265.651 Belgen staan op zwarte lijst met wanbetalers

Het lijkt de goede kant op te gaan met de problematische kredietachterstanden van de Belgische gezinnen. De Centrale voor Kredieten aan Particulieren (CKP) telde eind vorig jaar 265.651 kredietnemers met een achterstallig krediet, een daling met ruim 71.000 op vier jaar tijd.

In het nieuws: De Nationale Bank publiceert de jaarcijfers van de kredietcentrale CKP. Die databank houdt onder meer de achterstallige kredieten (minstens drie maanden betaalachterstand) bij, in de volksmond bekend als “de zwarte lijst”.

Enkele opvallende cijfers:

  • In december 2023 waren 265.651 kredietnemers met een achterstallig krediet geregistreerd. Dat zijn er 3,4 procent minder tegenover een jaar eerder.
  • De daling is zowel merkbaar bij de consumentenkredieten (-2,9 procent) als bij de hypothecaire kredieten (-5,6 procent).
  • Er zijn verhoudingsgewijs heel weinig problematische woonkredieten. Slechts 0,3 procent van de bevolking heeft een hypothecaire lening met zware betaalachterstand. Dat is ook niet onlogisch: armlastige gezinnen zullen er alles aan doen om vooreerst de eigen woning te vrijwaren.
  • Wie toch de handdoek in de ring moet gooien, kijkt doorgaans wel tegen een forse schuld aan. Het gemiddeld achterstallig bedrag bij de woonkredieten bedraagt 40.620 euro.

Om in de gaten te houden: Er zijn aanwijzingen dat wie financieel in de problemen komt, meteen ook voor grotere bedragen in het rood komt te staan. De evolutie van de achterstallige bedragen gaat de verkeerde kant op:

  • Bij de verkopen op afbetaling steeg het gemiddeld achterstallig bedrag met 12 procent tegenover een jaar eerder, tot 623 euro.
  • Bij de kredietopeningen (doorgaans met kredietkaart) steeg het gemiddeld achterstallig bedrag zelfs met 13 procent, tot 1.716 euro.

Bron: MSN.com

Doe de multimiljonairs betalen!

“Tax the rich!” Deze slogan siert t-shirts, petjes en protestborden over de hele wereld. En met goede reden. Terwijl de elite ons telkens weer probeert wijs te maken dat wij ‘boven onze stand leven’, stapelt zij ongekende rijkdom op. De concentratie van haar decadente rijkdom is verbijsterend en blijft toenemen. Dit is kapitalisme, waar de rijken telkens opnieuw zichzelf bedienen. De recente cijfers zijn adembenemend. Van alle nieuwe rijkdom die sinds 2020 is gecreëerd, ging twee derde naar de rijkste 1% van de wereldbevolking. Tegelijkertijd lijdt onze samenleving onder tekorten, wachtlijsten, armoede, schulden en krimpende budgetten.

Een echte rijkentaks nu, zonder achterpoortjes en met een stok achter de deur!

De rijkentaks is geen kwestie van afgunst, zoals liberalen graag verkondigen, maar van gerechtigheid. De rijke elite vergaart haar geld op het hard labeur van de werkende klasse. Ze verbergt haar geld in belastingparadijzen en laat de lasten rusten op de schouders van de werkende klasse. Het is genoeg geweest! Maar hoe kunnen we dit veranderen? Stemmen voor een partij, de PVDA die consequent een miljonairstaks verdedigt, is één stap. Maar uiteindelijk hebben we nood aan een strijd van onderuit om zo’n taks af te dwingen.

De miljonairstaks die de PVDA voorstelt zou de overheid 8 miljard euro opbrengen. Het belast de rijkste 1% van de bevolking, met 2% op hun vermogen boven de 5 miljoen en 3% op het vermogen boven de 10 miljoen. Dit bescheiden voorstel zou een stap in de goede richting zijn. Maar om echt budget te creëren voor de massale publieke investeringen die ons onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, betaalbaar wonen, …. nodig heeft, is meer nodig, een grotere vermogensbelasting en meer radicale maatregelen die komaf maken met de kapitalistische samenleving. 

—> Wij eisen een belasting van 5% op het volledige vermogen van de rijkste 1% van de gezinnen. Deze hebben een gemiddeld vermogen van 11 miljoen 830 duizend euro. Zo’n belasting zou ons jaarlijks 30 miljard euro opbrengen.

Kapitalisten zijn er meester in om achterpoortjes te vinden en belastingen te ontduiken. Daarom hebben we een strakke controle en een stok of twee achter de deur nodig.

Stok 1 – Verhoog de exit-taks

Er bestaat in België al een exit-taks voor kapitaal dat het land ontvlucht. Die bedraagt 16.5% op de fictieve opbrengst van dat kapitaal in het buitenland. Deze exit-taks zou op het vermogen zelf moeten worden gehoffen.  En moet zo hoog zijn dat het een sterk afradend effect heeft. Bijvoorbeeld, een belasting van 40% op het kapitaal dat het land verlaat, zoals Bernie Sanders in de VS voorstelde.

Stok 2 – Onteigening

Probeert een kapitalist toch ongemerkt z’n kapitaal te versluizen en dus deze exit-taks te ontlopen? Dan hebben we als gemeenschap argumenten te over om zo’n asociaal gedrag niet te tolereren, dat vermogen aan te slaan en ten dienste te stellen van de gemeenschap. Elke financiële instelling die zo’n gedrag faciliteert moet ook in publieke handen worden genomen.

Compleet scheefgetrokken belastingsysteem

Er worden in ons land veel belastingen betaald. Maar niet door iedereen! Voor de grote vermogens is België een belastingparadijs.

Voor elke 100 euro aan belastingen aan de overheid, komen er 42 euro van consumptietaksen (BTW en accijnzen) en 38 euro uit belasting op onze lonen en uitkeringen. Dus 80% van alle belastingen komt hoofdzakelijk van de werkende klasse. Uit bedrijfswinsten komt 13% en daarnaast komt 6,8% van belasting op voertuigen, woningen en gronden, ook in meerderheid betaald door de werkende klasse. Slechts 0.25% komt uit belastingen op grote vermogens. Nochtans leveren die grote vermogens heel veel inkomsten op voor hun bezitters.

Op bedrijfswinsten dalen de belastingen al lang!

Pas in 1956 werd een vennootschapsbelasting ingevoerd, afgedwongen door intense strijd van onderuit. Met een tarief van 45% werden vanaf toen de bedrijfswinsten belast. De inkomsten hieruit waren essentieel in de opbouw van onze sociale zekerheid, zorg, onderwijs en openbare diensten. In de jaren ‘70 bedroeg deze bron van inkomsten voor de overheid nog tot 30% van haar totale inkomsten uit belastingen. Vandaag is dit gedaald tot 13%. Het officiële tarief daalde stelselmatig tot slechts 25% vandaag. Door een enorme koterij aan aftrekposten is de gemiddelde reële belastingvoet een pak minder dan 20% en voor sommige bedrijven quasi nul. Alle partijen, behalve de PVDA, willen het officiële tarief van vennootschapsbelasting nog verder naar beneden halen. Het resultaat kunnen we nu al voorspellen: een verdere concentratie van rijkdom en vermogens in handen van een kleine groep. Het zijn de enorme bedrijfswinsten, die alsmaar minder worden belast, die aan de oorsprong liggen van de decadente opstapeling van rijkdom.

De stroom geld naar de rijkste 1% moet worden ingedamd. Als eerste stap moet de vennootschapsbelasting terug naar haar hoogste punt, zoals in de jaren 70, naar 50%. Daarmee verhogen we de inkomsten van de overheid met minstens 20 miljard euro.

Waarvoor dienen inkomsten uit belastingen?

België heeft nu al de laagste pensioenen van West-Europa, tot 49% lager dan in onze buurlanden en nog beweren ze dat we deze niet meer kunnen veroorloven. We werken ons te pletter. Nergens in Europa zijn zoveel mensen langdurig arbeidsongeschikt: 7,2% van de beroepsbevolking. We dragen extreem veel af aan de overheid. Daartegenover staan nog steeds enkele pilaren van onze welvaartsstaat overeind, maar ze wankelen. We hebben een degelijke maar kreunende gezondheidszorg, een automatische indexering van onze lonen en pensioenen die onder druk staat, een potentieel sterk en emancipatorisch onderwijs maar dat dringend veel investeringen nodig heeft, het meest fijnmazige openbaar vervoer netwerk in de wereld maar het is in tragisch verval. Deze pilaren van onze welvaartsstaat staan onder druk vanwege de hebzucht van de superrijken.

Geen geschenken aan de kapitalisten. We want our money back!

België is in Europa de kampioen in het uitdelen van bedrijfssubsidies, 18 miljard euro per jaar. Bijna hetzelfde bedrag wordt jaarlijks via de vennootschapsbelasting betaald. Voor elke euro belasting die betaald wordt op de bedrijfswinsten vloeit er een euro via de goocheltruc van de bedrijfssubsidies terug naar de kapitalistische klasse. Deze vestzak-broekzakoperatie moet stoppen.

Wij pleiten voor:

een echte rijkentaks nu, 5% op het volledige vermogen van de rijkste 1%

de onteigening van de kapitalisten die gaan lopen met het geld

de vennootschapsbelasting terug op 50%

een afschaffing van BTW op levensnoodzakelijke producten en 21% op echte luxeproducten

een strakke controle op de kapitalisten door de vakbonden in de bedrijven met inzage in de volledige boekhouding

inbeslagname wanneer kapitalisten bij aankondiging van deze maatregelen dreigen hun productie te verhuizen en verderzetting van de productie onder beheer en controle van de werknemers

voor een massaal programma van publieke investeringen in zorg, onderwijs, sociale zekerheid, betaalbaar wonen en infrastructuur

VB laat zijn ware gelaat zien, onze rijken eerst

In een kopstukkendebat was voorzitter Van Grieken heel duidelijk. ‘Mijn partij verzet zich tegen een vermogensbelasting’. Bart De Wever noemde het een ‘nachtmerrie’. Rechts en extreem-rechts laten hier opnieuw hun ware gelaat zien. Het VB werpt zich op als anti-establishment, speelt in op het ongenoegen om stemmen te ronselen. Haar racisme heeft als uiteindelijk doel om de elite uit de wind te zetten. Eigen multimiljonairs eerst is de echte slogan van het Vals Belang.

De ‘tegen’argumenten ontkracht

Of het nu de bazen van VOKA en het VBO, hun ‘economen’ als Stijn Baert, kranten of partijen zijn. Altijd horen we hetzelfde liedje. Jamaar, jamaar, dat gaat niet, het is niet realistisch, het zal ons meer kosten dan het zal opbrengen. 

Lukt dit wel?

‘Een miljonairstaks is compleet onwerkbaar’, zegt Melissa Depraetere van Vooruit. En ze somt alle klassieke vooroordelen op. We kennen het vermogen niet, beweert ze. Dat klopt niet. Alle info met betrekking tot het vermogen van de gezinnen is potentieel beschikbaar. Het is maar een kwestie van het bij elkaar te voegen.

De middenklasse zal weer moeten betalen.

Typisch een argument dat je bij ‘Open VLD’ zal horen. Zij beweren dat via een miljonairstaks het zuur verdiende spaargeld zal worden belast. De 1% rijksten, of 50.000 gezinnen, hebben een gemiddeld vermogen van een kleine 12 miljoen euro. Dat is geen spaargeld. Om 12 miljoen euro bij elkaar te ‘sparen’ moet je 1.000 jaar lang 1.000 euro per maand sparen. In een mensenleven moet je op 25 jaar 40.000 euro per maand opzij leggen. Geen enkele werkmens kan dit. Iemand met een vermogen van 12 miljoen heeft geprofiteerd van het werk van een ander, heeft zich de vrucht van iemand anders arbeid toegeëigend.

Het kapitaal zal vluchten.

Als je aan ons geld durft te raken dan gaan we lopen met ons geld. Tegen kapitaalvlucht kan worden opgetreden. We hebben een stok achter de deur nodig, een exit-taks en de inbeslagname. Ook de middelen van financiële instellingen die deze vlucht faciliteren, moeten in beslag genomen worden.

Er is daar geen meerderheid voor.

Er is heel duidelijk een meerderheid in de publieke opinie. Acht op tien Belgen is gewonnen voor een vermogensbelasting. Dit aantal zou nog kunnen stijgen wanneer deze expliciet enkel voor de 1% rijksten geldt. Zoals vaak zal de publieke opinie zich niet uitdrukken in parlementaire zetels. Er is slechts één partij die resoluut voor een miljonairstaks pleit en dat is de PVDA. Wachten tot er een meerderheid in het parlement is, is een slechte strategie. De geschiedenis leert dat enkel een volgehouden en massale strijd van onderuit zo’n eis kan realiseren.

Oproep aan de PVDA → lanceer een echte strijd voor de miljonairstaks. We want our money back!

De strijd voor een echte miljonairstaks moet meer zijn dan een interessant verkiezingsthema. De PS pleit ondertussen ook voor een vermogensbelasting, maar dan op het Europese niveau. Daar kan je niet tegen zijn, maar het mag geen argument zijn om niet in België van start te gaan. Ook Groen en Vooruit sprongen op de kar en pleiten nu plots ook voor een miljonairstaks. Weliswaar in een heel sterk verwaterde vorm. Deze zou slechts één miljard euro opbrengen, peanuts dus. Wij pleiten om in het kieshokje voor het sterkste voorstel te opteren en roepen daarom ook op om voor de PVDA te stemmen.

Verandering afdwingen via strijd!

Om een echte rijkentaks te realiseren hebben we nood aan een mobiliserende strijdcampagne, waar iedereen die voor deze eis wil strijden wordt samengebracht. Waarom maakt de PVDA niet van deze verkiezingscampagne gebruik om zo’n brede campagne op poten te zetten? Een echte rijkentaks afdwingen, geen flauw afkooksel, zal jaren van volgehouden strijd vergen. Wij roepen de PVDA en de vakbonden op om alle organisaties, groot en klein, uit te nodigen om de handen in elkaar te slaan. Zo’n campagne ‘We want our money back’ zou een brede infocampagne op poten kunnen zetten, hoorzittingen en meetings kunnen organiseren, kunnen spreken op personeelsvergaderingen in werkplaatsen, acties op poten zetten op publieke plaatsen en ten slotte grote manifestaties kunnen organiseren om de maatschappelijke steun op de been te brengen en zichtbaar te maken.

Zo brengen we deze eis in het centrum van het politieke debat. Zo’n strijdcampagne zou kunnen werken op basis van actieve lokale comités met een stuurgroep op een nationale conferentie verkozen. Om dat te realiseren moet de PVDA het geweer van schouder veranderen en strijd centraal plaatsen, niet verkiezingen. Ze zou bereid moeten zijn met anderen samen te werken zonder deze samenwerking te willen controleren. Logischerwijs zou ze electoraal voordeel halen wanneer zo’n strijd tot een echte overwinning leidt. 

Bron: LSP,  lees hier het volledige artikel  

Vlaanderen in cijfers

Vlaanderen in cijfers

De brochure Vlaanderen in cijfers geeft aan de hand van een brede set van Vlaamse openbare statistieken een kernachtig beeld van Vlaanderen.

De statistieken beslaan een ruime waaier aan thema’s en zijn gegroepeerd in 4 grote delen: bevolking en samenleving, economie en ondernemingen, ruimte en leefomgeving en overheid en bestuur. Bij meerdere thema’s werd ook een korte vergelijking toegevoegd van de Vlaamse gegevens met de situatie in andere regio’s in de Europese Unie.

https://www.vlaanderen.be/publicaties/vlaanderen-in-cijfers?utm_source=Statistiek%20Vlaanderen%20Algemeen&utm_campaign=0e6f961c3b-EMAIL_CAMPAIGN_2019_06_14-Netwerk-SV_COPY_01&utm_medium=email&utm_term=0_d8156e2b30-0e6f961c3b-108351997

Cohousing voor ouderen: ‘We zitten niet passief te wachten tot iemand ons helpt’

Cohousing is relatief nieuw in het woonaanbod voor ouderen. Sociaal.Net ging op bezoek bij De Notenkraker in Leuven, waar zeventien mensen een appartement bewonen en gemeenschappelijke ruimtes delen. “Het is soms best heftig om met zoveel mensen samen te wonen.”

Langer thuis

De tijd dat het klassieke woonzorgcentrum de enige woonvorm was voor ouderen is voorbij. De voorbije twintig jaar werd al sterk ingezet op de bouw van assistentiewoningen of op langer thuis blijven met behulp van thuishulp.

Maar dat zijn niet de enige woonoplossingen. Steeds vaker duiken er in Vlaanderen cohousingprojecten op voor ouderen: bewoners hebben elk hun eigen woning, maar delen enkele gemeenschappelijke ruimtes, zowel binnen als buiten.

Samen leven

Abbeyfield is een cohousingspeler die al enkele jaren actief is in Vlaanderen. Deze vzw zet kleinschalige cohousingprojecten op voor 55-plussers. In Leuven en Gent werden al Abbeyfieldhuizen gerealiseerd. In Malle wordt momenteel een huis gebouwd en in Aalst wordt de mogelijkheid voor een Abbeyfieldhuis onderzocht.

Het woonconcept komt overgewaaid uit het Verenigd Koninkrijk. In ons land zette Abbeyfield eerder voet aan wal in Wallonië en Brussel, waar vandaag respectievelijk vier en drie huizen zijn.

Medewerkers van Abbeyfield ondersteunen groepen ouderen doorheen de totstandkoming van een project. Ze helpen bij zowel de juridische, financiële en architecturale aspecten als de begeleiding van de groep op vlak van groepsvorming, het maken van praktische afspraken en conflictbeheersing.

Dit is nodig, want ook al heeft iedereen een eigen woning, de bedoeling is wel degelijk om voor een stuk ook samen te leven. “Toen ik er bijna tien jaar geleden voor het eerst over hoorde, was het een openbaring”, vertelt Lieve (82). “Het concept sprak me meteen aan: een combinatie van zelfstandigheid behouden en tegelijk gezamenlijk iets opbouwen. Dat er een zeker engagement gevraagd wordt, vind ik ook mooi.”

De Notenkraker

Lieve is een van de bewoners van Abbeyfieldhuis De Notenkraker in Leuven. Samen met bewoners Ilde, Lydia, Vera, Maria en Marleen ontvangt ze me in de gemeenschappelijke living van de nieuwbouw in het centrum van de stad. De aanpalende keuken is voorzien van grote tafels voor gezamenlijke activiteiten of familiefeesten.

Voor verschillende bewoners was cohousing al langer een droom, maar was het er nooit van gekomen. “Toen we jonger waren, speelden we met ons gezin al met het idee. Enkele keren is het zelfs heel concreet geworden, maar uiteindelijk kwam het nooit van de grond”, vertelt Ilde (73). “Toen ik over dit project hoorde dacht ik: ‘Je bent nu de zeventig gepasseerd, het is nu of nooit’.”

“Vroeger waren de cohousingprojecten vaak op de boerenbuiten, terwijl mijn man en ik nogal aan de stad gehecht zijn. Hier zitten we pal in het centrum”, zegt Vera (64). “Zelfstandig samenwonen en samen een huis beheren, het leek me een mooie uitdaging, iets dat ik echt nog wilde doen. Het is een boeiend avontuur. Zo wil ik graag oud worden.”

Leeftijdsmix

Sinds december 2019 wonen zeventien mensen in dertien appartementen. De vrouwen zijn in de meerderheid: slechts een derde van de bewoners zijn mannen. “De benjamin van de groep is 56. Er is ook iemand van 42, maar haar partner is 65”, vertelt Lieve, die zelf met haar 82 jaar de oudste is van de groep.

De variatie in leeftijd is dus groot. “Dat is belangrijk. Als er een appartement vrijkomt en we een nieuwe huurder zoeken, worden de kandidaten besproken op de bewonersraad. Daarbij houden we onder meer in de gaten dat we niet langzaam evolueren naar een groep met enkel hoogbejaarden.”

Gelijkheid tussen bewoners

De bewoners hebben in wel meer zaken inspraak. Een Abbeyfieldhuis wordt opgericht als vzw. Alle bewoners zijn lid van de vzw en enkele bewoners zitten ook in de raad van bestuur. “Elke bewoner draagt het project mee. We maken er deel van uit. Beslissingen worden niet boven onze hoofden genomen”, zegt Maria (68). “Daar zit een groot verschil met de klassieke ouderenzorg. We zijn zelfstandig. We zitten niet passief te wachten tot iemand ons helpt.”

Alle bewoners huren, onder andere om meer gelijkheid te hebben tussen de bewoners. De huurprijs is hoger naargelang de grootte van het appartement. Enkele appartementen worden aan sociaal tarief verhuurd. De prijzen variëren tussen 600 en 1.400 euro per maand. Dat omvat de huur, de omkadering door Abbeyfield Vlaanderen en een provisie van de gemeenschappelijke kosten.

In ruil krijgen de bewoners een modern appartement met eigen terras en toegang tot de gemeenschappelijke ruimtes: een stadstuin, dakterras, berging, living en keuken, toilet, gastenkamer, fietsenstalling en hobbyruimte waar ook de gemeenschappelijke wasmachines staan.

Geen juridisch kader voor cohousing

Vandaag is er geen juridisch kader voor cohousing voor ouderen. Het kader dat er het dichtst bij aansluit is dat van ‘groepen van assistentiewoningen’ maar ook daar zijn nog een aantal drempels om eigen beheer te kunnen realiseren.

Marleen (74) vertelt. “In klassieke assistentiewoningen betaal je een enorm bedrag voor zorg, of je die nu nodig hebt of niet. Hier betaal je enkel voor de zorg die je nodig hebt. Je moet dat wel individueel organiseren.”

Klassieke assistentiewoningen moeten een woonassistent aanstellen. “Bij ons wordt de rol van woonassistent om beurt een maand opgenomen door een andere bewoner”, vertelt Marleen. Ook het technisch beheer van het gebouw, dat elders vaak door een syndicus gebeurt, gebeurt door de bewoners.

Het zijn twee stevige besparingen die een slok op een borrel schelen. “Gelukkig, want als je dat allemaal moet uitbesteden, heeft dat impact op de huur en zou een heel aantal van ons hier niet kunnen wonen”, vertelt Vera. “Maar er komt wel wat bij kijken. Zo vereist het technisch beheer best wat knowhow. We hebben een warmtepomp, een ingewikkeld brandalarm en een elektronisch aangestuurde klimaatregeling. Per toeval hebben we enkele mensen in huis die hier kaas van gegeten hebben.”

Wonen doe je nooit alleen

Lydia (72) kwam jaren geleden de uitspraak ‘Wonen doe je nooit alleen’ tegen in een publicatie van Oikonde en kleefde die in haar agenda. “Dat idee is altijd in mijn hoofd blijven hangen. Alleen oud worden in een te grote gezinswoning vond ik geen optie. Ik begon meer te lezen over cohousing en na een infoavond was ik verkocht.”

Enkele maanden voor de coronapandemie uitbrak, trok Lydia samen met de andere bewoners in bij De Notenkraker. “Het contrast met hoe ik hiervoor woonde, kon niet groter zijn. In het begin kwam er heel veel op mij af. Nog niet alles stond op punt: kleine dingen in het gebouw waren nog niet in orde, afspraken over gemeenschappelijke taken moesten nog uitgewerkt worden. Daarnaast heb je ook nog je privébesognes.” “Maar”, vervolgt Lydia. “Het mooie is dat je zo’n dingen met elkaar kan delen.”

Lieve, die jarenlang alleen woonde, beaamt: “Anderen voelen zich kiplekker bij die drukte, ik was in het begin soms overmand door alles. Iedereen is daar anders in, en daar is niets mis mee. Maar uiteindelijk heb je steun aan elkaar. Dat is de rijkdom van met zoveel mensen samenwonen.”

De bewoners vertellen dat het even duurde voor iedereen zijn plaats vond. Er zijn veel verschillende taken te verdelen: boekhouding van de vzw, beheer van het e-mailadres, onderhoud van de tuin, de gemeenschappelijke aankopen… “Je moet je plek vinden in de groep”, zegt Lydia. “Het is een heel diverse groep, met veel verschillende talenten. En als je dat talent kan inzetten voor de groep is dat heel fijn. Het is uiteindelijk de bedoeling dat je dingen doet die je graag doet.”

Meer dan gebouw beheren

Het samenleven met de andere bewoners houdt dus wel meer in dan enkel samen het gebouw beheren. Elke voor- en namiddag is er een koffiemoment in de gemeenschappelijke leefruimte. Het staat de bewoners vrij of ze opdagen of niet. Ook tijdens de lockdown is dit koffiemoment blijven doorgaan.

Er worden ook activiteiten georganiseerd, zoals samen koken of een spontane barbecue. Door de pandemie zijn er voorlopig minder activiteiten kunnen doorgaan dan aanvankelijk de bedoeling was.

“Voordien dacht ik dat ik heel veel in de gemeenschappelijke ruimtes zou vertoeven en weinig in mijn appartement. Maar eigenlijk is het omgekeerd”, vertelt Maria. “Dat komt ook door corona. De uitdaging is nu om dit geen gewoonte te laten worden en te kijken hoe we deze ruimte vaker op een gezellige manier samen kunnen gebruiken.”

Evenwicht zoeken

De ene bewoner is meer thuis dan de andere. En niet iedereen heeft evenveel behoefte aan meer georganiseerde activiteiten. Voor sommigen mag het wat meer zijn, voor anderen is het nu al voldoende. Het is zoeken naar een evenwicht.

“Het is niet zoals in een woonzorgcentrum dat we enkel hier zijn en niet meer weg gaan”, zegt Marleen. “We springen op onze elektrische fiets en rijden overal naartoe. Mensen bezoeken vrienden en familie, gaan op vakantie of doen vrijwilligerswerk. En als je chronische aandoeningen hebt, komen daar nog een hele reeks dokters- en kinesistenbezoeken bij.”

De Notenkraker wil ook ingebed zijn in de buurt en zoekt contacten met de buurt. “Rond ons is een mix aan gebouwen: sociale woningen, studentenkoten, appartementen, gezinshuizen… Tijdens het straattheater afgelopen zomer hebben we eerste contacten kunnen leggen”, vertelt Maria. “We hebben een bord aangevraagd waar je activiteiten in de buurt op kan aankondigen en er komt ook een boekenruilkast.”

Mooi alternatief

Zouden de bewoners het cohousen aanraden? Hun antwoord is duidelijk: het is niet voor iedereen weggelegd. “Ik vind het een heel mooi alternatief naast andere vormen van wonen”, zegt Lydia. “Maar het is echt een keuze om zo oud te worden. Je moet bereid zijn om actief deel te nemen aan het leven hier.”

“Het is soms best heftig om met zoveel mensen samen te wonen”, vertelt Vera. “Ik vind het positief, maar je moet het wel kunnen. Je moet goed kunnen communiceren, in staat zijn om conflicten uit te praten. Het is ook iets voor mensen die nog zelfstandig functioneren en voor zichzelf kunnen zorgen.”

Voor mensen met een zware zorgnood die permanent toezicht nodig hebben, is cohousen moeilijker. “Er is warm nabuurschap en sociale controle, wat voor een veilige omgeving zorgt, maar voor mensen met bijvoorbeeld dementie is dat niet voldoende”, legt Marleen uit. “Niemand van ons kan de verantwoordelijkheid opnemen dat de persoon niet buiten wandelt en er iets gebeurt.”

Actief ouder worden

“Cohousen is het perfecte antwoord voor mensen die actief oud willen worden”, zegt Lieve. “Maar je mag niet wachten tot het donker wordt voor je erin stapt. Veel mensen denken: ‘Ik wacht nog enkele jaren.’ Maar het is niet zeker dat er dan plaats vrij is in een cohousingproject.”

“Je moet afscheid kunnen nemen”, vindt Marleen. “Je moet op tijd enkele geneugten, zoals je huis, tuin en buurt, opgeven. Want anders is het misschien te laat. Door zaken op tijd op te geven, investeer je in een toekomst die nog in je eigen handen ligt.”

Bron: sociaal.net

Nota van de redactie: dit artikel is reeds enkele jaren oud, maar wordt meer en meer actueel.

Buurtzorghuis als antwoord op uitdagingen ouderenzorg: ‘Met professionals alleen gaan we er niet komen’

Het Vlaams-Brabantse Holsbeek heeft sinds vorig jaar een buurtzorghuis. Dit huis is er in de eerste plaats voor oudere mensen, maar eigenlijk is iedereen er welkom. “We zijn de nieuwe parochiezaal.”

Buurtzorghuis als kloppend hart

Met haar woonzorgcentrum, assistentieflats en kortverblijf is Woonzorgcentrum Sint-Margaretha (Zorggroep Zusters van Berlaar) in Holsbeek al sinds jaar en dag uitbater van residentiële zorg voor ouderen. Maar een jaar geleden sloegen ze een andere weg in.

Ze openden een buurtzorghuis waar iedereen welkom is. Het is het kloppend hart van ontmoeting en dienstverlening voor oudere en jongere mensen in de gemeente.

Je vindt er een aanbod dat je niet meteen onder de noemer van klassieke ouderenzorg zou plaatsen. Denk aan een eerstelijnspsycholoog, LEIF-punt, buurtrestaurant, digibank, koffiebar en ontmoetingsruimte voor lokale verenigingen. Bezoekers kunnen een begeleider aanspreken met allerhande vragen, zoals thuislevering van boodschappen of klusdiensten. 

Het doel van deze omslag? “Zorgen voor meer kwaliteit van wonen en leven in de gemeente”, vertelt directeur Dirk Doucet (60). “De beste plaats om te leven is de plaats die je het meeste levenskwaliteit toelaat. Meestal is dat thuis, soms is dat in het woonzorgcentrum.”

Van waar de keuze voor deze metamorfose?

“Dat is een proces van jaren. Het verhaal begint acht jaar geleden toen we een denkoefening deden over de toekomst. We kwamen tot de conclusie dat gewoon verder doen met enkel een residentiële woonvorm geen goed idee was. Zonder verandering zouden we op termijn niet klaar zijn. Noch voor een nieuwe generatie cliënten, noch voor een nieuwe generatie medewerkers.”

Hoezo?

“De samenleving verandert. Mensen verwachten kwaliteit van leven, ook als ze oud zijn. Dat is evident. Wie droomt er niet van mooie oude dag? Wij leverden ook erg goede fysieke zorg en de bewoners waren tevreden, maar we vergaten soms wel dat mensen hier wonen.”

“De perceptie zit ook niet mee. Woonzorgcentra werden ooit ontworpen vanuit het model van een ziekenhuis. Met verpleegkundigen, ergotherapeuten, zorgkundigen, kinesisten en een coördinerend arts. Bewoners zijn oud, maar niet steeds ziek. Ze hebben wel zorg nodig, maar het woonzorgcentrum is vooral hun thuis. Ze willen genieten, mensen ontmoeten en zelf beslissingen nemen.”

“Wij hebben in een eerste fase ons woonzorgcentrum aangepast aan die woonnood, bijvoorbeeld door over te schakelen naar kleinere woongroepen en een huiselijkere inrichting. Van de hoofdverpleegkundigen hebben we teamcoaches gemaakt. Maar we sleutelden ook aan onze manier van communiceren. Dat had effect.”

Maar jullie zijn daar niet gestopt.

“Voor veel mensen is een woonzorgcentrum niet het beste antwoord, of nog niet. Elke situatie is anders. Daar moet je als organisatie flexibel op kunnen inspelen. En dat konden wij niet.”

“We hadden naast het woonzorgcentrum wel een dagcentrum, assistentiewoningen en een kortverblijf, maar we dachten nog te veel in hokjes. Allemaal aparte teams waar overal iemand anders de intake deed. Mensen moesten elke keer opnieuw hun verhaal doen. Dat was niet goed. In eerste instantie hebben we dus de muren binnen ons eigen huis afgebroken.”

“Maar we hebben ook de sloophamer gezet tegen muren die ons afsloten van de buurt. We zijn beginnen rondkijken. Wat is er nodig? Welk aanbod bestaat er? Kunnen we samenwerken?”

“We hebben geïnvesteerd in het opbouwen van een netwerk: verenigingen, lokale overheid, het sociaal huis, apothekers, gezinszorg en huisartsen. We vroegen ons ook af wat er nog ontbrak en dat startten we dan op met de hulp van partners.”

Hoe past jullie buurtzorghuis in dit verhaal?

“Het buurtzorghuis was het antwoord in onze zoektocht naar een model waarbij niet langer ons woonzorgcentrum, maar de buurt het uitgangspunt kon zijn. De mosterd haalden we in Nederland.”

“Mensen kunnen hier binnenwandelen zonder afspraak. Het eerste dat ze tegenkomen is de koffiebar. Tijdens een kop koffie, of iets sterkers, kan er een gesprek op gang komen met een van de aanwezige trajectbegeleiders. Is er een hulpvraag dan helpt die de persoon verder. Dat kan gaan over zaken waar wijzelf een antwoord op hebben, maar vaak het gaat breder. Geraakt iemand bijvoorbeeld nog moeilijk bij de kapper, dan wordt een kapper aan huis geregeld.”

“De trajectbegeleiders spelen een belangrijke rol in het buurtzorghuis. Vroeger deden ze als sociaal werker een intake en plaatsten ze iemand op de wachtlijst. Nu is het contact met mensen dieper. Klopt iemand aan voor een plaats in het woonzorgcentrum, dan gaat de trajectbegeleider kijken waar die vraag eigenlijk vandaan komt. Misschien kan die man of vrouw met de juiste ondersteuning toch thuis blijven wonen. Heel vaak blijkt dat het geval.”

Jullie zijn nu één jaar bezig. Met succes?

“Het verschil met vroeger is enorm. Via het buurtzorghuis ondersteunen we bijna dubbel zoveel mensen als hier residentieel verblijven. De nood is blijkbaar hoog. De drempel om in een woonzorgcentrum of zelfs dienstencentrum binnen te wandelen is groot. Maar deze plek voelt voor mensen anders aan.”

“Bovendien loop je in het buurtzorghuis medewerkers van al onze diensten tegen het lijf. Zo kan het zijn dat iemand in de voormiddag van een thuisverpleegkundige verzorging kreeg, en dat men dezelfde medewerker ’s avonds voor de start van het brei- en haakcafé in het buurtzorghuis tegenkomt. Dat is een godsgeschenk op vlak van communicatie.”

Wie zijn de mensen die hier over de vloer komen?

“Dat is heel divers, en dat willen we ook. Welk petje de mensen op hebben, doet er niet toe. We willen dat hier een warme en uitnodigende sfeer heerst. Dat mensen ongedwongen kunnen samenkomen. Gewoon omdat ze daar zin in hebben of omdat een activiteit hen aanspreekt. Dat iemand die in kortverblijf is, hier gewoon met zijn buurman kan afspreken voor een koffie. Of dat een kleindochter samen met haar oma hier ’s middags kan eten.”

“De mensen die hier over de vloer komen zijn vooral mensen uit de buurt. Het gaat lang niet enkel om oudere mensen. De muziekacademie komt hier ook en vorige week vergaderde een groep vijftigers en zestigers bij een Duvel over co-housing.”

“Holsbeek had zo geen ontmoetingsplek meer. Vroeger had je parochiezalen maar die zijn jammer genoeg allemaal aan het verdwijnen. Eigenlijk zijn wij de nieuwe parochiezaal. Mensen hebben zo’n plek nodig om elkaar te ontmoeten.”

Vrijwilligerswerk is een belangrijk deel van jullie succes.

“We hebben heel veel aan onze vrijwilligers. We hebben mensen veel te lang de dingen uit handen genomen. De zorg is te veel geprofessionaliseerd. We moeten de zorg terug aan de mensen geven. En dan bedoel ik niet enkel aan vrijwilligers, maar ook aan familie, vrienden, buren.”

“Neem bijvoorbeeld de mensen die komen eten in ons buurtrestaurant. Sinds kort bedienen we ze niet meer aan tafel. Waarom? Er is aan elke tafel altijd wel iemand die nog perfect in staat is om een bord te halen voor een ander. Indien niet, kan iemand van de tafel ernaast helpen. Niet evident als mensen gewoon waren om bediend te worden. Maar van die kleine gebaren vinden wij belangrijk.”

“Begrijp me niet verkeerd. Dat sommige taken geprofessionaliseerd zijn, is natuurlijk goed. Maar met professionals alleen gaan we er niet komen. En mensen die voor elkaar zorgen zijn ook enorm waardevol.”

Wat brengt de toekomst?

“Wij zouden graag nog een fase verder gaan dan wat we nu doen, en mensen meer op maat ondersteuning bieden. Thuis, maar ook bijvoorbeeld in co-housingprojecten voor oudere mensen.”

“De residentiële ouderenzorg zal altijd nodig blijven, zeker voor mensen met zware cognitieve problemen. Zij kunnen niet altijd thuis geholpen worden. Maar vandaag ziet het wonen in een woonzorgcentrum er voor iedereen hetzelfde uit. Iedereen krijgt een kinesist, ergotherapeut, psycholoog, noem maar op. Het is eenheidsworst. Dat is verschrikkelijk. Niet iedereen heeft al die dingen nodig.”

Hoe doorbreken we dit?

“Er moet veel meer flexibele regelgeving komen. Sommige regels houden steek, maar heel vaak ook niet. De overheid redeneert nog veel te veel in vakjes. Het absurde is dat dezelfde overheid ons wel vraagt om geïntegreerd te werken. Het woonzorgcentrum, dienstencentrum, thuisverpleging: het zijn allemaal aparte entiteiten voor de overheid. Terwijl het nu net het moment is om alles open te gooien en met elkaar te verbinden.”

“Alles is zo strikt in regeltjes gegoten dat het ons verlamt. Ik geef een voorbeeld. Stel er is een cliënt die hier heel vaak komt en aan de overkant van de straat woont. Op een nacht belt ze ons, want ze is gevallen. Dan mag de verpleegkundige theoretisch gezien niet de straat over steken en die vrouw gaan helpen. Want dan is er geen verpleegkundige meer in het woonzorgcentrum en dat is verboden.”

Gaat het dan vooral om een overdaad aan regels rond het inzetten van medewerkers?

“Dat is slechts één element. Het wonen zelf is bijvoorbeeld sterk gereglementeerd. Zo is er weinig tot geen ruimte om co-housingprojecten voor oudere mensen met een zorgondersteuning op te zetten. Zo’n projecten lopen het risico veroordeeld te worden als clandestien woonzorgcentrum.”

“Dat er controle nodig is vanuit de overheid is evident. Maar het gaat te ver, want het zorgt ervoor dat je als initiatiefnemer vast komt te zitten. En ja, ik lees ook de verhalen over wantoestanden bij bepaalde spelers in de ouderenzorg. Vreselijk vind ik dat. Maar wat is dan de reactie? Nog meer inspectie. Nog meer kwaliteitseisen. Nog meer registreren.”

“In plaats van na te denken hoe het komt. We hebben dringend nood aan een breed maatschappelijk debat. Het gaat per slot van rekening over iedereen zijn toekomst.”

Hoe slagen jullie er dan toch in om zo’n buurtzorghuis uit de grond te stampen?

“Het idee en de uitvoering van dit buurtzorghuis komt niet van mij, maar uit de koker van de medewerkers en bestuurdersHet gebouw was gedeeltelijk gesubsidieerd, maar we krijgen geen aparte financiering voor de werking. Dus het is puzzelen met een halftijdse van kortverblijf hier, een medewerker van het dienstencentrum daar, enzovoort. Het is continu zoeken en dat vergt heel veel energie.”

Kan een buurtzorghuis als dat van jullie een woonzorgcentrum vervangen? De generatie babyboomers wil later helemaal niet naar een woonzorgcentrum, blijkt uit onderzoek.

“Er zal altijd een groep mensen zijn waarvoor het op een bepaald moment ook thuis niet meer lukt omdat de zorgvraag te groot wordt. Er zullen dus altijd woonzorgcentra nodig zijn.”

“De keuze voor een buurtzorghuis is voor ons een principekwestie. Hoe bieden we zo goed mogelijke kwaliteit van leven, waar iemand ook woont? De overheid zou het wel als businesscase kunnen bekijken. Ik ben er zeker van dat we met ons buurtzorghuis de overheid enorm veel geld besparen doordat mensen niet te vroeg in een woonzorgcentrum of een ziekenhuis belanden.”

Bron: Sociaal.net