RESET (commentaar Doorbraak)

Op de kaft van Mark Elchardus’ boek over identiteit en gemeenschap staat het symbool voor Reset, dat ook de titel van het boek levert. Nu wordt het bij lectuur van het boek al snel duidelijk dat deze socioloog juist niet pleit voor een totaal nieuw begin van de maatschappij, niet voor een harde reset waarbij alles wat nu loopt moet halthouden om het mensdom van voren af aan opnieuw te laten beginnen. Hij is noch marxist noch communist en belooft niet dat hij ‘alles nieuw’ zal maken. Hij wil niet terug naar de fabrieksinstellingen van de mens. Hij wil misschien wel streven naar een grondige herinrichting van de democratie, maar resetten is daar niet bij.

Taboedoorbrekend

Het reset-teken is namelijk performatief. We moeten het letterlijker nemen. Het boek zèlf is namelijk  deze knop die, als we hem maar lang en geduldig genoeg induwen tot bladzijde 608, onze opvattingen over wat democratie zou moeten zijn, zal bijstellen. Deze knop is daarenboven taboedoorbrekend. In dit boek worden heel wat idées reçues over politiek terug naar hun bekende en onbekende afzenders gestuurd. Wereldburgerschap? Een fictie. Burgerpanels à la Van Reybrouck? Volksverlakkerij. Mensenrechten? Moeten hun plaats kennen. Elchardus spreekt zich uit tegen kapitalismekritiek als kritiek zonder alternatief. Hij is tegen haatwetten, tegen de minderhedendemocratie, tegen (positief) discriminerende quota, en uiteraard tegen de vigerende dekolonisering die niet in onze ‘witte’ geesten moet gebeuren, maar in de vroegere kolonies zelf.

Hij is tegen illegale migratie en noemt het illegaal betreden van het grondgebied een agressie die uiteraard bestraft moet worden. Het flagrantst komt zijn veroordeling van de huidige migratiepolitiek en passant tot uiting in zijn gebruik van het werkwoord ‘redden’, in de context van het ‘redden’ van drenkelingen uit de Middellandse Zee. Daarmee bedoelt hij niet, zoals in de kranten gebruikelijk, ‘naar Europa brengen’, maar echt redden uit de handen van de mensensmokkelaars en terugbrengen naar het vasteland. Het Afrikaanse vasteland wel te verstaan. Libië dus. Niet zo schokkend voor wie Elchardus’ columns in De Morgen volgt.

doodnuchter, beredeneerd, consistent en van een dodelijke consequentie

Wat de auteur helemaal tegen rechts doet ‘aanschurken’ is zijn gewoonte om auteurs die aan de verkeerde kant van de geschiedenis staan, instemmend te citeren: Bernard Lewis over de islam, Roger Scruton over conservatisme, Samuel Huntington over de strijd der culturen, en de Vlaamse jurist Mark Bossuyt over de juristocratie van de activistische rechters aan de Europese hoven. Hij bespot de Kif-Kif-mens Ico Maly en plaatst hem nog een bank achteruit tot helemaal achteraan in de klas, maar geeft daarentegen een pluim aan Theo Francken en Bart De Wever. En dit allemaal doodnuchter, beredeneerd, consistent en van een dodelijke consequentie.

Zijn giftigste pijlen schiet hij af op het liberalisme en het neoliberalisme. Om te begrijpen wat hij daarmee doet, gaan we even terug naar de kaft. Onder ‘Reset’ staat de subtitel: Over identiteit, gemeenschap en democratie. Wie door voorgaande taboedoorbrekingen eigenlijk al niet verder wou lezen maar het toch deed, zou hier beter helemaal stoppen, want identiteit en gemeenschap zijn bij de denkenden onder de weldenkenden nog ongeoorloofder dan al het vorige samen. Weldenkenden beginnen met tegenzin aan dit boek. Voor hen betekent democratie juist afwezigheid van vieze ideeën als identiteit en gemeenschap. Wie daarover begint, heeft zichzelf al uit de kringen der prudenten gesloten.

Tegendraadse motto’s

Maar dan die motto’s! Een potentiële koper moet die toch opmerken, want ze staan naast de inhoudstafel. Het eerste stamt van Johann Gottfried Herder, bekend tegenverlichter, idealist en romanticus, mentor van Goethe en inspirator van de Grimms. Kortom een denker en literator die aan de oorsprong ligt van de Deutsche Ideologie zoals Marx en Engels dat noemden. Het edelste wat we bezitten, schrijft Herder, namelijk het verstand met zijn krachten en de vorm waarin we denken, handelen en zijn, dat hebben we niet van onszelf, het is ons overgeërfd. Elchardus wil ons iets diets maken over het erfdeel dat we ontvingen van vroegere generaties. Terwijl vandaag een tijdschrifttitel als Ons Erfdeel juist uit de mode blijkt te zijn…

Elchardus wil ons bevrijden van de banbliksems tegen het wij-zij-denken

Het tweede motto is van Bruce Springsteen, die tijdens zijn show Springsteen on Broadway (2017-18) iets wou zeggen over zijn poging om een gemeenschapsband (a communal bond) te scheppen met zijn mensen, een diepe verbinding waarin zijn eigen levensverhaal onscheidbaar wordt van dat van zijn publiek: ‘Ik ben hier als levend bewijs van dit eeuwig onvatbare en nauwelijks te geloven “wij”’. Springsteen suggereert hier een collectieve identiteit, en Elchardus wil ons bevrijden van de banbliksems tegen het wij-zij-denken. Als hij wij zegt, zegt hij wij en krabt hij geen aanhalingstekens in de lucht.

Collectieve identiteiten

Van de vier grote delen in dit boek gaat het eerste inderdaad over identiteit en identificatie, en het tweede over soorten van collectief identiteits-streven naar gemeenschappen. Beide veronderstellen elkaar. Geen gemeenschappen zonder individuen met een identiteit, mannen en vrouwen ‘met eigenschappen’; geen volwaardige individuen zonder gemeenschappen.

Gemeenschappen zijn leefwerelden, levenshorizonten, gehelen met ‘overleveringssamenhang’ (Überlieferungszusammenhang – Baberowski), begiftigd met intergenerational continuity (Furedi).

Gemeenschappen zijn soeverein en de uiteindelijke basis van wetgeving. Gemeenschappen zijn The People in de uitdrukking waarmee de Amerikaanse Grondwet opent: het volk, noch min noch meer. Elchardus’ redenering is gestoeld op de opvatting van hoe een individu en diens identiteit in de wereld staan.

Wordt het individu opgevat als een alleenstaand iemand, autonoom en als het ware ‘zonder eigenschappen’ maar wel van gods- of natuurswege met Rechten begiftigd, dan bevinden we ons in een theoretisch liberalisme dat, toegepast in de werkelijkheid en in de wetgeving, slechts individuen en minderheden ziet en vooral voor deze beide zorg draagt. (Neo)liberale politiek en (neo)liberale uitgangspunten kennen slechts wereldburgers, geboren en neergezet in een wereldmarkteconomie.

Wordt dat individu opgevat als geboren en levend in een collectiviteit met een verleden en met een project in de toekomst, een collectiviteit waaraan het rechten ontleent en plichten verschuldigd is, dan bevinden we ons in het gemeenschapsdenken dat, toegepast in de realiteit en in de wetgeving, zorg draagt voor deze gemeenschap – met een zorg waarvan alle andere zorgen afgeleid zijn.

Volk, werkbare gemeenschap, natie en migratie

Geregeld schakelt Elchardus in zijn terminologie bijna ongemerkt, maar evengoed sans gêne, over van gemeenschap naar het taboewoord ‘volk’. Bij liberalen is het volk niet meer dan een abstract principe; bij gemeenschapsdenkers gaat het om mensen van vlees en bloed. De volksgemeenschap moet echter een ‘werkbare gemeenschap’ zijn, gestut en gesteund door grenzen, homogenisering en secularisme. Als dit het geval is, kan de gemeenschap tot een natie uitgroeien, gekenmerkt door sociale binding en culturele verwantschap. Nationalisme is slechts een onderdeel van het streven naar zo’n werkbare gemeenschap.

Wat verhoogt de kansen dat migranten zich hier gemakkelijk kunnen inpassen?

Mensen over de hele wereld hebben een fijne neus voor wat werkbaar is en niet. Deze eigenschap is een van de beste legitimaties voor het bestaan van de democratie. De ‘grote trek’ die de wereldmigratie tenslotte is, is een trek vanuit falende gemeenschappen richting werkende gemeenschappen. Vandaar dat Elchardus zich ook de retorische vraag stelt: Wat verhoogt de kansen dat migranten zich hier gemakkelijk kunnen inpassen? Het antwoord luidt uiteraard: het voorhanden zijn van een werkbare, zelfbewuste gemeenschap. Het gaat natuurlijk om een vraag die het ‘linkse’ liberalisme zich niet stelt. Er hoeft immers niet ingepast te worden, vandaar de vele vormen van apartheid zoals multiculturalisme en pseudo-diversiteit in ‘kleine gemeenschappen’, gevoed door ‘kleine identiteiten’, terwijl juist de nationale, werkbare gemeenschappen de enige kans vormen op succesvolle legale migratie en integratie.

Het tere trillen van de wiegen

Ik probeerde hier kort de essentie van Elchardus’ stringente redenering weer te geven. Een betere manier om dit te doen is een weergave van het citaat waarmee hij zijn boek besluit, maar dat hij eerder al associeerde met de ‘somewheres’ van David Goodhart. Het gaat om een passage uit een redevoering, uitgesproken door de grote en immer inspirerende Franse socialist Jean Jaurès, gericht tot Franse mijnwerkers net voor de Eerste Wereldoorlog. Hij doet daarin een beroep niet op hun klassenbewustzijn maar op hun gemeenschapszin, op hun gevoel voor traditie en continuïteit, op het recht van de gemeenschap ook om te blijven bestaan en op de plicht van de leden om zich daartoe inspanningen te getroosten. Ziehier het gemeenschapsterritorium zoals een dode Franse socialist en een levende Vlaamse socialist het zich verbeelden:

‘Gij zijt aan deze bodem gehecht, door al hetgeen u is voorafgegaan en door al hetgeen u zal volgen; door hetgeen u geschapen heeft en door hetgeen gij zult scheppen; door het verleden en de toekomst; door de graven die daar onbeweeglijk liggen én door het tere trillen van de wiegen – par l’immobilité des tombes et le tremblement des berceaux’.

Ik heb de reset-knop op Elchardus’ kaft helemaal ingedrukt.   Bron:   Doorbraak

RESET

RESET

Dit boek verduidelijkt de aard en oorsprong van het verschil tussen gemeenschapsdenken en liberalisme. Het beschrijft hoe een reset mogelijk is, hoe democratie kan worden hersteld.

Europa kende na de Tweede Wereldoorlog een periode van grote vooruitgang met toenemende gelijkheid,stijgende productiviteit, expansie van het onderwijs en fundamentele wetenschappelijke en technologische doorbraken. Maar in de jaren zeventig begon het tij te keren. In de eerste periode was het beleid gericht op de gemeenschap; in de tweede was het (neo)liberaal. Het nieuwe neoliberale regime droeg bij tot instabiliteit in Afrika en het Midden-Oosten, tot massale illegale migratie ook. In tal van westerse landen groeide de interne verdeeldheid. Sinds 2008 is dit regime in diepe crisis. De vertrouwde vormen van gemeenschapsdenken – christendemocratie en sociaaldemocratie – zijn inmiddels zodanig geliberaliseerd dat zij niet in staat blijken terug te keren naar een beleid gestoeld op gemeenschapsdenken. Die taak valt vandaag het nationalisme te beurt. Dit boek verduidelijkt de aard en oorsprong van het verschil tussen gemeenschapsdenken en liberalisme. Het beschrijft hoe een reset mogelijk is. Hoe democratie kan worden hersteld, hoe kan worden teruggekeerd naar een vreedzamer wereld met meer welvaart, welzijn en vooruitgang.

Ook hoge inkomens steunen progressieve belastingen

Het merendeel van de Belgen is groot voorstander van een progressief belastingstelsel. Zelfs burgers met een hoog inkomen steunen progressieve belastingen, althans bij diegenen die voldoende politieke kennis en interesse hebben.

Het Belgisch belastingsysteem functioneert nog grotendeels op dezelfde manier als het werd ontworpen in 1962 door de toenmalige minister van Financiën, Dries Dequae: de verschillende inkomstenbronnen worden samengevoegd en belast volgens een progressief systeem.1 Concreet wil dat nu zeggen dat u op de eerste 13.440 euro van uw inkomen 25% belasting betaalt, en dat u 50% betaalt op alles wat u boven de 41.060 euro verdient. Een dergelijk progressief systeem zorgt uiteraard voor inkomensherverdeling: de rijkere groep draagt zowel in absolute als relatieve cijfers meer bij aan het totale overheidsbudget.

In het politieke debat komt er vaak kritiek op deze mate van progressiviteit. Men stelt dat dit het economisch initiatief ontmoedigt, omdat de hoogste inkomens tot de helft van hun bruto inkomen moeten afstaan. Af en toe hoor je zelfs pleidooien voor een ‘vlakke taks’, waarbij iedereen dezelfde aanslagvoet zou betalen en belastingen dus niet langer zouden zorgen voor herverdeling. In dit debat wordt echter zelden de mening van de bevolking zelf gevraagd. Ook in de voorstellen van huidig minister van Financiën, Vincent Van Peteghem (CD&V), komt dit nauwelijks aan bod. In het kader van een onderzoek bij de verkiezingen van mei 2019 vroegen we daarom aan een representatief staal van de Belgische bevolking welk belastingsysteem zij rechtvaardig vinden: welke aanslagvoet en welke mate van progressiviteit?

MENINGEN OVER BELASTINGEN

Hoewel politici vaak vrezen dat progressieve belastingen bij de bevolking niet bijzonder populair zijn, is er weinig steun voor deze vrees op basis van wetenschappelijk onderzoek. Het gros van de Europese bevolking ondersteunt progressieve belastingen, zolang deze eerlijk verdeeld zijn.2 Bovendien gaat men er vaak van uit dat het belastingsysteem zo ingewikkeld is dat de modale burger niet alle technische details begrijpt, en er dus ook geen gefundeerde mening over heeft. Een eerste, intuïtieve verwachting zou dan ook zijn dat Belgen gewoon minder belastingen willen.

Het onderzoek over voorkeuren inzake fiscaal beleid, gaat uit van vier verschillende theoretische veronderstellingen over de determinanten van die houdingen: de rol van economisch eigenbelang, politieke ideologie, altruïsme en sociale rechtvaardigheid, en ‘welbegrepen eigenbelang’.

Een eerste, belangrijke, determinant is economisch eigenbelang. Dat betekent dat mensen in de allereerste plaats naar de gevolgen voor zichzelf kijken in hun voorkeur voor een bepaalde fiscale maatregel. Dit is een aannemelijke hypothese, en in de praktijk zien we inderdaad dat allerlei drukkingsgroepen proberen hun eigen belang veilig te stellen bij fiscaal beleid. In dit geval zorgt dit voor een eenvoudige hypothese: hoe meer burgers verdienen, hoe minder ze geneigd zijn het progressief karakter van de personenbelasting te ondersteunen. Vanuit die optiek zou iemand die meer dan 3.500 euro bruto/maand verdient, er voor moeten ijveren om de hoogste marginale aanslagvoet naar beneden te brengen, aangezien dit wil zeggen dat elke loonsverhoging die deze persoon ontvangt voor de helft naar de fiscus gaat. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat deze theoretische benadering ervan uitgaat dat mensen een min of meer correct beeld hebben over de manier waarop het belastingsysteem werkt, terwijl dit in de praktijk niet altijd het geval hoeft te zijn.

Een tweede benadering stelt dat belastingvoorkeuren samenhangen met iemands politieke ideologie: linkse mensen zijn voor herverdeling, terwijl rechtse mensen daar minder enthousiast over zijn. Hoewel men tegenwoordig vaak stelt dat deze traditionele visie op links en rechts niet langer opgaat, stellen we in onderzoek vast dat veel kiezers zich nog altijd als ‘links’ of ‘rechts’ definiëren en dat dit ook een zeer belangrijke invloed heeft op hun stemgedrag. Ook hier stelt zich echter een probleem van kennis: linkse partijen hebben vaak de neiging om zich op de sociale zekerheid te concentreren als het gaat over armoedebestrijding en herverdeling. Thema’s als een minimumpensioen, werkloosheidsuitkeringen of kinderbijslag zijn inderdaad direct zichtbaar. Het is gemakkelijk de publieke opinie op deze manier aan te spreken; en we zien dat sommige politieke partijen dit ook doen. De gemiddelde hoogte van de aanslagvoet, laat staan de diverse fiscale aftrekposten, zijn daarentegen heel wat abstracter. Het is dan ook moeilijker dit soort elementen uit te spelen als verkiezingsthema.

Een derde benadering gaat uit van de solidariteitsgedachte: men gaat er van uit dat burgers oprecht bekommerd zijn om ongelijkheid en armoede, en dat ze bereid zijn een inspanning te leveren om hun minder begoede medeburgers te helpen. Dit zou betekenen dat burgers met een relatief hoog inkomen gewonnen zijn voor hoge marginale aanslagvoeten, omdat ze weten dat ze op die manier de overheid meer middelen geven om armoede te bestrijden en sociale uitsluiting tegen te gaan.

De vierde benadering, ten slotte, gaat uit van de notie ‘welbegrepen eigenbelang’, zoals die voor het eerst door De Tocqueville werd geformuleerd.3 Deze benadering vertrekt vanuit het mensbeeld dat mensen in de eerste plaats hun eigenbelang nastreven, maar dat ze tegelijk voldoende inzicht hebben om te weten wat goed is voor de samenleving waarin ze leven. Uit onderzoek naar landen met een hoge mate van ongelijkheid weten we inderdaad dat de levenskwaliteit er lager ligt, ook voor de rijkere inkomensgroepen. In dat soort landen worden ook de rijkere inkomensgroepen immers geconfronteerd met allerlei samenlevingsproblemen, zoals criminaliteit, een gebrek aan openbare ruimte en culturele voorzieningen, en een slecht functionerend gezondheidssysteem. Ook voor de hogere inkomensgroepen biedt dit een minder aangename samenleving, al was het maar omdat ze dan meer moeten investeren in individuele veiligheidsmaatregelen.4

Bijgevolg zouden we kunnen verwachten dat ook rijkere burgers een progressief belastingstelsel kunnen ondersteunen, omdat ze verwachten dat in een samenleving met meer gelijkheid en betere sociale voorzieningen, ook hun eigen levensomstandigheden verbeteren. In dat opzicht is er dus geen sprake van altruïsme, maar eerder van een ‘verlicht eigenbelang’. De vraag blijft hier echter in welke mate (rijke) burgers voldoende kennis hebben om de link te leggen tussen de bestaande ongelijkheden en maatschappelijke uitdagingen in hun samenleving, en hoe ze zelf kunnen bijdragen om deze op te lossen.

Op basis van de literatuur hebben we dus verschillende verwachtingen over de steun vanuit de bevolking voor een meer of mindere mate van progressiviteit van inkomstenbelastingen. Die verwachtingen hebben we getoetst bij een representatief bevolkingsonderzoek in ons land, waarbij we eerst nagaan of burgers inderdaad wel een opinie hebben over de mate van progressiviteit van ons belastingsysteem, en zo ja, hoe we die voorkeuren kunnen verklaren.

HET ONDERZOEK: VERKIEZINGEN 2019

Het onderzoek waarop we ons hier baseren werd onmiddellijk na de verkiezingen van mei 2019 uitgevoerd, en is gebaseerd op een toevallige steekproef op basis van het Rijksregister.5 Dit betekent dat alle kiezers een even grote kans hadden om geselecteerd te worden, ook diegenen die niet dagelijks actief zijn op het internet. De uitnodigingen werden uitgestuurd met de post, zowel in het Vlaams als in het Waals Gewest.6

Voor dit soort onderzoek is het natuurlijk belangrijk te weten dat de meeste inwoners van ons land zich weinig kunnen voorstellen bij een abstracte notie als ‘de progressiviteit van de aanslagvoet bij de personenbelasting’. Daarom leek het ons onmogelijk om aan respondenten rechtstreeks te vragen of ze al dan niet gewonnen zijn voor meer of minder progressiviteit in het belastingsysteem. Verder bouwend op eerder internationaal onderzoek stelden we hen echter de volgende vraag:

‘Deze vraag gaat over inkomstenbelasting. Veronderstel dat een rijke en een arme persoon elk 100 euro hebben en hierop belastingen moeten betalen. Volgens u, hoeveel euro zou ieder van hen aan belastingen moeten betalen op deze 100 euro?’

Deze vraag heeft een aantal belangrijke voordelen. Ten eerste kunnen respondenten hierdoor hun mening geven over de hoogte van de aanslagvoet. Diegenen die vinden dat de overheid nu reeds te veel beslag legt op het globale inkomen, zouden dus twee keer een laag percentage moeten invullen. Ten tweede kunnen ze aangeven hoe progressief de belastingen zouden moeten zijn: hoe groter de afstand tussen de rijke en de arme belastingplichtige, hoe sterker de mate van progressiviteit. Ten derde werken we met een fictief inkomen van honderd euro, zodat respondenten niet in termen van percentages moeten rekenen. Uit eerder onderzoek over statistische kennis blijkt immers dat dit niet voor iedereen in de bevolking vanzelfsprekend is.7

RESULATEN VAN HET ONDERZOEK

Een eerste belangrijk resultaat is dat de steun voor de progressiviteit zeer algemeen is: zowat 71% van de bevolking stelt dat de rijke persoon een groter gedeelte van haar/zijn inkomen moet afgeven dan de arme persoon. Hieruit blijkt al dat het principe van de ‘flat taks’, zoals dat destijds door de Lijst De Decker werd verdedigd, in ons land weinig aanhangers heeft. Een tweede belangrijke vaststelling is de hoogte van de gewenste aanslagvoet. Voor de hoge inkomens komen we aan een gemiddelde voorgestelde aanslagvoet van 39%, wat ongeveer in de buurt zal liggen van wat nu de facto betaald wordt. Ondanks het feit dat er massaal geklaagd wordt over een te zware belastingdruk in ons land stellen we vast dat wanneer burgers zelf de aanslagvoet mogen bepalen, ze uiteindelijk tot een vergelijkbaar percentage komen. Dat kan te maken hebben met een zeker gewenningseffect, omdat we in België gewend zijn aan het feit dat overheid een belangrijk deel van ons inkomen naar zich toe trekt. Anderzijds duidt het er ook op dat de meeste Belgen ook wel beseffen dat al dat overheidsgeld inderdaad leidt tot een uitgebreide dienstverlening inzake onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid, enzovoort.

Als we vervolgens de antwoorden uitsplitsen per kiespubliek (TABEL 1), dan zien we dat de respondenten een heel duidelijk ideologisch patroon volgen. De kiezers van linkse partijen zoals PS, PTB en sp.a (nu Vooruit) zijn voorstander van een progressievere belasting, met een groter verschil tussen armen en rijken. Aan de andere kant van het politieke spectrum zien we bij kiezers van MR, Open VLD en N-VA dat ze liever een kleiner verschil in belastingen tussen armen en rijken zien. Die verschillen tonen aan dat verkiezingen wel degelijk nog een belangrijke ideologische functie hebben. Wie van mening is dat ondernemers niet te veel mogen worden belast, vindt vlot de weg naar een rechtse partij, terwijl diegenen die vinden dat ‘de rijken de crisis moeten betalen’ even goed hun weg naar een linkse partij vinden. Ondanks alle bezorgdheid over toenemende volatiliteit onder de kiezers, zien we dus toch een duidelijk ideologisch patroon.

Er blijkt bij de Belgische publieke opinie dus duidelijk veel steun te bestaan voor een progressieve inkomstenbelasting, en die steun is groter bij de linkse kiezers dan bij de rechtse kiezers. Weinig verrassende resultaten wat dat betreft dus.

Als we vervolgens willen nagaan welke factoren de steun voor progressiviteit verklaren, dan is onze belangrijkste variabele natuurlijk de verschilscore tussen beide antwoorden (de laatste kolom van TABEL 1). Bij iemand die voor iedereen dezelfde aanslagvoet wil, is die verschilscore ‘0’, terwijl het ‘Robin Hood’-scenario waarbij iemand alle rijkdom wil afnemen van de rijkste groep, een score van ‘100’ zou opleveren. Dat betekent dus dat we in deze analyse niet geïnteresseerd zijn in de hoogte van de voorgestelde aanslagvoet (de eerste twee kolommen in TABEL 1), maar enkel en alleen in het verschil, en dat drukt de mate van gewenste progressiviteit uit.

Verder bouwend op ons theoretisch kader proberen we die verschilscore op een aantal manier te verklaren. Ten eerste is er natuurlijk de rol van iemands inkomen: we gaan ervan uit dat wie een hoog gezinsinkomen heeft, minder geneigd zal zijn progressieve belastingen te steunen (zelfbelang). We bevroegen ook de respondenten of ze zich als ‘links’ of ‘rechts’ beschouwen, op een schaal van 0 tot 10. Dergelijke zelfplaatsing blijkt zeer goed te werken: de gemiddelde sp.a-kiezer plaatst zichzelf op 4,17, terwijl de gemiddelde N-VA-kiezer zich op 6,97 plaatst. Aan de hand van die variabele kunnen we dus nagaan of ideologie een effect heeft op de steun voor progressiviteit. Vervolgens meten we ook de politieke betrokkenheid, door politieke kennis en politieke interesse samen te brengen in één variabele. We gaan er van uit dat mensen die het politieke nieuws volgen, in het algemeen ook meer betrokken zullen zijn bij de samenleving en bij wat er in hun gemeenschap gebeurt. We nemen ook een aantal controlevariabelen op in het model zoals leeftijd, geslacht en arbeidsmarktstatus.

De resultaten van de analyse zien we in TABEL 2. De resultaten tonen steun voor beide grote verklaringsmodellen. Ideologie heeft duidelijk het sterkste effect: rechtse kiezers zijn minder gewonnen voor progressieve belastingen. Verschillende politici zeggen tegenwoordig graag dat het onderscheid tussen links en rechts achterhaald is. Wat we hier zien is echter dat het onderscheid nog altijd een bijzonder belangrijke invloed heeft op een cruciaal beleidsdomein als fiscaliteit. Daarnaast zien we ook een duidelijk effect van inkomen: veelverdieners blijken in mindere mate voorstander te zijn van progressieve belastingen. Een beetje tegen onze verwachting in, zien we in dit model geen rechtstreeks effect van politieke betrokkenheid.

Vervolgens gaan we een stap verder in de analyse, door de respondenten te rangschikken naargelang hun niveau van politieke betrokkenheid. In FIGUUR 1 wil dat zeggen dat de respondenten die zeer slecht scoorden op de politieke kennistest en politieke interesse (en die dus allicht de politiek actualiteit niet volgen) uiterst links op de figuur staan, terwijl diegenen die het wel goed deden op de kennistest en interesse helemaal rechts staan. De kleine balkjes onderaan de figuur geven telkens aan om hoeveel respondenten het concreet gaat, en daarbij zien we dat de deelnemers relatief evenwichtig en normaal verspreid zijn over deze variabele. Vervolgens laat de rechte lijn voor elk van deze groepen zien hoe groot het gecontroleerd effect is van respectievelijk ideologie en inkomen (de stippellijnen laten de foutenmarge zien).

Wat we dan zien is dat bij de groep met lage politieke betrokkenheid ideologie nauwelijks een rol speelt: de invloed van ideologie is bij deze groep ongeveer nul. Of mensen zich nu ‘links’ of ‘rechts’ noemen heeft eigenlijk geen effect op hun houdingen, als er niet een minimum aan kennis aanwezig is. De lijn in FIGUUR 1 gaat echter scherp naar beneden, wat wil zeggen dat bij diegenen met voldoende politieke kennis er een sterk negatief verband is tussen ideologische positie en steun voor progressieve belastingen. Bij de beter geïnformeerde kiezers zijn rechtse kiezers consequent negatiever over progressieve belastingen. Dat wil zeggen dat de uniforme effecten die we nog zagen in Tabel 2, in werkelijkheid sterk afhankelijk zijn van het kennisniveau van de respondenten. Enkel bij de groep die hoog scoort inzake politieke kennis en interesse, zien we het vertrouwde patroon opduiken: rechtse respondenten zijn veel minder gewonnen voor progressieve belastingen. Met andere woorden: diegenen met veel politieke betrokkenheid hebben een duidelijk coherent antwoordpatroon: als ze links zijn, zijn ze voor progressieve belastingen en als ze rechts zijn, zijn ze tegen. Het is de relatief kleine groep die absoluut geen politieke betrokkenheid heeft (en die op de kennistest bijvoorbeeld niet wist dat er een Kamer en een Senaat bestaan), voor wie ‘links’ en ‘rechts’ geen verschil uitmaakt. De stelling dat links en rechts niet langer relevant zijn, gaat dus in de praktijk enkel op voor een heel kleine groep van de bevolking, die absoluut geen enkele politieke kennis of interesse heeft.

Vervolgens doen we dezelfde oefening (in het tweede deel van FIGUUR 1), maar nu met het effect van inkomen: het meest opvallende is dat de lijn daar net omgekeerd loopt. Voor diegenen die absoluut geen enkele politieke betrokkenheid hebben (het aantal respondenten in deze categorie wordt opnieuw aangeduid door het balkje onderaan), is er een heel sterk negatief effect van inkomen. Veelverdieners zonder enige politieke kennis kiezen dus inderdaad voor de zelfbelangoptie: een hoog inkomen zorgt bij hen voor een negatieve visie op progressieve belastingen. Bij diegenen die wel veel politieke kennis en interesse hebben, verdwijnt het effect van inkomen echter geleidelijk, om uiteindelijk bij nul uit te komen. Dat betekent dat bij deze groep met een hoge mate van politieke betrokkenheid, het eigen inkomen geen effect meer heeft (de regressielijn zit hier immers vlak bij het nulpunt).

WELBEGREPEN EIGENBELANG

De vraag is hoe we dit patroon kunnen verklaren? Het feit dat een deel van de bevolking zich gewoon laat leiden door eigenbelang hoeft niet te verwonderen, en beantwoordt aan de verwachtingen. Het nieuwe aan deze studie is echter dat we ook een relatief grote groep zien die zelf wel een hoog inkomen heeft, maar tegelijk ook politiek betrokken is, en dat koppelt aan steun voor progressieve belastingen (die ze dus zelf zullen moeten betalen). Als we deze groep verder bekijken, dan stellen we vast dat het zeker niet alleen gaat om linkse kiezers. In feite zijn zowat alle partijen vertegenwoordigd onder deze groep. Wat deze groep verbindt is dat ze goed geschoold zijn, een goed inkomen hebben, en relatief veel politieke interesse.

Een beetje speculatief zouden we dan ook kunnen stellen dat juist bij deze groep de notie ‘welbegrepen eigenbelang’ speelt. Ook relatief hoge inkomens zijn bereid belastingen te betalen, omdat ze weten dat daarmee de samenleving beter zal functioneren, en dat zij ook een meer comfortabel leven zullen leiden. We weten inderdaad dat landen met een hoge mate van inkomensongelijkheid vaker geconfronteerd worden met samenlevingsproblemen als criminaliteit, druggebruik, verloedering van het openbaar domein en ongezonde levenswijzen, waar ook de meer begoede klasse het slachtoffer van wordt. Op zich is het dus redelijk te stellen dat ook relatief rijke groepen bereid zijn belastingen te betalen, als ze maar het idee hebben dat hierdoor hun levenskwaliteit stijgt.

DE ROL VAN POLITIEKE KENNIS EN INTERESSE

In het politieke debat wordt de progressiviteit van de belastingschalen vaak beschouwd als een eerder technische kwestie, die te moeilijk zou zijn voor de gemiddelde burger. Ons onderzoek toont echter aan dat dit niet het geval is. Respondenten hebben hier een duidelijke positie in. En die positie is perfect logisch, gelet op hun ideologische voorkeur en hun eigen inkomen. De meeste burgers blijken dus perfect in staat een eigen oordeel over progressieve belastingen te ontwikkelen. Bovendien zien we dat er heel veel steun is voor progressieve belastingen. Slechts 28,56% van de respondenten is gewonnen voor een ‘vlakke taks’, en die voorstanders vinden we vooral bij de kiezers van Open VLD in Vlaanderen en MR in Wallonië. Al bij al is dat dus duidelijk geen thema bij de publieke opinie. Onze resultaten voor ideologie en inkomen liggen helemaal in lijn met eerder internationaal onderzoek. Ze tonen aan dat beide elementen een rol spelen.

De rol van politieke kennis en politieke interesse is echter wel nieuw, en ze duiden op een belangrijk mechanisme in het debat. Voor diegenen die absoluut geen kennis hebben van politiek, is het blijkbaar totaal niet duidelijk wat er met hun belastingen gebeurd, en welke functie het fiscaal systeem heeft. Bij diegenen die wel dat inzicht hebben, is er wél steun voor progressieve belastingen, zelfs al betekent dit dat ze zelf meer zullen moeten betalen. Politieke kennis en inzicht zijn dus cruciaal in het opbouwen van de legitimiteit van het fiscaal systeem, en daarin ligt allicht ook een grote uitdaging. Weliswaar bevat het aanslagbiljet tegenwoordig een mooi figuurtje waarin wordt uitgelegd wat er met het belastinggeld gebeurt, maar dat blijft tamelijk abstract. Als men de steun voor een meer progressieve inkomstenbelasting wil vergroten, dan blijken correcte politieke kennis en een betrokkenheid met de samenleving de belangrijkste factoren.   Bron:  SAMPOL

Overwerk eist veel doden

Overwerk eist veel doden

Wereldwijd wordt een schokkend aantal van 750.000 doden in 1 jaar – in een studie van 2016 – toegeschreven aan overwerk.

En nu telewerk en flexibiliteit echte blijvers worden, lopen tal van werknemers het risico nog meer te gaan overwerken, waarschuwt professor Arbeidsgeneeskunde Lode Godderis in Knack.

Onlangs publiceerde de WHO een rapport, waaraan Godderis meewerkte, over de impact van werk op het vlak van ziektes en letsels. En welk werkgerelateerde aspect blijkt wereldwijd de meeste levens te eisen? Wellicht gokt u op een usual suspect zoals werkongevallen, fijnstof of asbest. Dat klopt niet. Die klassieke boosdoeners worden met voorsprong geklopt door… ‘lange werkuren’.

Ter vergelijking: de nummer 2 uit de lijst, de categorie ‘gassen, dampen en fijnstof’, is goed voor ‘maar’ 450.000 doden. En elk jaar sterven ruim 2 keer meer mensen aan overwerk dan aan werkongevallen – 350.000 doden – en 3 keer meer dan aan asbestblootstelling – 200.000 doden.

Overwerk eist 750.000 doden per jaar.

Betekent dat dat de strijd tegen die usual suspects gestreden is? Uiteraard niet, het blijven tragische cijfers. Maar het verschil is wel dat we die gevaren, zeker in België, al lang kennen en zo goed als we kunnen ook bestrijden. Zo hebben we het aantal arbeidsongevallen de afgelopen decennia spectaculair doen dalen. Dat kunnen we helaas nog niet zeggen van overwerk, want het druk-druk-druk hebben is in onze maatschappij nog altijd een statussymbool.

Eerder dit jaar toonde eigen onderzoek van IDEWE aan dat sinds de telewerktrend 15% van de werkende Belgen meer verstoring van de work-lifebalance ervaart en dat de helft zich uitgeput voelt. En nu telewerk en flexibiliteit echte blijvers worden, lopen tal van werknemers het risico nog meer te gaan overwerken.

Laat ons dit WHO-rapport dus aangrijpen om komaf te maken met die overwerkcultus. Het goede nieuws is dat, in tegenstelling tot wat velen denken, overwerk bestrijden helemaal geen negatieve gevolgen zal hebben voor de productiviteit. Integendeel, de mythe dat werknemers die lange dagen kloppen meer en beter werk afleveren, is allang ontkracht. Bij overwerk verliest iedereen, óók de werkgever. Vandaag weet elke atleet dat je topprestaties niet haalt door zoveel mogelijk te trainen, maar door net genoeg te trainen, met voldoende rust en ontspanning tussendoor. Tijd dat we dat ook op de werkvloer inzien.

U hoort me uiteraard niet zeggen dat het gaspedaal niet af en toe stevig mag worden ingedrukt. Als de omstandigheden dat vereisen, is dat geen enkel probleem. Zolang het maar niet structureel wordt, want 750.000 doden per jaar, dat is overwerk toch echt niet waard.  Bron: Knack

Massaal seksueel misbruik binnen Franse kerk

Franse bisschoppen hebben  erkend dat de rooms-katholieke kerk in Frankrijk verantwoordelijk is voor het jarenlange systematische kindermisbruik door geestelijken in het land.

De bisschoppen hebben op een jaarlijkse conferentie in Lourdes toegegeven dat de kerk kindermisbruik oogluikend heeft toegestaan en stilgezwegen.

In oktober kwam een rapport uit over onderzoek naar misbruik in de kerk in Frankrijk tussen 1950 en 2020. Kinderen werden op grote schaal misbruikt door geestelijken, staat in het rapport. Het zou gaan om 216.000 gevallen gaan van voornamelijk jonge jongens die zijn misbruikt. Het rapport schat het aantal daders op ongeveer 3000.

Slachtoffers van het misbruik hadden de bisschoppenconferentie opgeroepen te erkennen dat ook het instituut van de kerk schuldig was aan het misbruik en niet alleen de daders.