Met zieken valt geen zaken te doen

Is ons ziektesysteem ziek, zoals Voka en Stijn Baert, beweren? Of toch eerder de wijze waarop wij maatschappelijk onze arbeid organiseren?

Met Arizona maken we een politieke omwenteling mee. Het regeringsbeleid viseert, onder de mom van goed bestuur, de zwakken in onze samenleving. In zijn ideologische pamfletten draagt onze premier, Bart De Wever (N-VA), gemeenschapszin dan wel hoog in het vaandel, zijn beleid stelt business voorop en speelt mensen onderling uiteen.

De zelfverzekerdheid waarmee het Zomerakkoord er kwam, steekt af tegen de sociale onzekerheid die het creëert. Aanvankelijk zou zelfs moederschapsrust niet meetellen voor het pensioen. Wie zwanger was, moet langer werken: veelzeggend dat zo’n idee overwogen is. De pensioendienst vreest voor juridisch drijfzand en geeft aan absoluut niet klaar te zijn om de nieuwe wetten vanaf 1 januari 2026 toe te passen, maar vindt geen gehoor. De Vergrijzingscommissie berekende dat maar liefst 40% van de vrouwen en 20% van de mannen hun pensioen zullen uitstellen. Vooral in de zorg komt dit hard aan, omdat er voornamelijk vrouwen actief zijn die dikwijls deeltijds werken om de werkdruk aan te kunnen en om werk en gezin te kunnen combineren. Klonk er ooit een applausje voor de zorghelden, nu horen we alleen: langer en harder werken!

‘Het is van moetens’, zo verklaarde Monica De Jonghe van het VBO voldaan na het Zomerakkoord (Trends, 30/7), ‘want zo goed als alle mogelijkheden om vervroegd uit de arbeidsmarkt te stappen zijn weg’. Daarmee is de inzet duidelijk: de zweep erop. Maar wie een dagje ouder is, trekt het steeds hogere ritme in onze zorginstellingen niet goed meer. Hou je daar geen rekening mee, dan zal de uitval nog toenemen. En als er steeds meer langdurig zieken zijn, wie gaat ze dan verzorgen?

SLAVEN ALS FLANDRIEN

Onze premier stak na de zomer nog een tandje bij. Hij wil van ons allemaal flandriens maken: puffend zullen we steil bergop moeten trappen. Want er komt een col hors catégorie aan, zijn metafoor voor een gat in de begroting. De noodzaak van besparen zou al een uitgemaakte zaak zijn, over de miljarden voor Oekraïne en het leger mogen we het niet meer hebben. De ceo van het VBO, Pieter Timmermans, reageerde enthousiast. Hij schreef zijn brief naar de Sint al (DS, 8/9): minder loon, meer flexibiliteit én activering. En privatiseer de publieke diensten ook maar, daar valt winst te rapen. Dat is niet de juiste weg. Als we ons onderwijs, openbaar vervoer of onze zorg verder vermarkten, dan stijgen onze facturen en verliezen we sowieso aan democratische dienstverlening. Timmermans, die zedig zwijgt over een vermogensbelasting of de escalerende belastingontwijking door de wildgroei aan managementvennootschappen, stelt doctrinair dat groei de enige optie is.

En volgens het VBO kan natuurlijk alleen de private economie daarvoor zorgen, wat van werkgevers meteen de weldoeners van onze samenleving maakt. Nochtans creëert een publieke economie ook meerwaarde en kan ze dat soms beter. Het deel van de gecreëerde rijkdom dat naar lonen gaat, zo becijferde de Nationale Bank, is sinds 2013 fors gedaald: bijna 30 miljard euro gaat niet langer naar lonen, pensioenen en sociale zekerheid, maar vloeit rechtstreeks naar aandeelhouders. Geen groei, wel gaten in de begroting.

ZIEKEN ALS ZONDEBOK

Wil je groei, dan moet je de koopkracht versterken en vermijden dat burgers in angst leven vanwege de sociale onzekerheid. De loonmatigingen en besparingen van de regering-De Wever bewerkstellingen het tegendeel.

Na het Zomerakkoord, dat werklozen en onze pensioenen aanpakte, staat in de herfst de jacht op de zieken op het politiek agenda. Minister van Volksgezondheid, Frank Vandenbroucke (Vooruit), gaat honderdduizend zieken controleren en opende daarmee wat intussen een ‘moedig’ debat heet. De werkgeversfederatie Voka (25/9) zag hierin een opportuniteit en stelde begeesterd in een pamflet een reset van het systeem rond ziekte-uitval voor. ‘Ons systeem zelf is ziek en moet helemaal gereset worden’, klinkt het. En daarmee bedoelen ze niet ons economisch systeem. Natuurlijk is het goed om na te denken over hoe we progressieve tewerkstelling en re-integratie kunnen verbeteren. Meer maatwerk is welkom, een taak voor het sociaal overleg tussen vakbonden en werkgevers. Huisartsen en mutualiteiten mag je ook op hun verantwoordelijkheden wijzen.

Maar het debat wordt ideologisch als je, zoals Voka, gretig aanhaalt dat langdurig zieken de samenleving jaarlijks 12 miljard euro kosten, toevallig ongeveer zoveel als het begrotingsgat, en benadrukt dat dit onbetaalbaar en onverantwoord zou zijn. Zo schilder je zieken af als profiteurs, schep je een sfeer van schuld en schaamte. En leid je de aandacht weg van bijvoorbeeld de tientallen miljarden staatsteun aan bedrijven. We zouden miljarden in de ziekte-uitgaven kunnen besparen, klinkt het vervolgens, hoewel het onduidelijk is hoe dan wel. Want net zoals bij langdurig werklozen is wie geen ziekte-uitkering meer krijgt op het OCMW aangewezen. De sociale uitgaven zullen zo in verhouding allicht minder dalen dan dat de armoede stijgt. Een leefloon ligt weliswaar lager en die periodes tellen niet meer mee voor het pensioen. Mislukt het activeren, dat lijkt het dat je als overheid toch aan het saneren bent, al was het op de kap van de zwaksten.

STATISTISCHE HOCUS-POCUS

Volgens minister Vandenbroucke moeten we zieken wel activeren, want ‘anders laten we ze in een verdomhoekje zitten’. Zo lijkt het wantrouwen van zieken bovenal een nobele aangelegenheid, waarbij we voorbij de taboes ongemakkelijke waarheden onder ogen moeten durven zien. Die hervormersretoriek staat soms haaks op de wetenschappelijke realiteit. Arbeidseconoom Stijn Baert opperde in De Afspraak dat België Europees koploper inactiviteit is. Ook Voka beweert in haar resetpamflet dat ‘België het tweede hoogste aantal arbeidsongeschikten in heel Europa kent’, om enkele zinnen verder al te stellen dat ‘we kampioen zijn in ziekte-uitval op het werk.’ Maar waarop zijn deze claims gebaseerd?

Volgens het ene onderzoek ben je langdurig ziek na één maand, volgens het andere vanaf zes maanden of een jaar. Er circuleren ook verschillende definities voor inactieven of invaliden. In ons land doet het getal van een half miljoen zieken de ronde, louter op basis van wat het Riziv uitkeert. Het juiste aantal langdurig zieken ligt hoger. In Nederland betalen werkgevers twee jaar door voor hun zieke werknemers – 23 maanden langer dus, een idee voor de reset van Voka? – wat weer tot andere cijfers leidt. Lidstaten die hun ziektecijfers op basis van uitgaven berekenen, zien die cijfers dalen zodra ze sociale saneringen doorvoerden. Volgens deze cijferlogica is de kampioen langdurig zieken mogelijks het land dat het beste voor zijn zieken zorgt.

Volgens demograaf Patrick Deboosere zijn er nochtans simpelweg geen vergelijkbare cijfers tussen landen omdat definities en wetgeving verschillend zijn. Verhoog je de pensioenleeftijd, dan stijgen de ziektecijfers in de statistieken automatisch mee. Wie landen met een andere pensioenleeftijd naast elkaar stelt, vergelijkt dus appelen met peren. Onze Hoge Raad voor de Werkgelegenheid gebruikt inzake langdurig zieken de LFS-cijfers van Eurostat, maar … die bevraging meet vooral wie de week voordien niet heeft gewerkt en waarom. In landen met een zwakke sociale zekerheid zullen zieken al sneller een uurtje flexwerken. Ze staan bijgevolg als actief in de statistieken. Cynische tip: voer meer 0-urencontracten in en deze ziekenstatistiek zal dalen.

BETER NAAR OORZAKEN PEILEN

Er is kortom geen vergelijkingsbasis om aan te nemen dat ons land zou afwijken inzake intensiteit en evolutie van langdurig zieken. Daar zijn ook niet meteen redenen voor gekend. Eerder dan onheilspellende vergelijkingen te fabuleren om een draagvlak voor besparingen te creëren, kunnen we beter naar de juiste oorzaken van ziekteverzuim peilen. Zodat we preventief kunnen werken.

Opvallend is dat de groei van burn-outs en depressies bij jonge vrouwen ligt. Dat komt deels omdat jobs in de zorgsector met haar voorthollende werkdruk in grote mate door jonge vrouwen ingevuld zijn. Ook Nederland kent een alarmerende stijging, de ziektecijfers bij jongere werknemers omwille van mentale problemen ligt er nog hoger, en dat ligt wellicht ook aan het vele flexwerk.

De vraag is bijgevolg: is ons ziektesysteem ziek, zoals Stijn Baert en Voka beweren? Of toch eerder de wijze waarop wij maatschappelijk onze arbeid organiseren? Onze beleidsmakers blijven alsnog doof voor deze noodoproep. Een toename aan zieken ligt dan voor de hand. En dat, beste regering-De Wever, is ook bad for business.

Bron: sampol.be

Mondige burger, stille werker?

Mondige burger, stille werker?

Waarom de redding van de democratie begint op het werk

Een enthousiasmerend verhaal over het draagvlak voor verandering, publieke verbeelding, de vakbond als politieke emancipatiemachine en aanjager van zeggenschap.

2025 – paperback / e-book, 152p.

Op school leer je kritisch denken. Opkomen voor je eigen mening. Voor nogal wat mensen stopt dat van zodra ze beginnen werken. Acht uur per dag doen wat je baas zegt: de gevolgen ervan zinderen ook na in hun vrije tijd. Werknemers van autoritaire bedrijven of van ondernemingen zonder vakbond, zo vertelt elk onderzoek, geloven doorgaans minder in democratie. Maar het omgekeerde blijkt ook: zaai je democratie op het werk, dan oogst je democraten in de samenleving. Tegenwoordig leggen maar weinig mensen de link tussen de vloer en de politieke democratie. Ooit was dat anders. Tijdens de opmars van het fascisme geloofden sommige denkers zelfs dat de sleutels om haar te redden juist daar te vinden waren. ‘Zonder democratie op het werk’, zo klonk het, ‘geen democratie in de samenleving.’
Vandaag lijken de hiërarchische, kapitalistische organisatiemodellen wel religie. Mondige burger, stille werker? gaat tegen de goddelijke orde in. Een enthousiasmerend verhaal over het draagvlak voor verandering, publieke verbeelding, de vakbond als politieke
emancipatiemachine en aanjager van zeggenschap.

Stan De Spiegelaere is gastprofessor aan de UGent en directeur beleid en onderzoek bij de Europese vakbondsfederatie UNI Europa. Hij is lid van de denktank Minerva.

Te koop via EPO

In tijden van Temu en AliExpress: is er nog toekomst voor ‘Made in Europe’?

In tijden van Temu en AliExpress: is er nog toekomst voor ‘Made in Europe’?

Al maandenlang regent het berichten over ontslagen in de Belgische industrie. Zowel in de textielindustrie, de chemie- en de staalsector sneuvelden het afgelopen jaar duizenden banen. Onze producten kunnen niet langer concurreren met goedkopere invoer. Is het allemaal de schuld van China, of speelt er meer? De VRT NWS-podcast China voorbij de Muur onderzoekt of er nog toekomst is voor ‘Made in Europe’.

Er gaat geen dag voorbij of China zit in het nieuws. Maar kennen we het land echt? Begrijpen we hoe de Chinezen denken, wat ze willen, hoe het eraan toegaat in de Chinese samenleving én welke invloed dat heeft op ons leven? VRT NWS-experten Tom Van de Weghe en Veerle De Vos zoeken het uit in de maandelijkse podcast ‘China voorbij de muur’.

Het regende het afgelopen jaar collectieve ontslagen: textielbedrijven die sloten of verkasten naar het buitenland, honderden ontslagen in de chemie, problemen in de staalsector en dan was er nog de sluiting van Audi in Vorst. Volgens cijfers van de FOD werkgelegenheid verdwenen er alleen al in de eerste 9 maanden van dit jaar bijna 7.000 banen in de industrie. 

Er zijn verschillende redenen waarom de industriesector het moeilijk heeft: hoge loonkosten worden vaak genoemd én hoge energiekosten. Die liggen zelfs hoger dan in onze buurlanden, wat het moeilijk maakt voor onze bedrijven om concurrentieel te blijven. Maar er is nog een factor die vaak terugkomt en dat is China.

Sinds de Chinees-Amerikaanse handelsoorlog zou dat land nog meer dan vroeger zijn producten onder de kostprijs op onze markt dumpen met alle gevolgen van dien. Waar het 15 jaar geleden vooral ging om ‘goedkope’ spullen zoals speelgoed en textiel gaat het nu om hoogtechnologische  producten zoals zonnepanelen en elektrische auto’s.

Subsidies met een controlesysteem

De reden daarvoor is het feit dat China een heel ander economisch systeem heeft, legt Victor De Decker uit, bij het Egmontinstituut in Brussel: “China was altijd al een investeringsgeleide economie. Tegelijkertijd zijn er de kapitaalcontroles: Chinese winsten mogen niet zomaar naar het buitenland worden versluisd. Dat geld wordt massaal geïnvesteerd in infrastructuur, in vastgoed, maar ook in industrie. De laatste jaren gaan er miljarden en miljarden naar zonnepanelen, elektrische wagens, artificiële intelligentie en halfgeleiders.”

China ontkent dat het het spel niet eerlijk zou spelen, dat zegt ook Jun Jiang, een onderneemster die met haar bedrijf China Connect bruggen bouwt tussen China en Europa. “China begint altijd met een heel duidelijk beleid. Welke sectoren zijn strategisch belangrijk, welke technologieën moeten groeien? Daarna investeert de overheid massaal in infrastructuur zodat bedrijven een sterke basis hebben. Subsidies zijn er ook, maar altijd met een controlesysteem. Als bedrijven hun doelen niet halen, stopt de steun ook direct.”

Maar sinds het einde van de Covid-pandemie hapert het consumentenvertrouwen bij de Chinese burgers. Met het aantreden van de Amerikaanse president Trump gelden er in de VS strenge handelsbeperkingen voor Chinese producten. Het gevolg is dat er meer dan ooit Chinese producten onze richting uitkomen, afgewerkte producten, maar ook onderdelen zoals batterijen, chemische stoffen en staal. 

Een van de sectoren die het al jarenlang moeilijk heeft, is de textielsector. Maar recent is het nog verergerd, zegt Karla Basselier, CEO van belangenorganisatie Fedustria. “Wegens de lage loonkosten in China kwam Chinees textiel vanaf de jaren 2000 massaal aan dumpingprijzen op onze Europese markt. Dat geldt trouwens ook voor de meubelsector als het gaat om plaatmateriaal. En die dumping is eigenlijk alleen maar verhoogd de laatste jaren, zelfs het laatste jaar”.

Hand achter de rug

Intussen is de Europese Unie -behoorlijk laat- wakker geschoten. Zo kondigde de Europese Commissie in oktober maatregelen af voor de staalsector: de invoertarieven op Chinees staal worden verdubbeld en de invoerquota worden met de helft verminderd. Volgens staalreus Arcelor Mittal “broodnodige zuurstof” voor de Europese industrie. 

Maar volgens Karla Basselier komen veel Europese maatregelen te laat of werken ze zelfs contraproductief. “Een voorbeeld is de heffing op synthetische garens uit China. Voor de textielindustrie is dat een grondstof. Maar de productie van die garens is al jaren geleden verhuisd naar China.”

“Door de Europese heffingen verliezen onze bedrijven 2 keer: een keer omdat ze zelf die heffingen moeten betalen en een tweede keer omdat concurrenten buiten de EU -bijvoorbeeld Turkije- die invoerheffing niet moeten betalen.”

Victor De Decker van het Egmontinstituut ziet hoe de Europese Unie met een hand achter de rug gebonden moet werken. “Je kan als handelsblok niet zomaar een tarief opleggen – dat moet voldoende worden gelegitimeerd op basis van regels over subsidiëring en antidumping. Dat werkt natuurlijk enkel heel specifiek, terwijl het probleem met de Chinese export niet beperkt blijft tot één enkele sector”.

Volgens Jun Jiang is China de beschuldingen moe. “Voor veel Chinezen klinkt het zo: zolang je zwak bent, mag je meedoen, maar zodra je wint, speel je vals. We hebben 40 jaar de regels gevolgd die jullie geschreven hebben. Toen China de fabriek van de wereld was, was dat oké. Zodra Chinese bedrijven innovatie en schaal combineren, veranderen de regels ineens. Dat is geen kritiek, dat is een dubbele standaard.”

Slim textiel en recyclage

Is er dan nog een toekomst voor de Europese industrie? Karla Basselier denkt van wel, zelfs in een zwaar getroffen sector als textiel. “We moeten evolueren van een arbeidsintensieve sector naar een kapitaalintensieve sector die inzet op innovatie. Een goed voorbeeld is het zogenaamde ‘slim textiel’. Dat zijn doeken die gebruikt worden in de agro-industrie, in de medische sector en zelfs in de offshore windmolenparken. Op dit moment is dat al goed voor de helft van onze totale omzet.” 

Ook Victor De Decker blijft optimistisch: “Er zijn nog altijd enkele industrieën waar Europa heel sterk in staat. Extreem ultraviolette lithografie van ASML – de halfgeleiderprinters. In de commerciële luchtvaart is er nog altijd geen Chinese evenknie voor Airbus. Medische technologie. Het komt er in eerste instantie op aan om de meubelen te redden waar ze nog te redden vallen. De sterkte van Europa blijft innovatiecapaciteit en kwaliteit.

En er is nog iets wat we kunnen doen om minder afhankelijk te worden van China als het gaat om grondstoffen en dat is inzetten op recyclage. Karla Basselier: “We hebben gigantisch veel textielafval in Europa, dat is een perfecte grondstof voor dat technische textiel. Maar daarvoor moeten we die recyclage technologie opschalen en daar moet de Europese Unie ons bij helpen”.  

Nog zo’n sector waar recyclage een oplossing kan bieden is de batterijproductie. Sommige bedrijven kunnen tot 95 procent van de zeldzame aardmetalen uit batterijen terugwinnen, bijvoorbeeld uit onze smartphones.

Zowel het geld als de technologie is in Europa voorhanden om een antwoord te bieden op China, meent Victor De Decker. “Het probleem is dat het geld zo verspreid ligt over allerlei lidstaten, versplinterd tussen pensioenfondsen en banken. We hebben een duurzame, verenigde Europese aanpak nodig. Dat is de manier waarop China het doet.”

Bron: vrt.nws

‘Deze evenwichtige meerjarenbegroting biedt geen structurele oplossing voor een land in onevenwicht’

‘Echt het land op orde zetten kan vandaag enkel nog met een diepgaande staatshervorming’, schrijft Jan Wostyn van Vista over het akkoor dat de regering-De Wever bereikte over de begroting. ‘Het is opvallend dat met name bij de N-VA daar niemand nog over spreekt.’

Afgelopen maandag kondigden de onderhandelende partijen van Arizona een akkoord af over een meerjarenbegroting. Ruim voor de deadline van Kerstmis die premier De Wever zelf had ingesteld. Misschien ook niet toevallig vlak voor het begin van de driedaagse staking van de vakbond. De hele nacht doorwerken net voor zijn tegenstanders drie dagen het land proberen plat te leggen. Een typische De Wever-sneer?

Het akkoord kan op het eerste zicht best wel evenwichtig genoemd worden. Het was duidelijk dat enige creativiteit nodig zou zijn om zowel de sociale flank als de liberale flank van deze regering tegemoet te komen. Een aanpassing van de index ligt altijd gevoelig bij socialisten, maar een index in centen in plaats van procenten die enkel de salarissen boven de 4.000 euro een beetje treft kan men moeilijk asociaal noemen, zoals ik zelf ook al voorstelde in 2021, zij het met bevriezing van de index vanaf 5000 euro bruto. Het voelt ook wel wat vreemd aan dat vakbonden daar dan keihard tegen fulmineren alsof ze vooral strijden voor de koopkracht van de rijkste helft van de bevolking. Dat de Groenen hetzelfde doen, voelt dan weer minder vreemd aan. Hun kiespubliek zit waarschijnlijk vaker wel dan niet boven die drempel.

Voor de liberalen van de MR was het dan weer niet eenvoudig om een aantal belastingverhogingen te slikken die wel degelijk in dit akkoord zitten. Een verdubbeling van de effectentaks is dan wel geen miljonairsbelasting, maar aangezien enkel effectenrekeningen boven één miljoen euro in aanmerking komen, gaat deze belasting wel in die richting.

Het is ook een typisch voorbeeld van hoe belastingen evolueren in dit land: ze beginnen met een klein percentage en bij elke begrotingscontrole wordt het kraantje een beetje verder opengedraaid om de gaten te dichten.

Ook de verhoging van de BTW op gas is geen leuke maatregel, maar kan je desnoods nog als een verantwoorde klimaatmaatregel verkopen. Bovendien is de gasprijs de voorbije 10 maanden bijna gehalveerd, zodat consumenten die verhoging eigenlijk niet eens zullen voelen. Wat dan meteen ook wel de vraag doet rijzen hoeveel die ene maatregel dan wel zal opbrengen. De verhoging van de BTW van 6 naar 12% op hotels, frietkoten, festivals en meeneemmaaltijden inspireerde Vincent Van Quickenborne (Open VLD) op X dan weer tot een nogal dramatische “De horeca betaalt het gelag”. Als dit echter het grootste probleem is dat je ziet in deze meerjarenbegroting, had je perfect zelf ook in de regering kunnen zitten.

Tot slot is ook de symbolische maatregel om de lonen van ministers en federale parlementsleden niet te indexeren tot het einde van de legislatuur niet onbelangrijk. Ook het afschaffen van de partijfinanciering via de Senaat was eveneens een minimum minimorum, want er zit nog wel vet op de soep in het politieke apparaat. Wie besparingen doorvoert, mag zichzelf daarbij niet ontzien.

Arizona doet hiermee wel wat Vivaldi nooit kon: hervormen, de begroting bijsturen in de juiste richting én een klein beetje tegemoet komen aan het sentiment bij de bevolking over een politieke klasse die boven haar stand leeft. Of dit alles zal volstaan om de begroting effectief vlot te trekken, valt niettemin nog steeds te betwijfelen. Zo lijkt het aan het werk krijgen van 100.000 langdurig zieken op 5 jaar tijd toch een beetje budgettaire hocus pocus en wensdenken.

Tegelijkertijd kunnen we niet anders dan vaststellen dat ook deze meerjarenbegroting geen enkele structurele oplossing biedt voor een land in onevenwicht. Je kan blijven elk jaar wat BTW-tarieven aanpassen, een belastingkraantje links of rechts wat opendraaien en wat beknibbelen met wat kunstgrepen in de index of de pensioenen, maar dat is niet meer dan kicking the can down the road, zoals uitgerekend Bart De Wever dat vroeger altijd noemde vanuit de oppositie.

Echt het land op orde zetten kan vandaag enkel nog met een diepgaande staatshervorming. Het is opvallend dat met name bij de N-VA daar niemand nog over spreekt. Ten eerste krijg je de overheidsuitgaven globaal gezien nooit structureel naar beneden zonder het doorvoeren van verregaande fiscale autonomie voor de deelstaten. Die deelstaten zullen pas verantwoord omgaan met hun centen als ze ook afgerekend kunnen worden op hoe ze die centen gaan halen bij de burger. Vandaag krijgen ze gewoon hun geld van de federatie en delen ze dat uit naar eigen goeddunken, zonder al te veel getob over de effectiviteit en noodzakelijkheid van de uitgaven.

Ten tweede zal ook dit akkoord niets doen aan de structurele verwaarlozing van de federale kerntaken. De rekening blijft nagenoeg ongewijzigd: na aftrek van de sociale zekerheid, de rentelasten en de dotaties aan de deelstaten houdt de federale regering zo´n 20 miljard over, voor taken waar ze vandaag 40 miljard euro aan uitgeeft. Zo blijf je onvermijdelijk vastzitten met een weinig performante justitie en een gebrekkige politiecapaciteit. Ook de toekomstige financiering van defensie is hiermee helemaal niet opgelost.

De Wever hanteert voor zijn Arizona-project een mentale horizon van 10 jaar. Bij de meeste grote leiders valt die periode uiteen in 2 fases: de fase van de consolidatie en de fase van de expansie. De eerste termijn heeft dan als doel de federale macht van de N-VA verder te bestendigen en de nodige partners verder aan zich te binden. Vooruit en CD&V zijn vandaag al bijna satellieten van de N-VA geworden. Ze halen net voldoende binnen om de alliantie ook aan hun eigen achterban te blijven verkopen. Ook de MR en Les Engagés hebben hun kiespubliek inmiddels kunnen verzoenen met een Vlaams-nationalistische premier, wat 5 jaar geleden nog ondenkbaar leek.

In de tweede fase van de expansie vanaf 2029 zal De Wever niet anders kunnen dan eindelijk ook het land structureel om te vormen door middel van een zevende staatshervorming. Een oplossing voor de lamlendige financiering van de federale kerntaken is daarbij in ieders belang. Bovendien zal ook een oplossing voor Brussel moeten gevonden worden, dat waarschijnlijk volgend jaar al onder federale curatele zal komen. Tot slot zal vooral de Vlaamse kiezer niet eeuwig blijven aanvaarden dat de belastingen veel te hoog en de pensioenen te laag zijn. De Vlaamse kiezer zal echt niet blijven tolereren dat hij of zij voor elke mogelijkheid tot sparen of beleggen opnieuw langs de federale tollenaar moet passeren.

Laten we De Wever daarom toch ook eens aan zijn eigen woorden herinneren vóór de verkiezingen. In 2022 verkondigde De Wever nog plechtig: “Voor minder dan confederalisme moeten ze mij niet bellen”. Alle bevoegdheden moesten toen naar de deelstaten, anders had het allemaal geen zin.

De Wever zou niet de eerste premier zijn die alles wat hij voor de verkiezingen beloofde, ziet wegzinken in het alles verzwelgende Belgische moeras. Niemand is zich hier meer van bewust van De Wever zelf. Bij de oude Grieken was het noodlot onafwendbaar. Benieuwd hoe dat uitdraait bij de “Nieuw-Vlaamse Alliantie”.

Bron: Knack.be

‘Keerzijde van federaal systeem voor terugbetaling psychologische zorg: vrijheid dreigt een privilege te worden’

‘Keerzijde van federaal systeem voor terugbetaling psychologische zorg: vrijheid dreigt een privilege te worden’

‘Zolang de vrije keuze beperkt blijft tot wie toevallig in het juiste systeem past, blijft psychologische zorg in België iets voor de gelukkigen onder ons’, schrijft Tom De Gols over het terugbetalingssysteem voor psychologische zorg.

De voorbije weken klonk er goed nieuws: steeds meer Belgen vinden hun weg naar betaalbare psychologische zorg via het geconventioneerde systeem. Een opsteker voor de patiënt, maar de realiteit voor de psycholoog is heel anders. Sinds 2021 kunnen psychologen die tot de conventie toetreden, sessies aanbieden aan een verlaagd tarief. Vijf jaar later wordt echter duidelijk dat structurele en beleidsmatige beperkingen de effectiviteit van het systeem temperen. Een belangrijk knelpunt is de selectie, niet elke psycholoog kan toetreden en zelfstandige praktijken vallen vaak uit de boot.

Ten eerste is het federale terugbetalingssysteem via het RIZIV selectief en rigide. Dat systeem, de zogenaamde conventie, is een akkoord tussen het RIZIV en een beperkt aantal psychologen. Wie toetreedt, kan therapie aanbieden aan sterk verlaagde tarieven (11 euro per sessie of gratis voor jongeren tot 23 jaar), terwijl de rest van de kost (89 euro) wordt terugbetaald door de overheid. Psychologen die buiten de conventie vallen, kunnen dat niet: hun sessies blijven volledig op kosten van de patiënt.

Vandaag kan enkel een kleine groep geconventioneerde psychologen en orthopedagogen (6.123, of 28 procent van alle psychologen) werken aan verlaagde tarieven, terwijl niet-geconventioneerde professionals gemiddeld €75 aanrekenen. Het gevolg: mensen stellen het uit om naar een psycholoog te gaan omdat er onvoldoende plaats is bij geconventioneerde psychologen.

First come first served


Ten tweede. Waar andere zorgdisciplines vrij kunnen aansluiten bij een conventie, werd dit bij de psychologen een wedstrijd met beperkte plaatsen. Toen het systeem in 2021-2022 werd uitgerold, gold vooral: first come, first served. Tegen de tijd dat veel collega’s goed begrepen wat er op tafel lag, was het budget al verdeeld. Nochtans zorgt het systeem er net voor dat psychologen betaalbaar zijn.

Vindplaats


Ten derde. Wie vandaag alsnog wil instappen, moet bewijzen dat hij of zij werkt op een ‘vindplaats’: een huisartsenpraktijk, wijkgezondheidscentrum of ander samenwerkingsverband. Eigen praktijken, hoe goed georganiseerd of gespecialiseerd ook, komen zelden in aanmerking. Beeld je in dat een huisarts of kinesist verplicht wordt elders te werken om toegang te krijgen tot bijscholing of vergoedingen.

Dat kan beleidsmatig te verantwoorden zijn, maar in de praktijk voelt het beklemmend. De vrijheid om te werken waar en hoe je wilt, ooit een fundament van het vrije beroep, wordt ingeruild voor een log systeem waarin plaats, en niet kwaliteit, bepaalt wie betaalbaar mag zijn. Waarom sluiten we groepspraktijken uit die inzetten op samenwerking, supervisie en intervisie? Waarom krijgt enkel wie in het juiste netwerk zit toegang tot het systeem? Wanneer vrijheid een privilege wordt, is er iets grondig mis.

Vooruitgang


Laat er geen misverstand over bestaan: de psychologische zorg van vandaag staat veel verder dan tien jaar geleden. Er is meer erkenning, meer samenwerking, meer zichtbaarheid. Maar de kans dat de groep ‘gelukkigen’, zowel cliënten als hulpverleners, nog uitbreidt, lijkt klein. Zeker met de komende begroting. En zolang de vrije keuze beperkt blijft tot wie toevallig in het juiste systeem past, blijft psychologische zorg in België iets voor de gelukkigen onder ons.

Tom De Gols is klinisch psycholoog (Vrije Universiteit Brussel) en  medeoprichter van Mentalify, het eerste samenwerkingsplatform voor professionals in de mentale gezondheidszorg. Dat is een digitale mentale gezondheidsstart-up die ondersteund wordt door Start it @KBC.

Bron: knack.be