbaar. De rest van de samenleving mag blij zijn dat we dankzij hun welvaartcreatie aan onderwijs, armenzorg en ouderenzorg kunnen doen. De Wever projecteerde dat in die woorden visueel als respectievelijk ‘de basis’ en ‘de zuilen’. Enkel als de top het zich kan permitteren, zijn er aalmoezen voor het volk.

Terwijl de premier zou moeten weten dat juist solidariteit en herverdeling van kansen een structurele motor voor meer welvaart en economische groei zijn. Publieke uitgaven voor scholen en ziekenhuizen leiden tot slimmere en gezondere burgers met meer economische output en hogere productiviteit. Dat beweren niet alleen linkse economen als Piketty en Zucman, ook studies van het IMF, de Wereldbank, OESO stellen het al lang: landen met lagere ongelijkheid hebben langere groeiperioden en herverdeling zelf zorgt voor reële productieve groei en investeringen. De Scandinavische landen waar we zo naar opkijken, hadden decennia hoge kapitaalbelastingen met sterke economische groei. België blijft in Europa hopeloos achter als land dat kapitaal niet om een bijdrage durft vragen.

HERVERDELINGSMACHINE

Welvaartsgroei als doel op zich – zonder na te denken naar waar en wie de groei gaat – is zonder voorwerp. Groei moet altijd gaan om de meerderheid van de samenleving. Daarom zou in de verdiensten van de sociale welvaartsstaat snijden om de begroting in evenwicht te brengen een grote fout zijn. Snijden in de welvaartsstaat zou economische groei fnuiken en welvaartcreatie tegengaan. In plaats daarvan, moet de herverdelingsmachine weer op gang worden getrokken. Ook de top moet eindelijk hun eerlijk deel doen, zodat de sociale welvaartsstaat en economische groei hand in hand gaan.

Kijk naar Spanje: een verdubbeling van de economische groei (en dus minder staatsschuld), terwijl het land ook nog eens ongelijkheid verkleint en het klimaatprobleem aanpakt. Internationale media schreven over ‘het Spaanse model’. Sánchez zelf spreekt over ‘het sociaaldemocratische model’.

Politici op rechts onderschatten gigantisch welk onrechtvaardigheidsgevoel er onder grote groepen van de bevolking leeft, als men hoort over een zoveelste ronde besparingen die hen gaat raken. De crisis van democratie die op veel plekken ervaren wordt, hangt direct samen met hoe belastingen worden geheven. Mensen zijn niet bang om te praten over belastingen, mensen willen rechtvaardigheid. In plaats van het begrotingsprobleem aan rechts te laten, moet links het begrotingsprobleem claimen en het probleem van inkomsten benoemen. Dat betekent ongegeneerd opkomen voor noodzakelijke eerlijke bijdragen door iedereen. Alleen zo beschermen we de welvaartsstaat.

Bron: Sampol.be