In Vlaanderen hebben de ondernemingsrechtbanken in de eerste zes maanden van dit jaar 3.537 faillissementen uitgesproken. Dat blijkt maandag uit gegevens van handelsinformatiekantoor GraydonCreditsafe. Het gaat om het hoogste aantal ooit tijdens een eerste jaarhelft.
Vergeleken met dezelfde periode vorig jaar – toen ook al een record – namen de faillissementen in Vlaanderen nog met meer dan 5 procent toe. De meeste faillissementen zijn te vinden in de bouwsector, waar er met 856 vonnissen sprake is van een stijging met zowat een vijfde. Daarna volgen de horeca (587) en de sector dienstverlening aan bedrijven (485).
Dat de faillissementen in de bouwsector fors oplopen is volgens GraydonCreditsafe onder andere verbonden aan “het uitzuiveren van frauduleuze ondernemingen” in bepaalde gerechtelijke arrondissementen. “Daarnaast zien we dat vooral bedrijven die eerder in de eindfase van een bouwproject optreden, ertussenuit gaan”, zegt het handelsinformatiekantoor. Dat zou niet alleen te maken hebben met de fors gestegen prijzen van materialen en loonkosten, maar aan het einde van bouwprojecten zouden ook “meer facturen onbetaald” blijven.
In Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen is er sprake van een recordaantal faillissementen, terwijl die ook in Limburg nog zijn toegenomen. Antwerpen en West-Vlaanderen tekenen daarentegen dalingen op.
Opnieuw recordaantal faillissementen in Vlaanderen in eerste jaarhelft
In Vlaanderen hebben de ondernemingsrechtbanken in de eerste zes maanden van dit jaar 3.537 faillissementen uitgesproken. Dat blijkt maandag uit gegevens van handelsinformatiekantoor GraydonCreditsafe. Het gaat om het hoogste aantal ooit tijdens een eerste jaarhelft.
Vergeleken met dezelfde periode vorig jaar – toen ook al een record – namen de faillissementen in Vlaanderen nog met meer dan 5 procent toe. De meeste faillissementen zijn te vinden in de bouwsector, waar er met 856 vonnissen sprake is van een stijging met zowat een vijfde. Daarna volgen de horeca (587) en de sector dienstverlening aan bedrijven (485).
Dat de faillissementen in de bouwsector fors oplopen is volgens GraydonCreditsafe onder andere verbonden aan “het uitzuiveren van frauduleuze ondernemingen” in bepaalde gerechtelijke arrondissementen. “Daarnaast zien we dat vooral bedrijven die eerder in de eindfase van een bouwproject optreden, ertussenuit gaan”, zegt het handelsinformatiekantoor. Dat zou niet alleen te maken hebben met de fors gestegen prijzen van materialen en loonkosten, maar aan het einde van bouwprojecten zouden ook “meer facturen onbetaald” blijven.
In Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen is er sprake van een recordaantal faillissementen, terwijl die ook in Limburg nog zijn toegenomen. Antwerpen en West-Vlaanderen tekenen daarentegen dalingen op.
De Vlaamse faillissementen gaan gepaard met het verlies van 9.265 banen, ruim een derde meer dan tijdens de eerste helft van 2023. Vooral het faillissement van busbouwer Van Hool – uit Koningshooikt – met 2.535 verloren jobs – zit daar voor iets tussen. Op een verre tweede plaats volgt het faillissement van het Waregemse textielbedrijf MC Three Carpets, met 262 verdwenen banen.
Door Van Hool was het banenverlies door faillissementen in Vlaanderen in de eerste helft van 2024 dan ook het hoogst in de auto-industrie (2.539). De bouw (1.223) en de horeca (1.192) vervolledigen de top drie.
Voor heel België meldt GraydonCreditsafe in totaal 6.008 faillissementsuitspraken tijdens de eerste zes maanden van 2024. Het gaat om een stijging met 7 procent vergeleken met dezelfde periode in 2023 en het hoogste aantal sinds 2019 (6.224). Daardoor kwamen alles samen 14.677 banen op de tocht te staan.
Ook federaal zijn de meeste faillissementen in de bouw (1.352) en de horeca (1.035) terug te vinden. GraydonCreditsafe wijst daarnaast onder meer nog op een opvallende stijging van het aantal vonnissen bij de garagehouders, bij wie “alle records sneuvelen”: met 252 faillissementen is sprake van een vijfde meer. “Dat wordt enerzijds verklaard door de sterke stijging van het aantal elektrische voertuigen die beduidend minder onderhoud vergen, alsook de veranderde marktvisie van de grote automerken die zich richten op minder maar hypergesofisticeerde toonzalen”, luidt het.
Alles werd eraan gedaan om de journalisten van Apache het zwijgen op te leggen. Er waren processen en de publicatie van het boek ‘De vrienden van het vastgoed’ moest noodgedwongen in eigen beheer gebeuren nadat uitgeverij Houtekiet zich terugtrok. De nauwe banden tussen de grote winsten van de vastgoedsector en heersende politici (met N-VA en PS op kop) worden op alle mogelijke manieren beschermd.
De opgang van de appartementen in dorpen rond de steden is erg zichtbaar. In de steden zijn er grootschalige vastgoedprojecten die ons verkocht worden als stadsontwikkeling, waarbij de winsten niet voor de stadsbewoners maar de private projectontwikkelaars zijn. Om toegang te krijgen tot die winsten wordt naarstig gebruik gemaakt van politieke connecties.
De nauwe banden tussen de vastgoedsector en de N-VA werden op beeld vastgelegd toen onder meer Bart De Wever in 2017 in het Antwerpse sterrenrestaurant ’t Fornuis mee aan tafel schoof om de verjaardag van bouwpromotor Erik Van der Paal te vieren. Ze kenden elkaar al heel lang, De Wever beloofde aan het sterfbed van oud Volksunie-medeoprichter Rudi Van der Paal om op zijn zoon Erik te passen. Rudi Van der Paal bracht heel wat financiële steun binnen eerst voor de Volksunie, vervolgens voor het Vlaams Blok/Belang en ook voor de N-VA.
Met zijn vastgoedbedrijf Land Invest Group haalde Erik Van der Paal grote projecten binnen die steeds op welwillende medewerking van het Antwerpse stadsbestuur onder N-VA-bewind konden rekenen. Toen De Wever burgemeester werd, stelde hij meteen Joeri Dillen als kabinetschef aan. Die kwam recht uit Land Invest Group. Nadat het hoogbouwproject aan de Tunnelplaats tegen alle adviezen in groen licht kreeg van het stadsbestuur, vertrok Dillen opnieuw. Zijn missie was volbracht.
Tot aan zijn faillissement fungeerde Optima als verkoper van appartementen van Land Invest Group. Geert Versnick (Open VLD) en Luc Van den Bossche (Vooruit) waren bestuurder bij zowel Optima als Land Invest Group. Krediet vond Land Invest Group bij het Luikse pensioenfonds Ogeo Fund. Dat werd toen geleid door Publifin-topman Stéphane Moreau (PS). Land Invest Group verzorgde al wie met deze operaties verbonden was, van reizen die geboekt werden via het reisbureau van de Schotense N-VA burgemeester over de riante sponsoring van het tennistoernooi Optima Open in Knokke tot een persoonlijke lening aan Alain Mathot (PS) voor de aankoop van diens villa in Thailand.
Toen de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van Mathot in de Kamer ter stemming voorlag in 2016, waren Dewinter en Penris (Vlaams Belang) plots verdwenen voor een goed getimede plaspauze en stemde de N-VA tegen… Was dit het werk van Erik Van der Paal die zijn goede vriend wilde beschermen, vraagt het boek ‘De vrienden van het vastgoed’ zich af? De vrouw van Gerolf Annemans werkte overigens als secretaresse van Van der Paal.
Het boek onthult dat Land Invest Group ook grote facturen betaalde aan schimmige vennootschappen die in opspraak kwamen in het kader van cocaïnehandel en drugsgeweld. Het druggebruik van Erik Van der Paal is algemeen bekend. De stelling van De Wever in 2018 dat “politici één klik verwijderd zijn van malafide praktijken” lijkt dus ook op hemzelf van toepassing te zijn…
Het grootste schandaal is natuurlijk dat van de miljoenendeals die mogelijk werden door tussenkomsten van de stad Antwerpen bij het toekennen van vergunningen. Kritische stemmen in de administratie werden uitgeschakeld om hoogbouw mogelijk te maken op een site aan de Tunnelplaats, die werd aangekocht voor de prijs van laagbouw. Aan de Slachthuissite kreeg Land Invest Group het recht om publieke grond te ontwikkelen, met een inderhaast door de stad goedgekeurd Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) op maat van de winst. De Wever en co aarzelen niet om ook voor andere bevriende projectontwikkelaars de rode loper uit te rollen.
De steeds grotere impact van private projectontwikkelaars en vastgoedbedrijven is erg lonend voor de aandeelhouders, maar nefast voor de prijzen die wij betalen om te wonen. Stadsplanning en vastgoed overlaten aan dubieuze zakenlui, al dan niet met een politiek mandaat, is duidelijk niet in ons belang. Hoog tijd om de strijd aan te gaan voor democratische publieke controle op de ruimtelijke ordening en de stadsplanning!
Met de interlevensbeschouwelijke dialoog heeft het Gemeenschapsonderwijs een krachtig instrument tegen polarisering en voor democratisch denken en burgerschap in handen.
De helft van de Vlaamse kiezers vindt dat de democratie in België niet naar behoren functioneert. Dat vertelde het opinieonderzoek De Stemming van de Universiteit Antwerpen en de Vrije Universiteit Brussel in 2023. Volgens datzelfde onderzoek ziet een derde van de kiezers meer heil in een sterke leider die geen hinder heeft van parlementen of verkiezingen dan in een democratisch bestel. We mogen die cijfers gerust verontrustend vinden.
Nochtans is onze democratie betrekkelijk gezond. Op de democratie-index van The Economist staat België op de 36ste plaats. Dat is geen excellente positie, maar ons land scoort nog altijd beter dan 131 andere landen. Veel bijna-tweehonderdjarigen zijn er slechter aan toe. Er schort dus misschien niet zozeer iets aan de democratie zelf, maar wel aan de perceptie ervan. Het tweede cijfer van het onderzoek laat vermoeden dat er ook winst te boeken valt op het vlak van democratisch denken. Het onderwijs kan daar een vooraanstaande rol in spelen.
DE SCHOOL ALS VERBINDINGSPLEK
In haar boek Not for Profit pleit de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum voor onderwijs dat jongeren de vaardigheden meegeeft om de democratie gezond te houden. Dat houdt, volgens Nussbaum, in dat scholen bij jongeren de capaciteit ontwikkelen om de wereld te zien vanuit het standpunt van de andere, dat scholen het clichématige denken bestrijden als zouden bepaalde minderheden minderwaardig zijn, dat scholen echte kennis over andere groepen bijbrengen zodat stereotypes worden doorbroken, dat scholen bijbrengen hoe iedereen verantwoordelijk is voor het eigen gedrag, en dat scholen het kritisch denken bevorderen en het verkondigen van afwijkende meningen aanmoedigen. Het idee dat het onderwijs zuurstof aan het democratisch denken geeft, is geen vreemde gedachtegang. De school is één van de weinige plaatsen in de samenleving waar iedereen samenkomt. Het is daarom de ideale plek om verschillen te overbruggen en verbinding na te streven.
Het pleidooi van Nussbaum verwoordt grotendeels wat in het genetisch materiaal van het Gemeenschapsonderwijs zit vervat. Het GO! ziet onderwijs als veel meer dan zuivere kennisoverdracht. Onze 40.000 leraren bereiden de volgende generaties niet alleen voor op de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs met competenties en kennis, ze wakkeren ook burgerschapszin aan. Ons pedagogisch project brengt waarden over en leert leerlingen samenleven in diversiteit. Door jongeren op te voeden tot actieve, positief kritische en democratische burgers die streven naar een gemeenschap waar het goed leven is, leggen we mee de fundamenten voor de samenleving van morgen. Een belangrijk instrument in dat streven is de interlevensbeschouwelijke dialoog, die over alle scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs is uitgerold en vanaf het nakende schooljaar naar het zesde jaar secundair onderwijs uitbreidt.
INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE DIALOOG
Het GO! heeft de grondwettelijke opdracht om neutraal onderwijs aan te bieden in naam van de gemeenschap en voor de gemeenschap. Die opdracht houdt ook in dat alle leerlingen les krijgen in de levensbeschouwing van hun keuze. De afscheidnemende Vlaamse Regering nam in het regeerakkoord op dat het GO! in de derde graad van het secundair onderwijs zou overschakelen van twee uur levensbeschouwing per week naar één uur levensbeschouwing en één uur interlevensbeschouwelijke dialoog (ILD). Cruciaal hierbij is dat de ILD het tweede uur levensbeschouwing niet vervangt, maar er een andere invulling aan geeft. Even essentieel is dat de leerkrachten levensbeschouwing in co-teaching voor deze invulling zorgen. Ze leren hiermee over de grenzen van de eigen levensbeschouwing heen kijken en samenwerken. En dat is precies wat ze ook de leerlingen meegeven.
Tijdens het uur interlevensbeschouwelijke dialoog leren tieners elkaars levensbeschouwing en maatschappijvisie kennen, en ze leren ook vragen te stellen en standpunten te uiten met respect voor elkaars eigenheid. Tijdens het proefproject dat in 2021 in zeven scholen van start ging, bleek dat leerkrachten én leerlingen de dialoog een waardevol instrument vonden om de verschillen maar ook de gelijkenissen tussen de levensbeschouwingen te leren kennen. Ook gaven leerlingen aan dat ze tijdens de lessen leerden te argumenteren en de eigen mening durfden bij te sturen door naar elkaar te luisteren.
Afgelopen schooljaar maakte het proefproject plaats voor een bredere uitrol in alle 26 scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs. De vijfdejaars die in het traject stapten zullen het vanaf september voortzetten in het zesde jaar. Voortaan krijgen leerlingen van heel de derde graad secundair onderwijs de kans om elkaar op deze manier te ontmoeten. Dit maakt van de interlevensbeschouwelijke dialoog een krachtig middel tegen maatschappelijke polarisering en een oefenplaats voor actief burgerschap.
TOEKOMSTOPTIMISME
Het Gemeenschapsonderwijs vertrouwt op de toekomst. De jongeren van vandaag zullen een betere wereld bouwen dan degene waarin ze geboren zijn. Dit toekomstoptimisme steunt op de overtuiging dat jongeren veelbelovende individuen zijn die wij in het onderwijs mee helpen ontwikkelen. Wij gaan in tegen de vaak opborrelende oprisping dat jongeren problemen zijn die het onderwijs mee moet helpen oplossen. Het onderwijs van het GO! geeft al zijn leerlingen de kansen om te excelleren, maar het geeft ze ook de gepaste houding mee voor een leven lang leren, samen met de waarden om die betere toekomst vorm te geven. Door een rechtstreekse ontmoeting van visies te organiseren binnen de veilige context van het klaslokaal, leggen we de basis voor jongeren om op te groeien tot actieve en positief kritische en democratische burgers.
Burgerschap betekent voor het Gemeenschapsonderwijs niet dat wij jongeren in de pas willen leren lopen en volgzaam laten uitvoeren wat van hen verwacht wordt, want dit is net een voedingsbodem voor allerlei vormen van extremisme. Burgerschap betekent dat we jonge mensen zelfstandig leren denken. Zodat ze hun eigen handelen en oordelen kritisch in vraag kunnen stellen. Zodat ze keuzes leren maken over welke mens ze willen zijn. Zodat ze voor zichzelf en voor anderen het verschil kunnen maken. Zodat ze anderen en hun overtuigingen leren begrijpen, erkennen en aanvaarden. En begrip, erkenning en aanvaarding vertrekken bij kennis, van zichzelf en van de andere. De interlevensbeschouwelijke dialoog van het GO! legt daar de kiem voor.
In een interview met de krant L’Echo zei MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez onlangs: “De boodschap is vrij duidelijk. De mensen in Wallonië hebben duidelijk laten zien: ze willen werken. De mensen hebben mij niet verkeerd begrepen, ze willen gewoon graag werken.” Dus gaan we allemaal werken dankzij Bouchez? En onder welke voorwaarden?
Door Benjamin Pestieau
“Maar”, een woordje dat veel betekent
Wat verder in het interview zegt Bouchez nog: “Natuurlijk moet een werknemer rechten hebben tegenover zijn baas, maar…”
Het is het soort zin waarbij die vier letters – “maar” – veel zwaarder wegen dan het voorgaande. “Ik ben voor vrede, maar …”, “Ik ben niet tegen een miljonairstaks, maar…”, “Ik ben geen racist, maar…”
Het is een taalkundig trucje om een redenering te maken, in tegenspraak met wat je ervoor zei. In dit geval: de rechten van de werkende klasse aanvallen, oorlog promoten, zeggen dat het onmogelijk is om miljonairs te belasten of racistische retoriek verspreiden. Zo krijgen we al een waarschuwing voor de ware bedoelingen van de MR-voorzitter.
Afbraak van de vakbonden
Maar laten we eens verder kijken wat er gezegd wordt. Georges-Louis Bouchez zegt letterlijk: “Natuurlijk moet je [als werknemer] rechten hebben tegenover je baas. Maar als nog voor je ook maar één uur gewerkt hebt, al het volledige infopakket hebt gekregen van die perfecte kleine vakbondsman (…) natuurlijk dat je dan niet graag werkt.”
Nu krijgen we duidelijkheid van Georges-Louis Bouchez. Hij beweert dat hij van werk houdt, en hij houdt er zoveel van dat hij vindt dat we af moeten van de organisaties die het werk beschermen: de vakbonden. Voor de liberaal moeten we af van de organisaties die de werkende klasse informeren over hun rechten en, nog belangrijker, die hen verenigen om zich te verdedigen tegen sommige gewetenloze werkgevers.
Bij Delhaize zien we bijvoorbeeld de gevolgen van de afbraak van vakbonden. Dankzij een grote franchisingoperatie (het overdragen van winkels van een grote groep aan een hele resem kleine bazen) kon de warenhuizenmultinational de vakbonden voor bijna 9.000 werknemers uit de weg ruimen. Resultaat? Druk op het personeel, flexibilisering van het werk, veralgemeende slecht betaalde en ondermaatse statuten in een groot deel van de franchisewinkels. Als Georges-Louis Bouchez het over werk heeft, heeft hij het over slecht betaald, slecht behandeld en slecht beschermd werk.
In zijn tijd verklaarde Karl Marx: “Het kapitaal is een geconcentreerde maatschappelijke kracht, terwijl de arbeider slechts beschikt over zijn eigen werkkracht. Als gevolg hiervan kan een overeenkomst tussen het kapitaal en de arbeid nooit op rechtvaardige basis worden gesloten […]. De sociale kracht van de arbeiders berust alleen in hun aantal. Maar de kracht van hun aantal wordt tenietgedaan door hun versnippering. De versnippering der arbeiders ontstaat en blijft voortbestaan vanwege de onontkoombare onderlinge concurrentie. Vakbonden ontstonden uit de spontane inspanningen van arbeiders (…) om de effecten van deze concurrentie tussen arbeiders te voorkomen of op zijn minst te beperken.”
Vakbonden kapotmaken dient maar één doel, de belangrijkste kracht van de werkende klasse kapotmaken: haar aantallen en haar eenheid.
Slachtoffers en klassenstrijd
Georges-Louis Bouchez gaat verder: “Het probleem [van links] is dat het niet kan bestaan als er geen slachtoffers zijn. Dat komt voort uit de klassenstrijd.”
Het tegendeel is waar. Om dit te begrijpen, vertrekken we van de definitie van het woord ‘slachtoffer’: persoon die onrecht lijdt. De organisaties van de werkende bevolking (politiek, middenveld en vakbonden) begonnen te bestaan toen de arbeidersklasse ophield onrecht te ondergaan. De organisaties van de werkende bevolking begonnen te bestaan toen de arbeidersklasse ophield slachtoffer te zijn en begon op te treden tegen onrecht door het te bekampen.
Het DNA van de organisaties van de werkende bevolking is niet lijden maar handelen. Actie voeren om respect voor werk en respect voor de arbeidersklasse te eisen. Zo zijn de vakbonden en vervolgens de arbeiderspartijen ontstaan en geëvolueerd.
De strijd voor respect voor werk komt concreet tot uiting in de strijd voor hogere lonen, betere arbeidsomstandigheden en het recht om veilig te werken.
Maar dat is niet alles. Respect betekent ook democratische rechten, algemeen stemrecht, de vrijheid om te betogen, vakbondsvrijheid, de vrijheid om te strijden… Dat alles heet inderdaad ‘de klassenstrijd’. De werkende bevolking die zich verenigt om het hoofd te kunnen bieden aan de macht van de aandeelhouders, de grote bedrijven, de grote bazen… De liberalen van hun kant willen geen klassenstrijd. Zij willen dat de werkende klasse onrecht blijft ondergaan en dan ook de rol behoudt … van slachtoffer.
Hebben stropdassen een plaats in de klassenstrijd?
Georges-Louis Bouchez zegt ook nog: “Maar de proletariër van vandaag heeft soms een wit overhemd en een stropdas. En dát heeft links niet gesnapt.”
De werkende bevolking is divers. Met uiteraard werknemers aan de band in de fabriek of bij de controleposten. In die fabrieken werken natuurlijk ook mensen in een kantoor die een overhemd en soms een das dragen.
Dat is bijvoorbeeld zo bij Audi Brussels. Deze twee categorieën maakten de ontwikkeling van de grote fabriek in de hoofdstad mogelijk. Een model van technologie en expertise. Deze twee categorieën stonden aan de fabriek om te protesteren tegen de beslissing van de multinational om te herstructureren. Onder de werkende bevolking vinden we dokwerkers in havens, vrachtwagenchauffeurs, logistiek medewerkers of medewerkers in de voedingsindustrie, bankbedienden of leraren, het medisch personeel dat onze ziekenhuizen draaiende houdt, enz. Sommigen dragen een overall, anderen een overhemd en een stropdas, weer anderen een schort, weer anderen een uniform, weer anderen hun gewone kleding … Georges-Louis Bouchez lijkt alleen het overhemd en de stropdas te zien alsof zij de enige laag van de wereld van het werk zijn die hard werkt. Nee. De werkende bevolking is divers in hun samenstelling en in de taken die ze uitvoeren. En die diversiteit vind je terug in de vakbonden of bij de PVDA.
Maar de werkende bevolking in al haar diversiteit – met of zonder stropdas – heeft één ding gemeen: dankzij hen draait de maatschappij. Niet dankzij de aandeelhouders die verdwenen tijdens de Covid-crisis. Niet dankzij de aandeelhouders die ultramoderne fabrieken willen sluiten om hun dorst naar winst te lessen. Het is de werkende klasse die goederen en diensten produceert. En die mensen verdienen respect. Respect betekent vooral dat wat zij produceren hen ten goede moet komen in plaats van de zakken te vullen van grote aandeelhouders die leven van andermans werk. Deze tegenstelling noemen we een klassentegenstelling: een tegenstelling tussen de werkende klasse en de klasse van de aandeelhouders. Deze tegenstelling ligt aan de basis van de klassenstrijd waar de voorzitter van de MR vanaf wil … door een oud recept uit het verleden boven te halen: de werkende bevolking verdelen om te heersen.
Als je minder wil werken, betekent dat dat je tegen of voor werk bent?
Georges-Louis Bouchez zegt nog meer: “Als je een vierdaagse werkweek voorstelt (…) ben je tegen werk.”
Ook de bourgeoisie van de 19de eeuw gebruikte dat soort retoriek: “Als we een robuuste en gezonde bevolking willen hebben, moeten we die laten werken zoals ze willen en als enige laten beslissen over de limiet die zij gevaarlijk vinden om te overschrijden voor haar gezondheid; werk heeft nog nooit iemand gedood (sic).”1
In die tijd voerde het patronaat openlijk campagne tegen elke regel, elke norm, elke grens aan de vrijheid van werkgevers om ons eindeloos als citroenen uit te persen. En deze vrijheid voor werkgevers stond gelijk aan lage lonen en bodemloze uitbuiting.
Voor Georges-Louis Bouchez betekent voorstander zijn van werk, steeds meer werken, werken tot 67 en zelfs langer, meer dan 38 uur per week, met overuren zonder extra loon of recuperatietijd, meer dan 8 uur per dag werken en minder rechten hebben om werknemers en werkneemsters te beschermen.
Hoe minder collectieve rechten, hoe zwakker en eenzamer de werknemer staat ten opzichte van zijn werkgever. En dat is net wat de voorzitter van de MR wil.
De poetshulpen of de supermarktmedewerkers zeggen het omdat ze al heel vroeg in hun carrière last hebben van musculosceletale aandoeningen. Bus- en vrachtwagenchauffeurs met rugklachten, verpleegsters die het tempo in ziekenhuizen niet kunnen bijhouden en voldoende tijd besteden aan de patiënten, metselaars, elektriciens, spoorwegarbeiders, postbodes, chemie- en metaalarbeiders, middenmanagers die onder druk staan om onmogelijke doelstellingen te halen …
De werkende klasse is er zich meer dan ooit van bewust – zeker sinds de Covid-crisis – dat zij het land doen draaien. Niet de aandeelhouders en nog minder de politici die 10.000 euro netto per maand verdienen. Zij hebben hun trots. En vanuit die trots eisen ze respect: respect voor loon, respect voor arbeidsomstandigheden, respect voor gezondheid en veiligheid.
De liberale illusie aan diggelen slaan tegen de muur van de werkelijkheid en de klassenstrijd
Al neemt Georges-Louis Bouchez meermaals het woord “werk” in de mond, toch kan hij niet verhullen dat hij en zijn partij de werkende bevolking niet verdedigen. De liberale partij verdedigt de rijksten. Ze verdedigt een maatschappij van ieder voor zich, van één tegen allen, een maatschappij van verdeeldheid waarin de werkende bevolking het enige verliest dat haar sterk maakt: haar aantal, haar eenheid, haar gemeenschap, haar collectieve rechten.
De liberalen konden een paar illusies creëren. Net zoals Nicolas Sarkozy, de voormalige Franse president, vijftien jaar geleden illusies creëerde met hetzelfde discours en dezelfde maatregelen. Maar het discours botst al snel tegen de muur van de realiteit. Nicolas Sarkozy’s ambtstermijn als president deed de werkloosheid stijgen, maakte de werkende klasse arm en … leidde tot een ongeziene stijging van het aantal miljardairs in Frankrijk.
Het sociaal verzet brak de illusies van Sarkozy netjes af. De twee brachten hem uiteindelijk ten val.
Beiden zullen Georges-Louis Bouchez neerhalen. Maar om zijn terugkeer te voorkomen, zullen de organisaties van de werkende bevolking – vakbonden en politieke partijen – zich moeten verankeren in een sterk klassendiscours en een sterke klassenpraktijk, een discours dat de werkende klasse, de hele werkende klasse, verenigt en één maakt. Niet in een discours dat enkel bepaalde categorieën aanspreekt en andere niet. Niet in een discours dat de werkende klasse verdeelt in mensen die maandelijks minder dan 2.000 euro verdienen en zij die er 4.000 verdienen. Als we allemaal vooruitgang willen boeken tegen de macht van het geld, hebben we zoveel mogelijk mensen nodig. Zij hebben het geld, wij kunnen de aantallen hebben.
1. Uit het verslag van de steenkoolassociatie van de bekkens van Charleroi en de Samber, 1907
De Belgische economie is in het tweede kwartaal maar met 0,2 procent gegroeid in vergelijking met het voorgaande kwartaal. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2023 gaat het om een groei van 1,1 procent. Dat blijkt maandag uit een flashraming van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) en de Nationale Bank (NBB).
De Belgische economische groei vertraagt. In het tweede kwartaal nam de economische activiteit slechts met 0,2 procent toe, tegenover 0,3 procent in de vier voorgaande kwartalen. Deze vertraging is onverwacht, aangezien de Nationale Bank en twee van de vier grootbanken een groei van 0,4 procent hadden voorspeld, terwijl de andere twee grootbanken 0,3 procent hadden verwacht.
Van Hool
De matige economische groei is voornamelijk toe te schrijven aan de industriële sector, waar de toegevoegde waarde met 0,3 procent afnam. Het faillissement van busbouwer Van Hool in april speelde mogelijk een negatieve rol. In de dienstensector groeide de activiteit met 0,2 procent, en de bouwsector kende zelfs een stijging van 1,1 procent.
Vergeleken met het tweede kwartaal van vorig jaar groeide de Belgische economie met 1,1 procent. De Nationale Bank voorspelt voor het hele jaar een groei van 1,2 procent, terwijl het Federaal Planbureau iets optimistischer is met een verwachting van 1,4 procent.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.