‘Meer vrijwilligerschap in de samenleving moet een prioriteit van de volgende regeringen zijn’

‘Meer vrijwilligerschap in de samenleving moet een prioriteit van de volgende regeringen zijn’

Philippe Vandekerckhove, de CEO van Rode Kruis-Vlaanderen die deze maand een ereteken van de Vlaamse regering kreeg, ziet drie belangrijke werven om het vrijwilligerschap in onze samenleving verder te versterken.

Na de eerste medailles voor België op de Olympische Spelen is er één discipline waar ons land zeker nog goud kan binnenhalen: vrijwilligerschap.

Ons land scoort al hoog in termen van vrijwilligerswerk: België staat op de derde plaats wereldwijd, na Luxemburg en Nederland. Een bronzen medaille dus. Wat wij doorgaans vanzelfsprekend vinden om als vrijwilliger te doen, zoals leiding geven in de jeugdbeweging op zondag of bloed geven tijdens de collecte in het cultureel centrum, is dat allerminst in veel andere landen. De samenleving betaalt in die landen een prijs voor de onderinvestering in het vrijwilligerschap. Maar het kan nog beter: Rode Kruis-Vlaanderen pleit daarom voor meer vrijwilligerschap in de samenleving. Wij gaan voor goud.

Investeren in de samenleving

De ondersteuning van vrijwilligersorganisaties wordt typisch als een kostenpost beschouwd, maar eigenlijk is het een investering in de samenleving. Vrijwilligers steken niet alleen belangeloos en onbetaald de handen uit de mouwen, maar dragen ook substantieel bij aan het welzijn van hun medemens en de draagkracht van publieke diensten. Onderzoek van het Third Pillar Research Centre van Rode Kruis-Vlaanderen (zie kader punt 1) bracht bijvoorbeeld aan het licht dat landen met een hoger niveau van vrijwilligerswerk minder geconfronteerd worden met polarisatie en dat er minder mensen zijn overleden aan covid-19 (zie kader punt 2).

Tijdens de covid-19-pandemie werd het ‘terugverdieneffect’ van vrijwilligerswerk nog op een andere manier duidelijk. Gemeentelijke overheden kregen een budget toegewezen om de vaccinatiecentra op te zetten en te beheren. Dankzij de massale inzet van vrijwilligers bleven veel van die budgetten – voor Vlaanderen zo’n 75 miljoen euro – grotendeels onbenut, wat resulteerde in aanzienlijke besparingen voor de overheden.

Maar denk ook aan de onbaatzuchtige inzet van vrijwilligers die elk jaar opnieuw gratis EHBO-lessen geven aan zo’n 50.000 mensen. Of aan de vrijwilligers die plasma of bloed doneren en zo jaarlijks bijna 100.000 patiënten helpen. Vrijwilligers vervullen dus niet alleen maatschappelijke noden, ze doen dat ook op een kostenefficiënte manier. Een goed georganiseerd vrijwilligersveld is dus een investering, en geen kostenpost.

Structureel, toegankelijk en oprecht vrijwilligerschap

Om vrijwilligerschap in onze samenleving verder te versterken zien we drie belangrijke werven.

Ten eerste, het correcte gebruik van de term ‘vrijwilliger’. De sluipende commercialisering van vrijwillige activiteiten naar onbelast bijklussen (bijvoorbeeld 24 euro per uur als ‘vrijwillige’ brandweer) erodeert de sociale status van echte vrijwilligers. Het behoud van oprecht vrijwilligerschap is cruciaal voor het weefsel in onze samenleving.

Ten tweede, één toegankelijk platform voor zowel hulpvragers als kandidaat-vrijwilligers. In crisistijd is er geen tijd te verliezen om snel een match te vinden, wat momenteel onmogelijk is door het lappendeken aan beschikbare platformen.

Ten derde, een vermindering van de administratieve lasten, zodat de tijd die nodig is voor aanvragen en rapporteringen kan gaan naar het aantrekken en behouden van vrijwilligers.

Vrijwilligers zijn dus de ruggengraat van een gezonde samenleving. En niet alleen omdat ze zich onbetaald inzetten. Hun aanwezigheid en actie redt levens en versterkt de sociale cohesie, op een efficiënte manier, die niet door personeel kan worden geëvenaard, noch overgenomen. Het is daarom essentieel dat de volgende regeringen het vrijwilligerschap zien als een investering en niet als een kostenpost. Hoewel een bronzen medaille niet slecht is, kunnen we beter: laat ons mikken op goud!

Bron: Trends

Interpretatie van Marx door Kohei Saito leidt tot wensdenken

Interpretatie van Marx door Kohei Saito leidt tot wensdenken

Kohei Saito is een Japanse filosoof die in Duitsland studeerde en promoveerde op Marx aan de Humbolt-Universiteit in Berlijn. Hij schreef Systeembreuk, een nieuwe visie op kapitaal, natuur en maatschappij als antwoord op de klimaatcrisis. Wil Heeffer schreef deze recensie over Saito’s boek ‘Systeembreuk’ die hij confronteert met zijn eigen analyse van het marxisme in zijn eigen boek

Naast een recensie van het boek, wil ik zijn boek contrasteren met mijn onlangs uitgekomen boek: Bekommernis, zorg voor de instandhouding van het leven vanuit bevrijdingsfilosofisch manifest. Ik doe dat omdat veelal het kapitalisme als de oorzaak van de huidige crisis wordt gezien.

Maar het kapitalisme is een menselijk product en is, zoals ik het uitwerk, een manifestatie van een dominant uitgedragen westerse beschavingsopvatting. Die dient te veranderen wil men realiseren waarvoor Saito een pleidooi houdt: een degrowth-communisme.

Marxistische beroemdheid

Kohei Saito schreef in 2020 een boek over het kapitalisme dat als de Hydra van Lerna, het Griekse mythologische monster met negen slangenkoppen, op een gezwelachtige manier is uitgegroeid: iedere keer dat men de Hydra de kop afhakt, groeit die dubbel weer aan.

Anders gezegd: symptoombestrijding laat de oorzaak voortbestaan en verergert zelfs de stinkende wonden van een zachte heelmeester. Het kapitalisme is niets anders dan een woekergroei, een groei die nooit stopt.

Saito geeft een geheel nieuwe lezing van Marx’ analyse over die woekergroei waarbij hij Marx wil plaatsen als een ecosocialist avant la lettre: de laatste jaren van Marx zouden, aldus Saito, gekenmerkt zijn door een omslag in diens denken omdat de nadruk kwam te liggen op degrowth (merkwaardig, het gebruik van deze Engelse term in relatie tot een werk van Marx dat volledig Duitstalig is) en de vorming van commons (bij dit begrip overigens geen verwijzing naar iemand als Guy Standing die daar uitvoerig over schreef).

Het boek van Saito kreeg een enorme respons en werd in vele talen vertaald. In dewereldmorgen.be verscheen reeds een uitgebreide recensie op het boek, waarbij Ludo de Witte terechte kanttekeningen plaatste bij de Marx interpretatie van Saito.

In 2022, twee jaar na de Japanse uitgave, verscheen de Nederlandse vertaling met een eigen voorwoord. Inmiddels is het boek toe aan een derde druk. Het boek van Saito past in de reeks kritische boeken die zijn geschreven over het Antropoceen, over degrowth en over extinctie.

Zoals in veel van die boeken wordt de schuld van alle ellende die op ons afkomt bij het kapitalisme gelegd. Dat gebeurt ook in dit boek. Van dat kapitalisme, wordt dan gezegd, zijn met name de ontwikkelingslanden – de landen in the global south – de dupe.

Zij zitten vast in schuldenproblematiek en afhankelijkheidsrelaties, in een opdeling van de wereld in het centrum en de periferie. Een opdeling die voortkwam uit de wereldsysteemtheorie van Immanuel  Wallerstein.

Maar in plaats van te luisteren naar academici uit the global south – mensen die de dupe zijn van dat denken – wordt over hen door mensen uit het centrum gesproken.

Het is de westerse visie die richtinggevend is voor het reilen en zeilen in de wereld. Het is een westers perspectief op beschaving en vooruitgang dat moet worden gevolgd, wil men de ondergang van de mensheid voorkomen, zo wordt gezegd.

Doch die arrogantie van westerse academici staat aandacht voor denkers uit the global south in de weg. Dat is het punt dat ik in mijn boek Bekommernis maak.

Ofschoon in het boek van Saito verwezen wordt naar buen vivir, naar la via campesina en naar de Zapatisten, is er met uitzondering van de Boliviaanse politicus Álvaro García Linera geen aandacht voor of verwijzing naar Latijns-Amerikaanse intellectuelen.

Zij zijn het echter die de westerse – eurocentrische – vooronderstellingen onder kritiek plaatsen en de relatie centrum/periferie op zijn kop hebben gezet.

Zoals ik het in mijn boek uitwerk staat niet een rem op het kapitalisme centraal, maar dient de dominant geworden westerse beschavingsopvatting fundamenteel te worden herzien.

Het gaat om gedrag. En dat gedrag houdt in dat al wat niet aan de westerse norm voldoet onbeschaafd en onontwikkeld is. Het kapitalisme is evenwel niet meer maar zeker ook niet minder dan de manifestatie van een civilisatieproces dat vanaf 1492 wereldwijd werd uitgedragen.

Oogkleppen

‘Doet u al iets tegen de opwarming van de aarde? Gebruikt u soms een ecotas om het plastic gebruik te beperken? Of hebt u uw auto al ingeruild voor een elektrische? Laat ik eerlijk zijn: zulke goede bedoelingen leiden nergens toe. Erger nog, ze kunnen zelfs schadelijk zijn.’

Zo valt Kohei Saito aan het begin van zijn boek met de deur in huis. En de noodzaak tot Systeembreuk is precies waar het hem – en zijn medestanders zoals Jason Hickel en Tim Jacksons – om gaat. Er moet een eind komen aan een op aanbod gestuurde economie.

Daarvoor dient in de plaats een circulaire economie te komen, willen we de vernietiging van het leven voorkomen. ‘Mensenlevens of de economie’ is het dilemma waar we volgens Saito voor staan.

Hij parafraseert onopgemerkt wat Enrique Dussel formuleerde als: je geld of je leven. Maar zoals zovele andere Latijns-Amerikaanse hervormingsdenkers lijkt hij deze filosoof niet te kennen.

Wat verandert dient te worden is, aldus Saito, een economische opvatting die gebaseerd is op groei. Op consumentisme. Want ook groene groei is groei, zoals Hickel dat uitwerkte.

Om in de taal van Karl Marx te spreken – de filosoof die in dit boek zo centraal staat – zijn heden ten dage de SDG’s (VN Sustainable Development Goals) het nieuwe ‘opium voor het volk’.

Niet langer valt te ontkennen dat de invloed van de mens als een katalysator werkt op klimatologische verandering. Wat vaststaat, aldus Saito is, dat ‘onze beschaving zich  geconfronteerd ziet met een existentiële crisis’.

The great reset

Om ons overleven veilig te stellen, zo lezen we, kunnen we de oplossing niet overlaten aan ‘een elite van politici en deskundigen’ Als we het aan hen overlaten dan zullen alleen de superrijken ervan profiteren.

We zullen zelf in actie dienen te komen omdat de vernietiging van ons leefmilieu ons allen treft. Via de aanpak van kapitalistische uitwassen komt hij terecht bij Marx als de filosoof die het ontstaan en de uitbouw van het kapitalisme grondig heeft bestudeerd.

Punt is echter – en misschien tegelijkertijd de kritiek op Saito’s boek – dat het kapitalisme in feite een ander woord is voor een marktdenken zoals dat is voortgekomen uit de mondiale kolonisatie en neo-kolonisatie.

Dat wil zeggen het kapitalisme als zodanig – de wereld van het grote geld en de nefaste uitwerking van het zich toe-eigenen daarvan – kent geen normen of waarden, noch een ethisch-ecologische ethiek.

Het kapitalisme is niet anders dan een manifestatie van een beschavingsopvatting die voortkomt uit het dominant worden van westerse zienswijzen en kennisontwikkeling nadat het kolonialisme vanaf 1492 wereldwijd de vleugels uitsloeg.

In mijn onlangs verschenen boek Bekommernis, over de instandhouding van het leven vanuit bevrijdingsfilosofisch perspectief heb ik dat uitgewerkt. Verandering van het systeem – een systeembreuk – vergt een mentaliteits- en gedragsomslag die met name na de opgang van het neoliberalisme in samenhang met de digitale revolutie de desastreuze destructie versnelt.

In zijn boek gaat Saito in op de vervlechting van kapitaal, maatschappij en natuur waarbij hij vertrekt van wat hij in navolging van de Duitse sociologen Ulrich Brand en Markus Wissen de imperiale levenswijze noemt.

Het begrip staat voor ons – op westerse leest geschoeid – consumentengedrag en onze mens- en natuuropvatting. Die levenswijze komt voort uit plundering van natuurlijke hulpbronnen in voormalig gekoloniseerde landen: the global south.

‘De verslechtering van de levensomstandigheden van de inwoners in het globale Zuiden is een noodzakelijke voorwaarde voor het kapitalisme, en de onderhorigheid van het Zuiden aan het Noorden is geen uitzondering maar de norm.’

Niets is moeilijker dan onthechten en afstand doen van een comfortabele (imperiale) levenswijze die migranten – naast de vlucht voor oorlog en klimaatverandering –  zo verleidt tot vertrek van huis en haard.

Het is ons comfortabele leven dat we als norm hebben uitgezaaid, waarin we bijvoorbeeld wegkijken van de vervuilende grondstofontginning die nodig is om onze iPhone te laten werken.

Zoals Saito het formuleert: we maken onszelf wijs dat rijke landen de milieuproblemen kunnen oplossen door technologische innovatie en economische groei waarbij we in het Westen wegkijken van wat het elders in de wereld aanricht.

De misopvatting in dit boek – die ik in mijn boek Bekommernis vanuit the global south aanvecht – klinkt op uit wat Saito formuleert als: ‘Het kapitaal heeft de aarde kaalgeplukt’. Maar het kapitaal plukt niks!

Het is de mens die plukt vanuit een opvatting die door het Westen is geformuleerd als: “We hebben het recht om te doen wat we doen omdat de aarde van ons is. (Zie daarover Enrique Dussel in El llamado de la naturaleza y la revolución del sentido común.)

Ook elders formuleert Saito het als: ‘Het kapitalisme gebruikt niet alleen de mens als instrument voor het kapitaalaccumulatie, maar beschouwt ook de natuur botweg als object om te plunderen. Het is een van de fundamentele stellingen van dit boek.’

Maar het is juist andersom. Het kapitalisme gebruikt niets, het is de mens die geld heeft gecreëerd en er een wereld vanuit winstaccumulatie op heeft uitgebouwd: na de adellijke beschavingsopvatting en de opvatting van de kerk, werd de burgerlijke beschavingsopvatting de norm waarop iedereen zich diende te richten.

Al het ander was onontwikkeld, primitief, barbaars of onbeschaafd. En nog altijd wil het Atlantische bondgenootschap normerend zijn over hoe men zich in het geglobaliseerde ‘dorp’ dient te gedragen.

Academische arrogantie

Zoals ik al aangaf, baseert Saiko zich voornamelijk op westers georiënteerde auteurs en wetenschappers. Niet anders dan wat we in onze academische wereld normaal zijn gaan vinden. Prestige wordt ontleend aan publicatie in gezaghebbende westerse tijdschriften.

Heel anders wordt dat gezien door Afrikaanse, Aziatische en Zuid-Amerikaanse wetenschappers. Zij spreken over een westerse arrogantie die voorbijgaat aan kennis die vanuit de andere culturen wordt aangereikt. Dat is ook een van de aspecten die ik benadruk in mijn boek, de kritiek op westerse navelstaarderij.

Al te vaak wordt voorbij gekeken – ook door Saito – over hoe Marx buiten het Westen werd gelezen. Zo is ook de voor Saito zo veel betekenende brief aan Vera Zasoelitsj al in 1990 uitvoerig door Dussel becommentarieerd.

Hij deed dat in El último Marx (1863-1882) y la liberación Latinoamericano, un comentario a la tercera y cuarta redacción de ‘el Capital’.

In tegenstelling tot wat we bij Saito lezen, schreef Marx niet één editie van Das Kapital maar bleef hij eraan schrijven waarbij de vierde editie onvoltooid bleef. Dussel haalt in zijn boek de eerste editie van die brief aan Zalsoelitsj aan in een hoofdstuk waarin het gaat over de late Marx en Latijns-Amerika.

Marx schreef: In discussing the genesis of capitalist production, I said [that the secret is that there is at bottom ‘a complete separation of … the producer from the means of production’ (p. 315, column l, French edition of Capital) and that ‘the expropriation of the agricultural producer is the basis of the whole process. Only in England has it been so far accomplished in a radical manner. … But all the other countries of Western Europe are following the same course’.

Dussel onderstreept daarin: de exploitatie van de campesinos (de landbewerkers, de dagloners in Latijns-Amerika). (https://www.marxists.org/archive/marx/works/1881/zasulich/draft-1.htm)

Meestal wordt Marx vanuit een economische invalshoek gelezen en wordt voorbij gekeken aan het ethische fundament waarop zijn analyse is uitgebouwd. Ofschoon ook Sartre al de link legde naar het humanisme in Marx, is het de verdienste van Saito dat hij Marx ‘actualiseert’.

Hij werkt uit dat Marx welzeker bekend was met wetenschappers die in zijn tijd grondleggend en revolutionair werk schreven zoals William Stanley Javons (de Paradox van Javons), Justus von Liebig, Karl Fraas en Thomas Robert Malthus (Zie bijvoorbeeld https://www.rosalux.de/fileadmin/rls_uploads/pdfs/159_weiss.pdf )

Ook Charles Darwin mag niet onvermeld blijven, (https://www.bbvaopenmind.com/en/science/leading-figures/two-clashing-giants-marxism-and-darwinism/) maar ook daarover schrijft Saito niets.

Ook lezen we niets over de afschaffing van de slavernij die tijdens het leven van Marx op gang kwam, noch iets over de manier waarop Marx over zwarte slavernij dacht. (Zie bijvoorbeeld: https://www.historicalmaterialism.org/article/did-marx-defend-black-slavery/)

Ook Saito gaat voorbij aan het ethische fundament van Marx en legt alle nadruk op zijn ecologisch engagement. Door expliciet de nadruk op dat ecologische en communale te leggen – het degrowthcommunisme – ontstaat er een  hineininterpretieren.

Saito legt begrippen als degrowth-communisme, greenwashing en ecosocialisme in de mond van Marx. Ofschoon hij het heeft over de niet-westerse belangstelling van Marx, perkt hij dat in tot levensvormen in Germaanse culturen en tot de agrarische gemeenschappen in Rusland: de Mir.

Te pretentieus

Het is goed dat de lezing van Marx leidt tot overdenkingen naar omgroei, zoals Ludo de Witte dat noemt. Maar dit is wat anders.

In mijn lezing schreef Saito een boek dat wellicht ogen opent voor een andere lezing van Marx maar waarbij hij blijft hangen in een systeem-denken waarin niet het kapitalisme maar een beschavingsopvatting tot een mentale omslag zal moeten leiden. Een mentale omslag in het denken die nodig is om de mensheid van ondergang te redden.

Zoals hij het in welhaast een tussenzin in zijn inleiding schrijft: ‘Wat vaststaat is dat onze beschaving zich geconfronteerd  ziet met een existentiële crisis.’ Maar vervolgens raakt dat begrip beschaving ondergesneeuwd.

Kohei Saito, Systeembreuk, Een nieuwe visie op kapitaal, natuur en maatschappij als antwoord op de klimaatcrisis, Arbeiderspers, 2023.

Wil Heeffer, Bekommernis, zorg voor de instandhouding van leven vanuit een bevrijdingsfilosofisch perspectief, Boekscout, 2024.

Bron: DeWereldMorgen.be

Brits onderzoek: jongeren halen twee derde van hun calorieën uit ultrabewerkt voedsel

Britse jongeren halen nu al twee derde van hun dagelijkse calorie-inname uit ultrabewerkte producten. Dat baart wetenschappers zorgen, want zo’n dieet is een pak minder gezond dan verse ingrediënten.

Ultrabewerkte voeding is gemaakt in industriële processen en bevat vaak conserveermiddelen, zoetstoffen, kleur-, smaak- en emulgatoren. En hoewel er grote verschillen zijn tussen producten, is de voedingskwaliteit vaak minder.

In veel gevallen bevatten ze hogere niveaus van toegevoegde suikers, verzadigd vet en natrium, en minder vezels, eiwitten en micronutriënten. Daardoor zijn ze bij de belangrijkste verdachten van de toename van ziekten zoals obesitas, diabetes type 2 en kanker.

Twee derde

Om te weten hoe populair ultrabewerkte voeding bij jongeren is, onderzochten de universiteiten van Cambridge en Bristol voedingsdagboeken van bijna drieduizend adolescenten tussen 2008 en 2018.

Daaruit blijkt dat gemiddeld 66 procent van de dagelijkse energie-inname van adolescenten nu afkomstig is uit ultrabewerkte voeding. Ook blijkt dat het beroep van de ouders, de etnische groep en de regio een invloed hebben op het aandeel.

Adolescenten uit kansarme milieus kozen bijvoorbeeld vaker voor ultrabewerkte voeding, terwijl jongeren met een niet-witte etniciteit net minder vaak ultrabewerkte voeding aten.

Makkelijk en goedkoop

“Ultrabewerkte voedingsmiddelen bieden gemakkelijke en vaak goedkopere oplossingen voor gezinnen met weinig tijd of inkomen”, zegt Esther van Sluijs, onderzoeker aan de Universiteit van Cambridge. “Maar helaas bieden veel van deze voedingsmiddelen ook een slechte voedingswaarde. Dat kan bijdragen aan de ongelijkheden die we in de kindertijd en adolescentie zien ontstaan op het vlak van gezondheid.”

Omdat de voedselkeuzes ook beïnvloed worden door marketing en het beleid, pleiten de onderzoekers voor strengere regels.

“De voedingspatronen en -praktijken van adolescenten worden beïnvloed door vele factoren, waaronder hun thuisomgeving, marketing en de invloed van hun vrienden en leeftijdsgenoten”, zegt Yanaina Chavez-Ugalde van de Universiteit van Cambridge. “Maar het is ook een belangrijke periode in ons leven waarin gedrag ingebakken begint te raken.”

Bron: DeWereldMorgen.be

Zijn we wat we eten of zijn we wat de industrie ons te eten opdringt?

Zijn we wat we eten of zijn we wat de industrie ons te eten opdringt?

In amper 135 pagina’s slaagt journalist en auteur Teun van de Keuken er in een volledig overzicht te geven van wat mis is met de voedingsindustrie. ‘De Mens is een plofkip – Hoe de voedingsindustrie ons ziek maakt’, lees het helemaal en stel daarna je boodschappenlijst samen. Niet eenvoudig maar het kan.

Teun van de Keuken (°1971) is in Nederland bekend als journalist, maker van tv- en radioprogramma’s als Keuringsdienst van Waarde, Spraakmakers, De slag om Brussel (over de EU, niet over mijn stad, de échte stad waar de meeste Eurocraten geen flauw benul van hebben), De Monitor en meerdere radioprogramma. Sinds september 2022 presenteert hij de podcast Etenstijd.

Ik kende hem niet, niet omdat ik niet naar de Nederlandse tv kijk, maar omdat ik al jaren helemaal geen klassieke ‘tv’ meer kijk. Teveel bagger, teveel vooringenomen ‘duiding’, teveel ‘wat zijn wij in het westen toch goed en wat zijn al die anderen slecht’ en als summum van ergernis die vreselijke onderbrekingen voor hersendode reclame voor ongezonde ‘voeding’.

Teun van de Keuken (het is zijn echte naam) schreef eerder Dit is geen dieetboek (2022) en De supermarktsurvivalgids (2018). De mens is een plofkip – Hoe de voedingsindustrie ons ziek maakt verscheen in april 2024. Ik kreeg ongevraagd een recensie-exemplaar in de bus, waardoor het op mijn steeds hogere hoop ‘ooit wel eens te lezen maar nu even niet’ terechtkwam.

Dat was een vergissing. Dit had ik onmiddellijk moeten lezen. Zomertijd – of wat daar tegenwoordig moet voor doorgaan – brengt leestijd. Het moet gezegd: deze auteur weet waar het over gaat en kan dat in aangenaam geschreven zinnen met een sarcastische ondertoon verwoorden.

“De droge opsomming van feiten en onderzoeken die ik aanvankelijk had geschreven, zou niemand overtuigen hoezeer we worden gemanipuleerd door de voedingsindustrie… Ik wil dat jij na het lezen van dit boek… begrijpt hoe de voedingsindustrie onze diepste verlangens kent en die kennis vernuftig misbruikt om ons als plofkippen vol te proppen met voer waar we ziek van worden.”

En of hij daar in slaagt. Hij heeft het over ‘voer’, niet over ‘voeding’. Op de landbouwschool leerde ik het anders: voedsel is wat wij mensen eten, voer is wat we dieren te eten geven (om ze daarna als voedsel zelf op te eten).

Deze waanzin is niet het gevolg van malafide voedselproducenten, dit is al evenmin een kwestie van betere voedselproducenten vinden, dit is een systeem, dat zelf maar één ‘voedsel’ lust: winst, winst, winst, groei, groei, groei. Het wordt dus dringend tijd “eens kritisch naar het systeem te kijken”.

Opkomst van het gemak

De evolutie van elke dag thuis op het fornuis koken met verse gekochte en dikwijls zelf gekweekte groenten naar de hypermodern ingerichte keuken vandaag waar niet meer gekookt wordt, het is ergens in de jaren zestig begonnen “toen vrouwen meer en meer aan het arbeidsproces gingen deelnemen”.

Riskant standpunt, maar de auteur bekijkt het kritisch, want in de praktijk betekende het dat de werkende vrouw (alsof ze daarvoor niet ‘werkend’ was) bovenop de baan ook nog volop het huishouden erbij moest nemen. Een betere omschrijving zou zijn “toen mannen pertinent bleven weigeren hun deel van het huishouden te doen”.

Ik herken heel wat in zijn historische terugblik, mijn herinneringen gaan nog 17 jaar verder terug dan de auteur. Mijn vader deed letterlijk niets in huis en verzette zich jarenlang tegen de volgens hem veel te dure aankoop van een koelkast – we hadden een houten kast in de kelder met een soort vliegennet ervoor, dat was toch goed genoeg?

Idem dito met een wasmachine. Ze kwamen er uiteindelijk wel, onder meer omdat de collega’s op het werk elkaar begonnen te overtroeven met gepoch over het duurste merk dat ze zich konden permitteren. Een vaatwasmachine heb ik thuis nooit gezien, net zomin als ik mijn vader ooit in de nabijheid van een vaatdoek heb geweten, een voorbeeld dat ik gelukkig niet heb overgenomen.

De voedingsindustrie had voor al dat vrouwenwerk een oplossing. Niet de man moest aan het huishoudelijk werk, dat werk moest immers voor de vrouw blijven maar wel ‘gemakkelijker’ worden.

Ook de eetgewoontes moesten anders. Meer kant en klaar eten op tafel. Met uitzondering van de pindakaas zag het ontbijt er in Nederland en België voortaan identiek uit: cornflakes, choco, hagelslag, kaas, oftewel suiker, zout en vet in allerlei vormen.

Gezonde snacks

Nog een gebruik dat nooit voorheen bestond en nu vanzelfsprekend is: de snacks tussendoor. Die zijn een ‘gezond’ en ‘verantwoord tussendoortje’. Het resultaat is er naar. “In de jaren tachtig van de vorige eeuw had zo’n kwart van de Nederlanders overgewicht. Tegenwoordig, veertig jaar later, is dat meer dan de helft. 15% heeft ernstig overgewicht”. Het zal in België niet veel beter zijn. Volgens recente studies heeft in 2023 ongeveer 20% van de Vlamingen ernstig overgewicht.

Maar, hoezo, ongezond eten? We leven toch altijd maar langer? Klopt dat dan wel van dat ‘ongezond’ eten? Wel, we leven inderdaad langer, dankzij onze symptoombestrijdende geneeskunde, die overigens niets voorkomt, maar wel alles geneest – achteraf. Concreet: we leven langer ziek. Miljoenen mensen slikken pillen voor hun cholesterol en/of voor hun bloeddruk “terwijl ze ook het risico zouden kunnen verlagen door gewoon gezonder te eten”.

Teun van de Keuken wijst terecht op het aanleren van een gezonde eetcultuur op jonge leeftijd als bepalende factor voor de rest van het leven. Immers, niets zo moeilijk te kraken als aangeleerde gewoontes en smaken.

Ons eten is niet alleen te vet, het is te zoet én tegelijk te zout, het doet ons tevens meer eten dan we nodig hebben. Meer en meer gaan we voor de snelle hap, die de honger niet stilt. Elke diëtist zegt het: snel eten, zelfs gezond voedsel snel eten is niet gezond. Maar ongezond eten stimuleert net snel eten en omgekeerd. Bovendien heb je sneller terug honger, want je maag heeft nauwelijks werk gehad om die kant en klare prut te verteren.

De voedselindustrie produceert niet zomaar ‘voer’ dat we wel lusten, ze doet meer. Ze onderzoekt wat mensen aantrekt en past dat in bewerkt voedsel om ons er nog meer aan te verslaven. Want ons reptielenbrein denkt nog steeds: vet eten, veel calorieën, fijn, dan zijn we gewapend tegen barre tijden.

Alleen, die barre tijden bestaan niet meer. Slechts een paar generaties terug leden de meeste mensen nauwelijks een zittend bestaan. Die tijden moeten we niet romantiseren. Surf even door fotomateriaal over het leven in de armenwijken in de grote steden in de 19de, begin 20ste eeuw…

Ons brein heeft zich echter nog niet aangepast aan permanente en overvloedige beschikbaarbeid van eten. En dat is net wat de voedselindustrie zeer goed weet, daar hebben ze al hun onderzoek in gestoken.

We eten in feite ook meer en meer verpakt water met een smaakje. Kip, vis, vlees of wat daar voor moet doorgaan. Een goed voorbeeld is onze ham. Wat we nu als ham kopen en eten is in werkelijkheid een “waterzak met een laagje vlees eromheen”. Eenzelfde bedrog is vruchtensap (fruitsap in Vlaanderen). Echt fruit eten – dus niet drinken – is altijd beter.

Meer nog, puur vruchtensap is ongezond, het is teveel suiker ineens, zelfs als dat van ‘natuurlijk’ of ‘biologisch’ fruit komt. Gezond vruchtensap is wat je binnenkrijgt als je fruit eet, mét vezels. Net zo met frisdrank – de naam alleen al is een reclameslogan. ‘Suikerwater met een smaakje’ klonk niet zo goed volgens de reclameconsulenten.

Net zo met tomatensap. Het voornaamste bestanddeel van hedendaags tomatensap in de winkel is aardappelzetmeel. Met veel water wordt dat gemengd tot een blubber waar tomatensmaak en kleurstof aan wordt toegevoegd. Rijk aan vitamine C en D staat er op. Wat je koopt is aardappelpap met een tomatensmaakje, wel voor de prijs van tomaten.

Op rauwe wortels en rauwe appels zie je nooit staan ‘rijk aan vitamine C en D’. Wel op cornflakes en andere bucht. Geloven we dat echt? Er is een reden waarom in reclame altijd naar een of andere Italiaanse grootmoeder voor haar kookpotten wordt verwezen en waarom er echte tomaten op de foto staan: om ons brein te laten vergeten dat het product achter het etiket niets met die grootmoeder of met tomaten te maken heeft.

Niets zo eenvoudig ook als zelf appelmoes maken (of rabarbermoes, recht uit de tuin). Toch staan de rekken in de supermarkt vol. Je kan zowaar kiezen tussen met of zonder stukjes appel.

Smaken zijn aangeleerd, niet ‘natuurlijk’

Ik drink geen frisdrank, en al zeker nooit cola. Als het al eens gebeurt, valt het me op hoe walgelijk zoet en kleverig die ondingen smaken. Kinderen die het nooit te drinken krijgen denken er net zo over, kinderen die het met de spreekwoordelijke papfles ingelepeld krijgen lusten het wel. Waarom?

Ook dat is een menselijk probleem dat de voedingsindstrie als geen ander weet uit te buiten: gewenning, want smaak is geen vast objectief gegeven, je kan smaken aanleren (en terug afleren, maar dat vraagt tijd en geduld – net iets waar we in onze ratrace geen energie voor hebben).

Baby’s lusten helemaal geen zout. Dat moeten ze aanleren. Een van die aan te leren dingen zijn chips, dunne blaadjes vet met zout en andere kruiden er op, véél calorieën, zero voedingsstoffen, notabene gemaakt met dezelfde aardappelzetmeel in je tomatensap. Chips zijn bovendien het enige eten dat honger stimuleert. Hoe meer chips je eet, hoe meer honger je krijgt. De wereld op zijn kop. Kassa kassa voor de industrie.

Teun van de keuken in de RTL Talkshow:

Al dat ongezond eten maakt ons ongezond, ziek, met meer ontstekingen, meer ongemakken en we raken gemakkelijker besmet, want we zijn minder immuun. Maar de redding is nabij: elke kwaal heeft zijn geneesmiddel, zodat we weer à volonté frisdrank, chips, fastfood tot ons kunnen nemen.

Is het dan toch vooral onze eigen individuele fout? Wie wat wilskracht heeft kan dat toch overstijgen? Wel, ook daar heeft de industrie een oplossing voor: “zogenaamd gezondere light-, suikervrije, low carb- en vetvrije keuzes”. De industrie die ons te dik en te vet maakt verdient nog meer dankzij hun producten die ons moeten genezen van de problemen die ze zelf veroorzaken.

Want ook dat kan de industrie goed: de verantwoordelijkheid doorschuiven naar de consumenten. Overigens niet alleen de voedingsindustrie. Ik dacht al goed op de hoogte te zijn, maar dat het concept van de carbon footprint werd uitgevonden door oliegigant BP wist ik nog niet.

Drugdealers, pushers

Niemand die in twijfel trekt dat je als individu eigen keuzes kan en moet maken, maar zelfs als morgen iedereen biologisch gaat tuinieren – wat toch niet kan, niet iedereen heeft een tuin, niet iedereen heeft fut om na de dagtaak nog een groentetuin te onderhouden – veranderen we nauwelijks een percentje aan de gigantische vervuiling die door de bedrijven – waaronder de voedingsindustrie – wordt veroorzaakt.

“Het grote probleem is dat we gevangenzitten in het marktdenken van de neoliberale samenleving. Wat rendabel is en winst oplevert is per definitie goed. In zo’n systeem wordt wel beweerd dat bedrijven doen wat consumenten willen, maar in werkelijkheid is het omgekeerd. Wij worden verslingerd gemaakt aan producten die zij willen verkopen.”

En het belangrijkste citaat in dit boek “De voedselproducenten zijn als drugdealers die ons verslaafd maken…”

Hoe de ‘pushers’ dat doen: met miljardenbudgetten aan reclame, met gratis samples op festivals, met gadgets, ‘uw Coca Cola is geen frisdrank, het is jeugd, leven, plezier’.

Dit alles met dank aan een politiek bestel dat elke impuls tot zelf nadenken heeft opgegeven voor gemakkelijkheidsoplossingen die de consultants hen aanbieden. Zeker niet om na te denken over “een radicale verandering van onze ongezonde, ziekmakende en stressvolle maatschappij”.

Het kan anders, maar niet alleen door ander individueel gedrag. Er moet een ban komen op ongezonde reclame (net zoals met tabak), de vervuilende effecten van ongezonde voedselproductie moet de bedrijven aangerekend worden en van hun winsten afgetrokken. Er moet tevens een strakke prijzencontrole komen, om te verhinderen dat bedrijven hun exorbitante winsten in stand houden op kosten van de consument.

De voedingsdealers hebben niet het beste met ons voor. Daarom: “De politiek en de overheid moeten dus weer de macht op de bedrijven terugveroveren en regels gaan stellen voor het voedsel dat zij maken en de voeding die wij eten.”

Wie reeds die individuele keuze heeft gemaakt en zich heeft geïnformeerd zal niet zoveel nieuws vinden in dit boekje. Dit richt zich eerder tot zij die wel enigszins overtuigd zijn dat een en ander verkeerd loopt, maar nog niet goed weten waarom dat zo is en vooral, nog niet overtuigd zijn dat het wel degelijk anders kan (en moet).

Inzicht is de eerste stap naar bewustwording, naar gedragsverandering en vooral naar een publieke opinie die eist dat het zo niet langer kan. Dat inzicht levert dit boek.

Teun van de Keuken heeft het niet over de kafkaiaanse wereld waarin wij problemen hebben met onze teveel aan rijk ‘voer’, terwijl een ander deel van de wereld honger lijdt – échte honger, de pijnlijke soort.

Ook geen aandacht voor de enorme hoeveelheid voedsel die door de industriële voedingsindustrie verspild wordt, nog voor het op ons bord terechtkomt. Goed, dat zijn onderwerpen voor andere boeken, maar het had toch even vermeld mogen worden.

Ik zie verder nog een gemis in dit boek. Een van de grote boosdoeners is reclame. Laat dat echter hét verdienmodel zijn van de mainstream media waar de auteur voor werkt.

Het allerbeste kritische programma – en die zijn er zeker – over de voedselindustrie wordt door ons reptielenbrein volledig ontkracht door commerciële onderbrekingen voor reizen, wagens, parfums, shampoo en vooral veel ongezond eten. Tja, ook dat moet anders…

Voor wie nog niet helemaal overtuigd was, is dit boek een aanrader.

Teun van der Keuken. De mens is een plofkip – Hoe de voedingsindustrie ons ziek maakt. Thomas Rap, Amsterdam, 2024, 135 pp. ISBN 978 9400 4105 65

Bron: DeWereldMorgen.be

Vergeet de 4 dagenweek, Griekenland voert 6-daagse werkweek in

In Griekenland mogen werknemers in bepaalde sectoren vanaf vandaag 6 dagen per week werken. Opvallend, want in heel wat andere Europese landen – ook bij ons – wordt net volop geëxperimenteerd met kortere werkweken. De nieuwe regel geldt voor bedrijven waar nu in principe al 24 op 24 wordt gewerkt, en waar dus heel wat overuren worden gepresteerd of waar er zelfs in het zwart wordt gewerkt, verklaart correspondent Bruno Tersago.

De nieuwe wet die een zesdaagse werkweek mogelijk maakt in Griekenland, werd enkele maanden geleden al goedgekeurd en is vanaf vandaag van kracht. “De wet kwam er op vraag van de werkgevers”, verklaart correspondent Bruno Tersago in De Ochtend op Radio 1.

De Grieken zijn nu al bij de koplopers in Europa op vlak van gepresteerde uren. Er is een groot tekort op de arbeidsmarkt en dat terwijl er in bepaalde bedrijven in de privé- en dienstensector vaak 24 uur op 24 moet gewerkt worden. Dat leidt tot heel wat (dure) overuren of (illegaal) zwartwerk. Daarom maakt de Griekse regering het mogelijk om in die sectoren vanaf vandaag officieel 6 dagen te werken. 

“Het gaat eigenlijk om een 48 uren-werkweek”, zegt Tersago. Werknemers hoeven dus niet per se een extra dag te werken. “Ze kunnen er ook voor kiezen om bijvoorbeeld 10 uur per dag te werken.” Voor de bijkomende uren die gewerkt worden, krijgen ze 40 procent meer loon.

Weinig protest

Eerder op het jaar hebben de Grieken tot 2 maal toe het werk 24 uur lang neergelegd om te protesteren tegen de nieuwe wet, maar Tersago stelt vast dat de Grieken zich er vrij vlot bij neergelegd hebben dat de kans bestaat dat ze vanaf vandaag meer zullen moeten werken. “Ze doen het de facto eigenlijk al.”

Een van de redenen waarom er weinig protest is, is omdat de angst om de job te verliezen in Griekenland groter is dan de angst om meer te werken. “Er heerst een bepaalde angstcultuur. Dat heeft nog altijd te maken met de naweeën van de economische crisis, die eigenlijk nog steeds niet voorbij is.”

“Grieken verdienen op dit moment voor een voltijdse baan een minimumloon van 830 euro. Ze hebben de laagste koopkracht in de EU, op Bulgarije na. Het leven is erg duur geworden en je kan hier gemakkelijk worden ontslagen. Als je je baan verliest, wordt het heel erg moeilijk om te overleven. Er zijn wel werkloosheidsuitkeringen, maar die zijn beperkt in de tijd en vrij laag: ongeveer 300 euro per maand.”

En de vakbonden dan? “Er is enkel een grote algemene vakbond voor de hele privésector, maar in de bedrijven zelf zijn de vakbonden nauwelijks te vinden. Collectieve arbeidsovereenkomsten bestaan niet meer en daardoor moeten werknemers dus op hun eentje gaan onderhandelen met werkgevers over dit soort nieuwe formules.”

Hogere belastingen

Weinig protest, maar dat wil niet zeggen dat de Grieken niet wakker liggen van de nieuwe regeling. Zeker Grieken die regelmatig eens in het zwart werkten, dreigen minder te gaan verdienen. “De kans bestaat dat ze in een hogere belastingschaal terechtkomen en op het einde van de maand minder zullen overhouden.”

De Grieken vrezen ook dat de regeling wel eens zou kunnen uitgebreid worden naar andere sectoren, waar overuren niet per se de norm zijn. “Dit lijkt een beetje op een experiment van de Griekse overheid. En die overheid is heel erg gericht op het tegemoetkomen aan de werkgevers.”

“Het is een sociaal neoliberale regering die er alles aan doet om investeringen aan te trekken om de Griekse economie opnieuw op de rails te krijgen en werkgevers wordt zelden iets in de weg gelegd. Maar of dat goed is op langere termijn? Daar ben ik geen specialist in. Daar zullen economen zich moeten over buigen.”

Bron: VRT.nws