Anarchisme

Anarchisme

Ik kan alleen maar hopen dat het boek van Ludo Abicht een pak vooroordelen over anarchisme uit de wereld kan helpen.

Het nieuwe boek van Ludo Abicht komt in een periode waarin de partijstructuren en de verkaveling van het politieke landschap in een toenemende sfeer van polarisering misschien wel voor een diepgaande verandering staan. Overal wordt geschreven en betoogd dat de traditionele aanpak via partijen, die meer en meer verkiezingsmachines en belangengroepen werden, niet meer vanzelfsprekend erkend worden als representanten in een democratisch bestel. Onherroepelijk klinkt hierbij de echo van de vroeger herhaaldelijk verdoemde en vaak ook fysiek bekampte anarchisten. Abicht analyseert de anarchistische stroming vanaf de 19e eeuw met verwijzingen naar enkele pioniers uit vroegere periodes, zoals de merkwaardig visionaire filosoof Spinoza.

Hét anarchisme bestaat echter niet, stelt Abicht. Je hebt vele denkers en activisten, die in hun klemtonen sterk verschillen. De eerste politiek actieve denkers associëren we nog steeds met progressief, vrijheidsgericht en met een sterke klemtoon ook op gelijkheid tussen mensen. Stirner, de filosoof van het ‘onvrijwillig egoïsme’, wordt in de geschiedenis als eerste meer systematische denker genoemd. Vanaf dan volgen echter ook denkers-activisten, die belangwekkende initiatieven nemen om gelijkheid en vrijheid samen vorm te geven. Proudhon ligt aan de basis van denken en experimenteren met sociale zekerheid, en formuleert scherpe kritiek op het staatsdenken dat in die tijd door kapitalisten als exclusieve vorm voor gemeenschapsvorming werd gepromoot, en de jonge natiestaten in herhaalde uitputtende oorlogen dreef. Bakoenin zoekt dan als atheïst heel bewust naar andere dan religieuze (en vaag religieus-nationalistische) gronden en brengt de eerste voorstellen voor vrije federaties, van onderuit opgezet en horizontaal werkend. Rond deze niet-staatse en uiteraard niet-theocratische vormen van zelfgekozen, egalitaire samenwerkingsverbanden – de federaties en federaties van federaties – draaien verschillende anarchistische politieke ideeën en praktijkvoorstellen sindsdien. Dit maakt het meteen ook mogelijk om een zeer succesvolle en nog steeds sterke tak van het anarchisme vandaag in zijn wortels aan te wijzen: het anarcho-syndicalisme.

De dramatische, en voor links zelfs tragische, conflicten zoals de Spaanse Burgeroorlog worden door de auteur genuanceerd.

De verdere geschiedenis van anarchistisch denken en ageren, is er een van steeds vallen en weer opstaan. De dramatische, en voor links zelfs tragische, conflicten zoals de Spaanse Burgeroorlog worden door de auteur genuanceerd en goed onderbouwd weergegeven. Herhaaldelijk worden anarchisten door rechtse regimes en legers (zoals die van Franco), maar evenzeer door de centralistisch werkende communisten bedrogen en zelfs vermoord. Met name in de Spaanse Burgeroorlog kan men gewagen van elkaar versterkende eliminaties van anarchistische groepen (uit de hele wereld zelfs) door de rechtse Francisten en door de Moskou-gezinde communisten.

In een kleine uitweiding (hoofdstuk 3) belicht Abicht weinig vermelde en ‘onverwachte bouwstenen’ voor anarchisme in de weerbarstige en deels anti-systemische Joodse mystiek. Die gaat uiteraard verder terug in de tijd maar is aantoonbaar van invloed geweest, al was het maar door de afkomst en opvoedingscontext van vele actieve en creatieve anarchistische denkers en activisten. Daarnaast zijn vroege (17e eeuw) Engelse reacties tegen de anti-sociale omheinings- en dus ook broodrovende grondpolitiek van Engelse grootgrondbezitters een rechtstreekse bron voor ideeën van anarchisten tot vandaag (bijvoorbeeld Bookchin).

Uit de 20e eeuw bespreekt de auteur de pedagogische voorstellen van befaamde anarchisten, die tot vandaag invloed hebben op de opvoeding van verantwoordelijke, vrije en sociale burgers (in plaats van enkel bruikbare arbeidsinstrumenten): Russell, P. Goodman, Illich en Freire zijn de meeste bekende uit die eeuw, maar Chomsky sluit terecht deze belangrijke lijn van opvoedkundige denkers en doeners af.

Vandaag dan, in de turbulente en gemondialiseerde wereld waarin we na de Val van de Muur en de implosie van de Sovjet Unie ontwaakten, zien we vooral het zogenaamde sociaalanarchisme. Abicht onderscheidt dit van de vorige invullingen doordat consequent een veel meer inclusieve optiek teruggevonden wordt bij anarchisten, die de druk op een nog sterk exclusief socio-economische visie van de oude en nieuwe politieke partijen verhoogt: anarchisme staat nu voor een diepe versmelting van verschillende progressieve visies op mens en maatschappij, gaande van gender-inclusiviteit, over dekolonisering, via economische tot ecologische alternatieven. Hier worden in het bijzonder twee figuren uitgebreid besproken: Bookchin en nog recenter de economische antropoloog Graeber.

Met Bookchin wordt op nogal stormachtige manier de ecologisch thematiek geïntegreerd. Voor de activist legt Bookchin echter vooral de klemtoon op een nauwe en eerlijke band tussen ideologische standpuntname en activistische praktijk. Zo trekt hij fel van leer tegen de zogenaamde ‘lifestyle anarchisten’, dat wil zeggen de ‘bobo’s’ (bourgeois-bohémiens) die in de week braaf hun ambtenarentaak uitvoeren en zo de kapitalistische orde in feite in stand houden of versterken, maar in hun vrije tijd wel wat alternatief willen zijn. Met name de ‘deep ecology’ beweging kan hierbij niet op genade rekenen.

Graeber bepleit dat anarchisten alle geweld moeten afzweren.

Graeber wordt dan weer heel uitgebreid voorgesteld door Abicht. Hij is een Amerikaan van de nieuwste lichting (en stierf onlangs, amper 60 jaar) die steeds zijn academisch werk heel nauw verbond met zijn anarchistisch activisme. Graeber gaat ervan uit dat niet ‘het systeem’ als zodanig moet worden geviseerd, maar wel de onvermijdelijke barsten en zwakke punten ervan. Dat gaat van de schuldeconomie waarin mensen vandaag gevangen worden, over de dwang om ook en veel zinloze jobs of afstompende en betekenisloze taken te moeten uitvoeren (de zogenaamde ‘bullshit jobs’), tot aanwijzingen van mogelijkheden voor dagelijks verzet. Graeber bepleit dat anarchisten alle geweld moeten afzweren en dat ze de idee om een voorhoede te kunnen zijn voor sociale emancipatie (dat bijvoorbeeld zo sterk drijvend werkt bij trotskisten) heel zelfkritisch moeten verlaten. Daar staat dan tegenover dat de klemtoon komt te liggen op horizontaliteit, naast het afbreken van verticale of leidersstructuren, in een dagelijkse praktijk. De Occupybeweging is een typisch voorbeeld van een dergelijke anarchistische praktijk: ze laat taakdefinitie, werkvorm en keuze van prioriteiten echt horizontaal verlopen door met allen te praten en naar allen te luisteren. Daarbij worden nieuwe discussievormen uitgeprobeerd zoals de succesvolle ‘menselijke telefoon’: geen grote speeches met megafoon door een ‘leider’, maar boodschappen door mensen, die na elke paar zinnen worden ‘doorgezegd’ om zo de hele aanwezige massa te berichten, met uiteraard commentaren gaandeweg. Dat werkt creatief en horizontaal, en verhindert dat ‘leiders’ autoritair het woord monopoliseren, blijkt uit de praktijk.

Dergelijke actievormen lopen parallel met of triggeren soms ook het ontstaan of herboren worden van oude en nieuwe horizontale productie en bestuursvormen, zoals we die nu wereldwijd in snel groeiende versies zien opkomen: de commons. Abicht besluit zijn boek met een indringende voorstelling van talrijke types van commons, als evenzovele vormgevingen van anarchistische maatschappelijke en economische praktijk.

Het boek is door de uitgebreide behandeling van de nieuwe commons een bijzonder positief boek.

Het boek is een sterk overzicht en, door de uitgebreide behandeling van de nieuwe commons uit diverse hoeken van de wereld, een bijzonder positief boek. Het geeft een genuanceerd beeld van anarchisme en lukt er ook in om de hedendaagse ontwikkeling van commons als reële, zeer beloftevolle realisaties van tegelijk economische en politieke autonomie aan te wijzen. Ik kan alleen maar hopen dat het boek een pak vooroordelen over anarchisme uit de wereld kan helpen, en ook dat het kan aanzetten tot meer en ook actieve interesse in de niet- of misschien wel postkapitalistische manieren van overleven en maatschappelijk organiseren die commons als belofte inhouden.

Rik Pinxten

Het complot van de kerken

Het complot van de kerken

Een gesprek met schrijver Achiud

Dit werk van Achiud is geen alledaags boek voor alledaagse lezers. Achiud is het pseudoniem van een B.V. die stelt dat geloof en ongeloof niet elkaars tegenstanders zijn. Verder houdt hij voor dat met de veroordeling van het arianisme op het Concilie van Nicea (325) het denken en de religie van Europa de foute weg zijn ingeslagen. Met gevolgen tot vandaag de dag. De arianen wilden niet weten van de Drievuldigheidsleer en andere ‘constructies’. Een ongewone denkpiste. Of was het de gangbare?

Moet men christen zijn of tot een christelijke kerk behoren om dit boek te waarderen? 

‘De doelstelling van mijn twee recent verschenen boeken (Terugkeer van de herder van Hermas en Het complot van de kerken) is om zoveel mogelijk lezers van uiteenlopende geloofsovertuigingen aan te spreken. In hoofdzaak is het bestemd voor alle joden, christenen, agnostici en atheïsten (die nog een bepaalde culturele affiniteit voor één van beide godsdiensten bezitten). Zeg maar heel de joods-christelijke beschaving.’

En wat is dan de aard van het complot waarop u doelt?

‘De bollenkraam van het theologisch bedrog moet blijven draaien ongeacht hoe slecht de winkel het ook doet! En dat terwijl zowel joden als christenen over profeten beschikken die 2000 en 3000 jaar vooruit in de tijd de grootste gebeurtenissen uit onze moderne tijd accuraat hebben voorspeld. Zoals de Eerste en de Tweede Wereldoorlog én de tijd waarin we nu leven. Dat zijn adelbrieven waar geen enkele andere godsdienst over kan beschikken. Maar zoals ik al zei, de bollenkraam moet blijven draaien.’

Verwijst u naar een herinterpretatie van de Bijbel? 

‘De Apocalyps van Johannes begint met zeven brieven aan zeven kerken. Quasi de helft ervan kreeg een zeer negatieve beoordeling. Toen Hermas* als profeet begon op te treden was de malaise inmiddels algemeen. De gehele christelijke wereld werd door hem voor de keuze gesteld. Dit was het scharniermoment waarop alle christelijke gemeentes (kerken) zich moesten bekeren of het zou zijn afgelopen.’

De belijdenis is bedoeld om het arianisme te bestrijden en de ‘Heilige Drievuldigheid’ te poneren

‘Het werd helaas dat laatste. Van dan af aan hield het christendom van de apostelen definitief op te bestaan en was het pad geëffend voor Johannes’ profetie over de komst van de ‘hoer van Babylon’ die het christendom zou overnemen met een valse leer. Die leer is de Geloofsbelijdenis van Athanasius (in het Latijn: Symbolum Athanasianum of Quicumque vult): een uiteenzetting van de christelijke leer die traditioneel wordt toegeschreven aan Athanasius (295-373), aartsbisschop van Alexandrië. De belijdenis is bedoeld om het arianisme te bestrijden en de ‘Heilige Drievuldigheid’ te poneren, zoals ook Athanasius dat deed.’

Waarom zijn ‘geloof en ongeloof niet elkaars tegenstanders’?

‘Niet in absolute zin zijn zij elkaars tegenstanders, alleen op het vlak van de heilswaarheden zijn ze dat wel! Ik benader religieus zwaarbeladen woorden als hemel en hel, geloof, ongeloof, haat, liefde enzovoort als neutrale begrippen. Ze vertellen maar pas iets over zichzelf in relatie tot al het andere. Om dit aan te tonen maak ik gebruik van de gematria die deze begrippen reduceert tot getalswaarden. Op deze wijze schakel ik de misleidende kracht van persoonlijk sentiment (zoveel mogelijk) uit om sneller te komen tot wat zuiver messianisme behoort te zijn, en die is vanuit het Hebreeuws, goddelijk in oorsprong.’

U schrijft: ‘Eén ding is dus zeker: vrede komt er niet.’ Waarom bent u daar zo zeker van? 

‘Geopolitieke kwesties verdelen volkeren vaak gedurende verschillende decennia of zelfs eeuwen. Met vreselijke oorlogen tot gevolg. Theologie houdt volkeren verdeeld gedurende duizenden jaren!’

De grootste leugen van alle theologische leugens is de leugen van de drie-eenheid

‘De machtigste leugen is altijd theologisch van aard. De grootste leugen van alle theologische leugens is de leugen van de drie-eenheid. Als de grootste theologische leugen ophoudt te bestaan dan wordt het slechts een kwestie van tijd en vervolgens storten de tweede en derde grootste theologische leugens in omdat ze hun ‘permanent bestaansrecht’ vaak indirect ontlenen aan de grootste leugen aller tijden.’

Waarom zouden we moeten ‘afstappen van het vastgeroest idee dat de heilige Schrift van vervalsingen is gevrijwaard gebleven’?

‘Kort en bondig: omdat God niet kan verhinderen wanneer zijn Schriftwoord wordt vervalst. In plaats daarvan volgt Hij een geheel andere strategie. Hij verdeelt Zijn raadsbesluiten verspreid over de tijd en over diverse profeten zodat niemand voortijdig de gehele puzzel kan leggen. Daarnaast bouwt Hij codes in die het werkelijke verhaal vertellen dwars door alle aangebrachte vervalsingen heen.’

een ideologische strijd die zich afspeelt op het vlak van informatie en wederzijdse spionage

‘De strijd tussen goed en kwaad is zoals met alle langdurige conflicten, in de eerste plaats een ideologische strijd die zich afspeelt op het vlak van informatie en wederzijdse spionage.’

Inhoudelijk deed uw boek me meer dan eens denken aan dat machtige boek van Jean Raspail, L’Anneau du Pêcheur. Is dat bedoeld? 

‘Bedankt alvast voor het compliment. Helaas ben ik eerder een leek op vlak van Franse literatuur. Hopelijk komt daar (mits vertaling) ooit nog eens verandering in.’

* De herder van Hermas is een verzameling christelijke geschriften uit de eerste helft van de tweede eeuw na Christus. Het boek is niet in de Bijbel opgenomen, maar wordt tot de Apostolische Vaders gerekend.

Het boek is te koop bij Doorbraak boeken. Ga naar:  Het complot van de kerken.

Psychologische flexibiliteit in het onderwijs

Psychologische flexibiliteit in het onderwijs

Acceptatie- en commitmenttraining

Leerkrachten die met hart en ziel voor de klas staan en doen wat werkt, hebben een grote impact op kinderen en op de wereld. Juist nu is het tijd om te investeren in de leerkracht. Niet alleen in didactiek en methoden, maar vooral ook in de mens achter de leerkracht.

Psychologische flexibiliteit in het onderwijs is een gedegen en praktisch boek voor het primair onderwijs. Het helpt je om te onderzoeken of je je energie inzet op een manier die het effect heeft wat je beoogt. Het boek is voor elke leerkracht te gebruiken om kinderen op een wetenschappelijk onderbouwde manier te kunnen begeleiden, maar ook om de eigen psychologische flexibiliteit te vergroten. Alles onder controle willen hebben, altijd sterk zijn en anderen niet lastig willen vallen werkt op de lange termijn niet. Bij psychologische flexibiliteit richt je je op:

  • Doe wat werkt en waardevol is,
  • kies vanuit innerlijke kracht voor kwetsbaarheid
  • en doe het samen en in verbinding met elkaar.  

Dit boek is gebaseerd op de nieuwste en baanbrekende inzichten vanuit gedragswetenschap en evolutiewetenschap en maakt de vertaalslag naar de mens achter de leerkracht en de dagelijkse onderwijspraktijk in vorm van acceptatie- en commitmenttraining.

Het boek bestaat uit vier delen, we gaan achtereenvolgens in op:

  • algemene kennis over de mens en menselijk gedrag,
  • psychologische flexibiliteit van de leerkracht,
  • psychologische flexibiliteit van de kinderen, en 
  • systemische flexibiliteit in de context van de school.
De tirannie van de schuld

De tirannie van de schuld

‘De tirannie van de schuld’, schrijft onze medewerker Wim Van Rooy in zijn recensie, ‘doordesemt vandaag heel ons bestaan via het cultuurmarxisme en zijn permanent geëmmer over ons taalgebruik, het debunken van onze zeden en gewoonten en zijn drammerig gekoketteer met het dekoloniseren van de openbare ruimte!’
In ‘Westerse schuld. Mythe of realiteit?’ (met een voorwoord van Ayaan Hirsi Ali) behandelen verschillende auteurs (red. Raisa Blommestijn, Paul Cliteur, Bart Collard, Perry Pierik) de vraag of het westen dan inderdaad zo schuldig is als de mantra’s van de wokista’s.

Is het Westen niet rijk geworden dankzij onderdrukking en slavernij? Draagt het Westen geen schuld waarvoor zij boete moet doen? Wat is de staat van ‘het Westen’, van de VS, Europa en Australië?
In deze bundel worden enkele facetten van deze hedendaagse vragen behandeld door auteurs die op hun manier ‘wakker’ denken te zijn, maar niet ‘woke’.

Waarden

De zes kardinale waarden die de basis vormen van het Westen en die men nooit tegelijk in andere beschavingen terugvindt zijn: de constitutionele staat, democratie, intellectuele vrijheid, kritisch gebruik van de rede, wetenschap en vrijemarkteconomie gebaseerd op privé-eigendom. Deze ideeën kwamen naar voren in vijf historische perioden: de Griekse uitvinding van de stad, de Romeinse vastlegging van het recht, de ethische revolutie van de bijbel en de uitvinding van de geschiedenis (eschatologie), de pauselijke revolutie die een verbinding construeerde tussen de christelijke erfenis en de antieken, en de grote revoluties en het idee van de democratische rechtsstaat.

Cliteur bespreekt een voor een deze periodes en levert interessante kritiek. We zijn echter moreel verlamd geraakt door de ‘default setting’ van zovele westerse intellectuelen, met hun perverse nadruk op racisme en kolonialisme, maatschappelijke facetten die men overal elders natuurlijk ook terugvindt…

Met o.a. bijdragen van historicus Piet Emmer, specialist inzake het slavernijverleden, Perry Pierik over de negatieve obsessie van de Europese elites met de natiestaat en met de catechismus van de diversiteit, ex-journalist van NRC Hans Moll over het narratief van de Nederlandse koloniale schuld, moraalfilosoof Floris van den Berg over enkele morele blinde vlekken in het woke-debat, juriste Raisa Blommestein die de cultuurzwakte aantoont die zich van het Westen meester heeft gemaakt, en milieuwetenschapper Willem Vermaat over het vals narratief dat de mantra van ‘westerse schuld’ en ‘westers schuldgevoel’ wel is, passend in het grotere verhaal van het anti-kapitalisme..

De recensie van Wim Van Rooy lees je hier

Vier dagen werken en voltijds betaald krijgen, kan dat?

Regering legt plan op tafel

Hetzelfde verdienen, maar dan op vier in plaats van vijf dagen in de week. Nee, het is geen grap, maar een voorstel dat echt op de tafel ligt van de federale regering. Een plan om werknemers flexibeler de 38 uur te laten presteren die ze nu op vijf werkdagen kloppen. Maar dan 9,5 uur per dag en een extra dag vrij in de week.

De arbeidsmarkt. Het is een van de werven van het herstart- en relanceplan waar premier Alexander De Croo volgende week mee wil uitpakken. Een pakket met een 30-tal voorstellen die de verschillende partijen rond de tafel hebben gelanceerd. Hoeveel er na de discussie van afgelopen zondag nog van overschieten, is niet helemaal duidelijk. Maar het plan van de Vlaamse liberalen om de 38-urige werkweek flexibeler in te vullen, lijkt een blijvertje te worden.

Waar gaat het over? Meer dan 9 uur per dag werken, mag momenteel niet. 38 uur op vier dagen presteren dus ook niet. Terwijl het voor sommigen toch een goede zaak zou kunnen zijn om dat wel mogelijk te maken. Wie vier dagen lang 9,5 uur werkt, zou dan een dag vrijaf hebben tijdens de week. Voor hetzelfde loon, aangezien je ook evenveel uur per week werkt.

Gescheiden ouders

De bedoeling is niet om het systeem verplicht te maken. Zowel werkgever als de werknemer moet het er onderling over eens zijn. Voor sommige werknemers zal het goed uitkomen, voor anderen moeilijk te organiseren zijn. Idem voor ondernemingen. In kmo’s zal het niet makkelijk zijn om dit georganiseerd te krijgen, in grote bedrijven dan weer wel. Niet alle functies zijn er ook even geschikt voor. Voor wie bijvoorbeeld tussen 8 en 17 uur aan een loket klanten bedient, is het niet zo evident om voor of na die uren nog langer aanwezig te zijn.

“Dit is op basis van vrijwilligheid. Wie wil, krijgt zo meer vrijheid om hetzelfde werk op een andere manier in te delen. Om bijvoorbeeld voor gescheiden ouders de ene week – waarin je de kinderen hebt – wat minder te werken en de andere week wat meer. Zelfde aantal uren, zelfde loon, maar meer vrijheid om de werktijd in te vullen, waardoor de loopbaan ook langer leefbaar en duurzaam wordt”, valt bij de liberalen te horen.

Tegen internationale conventies

Ook de groenen zijn voor, liet voorzitster Meyrem Almaci al duidelijk verstaan. Zolang de werknemers hun uren zelf kunnen invullen toch. “Als het vrijwillig is en het werknemers toelaat hun werktijd flexibel in te vullen, zijn wij voor. Dit kan voor sommigen helpen om de combinatie van werken en privé te verbeteren en ook het werk thuis flexibeler te organiseren”, zegt de Groen-voorzitster. Zij wil wel dat de sociale partner hier een kader over uitwerken.

De vakbonden zijn hier alvast het minst voor te vinden. Het ABVV ziet het niet zitten, gezien de socialistische syndicalisten eigenlijk voor een kortere werkweek zijn. Bij ACV is de boodschap genuanceerder. “Een arbeidsweek presteren op vier dagen, kan interessant zijn. Zeker voor mensen die in een regeling zitten van 35 of 36 uren. Maar voor wie in een 38-urenweek actief is, lijkt een samenpersing van de arbeidstijd op structurele basis toch niet wenselijk. 9,5 uren per dag werken, met daarnaast nog de verplaatsing, dat zal weinig bijdragen tot een verbetering van het welzijn. Zeker in zwaar belastende beroepen waar mensen nu al uitgeput zijn. Er is nu al veel stress en er zijn al veel burn-outs, en we zitten met 500.000 langdurig zieken. Bovendien komt zo een regeling waarschijnlijk ook in conflict met de internationale conventies rond arbeidsduur”, valt bij de christelijke vakbond te horen.

Recht op deconnectie

Dat de vakbond niet staat te springen voor het voorstel, verklaart ook waarom de Franstalige socialisten het minst happig zijn om groen licht te geven. Maar ook PS-vicepremier en minister van Werk Pierre-Yves Dermagne schiet het zeker niet af. “Wanneer de regering de maatregel neemt, zal sowieso aan de sociale partners worden gevraagd om een kader uit te werken voor de werkweek van vier dagen. Het wordt dus niet eenzijdig ingevoerd”, klinkt het op zijn kabinet. De PS stelt wel twee voorwaarden: “Ten eerste moet dit voorstel worden gekoppeld aan een recht op deconnectie voor de werknemer. En ten tweede moeten de sociale partners ook een kader uittekenen voor de registratie van arbeidstijd. Daarover velde het Europese Hof van Justitie recent een arrest.”

De kans dat het voorstel het haalt, is dus vrij groot. Ook alle andere partijen van Vivaldi zien er wel brood in. En het maakt ook deel uit van een breder pakket met verschillende voorstellen, waardoor gegeven en genomen kan worden.

Puzzelstukje

Arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) noemt het een kleine stap richting meer flexibiliteit van de arbeidsmarkt. “Het is niet wereldschokkend, maar onze arbeidsmarkt is nu zo rigide dat elke stap zowel voor de werkgever als de werknemer positief is. Het kan een puzzelstukje zijn in een groter geheel, maar ik heb het gevoel dat dit het hoogst haalbare is.”

Maar ook Baert wijst erop dat het voor de twee kanten wel iets positiefs kan opleveren. Voor sommige werknemers die nu soms al negen of meer uren per dag werken. En voor sommige werkgevers die nu dure overuren moeten betalen en hun mensen recuperatie dienen te geven.

De werkgevers zelf willen wel spreken over het voorstel. “Van een collectieve arbeidsduurvermindering met behoud van loon kan absoluut geen sprake zijn. Maar we zijn niet tegen meer flexibiliteit in de arbeidsorganisatie, maar dan graag zowel voor werknemer als werkgever én in onderling overleg”, zegt Benoit Monteyne, woordvoerder van het VBO. Het Verbond van Belgische Ondernemingen wil het debat wel opentrekken en het ook over andere thema’s hebben, zoals thuiswerk, arbeidsorganisatie en de invulling van de werktijd.

Bron: Het Nieuwsblad