Vrijheid betekent voor ons dat inkomsten eerst voor jezelf zijn en pas daarna een deel voor de staat. We hebben de voorbije legislatuur al flink wat belastingen verlaagd. De koopkracht van wie werkt is fors gestegen dankzij de taks-shift. We hebben de 30%-schijf in de personenbelasting geschrapt, het grensbedrag voor de 45%-schijf opgetrokken, de forfaitaire beroepskosten verhoogd en de belastingvrije som verhoogd. De belastingdruk daalde en de koopkracht steeg met 6 %. Wie een brutoloon heeft van 2.500 euro, ontvangt ten opzichte van 2014 per maand 122 euro extra netto. Maar we moeten verder gaan.
We willen de belastingen voor wie werkt en voor wie gewerkt heeft opnieuw verlagen met vijf miljard euro. We doen dat samen met de regio’s. Federaal schrappen we de 40%-schijf en trekken we de 25%-schijf langer door. Daarvoor voorzien we een budget van vier miljard euro. Vlaanderen doet daar een inspanning van 640 miljoen euro bovenop. We focussen in Vlaanderen op de lagere inkomens, die minder profiteren van de federale inspanning omdat ze minder belastingen betalen. Door aan die groep een gerichte jobstimulans toe te kennen kunnen we iedereen die werkt gemiddeld 1000 euro extra per jaar geven.
Zo maken we het financiële verschil tussen werken en niet werken opnieuw een stuk groter, wat een positief effect heeft op de werkgelegenheid. We zorgen er ook voor dat je netto meer overhoudt van een loonsverhoging. Werkende mensen zijn de motor van welvaart. Hoe meer mensen werken, hoe meer we solidair kunnen zijn met wie het écht nodig heeft.
EEN FISCALITEIT DIE NIET DISCRIMINEERT
De fiscaliteit organiseren we zoveel mogelijk op basis van het individu. Mensen zijn vrij om te kiezen of ze huwen, wettelijk samenwonen, feitelijk samenwonen of alleen wonen. Die keuze mag niet fiscaal worden bestraft. Discriminatie tussen singles en wettelijk samenwonenden of gehuwden kan niet. We werken deze dus zoveel mogelijk weg.
EEN VRIJ ERFRECHT
We pleiten voor lage en eenvoudige belastingen. Een vrij erfrecht, betekent dat de fiscus je keuze niet kan afstraffen door onredelijke tarieven. De afgelopen jaren werd de erfbelasting onder een liberale minister van Financiën hervormd en verlaagd. We trekken deze lijn door.
De vrijstelling voor de langstlevende partner op roerende goederen verhogen we van 50.000 tot 250.000 euro. Naast de gezinswoning, wordt zo ook een belangrijk deel van de roerende goederen vrijgesteld. Partners die nog voor een gezinswoning spaarden of die net hun gezinswoning verkocht hadden krijgen zo een evenwaardig voordeel.
De vrijstelling op de gezinswoning breiden we uit naar alle overdrachten in rechte lijn. Zo hoeven ook de kinderen geen erfbelasting meer te betalen wanneer ze de woning van hun ouders erven.
In 2018 verlaagden we het hoogste tarief van 65% naar 55%. Dit moet verder zakken tot ministens onder de 50%. We voerden ook de vriendenerfenis in zodat erfenissen van maximaal 150.000 euro aan verre of niet-verwante personen aan dezelfde tarieven belast worden als erfgenamen in rechte lijn of partners, met andere woorden aan 3%.
Kinderloze alleenstaanden moeten ook het recht hebben om iemand van hun keuze als ‘sociaal familielid’ aan te duiden. Deze persoon kan aanspraak maken op zorgverlof en wordt voor de erfbelasting als een verkrijger (erfgenaam) in de rechte lijn beschouwd.
EEN EIGEN WONING GEEFT VRIJHEID EN ZEKERHEID
Een eigen woning betekent vrijheid en zekerheid. Wie een eigen woning verwerft creëert voor zichzelf een vierde pensioenpijler. We willen het verwerven van een eigen woning daarom blijven aanmoedigen. In de vorige legislatuur hervormden we de woonbonus en de registratierechten. Het algemene tarief van de registratierechten daalde van 10% naar 7%. In 2021 werd het algemene tarief verder verlaagd naar 6% en vanaf 2022 bedraagt het nog 3%. Wanneer je ingrijpende energetische renovaties doet aan je nieuwe woning, daalt het algemeen tarief van 3% tot 1%. Op deze manier stimuleren we mensen om duurzame keuzes te maken.
Dankzij Open Vld werd in 2015 het verdeelrecht, de zogenaamde miserietaks, voor verdelingen en afstanden van onroerende goederen tussen ex-echtgenoten en ex-wettelijk samenwonenden teruggebracht van 2,5% naar 1%. De volgende stap is het algemene tarief op 0% zetten en zo het verdeelrecht afschaffen.
Het bedrag van het hypotheekrecht (het Vlaamse registratierecht van 1% geheven op het bedrag waarvoor de hypothecaire inschrijving wordt genomen) wordt bij energie-geïnspireerde leningen volledig kwijtgescholden.
EEN LAGE EN EENVOUDIGE VENNOOTSCHAPSBELASTING
Ook de belastingen voor bedrijven werden in de vorige legislatuur verlaagd. We verlaagden het basistarief in de vennootschapsbelasting van 33,99% naar 29,58%, met een voordelig tarief voor kmo’s van 20% op de eerste schijf van 100.000 euro winst. In 2020 verlaagden we het tarief van 29,58% verder naar 25%. De komende jaren ijveren we ook binnen de EU voor een vennootschapsbelasting die geïnd wordt op dezelfde basis, binnen een vork van tarieven. Zo maken we komaf met deloyale concurrentie tussen lidstaten én verhinderen we dat multinationals door de fiscale mazen van het net kruipen. De tijdelijke vrijstelling van onroerende voorheffing op materieel en outillage voor nieuwe investeringen werd verlengd om de economie te stimuleren.
Met een ambitieus pakket maatregelen willen we een kwantumsprong maken in ons arbeidsmarktbeleid en 300.000 jobs creëren, dat zijn 139.500 jobs extra bovenop de jobaangroei die het Planbureau voorspelt bij ongewijzigd beleid. We doen dat door werken nog meer te laten lonen en door onze arbeidsmarkt drastisch te hervormen. In Nederland en Duitsland schommelt de werkzaamheidsgraad rond de 80%, bij ons is dat vandaag 70%. Met onze maatregelen gaan we de volgende legislatuur in de richting van 75%, om daarna het verschil met Nederland en Duitsland volledig te werken.
EXTRA NETTO VOOR WIE WERKT
Vrijheid betekent voor ons dat inkomsten eerst voor jezelf zijn en pas daarna een deel voor de staat. We hebben de voorbije legislatuur al flink wat belastingen verlaagd. De koopkracht van wie werkt, is fors gestegen dankzij de taks-shift. We hebben de 30%-schijf in de personenbelasting geschrapt, het grensbedrag voor de 45%-schijf opgetrokken, de forfaitaire beroepskosten verhoogd en de belastingvrije som verhoogd. De belastingdruk daalde en de koopkracht steeg met 6 %. Wie een brutoloon heeft van 2.500 euro, ontvangt ten opzichte van 2014 per maand 122 euro extra netto. Maar we moeten verder gaan.
We willen de belastingen voor wie werkt en voor wie gewerkt heeft opnieuw verlagen met vijf miljard euro. We doen dat samen met de regio’s. Federaal schrappen we de 40%-schijf en trekken we de 25%-schijf langer door. Daarvoor voorzien we een budget van vier miljard euro. Vlaanderen doet daar een inspanning van 640 miljoen euro bovenop. We focussen in Vlaanderen op de lagere inkomens, die minder profiteren van de federale inspanning omdat ze minder belastingen betalen. Door aan die groep een gerichte jobstimulans toe te kennen kunnen we iedereen die werkt gemiddeld 1000 euro extra per jaar geven.
Zo maken we het financiële verschil tussen werken en niet werken opnieuw een stuk groter, wat een positief effect heeft op de werkgelegenheid. We zorgen er ook voor dat je netto meer overhoudt van een loonsverhoging. Werkende mensen zijn de motor van welvaart. Hoe meer mensen werken, hoe meer we solidair kunnen zijn met wie het écht nodig heeft.
WE BREIDEN DE FLEXI-JOB UIT
Flexi-jobs zijn een succes! Het is een goed voorbeeld van een win-win maatregel: goed voor werkgevers én voor mensen die iets willen bij verdienen. Momenteel zijn die beperkt tot een specifiek aantal sectoren (horeca, handel,…). De vraag naar uitbreiding is groot. We stellen voor om de flexi-jobs naar de hele private sector uit te breiden voor wie gepensioneerd is of minstens 4/5de werkt. Hierdoor kunnen werknemers en gepensioneerden onbelast bijverdienen en kunnen werkgevers voor piekmomenten beroep doen op mensen die een paar uur willen bijverdienen.
We creëren ook extra flexibiliteit in de land- en tuinbouwsector. In die sector bestaat er een stelsel van gelegenheidsarbeid om op een flexibele wijze arbeidskrachten in te kunnen zetten. Het aantal dagen verschilt echter naar gelang het gaat om landbouw, tuinbouw, witloofteelt of champignonteelt. We vereenvoudigen dit systeem en gaan naar 100 dagen per jaar per werknemer, tegenover 30, 65 of 100 dagen vandaag, afhankelijk van de subsector.
In de horeca hebben de flexi-jobs, de soepele en betaalbare overuren en andere maatregelen al tot extra omzet en tewerkstelling geleid. De RSZ-korting voor maximaal 5 vaste werknemers wordt echter nog te weinig gebruikt. We schrappen daarom de verplichte aanwezigheidsregistratie van het personeel, verdubbelen de korting en breiden ze uit naar maximaal 10 vaste werknemers.
EEN SNELLE ACTIVERING EN ONDERSTEUNING VAN WERKLOZEN
Een job is de beste garantie op geluk en welvaart. Wie werkloos wordt kan op onze steun rekenen om snel opnieuw aan de slag te gaan. Daar tegenover staat dat we de werkloosheidsuitkering beperken in de tijd. Wie wil werken kan op onze steun rekenen, maar we moeten ook streng zijn voor de minderheid die niet mee wil.
Iedereen kan de pech hebben om werkloos te worden. Je inkomen valt weg, maar de rekeningen blijven lopen. Daarom verhogen we de werkloosheidsuitkering tijdens de eerste drie maanden werkloosheid. Na drie maanden, na zes maanden, na negen maanden, enzovoort, wordt de uitkering telkens een stuk verlaagd. Na twee jaar wordt de uitkering stopgezet.
De werkloosheidsuitkering wordt beperkt in de tijd, maar de begeleiding tijdens die periode wordt wel intensiever. We zorgen ervoor dat elke werkzoekende ten laatste na zes maanden ofwel een nieuwe job heeft ofwel op een andere manier actief is. Dat betekent een relevante opleiding bij de VDAB of een erkende opleidingsverstrekker volgen, of in een traject zitten van tijdelijke werkervaring of wijk-werken.
Bijzondere aandacht gaat naar de toeleiding van werkzoekenden naar knelpuntberoepen. We ontwikkelen hiervoor een actieplan met streefcijfers. We verdubbelen het aantal individuele beroepsopleidingen tegen 2025. We nemen ook maatregelen om meer Waalse en Brusselse werkzoekenden naar Vlaamse vacatures toe te leiden. De toeleiding van werkzoekenden naar vacatures mag niet langer louter gebaseerd zijn op diploma’s. De elders verworven competenties moeten ook worden meegenomen. Werkgevers moeten actief aangemoedigd worden om het diploma niet als doorslaggevend te beschouwen.
Als regisseur van de arbeidsmarkt schakelt de VDAB ook private wervings- en selectiekantoren en uitzendbedrijven optimaal in om werklozen aan een job te helpen. We stimuleren ondernemerschap bij werkzoekenden. We nemen extra maatregelen om werklozen die kiezen voor een zelfstandige activiteit daar tijdens hun werkloosheidstraject beter op voor te bereiden.
WE BELONEN OCMW’S DIE MENSEN MET EEN LEEFLOON SNEL AAN EEN JOB HELPEN
Wie een leefloon krijgt, sluit een contract af met het OCMW. Daarin worden afspraken gemaakt met de persoon die een leefloon krijgt om zijn of haar situatie snel te verbeteren, waaronder het vinden van een job. Het activeringsbeleid en de resultaten verschillen evenwel heel sterk van OCMW tot OCMW. Om de gemeenten financieel te responsabiliseren, berekenen we de federale subsidie aan de OCMW’s voortaan per leefloner en belonen we OCMW’s die sneller activeren. Lokale besturen die inzetten op een snelle(re) activering, krijgen zo een extra financieel voordeel. Zo zijn we zeker dat iedereen die een leefloon krijgt, los van zijn of haar woonplaats, op de best mogelijke manier geholpen wordt om weer op eigen benen te kunnen staan.
WE HEBBEN IEDEREEN NODIG
Het aantal werklozen is de voorbije jaren sterk gedaald, maar die cijfers verhullen een grote groep inactieven die vaak niet op zoek zijn naar werk. Maar liefst 26% van de Belgen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar werkt niet en zoekt evenmin een baan. In Nederland en Duitsland ligt dat rond de 18%.
Als centrale regisseur van de arbeidsmarkt moet de VDAB die ‘stille arbeidsreserve’aanspreken en hen ondersteunen in de zoektocht naar een job. Hierbij moet optimaal gebruik gemaakt kunnen worden van digitale dataverwerving en -matching. Naast de VDAB mogen ook andere, private, partners, zoals de uitzendkantoren, helpen om mensen aan het werk te krijgen. We zetten in op extra informatieverstrekking en stimulansen zodat deze mensen zich zo snel mogelijk aanbieden als werkzoekende.
Om de kloof tussen mensen met een gezondheidsachterstand en de arbeidsmarkt te dichten, moeten we inzetten op vroegere en betere begeleiding op maat. We versterken de re-integratietrajecten en voorzien meer interactieve samenwerking tussen de verschillende artsen om alle langdurig zieken een persoonlijke begeleiding op maat van hun gezondheidssituatie te geven. De focus moet liggen op datgene wat iemand nog kan in plaats van op wat iemand niet meer kan. (Deeltijds) werk is in vele gevallen zelfs goed voor het genezingsproces.
Wanneer het medisch aangewezen is, begeleiden we de mensen naar werk. Hiervoor schakelen we de behandelende arts en de expertise van de regionale arbeidsbemiddeling mee in. We willen ‘disability managers’ een plaats geven in het begeleidingstraject van (langdurig) zieke werknemers.
Alle partijen moeten hier hun steentje toe bijdragen: de werkgever, de arbeidsongeschikte persoon zelf en de artsen. We gaan voor een sterkere responsabilisering van alle betrokkenen.
WE MOTIVEREN MENSEN OM LANGER AAN DE SLAG TE BLIJVEN
Ook 55-plussers tellen mee op de arbeidsmarkt. Het kan daarom niet langer dat zij zomaar aan de kant worden geschoven. Het stelsel van werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag (SWT), het vroegere brugpensioen dus, werd de voorbije jaren verstrengd. De tijd is nu gekomen om het volledig af te schaffen. We respecteren de verworven rechten van wie reeds in het systeem zit, maar laten geen nieuwe instroom meer toe. Voor diegenen die al in SWT zitten, moet de VDAB extra stappen zetten als het aankomt op activering. De aangepaste beschikbaarheid mag geen dode letter blijven: aan SWT’ers moeten veel meer vacatures worden aangeboden.
We zorgen er ook voor dat oudere werknemers langer aan de slag kunnen blijven door het systeem van de zachte landingsbanen te versterken, waarbij oudere werknemers overschakelen naar een lichtere functie of 4/5e werken. We verlagen de leeftijdsvoorwaarde om toe te treden tot het stelsel naar 55 jaar. Bovendien zijn er vaak financiële drempels die de mensen tegenhouden om de stap naar een zachte landingsbaan te zetten. Daarom stellen we de aanvullende vergoeding die werknemers krijgen van hun werkgever ook vrij van personenbelasting, naast de vrijstelling van RSZ die reeds bestaat.
We maken het gemakkelijker voor werkgevers om personeel ter beschikking te stellen aan andere werkgevers, en maken transitietrajecten mogelijk waarbij een deel van de opzegperiode al gepresteerd wordt bij de nieuwe werkgever.
We introduceren een systeem van werken met bedrijfstoeslag waarbij werknemers met akkoord van hun werkgever overgaan naar een andere werkgever. De ex-werkgever kan een toeslag betalen bij het loon dat de werknemer krijgt bij de nieuwe werkgever. Dit laat toe om een vlotte transitie te organiseren naar werkgevers en sectoren die personeel te kort hebben en voorkomt dat mensen in de werkloosheid terechtkomen.
Oudere werknemers, vooral bedienden, zijn duurder voor werkgevers door de sterke koppeling van brutoloon aan anciënniteit. Wij mikken daarom vooral op een verhoging van de nettolonen, in plaats van op een sterke verhoging van de brutolonen. Om 55-plussers meer kansen te geven, zal voortaan bij herstructureringen een leeftijdspiramide moeten worden gehanteerd.
WERKBAAR WERK IS WENDBAAR WERK
Werkbaar werk gaat over veel meer dan voltijds of deeltijds werken. Een gebrek aan autonomie of werk dat niet goed aangepast is aan de competenties of voorkeuren van werknemers, zijn eveneens belangrijke factoren die tot burn-outs en andere psychosociale problemen kunnen leiden. Werkbaar werk hangt dus ook samen met vrijheid, en wel met de vrijheid om je job zoveel mogelijk naar eigen goeddunken te kunnen invullen. Wie ervoor kiest om minder te werken, moet dat kunnen doen.
We hebben vandaag heel wat oude wetten en regels die bepalen wanneer je niet mag werken. We kiezen daarom resoluut voor een wit blad en voeren een nieuwe, flexibele en eenvoudige regeling inzake arbeidstijd in. Zolang men binnen de randvoorwaarden blijft die de Europese regels voorschrijven, zijn ondernemingen en werknemers vrij om het werk in te delen zoals zij dat zelf willen. Zij kunnen daarbij kiezen voor de nieuwe regeling of voor het bestaande kader. Uiteraard blijft de 38-urenweek behouden als ijkpunt.
Vrijheid geven aan werknemers, dat betekent ook dat we drempels wegnemen voor het loopbaansparen. Wie overuren of extralegaal verlof wil opsparen in een loopbaanportefeuille, om bijvoorbeeld achteraf een tijd lang 4/5en te werken of – waarom niet – een wereldreis te maken zonder loonverlies, moet dat kunnen. Uiteraard steeds in overleg met de werkgever. We vereenvoudigen de formaliteiten inzake de gemotiveerde overuren en verhogen het aantal vrijwillige overuren van 100 naar 200 per jaar. We introduceren het right to ask & duty to consider. Dat betekent dat een werknemer bijvoorbeeld aan zijn werkgever kan vragen om thuis te mogen werken. Die kan weigeren, maar enkel na motivering. Zo wakkeren we de dialoog op de werkvloer aan, niet alleen over thuis- en telewerken maar ook over, glijdende uren, schoolbelcontracten, de ene week meer werken en de andere week minder, plaats- en tijdsonafhankelijk werken, zelfsturende teams, enzovoort.
We maken daarenboven experimenten mogelijk in de arbeidsorganisatie, met een duurtijd van maximaal drie jaar. Om dergelijke experimenten nadien verder te zetten, moet een cao worden gesloten met minstens één vakbond.
Uiteraard kan het nooit de bedoeling zijn dat werkgevers bepaalde zaken afdwingen tegen de wil van de werknemers in, en vice versa. Voor wie zich goed in zijn vel voelt in een klassieke 38-urenweek en een klassieke werkdag van 9 tot 5, hoeft er niets te veranderen. Een goed functionerend sociaal overleg is daarom essentieel. Wij geloven in de kracht van het sociaal overleg op bedrijfsniveau. Als men op bedrijfsniveau een nieuwe arbeidstijdregeling wil invoeren en verankeren in een cao, dan moet dat voortaan kunnen zonder handtekening van de vakbondssecretaris.
We versoepelen zondagsarbeid, avond- en nachtwerk.
WE BRENGEN WERK EN GEZIN IN EVENWICHT
We nemen extra maatregelen zodat de combinatie tussen werk en gezin gemakkelijker wordt en ook vaders meer tijd kunnen besteden aan de zorg voor de kinderen. We trekken het vaderschapsverlof op van tien naar twintig dagen. We vervangen alle andere aan kinderen gerelateerde verloven door een nieuw, flexibel ouderverlof waarbij men ook kan kiezen voor hogere uitkeringen gedurende een kortere periode. Via een eenvoudig toegankelijke app en website kan iedereen nagaan waar hij of zij recht op heeft. Elke ouder krijgt een ouderverlofkrediet per kind en kan dat flexibel gebruiken. Zo kunnen ouders beslissen om gedurende 6 tot 12 maanden thuis te blijven voor de kinderen, aan een hoge uitkering, in plaats van gedurende 51 maanden tijdskrediet te nemen aan een te lage uitkering.
Als beide ouders een minimale hoeveelheid verlof nemen, dan krijgt het gezin bovendien recht op extra maanden die ze onderling kunnen verdelen. We verliezen de werkgevers niet uit het oog. Voor hen is het niet altijd evident om vervanging te vinden voor werknemers die verlof nemen. We hanteren duidelijke regels om daarmee rekening te houden.
Daarnaast breiden we het kwaliteitsvolle en betaalbare aanbod aan kinderopvang uit. We richten ons daarbij ook op opvang met ruimere openingsuren. Bovendien verdriedubbelen we de belastingvermindering voor de opvang van kinderen jonger dan drie jaar. We stimuleren ouders op die manier om aan de slag te blijven en vermijden dat één van beiden thuis blijft om voor de kinderen te zorgen uit financiële overweging.
Een meer evenwichtige verdeling van de zorgtaken tussen moeders en vaders zal een positief effect hebben op de carrières, het inkomen en het pensioen van vrouwen. Er bestaat nog steeds een loonkloof tussen mannen en vrouwen. Om de problematiek beter in kaart te kunnen brengen, zullen grote ondernemingen, overheidsdiensten en publieke instellingen de loonkloof en de uurloonkloof die bij hen bestaat, moeten bekendmaken.
De PVDA pleit voor een onmiddellijke verlaging van de accijnzen om de brandstofprijs onder de 1,40 euro per liter te houden. Dit is zowel noodzakelijk als perfect haalbaar. We beantwoorden de belangrijkste vragen in verband met deze eis.
Meer dan 2 euro per liter voor benzine: een record. Diesel zou tegen de zomer tot 3 euro per liter kunnen stijgen. Bij gebrek aan alternatieven zijn veel werknemers gedwongen om hun auto te gebruiken om naar het werk te gaan of voor essentiële verplaatsingen. Zoals Jan, een dokker aan de haven van Antwerpen: “De prijs van brandstof is zo hard gestegen dat ik meer dan een volledige dag moet werken om een volle tank te betalen. Ik ga dus werken om mijn naft te betalen om te gaan werken …”
En ook Jaël, huishoudhulp, herkent het verhaal: “Als alleenstaande mama met twee kindjes is het onhaalbaar. We moeten constant kiezen tussen onze honger stillen, de auto gebruiken, ons verzorgen … Ik moest geld lenen van mijn ouders om naar de tandarts te kunnen gaan.”
Deze situatie wordt nog verder bemoeilijkt door de sterk gestegen gas- en elektriciteitsrekeningen. De PVDA pleit voor een onmiddellijke verlaging van de accijnzen om de brandstofprijs onder de 1,40 euro per liter te houden.
1. Waarom 1,40 €/l?
1,40 €/l is geen willekeurig gekozen getal. Dit is de gemiddelde prijs in de periode tussen 2015 en 2020. Dit is dus een perfect realistische prijs voor brandstof.
In werkelijkheid zijn de productiekosten niet gestegen. Er is ook geen tekort. Vooral de marktlogica en de speculatie veroorzaken de prijsstijgingen. En de oliesector vult zijn zakken (zie punt 3). De markt is een chaos. Men kan het niet aan haar overlaten de prijzen te bepalen, vooral als het om essentiële basisbehoeften gaat.
2. Hoe blokkeer je de prijs?
De eenvoudigste en meest directe manier is de heffingen op brandstof te verlagen. Vandaag bestaat bijna de helft van de prijs uit belastingen. De btw van 21% wordt geheven op het product zelf, op de distributiekosten en ook op de accijnzen (we betalen dus belasting op belastingen…).
Na maanden onder druk te staan, heeft de federale regering in maart 2022 een eerste stap in die richting gezet. Maar het ging om een verlaging van de accijnzen met amper… 14,5 cent per liter.1 Kruimels dus. De accijnzen blijven veel te hoog en de recente prijsstijgingen hebben deze kleine besparing al volledig tenietgedaan.
De PVDA stelt voor de accijnzen te verlagen om de prijs op maximaal 1,40 €/l te houden. Concreet: als de accijnzen vandaag naar nul zouden worden gebracht, zou de prijs 1,40 €/l bedragen (inclusief de btw-verlaging die met deze verlaging gepaard gaat).
Het zou dus ook nodig zijn om de btw op brandstof te verlagen tot 6%. Voor de overgrote meerderheid van de werknemers is zich verplaatsen geen luxe, maar een basisbehoefte.
1Inclusief de btw-verlaging komt dit neer op een verlaging met 17 cent per liter.
3. Wie zal er betalen voor deze blokkering?
Geen sprake van dat ze het geld weer uit onze zakken halen. Om deze maatregel te financieren, stellen we voor om: (1) de door de staat gewonnen overschotten te gebruiken; (2) bovenal, het geld bij de oliereuzen te gaan halen.
Dankzij de prijsstijging van de afgelopen maanden heeft de federale regering enorme extra inkomsten genoten. Terwijl de accijnzen vastliggen, stijgen de btw-inkomsten naarmate de prijs stijgt. Begin maart berekende de studiedienst van de PVDA dat de staat al 1,1 miljard euro aan extra inkomsten had geaccumuleerd. Zelfs de recente verlaging van de accijnzen met 14,5 cent wordt dus grotendeels tenietgedaan door de stijging van de btw-inkomsten.
De winsten van de oliegiganten breken momenteel record na record
In 2021 heeft TotalEnergies met bijna 14 miljard euro de grootste winst uit haar geschiedenis geboekt. Alleen al in de eerste drie maanden van 2022 heeft Total, dat profiteert van speculaties in verband met de oorlog in Oekraïne, een winst van 5 miljard euro opgestreken. De groep is dus goed op weg om zijn record van 2021 te breken.
Het zijn oorlogsprofiteurs. Er is geen ander woord voor. Het is niet normaal dat deze multinationals op onze kap rijk worden, terwijl wij steeds meer moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Het is tijd om ze te laten betalen.
4. Is het verlagen van de accijnzen niet in strijd met de Europese regels?
Een Europese richtlijn (Richtlijn 2003/96/EG) legt inderdaad in Europa een minimum belastingheffing vast: de minimumaccijns wordt vastgelegd op € 0,359 per liter voor loodvrije benzine en € 0,330 per liter voor diesel.2 Een andere richtlijn (2006/112/EG) verhindert ook dat de btw op brandstof in theorie wordt verlaagd tot 6%.
Maar we merken dat onze leiders zich alleen op die regels beroepen als het hen uitkomt. Om de banken in 2008 te redden of, meer recentelijk, met het coronavirus, hebben de lidstaten een hele reeks Europese verordeningen (over steun aan ondernemingen, over de naleving van het begrotingspact, over het vrij verkeer van personen enz.) schaamteloos met voeten getreden. Ze beriepen zich daarbij altijd op de door de crisis veroorzaakte noodsituatie. Vandaag bevinden we ons echter in een sociale crisissituatie veroorzaakt door de torenhoge energierekeningen van de gezinnen. Het is niet normaal dat Europese regels terzijde kunnen worden geschoven als het erom gaat de banken te helpen, maar dat dit niet zou kunnen om de werknemers te helpen.
Wij vinden dan ook dat België in Europa moet pleiten voor de afschaffing van de Europese minimumaccijnzen op brandstoffen, en dat het intussen de Belgische accijnzen boven deze grens onmiddellijk moet verlagen als antwoord op de huidige sociale noodsituatie.
2Merk op dat zelfs onder de huidige richtlijnende Belgische regering de accijnzen al met 10 cent per liter kon verlagen.
5. Moeten we niet eerder een alternatief voor de auto en voor fossiele brandstoffen promoten?
Het is inderdaad absoluut noodzakelijk te werken aan duurzame alternatieven op lange termijn. Of het nu gaat om openbaar vervoer of de ontwikkeling van hernieuwbare energie, onze regeringen voeren een liberaal beleid van onderfinanciering door de overheid en alles-voor-de-markt, wat de verkeerde kant op gaat.
De PVDA verdedigt een grootschalig overheidsinvesteringsplan voor het openbaar vervoer (NMBS, De Lijn, TEC, MIVB) en de energietransitie (zie ons programma). Wij steunen de oproepen om deze richting in te slaan, zonder het einde van de maand tegenover het einde van de wereld te stellen. Als we willen winnen, moeten deze gevechten absoluut samenvallen.
Conclusie: prijsblokkeringen zijn noodzakelijk en perfect mogelijk
De prijzen blokkeren is een kwestie van politieke keuze en macht. Deze eis wordt ook in andere landen gedragen: De Franse Union Populaire van Jean-Luc Mélenchon bijvoorbeeld verdedigt ze ook.
De PVDA diende in maart een wetsvoorstel in om deze blokkering te verwezenlijken. Wij hebben ook een petitie gelanceerd, waarbij we in een paar maanden tijd bijna 100.000 handtekeningen hebben verzameld. Na het minimumpensioen van 1.500 euro netto, het Zorgpersoneelfonds en de btw van 6% op energie, zijn wij vastbesloten om deze nieuwe eis op de agenda te zetten. Jullie kunnen erop rekenen dat we druk blijven uitoefenen tot we onze slag thuishalen. En daarvoor hebben we ook jou nodig.
De prijs van het brood stijgt zienderogen. Ook andere voedingsmiddelen worden duurder. De Verenigde Naties luiden zelfs de alarmbel over de voedselsituatie in de wereld. Volgens de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, geraken in de komende maanden nog maar eens 13 miljoen extra mensen ondervoed, vooral in Afrika en Azië.
Het internationaal economisch weekblad The Economist overdreef niet toen het op zijn voorpagina sprak over de “komende voedselcrisis”. Net als vele andere kranten en tijdschriften die het nu over die voedselcrisis hebben, legt The Economist het verband met de oorlog in Oekraïne. Sterker nog, door een voedselcrisis te veroorzaken zou de oorlog “ontelbare levens kosten ver van het slagveld”. Daarmee gaat men toch wat kort door de bocht.
Een langdurige crisis
De huidige oorlog is dan misschien wel de aanleiding, maar is niet de oorzaak. De voedselcrisis is niet dit jaar ontstaan. Tot enkele jaren geleden leek het erop dat de honger in de wereld verminderde. Het aantal mensen met ondervoeding daalde van 811 miljoen in 2005 tot 607 miljoen in 2014. Maar sindsdien gaat het opnieuw de verkeerde richting uit: 650 miljoen in 2019 en weer naar 811 miljoen in 2020.
Deze evolutie heeft niets te maken met een absoluut gebrek aan voedsel. Integendeel, de wereldwijde voedselproductie stijgt al een halve eeuw sneller dan de bevolkingstoename. De graanoogst was vorig jaar de grootste ooit. Bovendien schijnt er geen link te zijn tussen de honger op wereldschaal en de voedselprijzen op de wereldmarkten. Het aantal mensen met honger begon te stijgen in 2014-15, toen de voedselprijzen laag waren.
Kortom, er schort iets fundamenteel aan de manier waarop het voedselsysteem in elkaar zit. Het gaat om een combinatie van factoren die er samen voor zorgen dat de honger toeneemt en de voedselsituatie voor een deel van de wereldbevolking zeer kwetsbaar is.
1. In de eerste plaats zijn veel landen voor hun voedselvoorziening afhankelijk gemaakt van de internationale markten. Sinds de koloniale tijden is de voedselconsumptie geharmoniseerd, zodat vier teelten (graan, rijst, maïs en soja) zorgen voor 60% van alle calorieën die verbouwd worden. Sindsdien is de voedselproductie op grote schaal geïndustrialiseerd met chemische meststoffen en pesticiden. De ontwikkelingslanden werden aangespoord om zich te specialiseren in de teelt van bepaalde landbouwproducten voor de export. Ze konden dan de voedingsmiddelen invoeren.
Sindsdien is de voedselconsumptie van veel landen zeer afhankelijk van de import. Meer dan 20% van de calorieën gaan minstens één grens over voor ze geconsumeerd worden. Vier op de vijf mensen wonen in landen die zelf meer voedsel invoeren dan uitvoeren. Zij zijn dus afhankelijk van de wereldhandel voor hun voedselconsumptie.
In “normale” omstandigheden is dat voor veel landen niet zo’n groot probleem. Europa is bijvoorbeeld op het niveau van het continent zelfvoorzienend en Europese landen hebben voldoende buffers om schommelingen op te vangen. Toch merken we nu bij ons in onze portemonnee ook al de prijzen van de wereldhandel. Men kan zich makkelijk inbeelden dat arme landen nog veel kwetsbaarder zijn.
2. Met de prijzen van voedsel is er ook iets eigenaardig aan de hand. Die worden niet bepaald door de wet van vraag en aanbod. Op de wereldmarkt stijgen de graanprijzen al sinds 2020 en toch is er nog nooit zoveel graan geoogst. Van een tekort is geen sprake. Het probleem is dat de hele markt gedomineerd wordt door enkele gigantische monopolies. Vier bedrijven – ADM, Bunge, Cargill en Dreyfus – controleren 70-90% van de wereldhandel in granen. Deze bedrijven kopen zich nu ook in in andere sectoren: zaden, meststoffen, distributie, enz.
De voedingssector is sterk verbonden geraakt met de financiële sector en de prijzen worden nu vooral bepaald door speculatie. Dat betekent dat de handel in “futures” de prijs van vandaag bepaalt. Men verhandelt vandaag op de wereldmarkt de oogsten van morgen en zelfs van de volgende seizoenen. Als iedereen verwacht dat de situatie op de wereldmarkt in de toekomst zal verslechteren, gaan de prijzen nu omhoog. Vandaar ook dat de periode van de coronacrisis gekenmerkt werd door stijgende voedselprijzen hoewel er voedsel in overvloed was.
Volgens een recent Oxfam-rapport stegen de voedselprijzen tussen maart 2021 en maart 2022 met 30%, meer dan ooit in dezelfde tijdspanne. Tezelfdertijd hebben de superrijken achter de voedingsmultinationals zich enorm verrijkt. De familie die de graangigant Cargill bezit, kon dagelijks 20 miljoen dollar aan het familiefortuin toevoegen. Ze tellen nu twaalf miljardairs in hun rangen, vier meer dan in 2020.
3. Een deel van de gewassen die verbouwd worden, zijn niet beschikbaar als voedsel. Denk aan de markt van biobrandstof. Men schat dat de calorieën aan voedsel die in brandstof verwerkt worden binnenkort gelijk zijn aan het equivalent van de voedingsnoden van 1,9 miljard mensen. En dan is er de dierenvoeding. Ongeveer 40% van het graan dat geoogst wordt in de EU, wordt door koeien opgegeten. En dus zorgt een stijging van de prijs van één product ook voor prijsstijgingen op andere vlakken: als de brandstofprijzen stijgen, zal nog meer biobrandstof geproduceerd worden. En de stijging van de graanprijzen zorgt dan weer voor nog hogere prijzen van dierlijk voedsel.
4. Ten slotte speelt de klimaatverandering een rol. Die veroorzaakt een toename van extreme weerfenomenen. Denk aan de extreme hittegolf die India nu kent. Men schat dat dergelijke hittegolven honderd keer waarschijnlijker geworden zijn door de klimaatverandering. Elk extreem weerfenomeen heeft telkens een effect op de voedselprijzen.
De invloed van de oorlog
Het is belangrijk de onderliggende crisis te verkennen om te begrijpen waarom de huidige oorlog de prijzen nog eens extra de hoogte in jaagt. Rusland en Oekraïne zijn belangrijke exporteurs van graan. Samen zijn ze goed voor 30-35% van de export. Rusland neemt daarvan het grootste deel voor zijn rekening.
Oekraïens graan raakt het land nauwelijks uit, maar Rusland kan ondanks de sancties wel nog graan verkopen op de internationale markt. Daardoor is er op de wereldmarkt slechts een geringe terugval van graan. Het probleem is dat 50 landen wel zeer afhankelijk zijn van Russisch of Oekraïens graan. Voor landen als Egypte, Eritrea en Somalië is dat zelfs meer dan 50%. Wat op wereldvlak een rimpeling op het wateroppervlak is, betekent voor hen een vloedgolf.
Voor een product als zonnebloemolie ligt dat anders. Oekraïne is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de wereldproductie en bijgevolg voelen we de gevolgen ook bij ons in Europa. Maar indirect zijn ook andere producten belangrijk voor de landbouw. Rusland is ook een van de grootste exporteurs van chemische meststoffen. Bovendien heeft de landbouw ook nood aan aardolie, die nu veel duurder geworden is.
Op zo’n moment heeft speculatie een sneeuwbaleffect. In Het Nieuwsblad verklaarde de Nederlandse landbouweconoom Bart De Steenhuijsen Piters hoe de grote vier monopoliebedrijven nu de prijzen de hoogte in jagen: “Zij proberen er nu natuurlijk voor te zorgen dat hun handel ook in de toekomst verzekerd blijft. Zij verzamelen dus zo veel mogelijk tarwe voor hun afnemers in het Westen, zodat hun winstgevendheid niet verminderd wordt. Dat fenomeen heeft een véél sterkere impact dan de werkelijke tekorten die er zouden zijn door de oorlog in Oekraïne. Want doordat die bedrijven graan vastleggen voor hun rijke klanten, wordt het duurder en kunnen armere landen – of tenminste: bedrijven in armere landen – het niet meer betalen.” De aandelen van de genoemde bedrijven bereikten op de beurs recordhoogtes sinds de oorlog.
Intussen kampt India met een hittegolf. Op 13 mei vaardigde India een exportstop uit voor graan. De eerste dag waarop er opnieuw handel was in Chicago (het centrum voor de wereldhandel in voedsel), stegen de graanprijzen met 6%. Enkele dagen later waren ze 39% hoger dan bij de start van de Russische inval in Oekraïne.
En dan zijn er de vooruitzichten: China verwacht een mindere graanoogst dit jaar, de VS kampen met droogte. Rusland heeft problemen om pesticiden en zaden te importeren van Europa wegens de sancties. De sancties maken ook de export van Russische meststoffen onzeker. En de prijs van de olie stijgt zienderogen… Als je weet dat speculatie op toekomstige voedselprijzen de evolutie van de huidige prijzen bepaalt, dan is het eenvoudig te begrijpen dat er een sneeuwbaleffect van speculatie op gang gekomen is, dat de prijzen steeds verder de hoogte in drijft. Waar dat gaat eindigen, weet niemand.
Voor mensen in acute hongersnood komt er dan nog een extra probleem bovenop. De hulporganisaties die voedselhulp verspreiden, kunnen het ook allemaal niet meer betalen. Met de budgetten die hulporganisaties hebben, kunnen ze minder eten betalen om hulpbehoevenden te voeden. Het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties voorzag vorig jaar maandelijks 10 miljoen Jemenieten met voedselhulp en moet dat nu verminderen naar 8 miljoen. In Oost-Afrika zijn de kosten voor voedselhulp met 65% gestegen. Nu die regio opnieuw geteisterd wordt door hongersnood, is dat natuurlijk rampzalig.
Groeiende tegenstellingen en structurele oplossingen
Voedsel in overvloed en toch lijden steeds meer mensen honger. De prijzen van voedsel swingen de pan uit terwijl er gigantische winsten gemaakt worden. Er worden miljardenwinsten gemaakt door enkelen terwijl miljarden mensen het moeilijk krijgen om de eindjes aan elkaar te knopen. Niets legt de absurditeit en de wreedaardigheid van de systeemcrisis zo duidelijk bloot als de voedselcrisis.
Daar komt onvermijdelijk sociale onrust van. Daarom hield de VN Veiligheidsraad op 19 mei al een vergadering over hoe de voedselcrisis verzet aanwakkert. David Beasley, directeur van het Wereldvoedselprogramma, zei daar: “Toen de prijzen in 2007 en 2008 opflakkerden, zagen we protesten en rellen in meer dan 40 landen. Nu zien we al protesten in landen als Sri Lanka, Indonesië, Pakistan en Peru, terwijl de situatie gedestabiliseerd geraakt in Burkina Faso, Mali en Tsjaad. Het zijn tekenen aan de wand voor wat komen gaat.”
Bij diezelfde gelegenheid riep secretaris-generaal van de VN Gutierrez de Veiligheidsraad op om werk te maken van een politieke oplossing voor conflicten en om te investeren in de vrede. “Belangrijkst van al”, zo voegde hij toe, “is een einde aan de oorlog in Oekraïne.” Hoewel die oorlog niet de oorzaak is van de voedselcrisis, zou een einde aan de gevechten inderdaad opnieuw rust kunnen brengen op de internationale voedselmarkten.
Bovendien toont de voedselcrisis aan dat we niet te lichtzinnig mogen omspringen met economische sancties. Zelfs al wordt voedselexport uitgesloten van de sancties, dan nog wordt de export uit Rusland bemoeilijkt door de indirecte effecten van de maatregelen en de sancties op andere producten (meststoffen, olie, …).
Uiteindelijk moeten we er ook voor zorgen dat er meer geld naar de noodhulp van de VN gaat. Nog geen 10% van de noden zijn al gefinancierd.
Maar op langere termijn hebben we natuurlijk nood aan structurele maatregelen. Er moet een verbod komen op voedselspeculatie. Hoewel er na de voedselcrisis van 2007-2008 maatregelen werden genomen om dat fenomeen in te dijken, zijn die ruimschoots onvoldoende om een impact te hebben. Uiteindelijk moet de hele voedseleconomie herdacht worden. Daarbij gaan we wereldwijd opnieuw moeten investeren in diversiteit en voedselsoevereiniteit, zodat lokale gemeenschappen en landen zelf kunnen instaan voor een stabiele voedselvoorziening, zonder al te grote afhankelijkheid van de markt en de grote voedselbaronnen.
Armoede is een kluwen van oorzaken en gevolgen. Je raakt er niet snel op eigen kracht uit. Onderwijs is een belangrijke hefboom en je acties als leraar maken wel degelijk een verschil. Daarom moet je weten hoe dat armoedeweb eruitziet.
Armoede vanbuiten
De buitenkant van het armoedeweb bevat 10 levensdomeinen, die allemaal met elkaar verbonden zijn. Slechte huisvesting beïnvloedt je gezondheid. De oplopende dokterskosten benadelen dan weer je inkomen. Waardoor je weer minder geld over hebt voor vrijetijdsactiviteiten en dat leidt weer tot minder sociale contacten.
Armoede vanbinnen
De binnenkant van het armoedeweb is moeilijker te zien. Dit zijn de 8 gevoelens die armoede veroorzaakt. Ook die zijn met elkaar verbonden. Je schaamt je om vrienden bij je thuis uit te nodigen. Op den duur word jij ook nergens meer gevraagd. Je voelt je buitengesloten en dit maakt je woedend. Het tast je zelfbeeld aan.
Het Armoedeweb is ontworpen door Plant a Flag in opdracht van Welzijnszorg, Samen Tegen Armoede. Wil jij met je leerlingen (secundair) aan de slag rond het Armoedeweb? Neem dan een kijkje op Ik ben Pola.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.