by admin | sep 4, 2024 | Sectoren
Dit artikel is geschreven vanuit een kantoor in een Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), in een van de steden met de grootste vraag naar sociale bijstand. Elke dag staan er eindeloze rijen mensen, vaak met een migratie-achtergrond, te wachten om gehoord te worden door een maatschappelijk werker, in de hoop licht te vinden aan het einde van de tunnel van onvermoeibare discriminatie en dagelijkse strijd voor een waardig leven. Deze rijen, deze gezichten, deze verhalen resoneren met mijn eigen ervaring als voormalig hulpzoekende, nu zelf sociaal werker. De bestaansonzekerheid is nog lang niet verdwenen, maar we hopen er tenminste een beetje waardigheid aan te kunnen toevoegen.
De mensen met wie we elke dag te maken hebben, bevinden zich in dezelfde situatie als ik enkele jaren geleden. Als alleenstaande moeder stond ik vaak voor diezelfde kantoren. Vandaag sta ik aan de andere kant van het loket en probeer ik diegenen die het nodig hebben te ondersteunen. De afstand tussen de begunstigden en de maatschappelijk werkers is miniem. We zijn zelfs slechts enkele stappen verwijderd van de vreselijke onzekerheid die ons in dezelfde situatie kan brengen als degenen die we helpen.
Er is meer nodig dan nieuwe software
Naast het ontoereikende loon staan ook onze arbeidsomstandigheden op het spel. We werken vaak met onzekere contracten die enkel hernieuwbaar zijn op basis van beschikbare subsidies. We zijn afhankelijk van de kruimels die van de tafel vallen, zoals opgemerkt in een opiniestuk van activisten van ‘Travail Social en Lutte’. Dat opiniestuk werd op 7 juni afgegeven aan Karine Lalieux (PS), de federale minister van Pensioen en Sociale Integratie die tevens bevoegd is voor mensen met een beperking en voor armoedebestrijding. Kruimels volstaan niet om ons uit de onzekerheid te halen, noch om effectieve hulp te bieden aan mensen die wanhopig wachten op steun van de overheid, steun die vaak niet komt.
De brief van Travail Social en Lutte werd afgegeven door een groep activisten, zowel personeelsleden als gebruikers van diensten. We verzamelden voor het kantoor van minister Lalieux om onze verontwaardiging te uiten over de precaire werkomstandigheden en over het in de steek laten van mensen in kwetsbare situaties. Ondanks onze vreedzame bedoelingen werden we agressief benaderd door private bewakingsagenten. Die waren ingehuurd door het kabinet om de “orde te handhaven.” Het doel was om ons uiteen te drijven en van het kabinet een ontoegankelijk fort te maken. Dit incident illustreerde op treffende wijze de groeiende kloof tussen het beleid en de dagelijkse realiteit van sociaal werkers en gebruikers.
We lieten er ons niet door ontmoedigen. Het stimuleerde onze vastberadenheid enkel maar. Deze ervaring toont nogmaals het systematische geweld waar we elke dag mee te maken krijgen: geweld dat zich niet enkel uit in hongerlonen en onzekere contracten, maar ook in fysieke onderdrukking als we proberen onze stem te laten horen. De symbolische actie van het overhandigen van een opiniestuk had tot doel om onze eisen te verduidelijken en om de eenheid van sociaal werkers en gebruikers van onze diensten te versterken in strijd.
Vaak worden nieuwe programma’s en werkwijzen voorgesteld als een hulpmiddel om de dienstverlening te verbeteren. Deze hulpmiddelen zijn dikwijls even duur als een voltijdse collega met een degelijk contract. Deze paradox toont een diep onbegrip van de realiteit van ons werk en de werkelijke behoeften op het werkveld. Investeringen moeten gericht zijn op mensen, op stabiele, goed betaalde jobs, in plaats van op technologische oplossingen die vaak los staan van de echte problemen.
Zo voerde de minister het REMI-systeem in, het referentiebudget voor een menswaardig leven. Deze toepassing is ontworpen om de behoeftes van mensen te evalueren en de hulp daarop af te stemmen. Er is 70 miljoen euro van de middelen voor armoedebestrijding uitgetrokken om dit instrument in de OCMW’s in te voeren, waarvan een groot deel zal worden gebruikt om licenties te betalen aan een privébedrijf. Het wordt voorgesteld als een instrument om meer rechtvaardigheid te bekomen en de toewijzing van sociale bijstand te vergemakkelijken, maar in de praktijk heeft het de neiging om de dienstverlening af te bouwen en het werk van de sociaal werkers mechanischer te maken. Het versterkt het beleid van controle in dienst van de neoliberale ideologie.
Verzet organiseren
Travail Social en Lutte is een actiegroep die mensen uit alle lagen van de bevolking verenigt. Dit is vandaag meer dan ooit nodig, onder meer om in te gaan tegen de rechtse retoriek over werklozen. De activisten van Travail Social en Lutte leggen nadruk op hoe uitbuiting werkt en koppelen bijvoorbeeld de feministische strijd aan de zorg voor minderjarigen in moeilijkheden in precaire gezinnen. We werken regelmatig samen met een gelijkaardig initiatief langs Nederlandstalige kant: Sociaal Werkers in Actie.
Als sociaal werkers moeten we vluchtelingen begeleiden zonder duurzame oplossingen te kunnen bieden. De overheid wil niet dat we die mensen echt helpen. Dat past immers niet in het beeld dat de rechtse politici zelf verspreiden in de media om de angst op te kloppen. Daartoe worden zelfs betrouwbare statistische data aan de kant geschoven. Tegenover hun campagne om onzekerheid en isolement te versterken, is ons centraal uitgangspunt de noodzaak van solidariteit.
We organiseren ons om te strijden en om op te komen voor een samenleving die feministisch, sociaal en strijdbaar is. Geïnspireerd door onze Franse collega’s van Travail Social en Lutte hopen we een nieuwe frisse wind te laten waaien op basis van offensieve eisen. Internationale solidariteit is essentieel. In België, Frankrijk en elders voeren sociaal werkers dezelfde strijd. Elkaar steunen en samen mobiliseren, is nodig om betere werkomstandigheden af te dwingen en zo ook de mensen die we helpen beter te kunnen bijstaan. Samen kunnen we de bakens verzetten en bouwen aan een toekomst waarin waardigheid en sociale rechtvaardigheid geen loze woorden zijn, maar concrete realiteiten.
Meer informatie: travailsocialenlutte.collectifs.net
Bron: SOCIALISME.BE
by admin | sep 4, 2024 | Sectoren
Onlangs kopte De Standaard: “Tien dagen ouderschapsverlof, daarmee moeten jonge vaders het vandaag doen.” Hoewel het sentiment achter deze kop, namelijk het feit dat jonge ouders beter verdienen, zeker te verdedigen valt, zitten er een aantal fouten in verborgen.
Socialezekerheidsregelingen mogen (en moeten!) met een kritische blik benaderd worden, maar we moeten ervoor oppassen dat we geen kritiek geven op de verkeerde punten, en geen aanpassingen eisen die de facto een verslechtering van de situatie tot gevolg hebben. Om het juiste te kunnen vragen, is wat juridische context nodig.
Laten we even de terminologie bekijken. Rond het ouderschap zijn drie soorten ‘verlofstelsels’ van belang:
Moederschapsrust: dit is het geheel van rustperiodes waar een zwangere werknemer recht op heeft. De moederschapsrust bestaat uit twee onderdelen: de voorbevallingsrust (prenatale rust, gewoonlijk zes weken) en de nabevallingsrust (postnatale rust, gewoonlijk negen weken).
Geboorteverlof: de biologische vader of de tweede ouder (dit is de partner van verschillend of hetzelfde geslacht die op het ogenblik van de geboorte gehuwd of samenwonend is met de moeder) kan tien dagen gewettigd afwezig zijn van het werk in de loop van vier maanden na de bevalling. Vroeger heette dit het ‘vaderschapsverlof’. Omwille van de progressieve benadering van wie de tweede ouder kan zijn, werd deze term aangepast in de wetgeving.
Ouderschapsverlof: biologische of tweede ouders die meer tijd willen om bij hun kind(eren) te zijn, kunnen ouderschapsverlof opnemen. Het ouderschapsverlof kan door elk van beide ouders worden opgenomen voor een voltijdse periode van vier maanden, maar kan ook deeltijds opgenomen worden (bijvoorbeeld halftijds gedurende acht maanden).
De kop in de Standaard gebruikt dus eerst en vooral foute terminologie (‘ouderschapsverlof’ in plaats van ‘geboorteverlof’). Het klopt dat het geboorteverlof slechts 10 dagen bedraagt, maar het klopt allesbehalve dat “jonge vaders het daarmee moeten doen”. Er is naast het geboorteverlof namelijk ook nog het ouderschapsverlof. Trouwens, het enkel en alleen verwijzen naar een vader als mogelijke tweede ouder is anno 2024 op zijn minst achterhaald te noemen.
Merk op dat hierboven voor de verschillende afwezigheden verschillende termen worden gebruikt, namelijk verlof en rust. In essentie wijzen beide termen op het feit dat een werknemer gedurende een bepaalde periode afwezig blijft van het werk. De semantiek van de termen is echter volledig verschillend. In het geval van ‘verlof’ ligt de nadruk op het vragen van toestemming aan de werkgever om afwezig te blijven van het werk. In het geval van ‘rust’ ligt de nadruk op de noodzaak om te rusten, te bekomen na een periode van ziekte, inspanning of vermoeidheid.
Wanneer we het ouderschap bekijken in de wet, vinden we samenstellingen met de term ‘rust’ logischerwijze enkel terug wanneer de afwezigheid van het werk de moeder betreft die zwanger is en bevalt van het kind. Voor de vader of de tweede ouder vinden we samenstellingen met de term ‘verlof’. Deze termen zijn door onze wetgever bewust gekozen bij het opstellen van de eerste socialezekerheidsregelingen, en weerspiegelen in die tijd gangbare maatschappelijke ideeën.
Hoewel dus bij aanvang de nadruk werd gelegd op de rust die de vrouw nodig had om zich voor te bereiden op de bevalling, en achteraf om te herstellen van de zwangerschap en de bevalling, is de aandacht in de loop van de tijd verschoven. De moederschapsrust is er niet enkel omwille van de medische consequenties, maar geeft ook aan de jonge moeder de mogelijkheid om een band op te bouwen met haar kind. Vanuit die gedachte kon de redenering dat ook de vader of de tweede ouder van gelijk welk geslacht diezelfde mogelijkheid dient te krijgen, niet uitblijven. Dit is een zeer positieve evolutie. In deze sfeer (de mogelijkheid om een band met het kind op te bouwen) stellen dat enkel moeders moederschapsrust nodig hebben, is discriminatoir! Men erkent vaders en tweede ouders dan niet in hun rol als ouder. Beide ouders staan hier op gelijke voet, en zouden dezelfde mogelijkheden moeten krijgen. Voorstellen die een uitbreiding van het geboorteverlof beogen, zijn dus zeker aan te moedigen.
Men mag echter niet uit het oog verliezen dat wat het medische aspect (de zwangerschap en de bevalling) betreft, de ouders niet op gelijke voet staan. De vrouw die bevalt van het kind, heeft, naast de mogelijkheid om een band op te bouwen met het kind, ook nog steeds de nood aan lichamelijk herstel. Haar dit ontzeggen of afnemen, is ook discriminatoir! In veel landen zien we gebeuren dat het geboorteverlof en ouderschapsverlof voor de vaders en tweede ouders sterk uitgebreid wordt. Dit wordt dan meteen kritiekloos aanzien als iets positief, een na te streven doel, ook voor België. Maar vervolgens stellen we vast, dat in deze landen het geboorteverlof enkel en alleen kan uitgebreid worden doordat de moeder een stuk van haar nabevallingsrust opgeeft aan de vader of tweede ouder, of dat het ouderschapsverlof gedeeld moet worden onder de ouders, en zij bijgevolg niet allebei recht hebben op de volledige periode. Het staat mooi om als land te zwaaien met schijnbaar positieve mogelijkheden voor jonge ouders om meer tijd met hun kind(eren) door te brengen, maar de moeder nabevallingsrust afnemen ten gunste van de tweede ouder, of het ouderschapsverlof laten delen onder de ouders is allesbehalve positief te noemen. Een werkelijke uitbreiding van het geboorteverlof voor de tweede ouder zou een beter streefdoel zijn.
We moeten beter willen voor onze jonge ouders! Laten we niet in de val trappen van schijnbaar positieve maatregelen. Voor een sociale zekerheid die mogelijkheden geeft aan iedereen die daar nood aan heeft, en die niet enkel mogelijkheden kan geven aan een groep door ze van een andere groep af te nemen!
Bron: SOCIALISME.BE
by admin | sep 4, 2024 | Verkiezingen 2024
De koning duidt Bart De Wever (N-VA) deze namiddag waarschijnlijk opnieuw aan als federaal formateur. De partijen beslisten gisteravond dat de onderhandelingen een doorstart kunnen maken na de bemiddelingsopdracht van Maxime Prévot (Les Engagés). De befaamde ‘supernota’ zou voorlopig niet meer op tafel liggen.
Na 10 dagen zit de bemiddelingsopdracht van Maxime Prévot (Les Engagés) erop. Hij kreeg de opdracht om te onderzoeken of er nog toekomst zit in een zogenoemde Arizona-coalitie met N-VA, Vooruit, CD&V, MR en Les Engagés.
Gisterenavond kwamen de partijen een laatste keer samen voor Prévot deze namiddag naar de koning moet. De sfeer was “respectvol en goed”, liet CD&V-voorzitter Sammy Mahdi achteraf weten via Instagram.
Hete hangijzers uitstellen
De 5 partijen zien het nog steeds zitten om samen de volgende federale regering te vormen. Dat is de boodschap waarmee Prévot straks naar het Paleis trekt. Hij geeft het stokje hoogstwaarschijnlijk door aan De Wever, die een tweede kans krijgt als formateur.
De partijen bespraken gisterenavond hoe ze de onderhandelingen nieuw leven willen inblazen en een snelle mislukking kunnen vermijden. De zogenoemde supernota verdwijnt voorlopig van tafel. Die grote socio-economische nota vormde de basis voor hervormingen in de belastingen, pensioenen en de arbeidsmarkt. Het uitblijven van een akkoord deed de onderhandelingen vastlopen enkele weken geleden.
De partijen willen daarom nu eerst focussen op onderwerpen die minder gevoelig liggen. Het gaat bijvoorbeeld om defensie, veiligheid, migratie en energie. Onderhandelingen daarover moeten het vertrouwen tussen de partijen verder herstellen en versterken. Alleen dan lijkt er een mogelijkheid om zich opnieuw aan de supernota – of wat daar nog van over zal blijven – te wagen.
Niet voor lokale verkiezingen
Het lijkt uitgesloten dat de partijen zich daar nog voor de lokale verkiezingen van 13 oktober aan wagen. De komende 6 weken ligt de focus van onderhandelaars als De Wever, Conner Rousseau (Vooruit) en Georges-Louis Bouchez (MR) op het veiligstellen of binnenhalen van de burgemeesterssjerp in hun thuisstad.
Bron: VRT.NWS
by admin | sep 4, 2024 | Verkiezingen 2024
Maandag trekt bemiddelaar Maxime Prévot (Les Engagés) naar de koning. De kans is reëel dat hij extra tijd krijgt. Meerdere Arizona-partijen willen de controversiële socio-economische nota van ex-formateur Bart De Wever (N-VA) op de lange baan schuiven.
De supernota van Bart De Wever gaat de koelkast in. Dat is althans wat meerdere partijen binnen de onderhandelende Arizona-coalitie van N-VA, Vooruit, CD&V, MR en Les Engagés wensen.
Die ingreep moet voor rust in de tent zorgen. De socio-economische nota, met daarin voorstellen over fiscaliteit, arbeidsmarkt en pensioenen, leidde ruim een week geleden tot een crisis. Toenmalig formateur De Wever bood zijn ontslag aan bij de koning, en Georges-Louis Bouchez (MR) stak zijn frustratie over die beslissing – en over de nota – niet onder stoelen of banken.
Daarna ging het van kwaad naar erger. Een lek van de cijfertabel achter de supernota deed de pudding helemaal in elkaar zakken. Iedereen kon nu meekijken naar de netto lastenverlaging van 3 miljard euro, maar ook, bijvoorbeeld, naar de halvering van het budget voor ontwikkelingssamenwerking.
Vooruit, de meest linkse partij binnen Arizona, kreeg het lastig na aanvallen van de socialistische vakbond ABVV en zusterpartij PS. Kort daarop kondigde PS-voorzitter Paul Magnette aan niet langer de sjerp van Charleroi te wensen – die kans komt nu zijn vertrouweling Thomas Dermine toe. Magnette wil zich smijten in de Kamer, als oppositieleider tegen een volgende regering.
Koning Filip stuurde Maxime Prévot het veld in als bemiddelaar. De opdracht was duidelijk: er moest niet naar een nieuwe mogelijke coalitie gezocht worden – er zijn nochtans andere meerderheden mogelijk. Wel moest Prévot ‘de standpunten van de verschillende partijen dichter bij elkaar brengen zodat de onderhandelingen zo snel mogelijk kunnen worden hervat’.
Bartje premier
De afgelopen dagen organiseerde Prévot verschillende bilaterale gesprekken én een plenaire vergadering met alle partijvoorzitters. Al draaide die bijeenkomst vooral rond de benoeming van de nieuwe Europese commisaris, een voorrecht dat uiteindelijk in de schoot van de MR belandde. Zondagavond is er opnieuw een onderonsje.
Gedurende de week en het weekend toonden verschillende partijen zich van hun beste kant. In meerdere kranteninterviews verbond Georges-Louis Bouchez zijn lot aan dat van de N-VA. De MR zal niet in een regering stappen zonder de Vlaams-nationalisten, en De Wever blijft zijn geliefkoosde kandidaat-premier, aldus GLB.
In De Zevende Dag waarschuwde CD&V-kopstuk Vincent Van Peteghem zondagochtend voor een ‘verlaging van het algemene ambitieniveau’. De christendemocraat wil niet alleen dat Arizona overleeft, maar ook grondig hervormt. ‘Ik kan niet aanvaarden dat we de ambities gaan achteruit stellen.’ Als dat toch zou gebeuren, dreigt Arizona in ‘de situatie van Vivaldi’ te belanden, aldus Van Peteghem.
MR aast op grote steden
Met het doorschuiven van de moeilijkste knelpunten zou de federale regeringsvorming sterk beginnen te lijken op de Vlaamse, die hetzelfde principe hanteert. De vraag is hoelang de nota in de koelkast verdwijnt. Het geloof in een nieuwe regering vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 13 oktober is klein. Al was het maar omdat de gedachten van kandidaat-burgemeesters De Wever (Antwerpen), Vooruit-voorzitter Conner Rousseau (Sint-Niklaas) en Prévot (Namen) afdwalen naar het lokale niveau.
Zondag tekende Bouchez, kandidaat in Bergen, present bij de aftrap van de MR-campagne. ‘We moeten het werk afmaken’, zei de Waal. ‘We moeten de controle nemen in de grote steden van Wallonië en Brussel en mee aan de macht komen op plaatsen waar we nog niet in het bestuur zaten.’ Hoeveel mentale ruimte en compromisbereidheid hebben de partijvoorzitters over voor de federale onderhandelingen?
Bovendien is het onzeker in welke mate de onderhandelaars kunnen ‘doorpakken’ tijdens de – op het eerste gezicht eenvoudige – onderhandelingen over minder grote beleidsdomeinen. Zo waren hervormingen op het vlak van asiel en migratie in de cijfertabel van de supernota goed voor een besparing van maar liefst 1,5 miljard euro. Het ene is dus verbonden met het andere.
Bron: KNACK.BE
by admin | sep 4, 2024 | Varia
Hoe bouwen we aan een samenleving die vastberaden en verenigd is in haar streven naar rechtvaardigheid en gelijkheid?
De recente verkiezingsuitslag, waarbij Vlaams Belang met 1 miljoen stemmen de grootste partij werd in drie van de vijf Vlaamse provincies, klinkt als een dreigende stormklok door onze samenleving. De opmars van extreemrechts in Vlaanderen en Europa is een indringende oproep tot reflectie en actie: hoe kunnen we deze verontrustende trend keren, onze democratische fundamenten versterken en weerstand bieden tegen deze gevaarlijke ontwikkeling? Hoe bouwen we aan een samenleving die vastberaden en verenigd is in haar streven naar rechtvaardigheid en gelijkheid?
UNIVERSELE MENSENRECHTEN
In het hart van deze strijd ligt de onmiskenbare kracht van universele mensenrechten. Deze rechten zijn geen abstracte idealen, maar vormen het morele fundament waarop een rechtvaardige samenleving is gebouwd – aangezien iedereen, ongeacht afkomst, geslacht, religie of seksuele geaardheid, gelijke kansen en bescherming verdient. Extreemrechts verwerpt deze essentiële principes en kiest voor een politiek van uitsluiting en discriminatie. Het verdedigen van mensenrechten is dan ook geen vrijblijvende keuze, maar een dringende noodzaak. Onze strijd tegen onrecht, zoals racisme en discriminatie, moet niet enkel voortkomen uit persoonlijke ervaringen, maar vooral uit een diepgeworteld moreel besef dat deze vormen van onrecht intrinsiek verkeerd zijn. Dit morele fundament bindt ons en stelt ons in staat om gezamenlijk op te staan tegen elke vorm van uitsluiting en onderdrukking.
Racisme is niet verwerpelijk omdat iemand er slachtoffer van is; het is verwerpelijk omdat het moreel onaanvaardbaar is. Het is daarom van belang te benadrukken dat het verzet tegen racisme niet enkel een zaak is van de specifieke groepen die er direct door getroffen worden. Iedereen, ongeacht afkomst, draagt de verantwoordelijkheid om racisme te bestrijden vanuit een principiële overtuiging van universele rechtvaardigheid. Een witte persoon hoeft geen ‘bondgenoot’ te zijn van de zwarte gemeenschap in de strijd tegen racisme, want bondgenootschap impliceert een tijdelijke samenwerking om tactische redenen. Principiële tegenstanders van racisme zijn echter gedreven door een fundamenteel geloof in rechtvaardigheid dat verder reikt dan een tijdelijk tactisch voordeel.
Bovendien mag racisme – zeker niet in deze ‘age of feelings’ – afgemeten worden aan persoonlijke ervaringen of emoties. Zo lopen we het gevaar dat de definitie ervan zo rekbaar wordt dat iedereen zich overal en altijd racistisch bejegend kan voelen. Racisme moet echter voldoen aan een scherpe, objectieve definitie en rationeel getoetst worden. Zonder dit fundament vervaagt het begrip, en verliest het aan kracht en betekenis.
Dit sluit aan bij een breder fenomeen waarin ‘de waarheid’ steeds minder via de rede wordt bereikt en steeds meer gebaseerd is op persoonlijke ervaringen. Deze verschuiving heeft de deur geopend naar ‘alternative facts’ en een post-truth tijdperk, waar meningen feiten zijn geworden en feiten slechts meningen. In een dergelijke wereld dreigt racisme, evenals andere cruciale begrippen, te worden gerelativeerd tot een willekeurige interpretatie, waardoor de strijd tegen werkelijk onrecht aan slagkracht inboet.
VERBONDENHEID
Onze reactie op de opkomst van extreemrechts moet verder reiken dan de bescherming van individuele rechten. We moeten ook aandacht hebben voor de bredere maatschappelijke context waarin deze rechten moeten worden gewaarborgd.
Onderwijs speelt hierbij een cruciale rol. Zoals Martha Nussbaum in Niet voor de winst (2013) onderstreept, heeft de verwaarlozing van de geesteswetenschappen in zowel de VS als Europa geleid tot een verschuiving in het onderwijs, waarbij succes voornamelijk wordt gemeten aan economische prestaties. Dit neoliberaal denken draagt bij aan de uitholling van ons democratisch weefsel, omdat het burgers vormt die vooral worden beoordeeld op hun economische waarde, in plaats van hun vermogen om kritisch te denken, ethisch te handelen en solidair te zijn met anderen. Onderwijs moet jongeren niet alleen toerusten met kennis en vaardigheden, maar hen ook een moreel kompas meegeven waarmee ze zich kunnen verzetten tegen onrechtvaardigheid en kunnen bijdragen aan een inclusieve samenleving.
Een bloeiende democratie vereist meer dan goed onderwijs; het vraagt om een diep gevoel van verbondenheid binnen de samenleving. Democratie gedijt namelijk pas echt wanneer er een cohesie bestaat die verder reikt dan economische en politieke belangen, een gedeeld gevoel van identiteit dat de samenleving als geheel omarmt.
De term democratie, afgeleid van het Griekse demos (volk), duidt erop dat democratie niet slechts draait om procedures en instituties. Het gaat om een dieperliggende sociale samenhang. Zonder gedeelde waarden en verantwoordelijkheden verliest democratie haar ziel en haar slagkracht.
Politieke filosofen als Will Kymlicka en David Miller hebben overtuigend aangetoond dat bepaalde vormen van ‘liberaal nationalisme’ hand in hand kunnen gaan met de waarden van de Verlichting. Een gemeenschappelijke taal en een gedeelde, maar dunne nationale identiteit – gescheiden van religie en etniciteit – zijn zelfs noodzakelijk om een politiek van vrijheid, gelijkheid en solidariteit te realiseren. Zoals John Stuart Mill al in 1861 waarschuwde: “Free institutions are next to impossible in a country made up of different nationalities.” Zonder een gedeeld gevoel van identiteit en verbondenheid wordt het vormen van een verenigde publieke opinie, de kern van een representatieve democratie, haast onmogelijk.
Maar deze verbondenheid mag nooit ontaarden in een bekrompen, exclusieve identiteitspolitiek. Een gezonde democratie omarmt diversiteit en zoekt actief naar manieren om verschillen te overbruggen, niet om ze te verankeren in gescheiden identiteiten. Het concept van ‘grondwetspatriottisme’, zoals voorgesteld door Jürgen Habermas, biedt hier een inspirerend perspectief: een gedeelde identiteit gebaseerd op de gemeenschappelijke toe-eigening van constitutionele principes, in plaats van op etnische of religieuze banden. Dit idee kan zelfs op grotere schaal toegepast worden, bijvoorbeeld binnen de Europese Unie. Martha Nussbaum benadrukt ook het belang van een patriottisme dat fungeert als politieke emotie, die mensen aanmoedigt om samen te leven en voor elkaar te zorgen. Maar, waarschuwt zij, dit patriottisme moet nooit leiden tot uitsluiting of het verdraaien van de geschiedenis; het moet juist een kracht zijn die samenleven in diversiteit bevordert.
MEDIA
De rol van de media in dit alles kan niet worden onderschat. Ze spelen een cruciale rol in het vormgeven van de publieke opinie en het ondersteunen van onze democratische processen. Verantwoordelijke journalistiek zou moeten streven naar eerlijke, feitelijke en evenwichtige verslaggeving, en weerstand moeten bieden aan de verleiding van sensatiezucht en polarisatie. Helaas zien we dat deze principes in het huidige medialandschap steeds vaker worden ondermijnd door een marktgerichte logica die clickbait en sensatie boven waarheidsvinding stelt. Deze ontwikkeling is bijzonder gevaarlijk.
In een samenleving waar oppervlakkige berichtgeving de norm wordt, raken fundamentele waarden zoals het vermoeden van onschuld bedreigd. Onder het motto ‘waar rook is, is vuur’ worden individuen zonder eerlijk proces publiekelijk veroordeeld, wat niet alleen de betrokkenen schaadt, maar ook het vertrouwen in de rechtstaat uitholt. De rechtstaat, ondanks zijn tekortkomingen, is vaak het laatste bastion dat waarheidsvinding nastreeft. Wanneer de media, gedreven door sensatiezucht, voortijdige oordelen vellen die later door de rechterlijke macht worden gecorrigeerd, ontstaat volkswoede en een diepgeworteld wantrouwen jegens de rechtstaat.
Het is daarom van vitaal belang dat de media niet alleen ruimte bieden aan diverse stemmen en perspectieven, maar ook hun verantwoordelijkheid nemen om een geïnformeerde en betrokken samenleving te ondersteunen. Een weerbare samenleving, bestand tegen de verleidingen van populisme en extremisme, kan alleen bestaan als de media hun rol als waakhond van de democratie serieus nemen en verslaggeving bieden die de waarheid, hoe complex ook, centraal stelt. Alleen dan kan journalistiek bijdragen aan een constructief maatschappelijk debat en helpen om de fundamenten van onze democratie te versterken, in plaats van ze te ondermijnen.
VERLICHTINGSIDEALEN
Tot slot is het belangrijk in onze strijd tegen extreemrechts dat we de kracht en relevantie van de Verlichtingsidealen herwaarderen: universaliteit van de rede, vrijheid van onderzoek, democratie, rechtstaat, enzovoort. Deze principes vormen de fundamenten van onze moderne samenleving en zijn meer dan historische overblijfselen; ze zijn de ruggengraat van een rechtvaardige en vrije wereldorde. Het is daarom gevaarlijk en kortzichtig om deze idealen enkel te reduceren tot instrumenten van kolonialisme of om ze af te schilderen als inherent patriarchaal, heteronormatief of cisgendernormatief.
Verlichtingsdenkers zoals Immanuel Kant en Denis Diderot hadden juist de ambitie om universele waarden te formuleren die de grenzen van het Europese continent zouden overstijgen. Zij probeerden de wereld te begrijpen door de ogen van anderen, inclusief niet-Europeanen, en hun werk legde de basis voor de mondiale ethiek waar we vandaag nog steeds naar streven. Uiteraard is geen enkel project perfect, en de Verlichting – en haar denkers – ontsnappen niet aan kritische reflectie. Verbeteringen zijn noodzakelijk om deze idealen te actualiseren en inclusiever te maken. Maar de groeiende argwaan jegens deze idealen ondermijnt vandaag onze gezamenlijke strijd tegen de opmars van extreemrechts.
Deze argwaan is niet zonder gevaar. Ze voedt een destructief wantrouwen in de instellingen die gebouwd zijn op de fundamenten van de Verlichting: onze democratische processen, de rechtstaat, en de vrijheid van meningsuiting. Als we deze principes verzwakken of verwerpen, openen we de deur voor extremistische krachten die deze fundamentele waarden willen ondermijnen en vervangen door hun eigen, uitsluitende ideologieën. Het is daarom van cruciaal belang dat we de Verlichtingsidealen niet alleen verdedigen, maar ook actief promoten als de beste waarborgen voor een rechtvaardige en inclusieve samenleving.
Bron: SAMPOL.BE