Afgestemd opvoedenvertrouwen op het pedagogisch kompas

Afgestemd opvoedenvertrouwen op het pedagogisch kompas

Jürgen Peeters werkt ruim 30 jaar met ouders en professionals in jeugdzorg, kinderopvang en onderwijs. Hij is oprichter van het Netwerk Afgestemd Opvoeden en medezaakvoerder van ‘De Onderstroom’, een praktijk voor psychotherapie, vorming, supervisie en coaching. Met Afgestemd opvoeden deelt hij niet alleen zijn rijke ervaring, maar ook zijn persoonlijke zoektocht naar verbinding, veerkracht en zinvolheid in opvoeding.

In een wereld waar tradities vervagen en opvoeden steeds meer voelt als balanceren op een dunne koord, biedt Afgestemd Opvoeden:Vertrouwen op het pedagogisch kompas een helder antwoord. Met zijn decennialange ervaring in jeugdzorg, onderwijs en kinderopvang gidst Jürgen Peeters ouders en professionals door de complexe uitdagingen van vandaag.

Hoe kunnen we echt in verbinding blijven met onze kinderen in een maatschappij die ons voortdurend afleidt? Wat leren kinderen ons met hun gedrag, en hoe kunnen we daarop afstemmen in plaats van ertegenin te gaan? Dit boek biedt niet alleen concrete handvatten voor dagelijks opvoeden, maar plaatst opvoeding ook in een breder maatschappelijk kader.

Met scherpe inzichten, praktijkvoorbeelden en een blik op thema’s zoals leiderschap, zelfsturing, digitalisering, stress, diversiteit, scheiding, weerbaarheid, seksualiteit en gender, geeft Jürgen ouders en opvoeders een krachtig pedagogisch kompas. Of je nu ouder bent, leerkracht of professional in de jeugdzorg, Afgestemd Opvoeden is een uitnodiging om opvoeding opnieuw te bekijken, als een levenslange kans om samen te groeien – met vertrouwen, verbinding en zinvolheid als fundament.

Dit boek helpt je zowel je kind beter te begrijpen, als jezelf als opvoeder.

Over de auteur

Jürgen Peeters werkt ruim 30 jaar met ouders en professionals in jeugdzorg, kinderopvang en onderwijs. Hij is oprichter van het Netwerk Afgestemd Opvoeden en medezaakvoerder van ‘De Onderstroom’, een praktijk voor psychotherapie, vorming, supervisie en coaching. Met Afgestemd opvoeden deelt hij niet alleen zijn rijke ervaring, maar ook zijn persoonlijke zoektocht naar verbinding, veerkracht en zinvolheid in opvoeding.

Verkrijgbaar via Bol.com

Vooral ambtenaren en Vlamingen zien hun loon graag komen: zo (on)tevreden bent u met uw salaris

Vooral ambtenaren en Vlamingen zien hun loon graag komen: zo (on)tevreden bent u met uw salaris

Nee, echt wild worden Belgen niet van het bedrag dat op het einde van de maand op hun rekening verschijnt. Slechts 16 procent van de werknemers is echt tevreden met zijn salaris. Zo’n 5 procent is ronduit ontevreden. Dat blijkt uit een bevraging die hr-dienstverlener Partena en arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) hebben uitgevoerd bij 2.000 Belgische werknemers.

Wie een goed loon wil, woont maar beter in Vlaanderen of Brussel, blijkt uit het onderzoek. Zo vindt een vijfde van alle Franstaligen in ons land zijn loon onvoldoende, bij de Nederlandstaligen is dat ‘slechts’ 13 procent.

Dat verschil tekent zich ook geografisch af: in Oost-Vlaanderen (6,8) en Antwerpen (6,7) is de loontevredenheid het hoogst, terwijl er bij werknemers uit Henegouwen en Luxemburg duidelijk nog marge voor verbetering is: zij geven hun salaris maar een 5,9 op 10.

Ook maakt het uit wat voor werk je doet en hoe groot het bedrijf is waar je voor werkt. Bijna een kwart van de arbeiders vindt dat er maandelijks te weinig geld op de rekening verschijnt. Bedienden zijn iets gelukkiger, maar het zijn vooral de ambtenaren die het op financieel vlak getroffen hebben (gemiddelde scores van 6,0, 6,5 en 7,1).

Wel neemt de tevredenheid over het salaris toe naarmate het bedrijf groter wordt waar iemand aan de slag is. In bedrijven met minder dan tien personeelsleden zegt een kwart van de werknemers zijn loon onvoldoende te vinden. Wie in een bedrijf met meer dan 250 werknemers werkt, geeft zijn loon gemiddeld 6,6 op 10.

“Die grote bedrijven hebben vaak meer ruimte voor voordelen en doorgroeimogelijkheden. Dat zie je terug in de loontevredenheid”, ziet Yves Stox van Partena als mogelijke verklaring daarvoor. Op die manier kunnen die bedrijven ook vermijden dat hun werknemers op zoek gaan naar een andere job: “Wie zich eerlijk verloond voelt, presteert beter en blijft langer trouw aan de organisatie.”

Een pijnpunt blijft het verschil tussen mannen en vrouwen. Mannen kunnen over het algemeen beter leven met hun loon dan vrouwen. De oorzaak voor die cijfers is waarschijnlijk te zoeken in de loonkloof, die hardnekkig blijft. In een eerder onderzoek over eerlijke verloning vonden vrouwen gemiddeld vaker dat ze oneerlijk verloond werden.

Bron: Demorgen.be

Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk: ‘Het risico bestaat dat neoliberalisme wordt opgevoerd als allesverklaring’

Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk: ‘Het risico bestaat dat neoliberalisme wordt opgevoerd als allesverklaring’

De Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk reageren op twee recente Sociaal.Net-artikels waarin kritiek wordt gegeven op de opleidingen. Eén over neoliberalisme dat de opleiding binnensijpelt en een andere over gebrekkige aandacht voor ouderen binnen het sociaal werk. “We willen nuanceren, weerleggen en laten zien hoe wij vandaag werken en opleiden.”

Kritische bijdragen

Recent  verschenen op Sociaal.Net kritische bijdragen over de sociaalwerkopleidingen door Bart Van Bouchaute over neoliberalisme in het sociaal werk en de opleidingen en Guido Cuyvers over de manier waarop het sociaal werk met ouderen omgaat.

Ze benoemen reële zorgen: werkdruk, de invloed van neoliberale logica, het zorgdiscours dat ouderen vaak herleidt tot ‘kwetsbare individuen’. Als opleidingen sociaal werk gaan we graag in dialoog. We willen tegelijk nuanceren, weerleggen en laten zien hoe wij vandaag werken en opleiden, met de vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk als fundament.

Neoliberalisme als containerbegrip

We delen de zorg van Bart Van Bouchaute dat neoliberale logica’s hun weg vinden naar het onderwijs- en welzijnslandschap. Ook onze lectoren voelen de impact van financieringsdruk, managerialisme en de student als consument. Tegelijk is het voor ons cruciaal om precies te blijven in onze analyses.

Kritische stemmen, zoals Bart Van Bouchaute, lezen neoliberalisme als méér dan economisch beleid. Het is een alomvattende rationaliteit die burgers herleidt tot homo economicus: zelfsturend, competitief, ondernemend.

Dat perspectief is prikkelend en legitiem. Het toont hoe marktlogica doordringt in domeinen die hier ooit immuun voor leken. Maar het risico bestaat dat neoliberalisme wordt opgevoerd als allesverklaring, waardoor nuance en context verdwijnen.

Belang van context

Een sociaalwerkopleiding is het resultaat van dominante posities en meningen in opleidingsteams en daarbuiten, maar is ook een gevolg van de specifieke omgeving. Elke opleiding is gesitueerd in een andere (stedelijke) context, met verschillende noden, beleid en politieke constellatie (er zijn in Vlaanderen veertien graduaatsopleidingen, elf bacheloropleidingen en drie masteropleidingen).

Het is jammer dat hier te weinig wordt bij stil gestaan. In onze curricula besteden we namelijk veel aandacht aan een kritische analyse van deze mechanismen: de historische context en hoe marktlogica doorwerkt in beleid en in het sociaal werk. Studenten leren dit niet enkel theoretisch, maar zien het ook in de praktijk van ondermeer grootstedelijke contexten waar ongelijkheid, voorwaardelijkheid, commercialisering en individualisering zichtbaar zijn.

Dat we daarbij instrumenten gebruiken zoals portfolio’s of peer assessment, betekent niet dat we studenten in een neoliberaal keurslijf duwen. De vraag is steeds: hoe zetten we methodieken in? Vanuit meten en controleren, of vanuit reflectie, eigenaarschap en mensenrechten? Die keuze maken we bewust.

Kritisch-reflectieve sociaal werkers

Tegelijk moeten we scherp zijn: sociaalwerkopleidingen bestaan niet om het neoliberalisme te bekampen. We missen een alternatief voor wat sociaal werk dan wél moet zijn.

Wie alleen neoliberalisme aanwijst, zegt niets over de eigen finaliteit van het sociaal werk. Die finaliteit is helder: we leiden kritisch-reflectieve sociaalwerkprofessionals op die hun relatie met mensen, doelgroepen en de samenleving bevragen.

Dat unieke dubbelperspectief krijgt concreet gestalte in de vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generalistisch werken en verbindend werken. Daar ligt ons kompas. Niet in een defensieve strijd tegen een systeembegrip, maar in de positieve opbouw van een onderwijspraktijk.

Sociaal werk en sociaalwerkonderwijs zijn geen producten, maar praktijken van kritische reflectie, mensenrechten en sociale verandering. Dit komt expliciet terug in onze leerlijnen en in vakken als Politiserend Sociaal Werk.

Studenten leren zowel relationeel als structureel te kijken, machtsverhoudingen te analyseren en sociale verandering mee vorm te geven. Ook sociaal ondernemen benaderen we niet vanuit een marktlogica, maar als een manier om vanuit solidariteit en creativiteit vernieuwende antwoorden te bieden op complexe maatschappelijke uitdagingen.

Financiering en structuur van het hoger onderwijs

We herkennen de analyse dat het hogeschoollandschap zelf deels functioneert vanuit neoliberale logica’s. De financieringsmechanismen zetten opleidingen onder druk en beïnvloeden werkdruk en organisatie. Dat is een realiteit die wij niet ontkennen.

Maar: dit bepaalt niet onze inhoudelijke keuzes. Onze opleidingen blijven stevig verankerd in de waarden van sociaal werk en de krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk. Vanuit VOSW geven we ook signalen aan het beleid om dit scherp te houden.

Ouderen in het sociaal werk

Ook het artikel van Guido Cuyvers doet de werkbrauwen fronsen. We zijn het niet eens met de stelling dat sociaalwerkopleidingen ouderen en vergrijzing onvoldoende aandacht geven. Onze insteek is generalistisch: studenten worden voorbereid op werken met alle doelgroepen, met aandacht voor mensbeelden in al hun diversiteit.

Concreet zien we vandaag zelfs meer studenten dan vroeger kiezen voor stages en werkplekleren in woonzorgcentra, bestrijden we ageisme als een vorm van discriminatie, en worden globale uitdagingen en kansen van vergrijzing behandeld. Studenten leren ouderen niet te reduceren tot zorgobjecten, maar te zien als volwaardige burgers met rechten, netwerken en beleidsimpact.

We erkennen wel het punt dat het zorgdiscours maatschappelijk dominant is en dat andere disciplines soms taken opnemen die sociaal werk vanuit een ander perspectief zou benaderen. Precies daarom leggen wij in de opleiding nadruk op de beleids- en maatschappijanalyse die sociaal werk uniek maakt.

Samen in dialoog

We hebben nood aan open debat en onderzoek dat de relatie tussen opleiding en werkveld voortdurend kritisch bevraagt. We kijken dan ook uit naar de empirische onderbouwing van de theoretische claims die in de bijdragen geformuleerd worden. Net die wisselwerking tussen theorie en empirie kan het sociaal werk en de opleidingen sterker maken.

Het sociaal werk heeft impact, de uitdagingen zijn reëel. Wij discussiëren dagelijks binnen onze opleidingen en zoveel mogelijk met de praktijk hoe we studenten daarop het best voorbereiden. Studenten zijn veelal tevreden over de kritische inzichten die ze aangereikt krijgen. We nodigen iedereen uit om dit gesprek verder te voeren, met respect voor nuance en context. Niet door te vervallen in etiketten, wel door scherp te benoemen wat beter kan en te versterken wat vandaag al stevig aanwezig is.

Veerle Van Gestel schreef dit artikel als voorzitter van en in naam van de Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk.

We vroegen Bart Van Bouchaute en Guido Cuyvers om reactie, omdat in dit artikel direct op hun teksten gereageerd wordt.

Reactie Guido Cuyvers

Ik waardeer de reactie van de sociaalwerkopleidingen en erken dat er in curricula en stages enige aandacht is voor ouderen en vergrijzing. Dat studenten leren ouderen niet te reduceren tot zorgobjecten maar te zien als burgers met rechten en netwerken, sluit aan bij mijn ideaalbeeld.

Maar mijn kritiek gaat over iets fundamentelers. Het probleem zit niet alleen in de opleiding, maar vooral in de manier waarop sociaal werk zich maatschappelijk positioneert. In het publieke debat blijft het dominante zorgframe overeind: ouderen worden nog altijd voorgesteld als kostenposten en kwetsbare last. En precies daar laat sociaal werk kansen liggen. Het toont zich te vaak als individuele begeleider, terwijl de stem die het meest nodig is – de maatschappijkritische stem die dit schadelijke narratief doorbreekt – nauwelijks gehoord wordt.

Dat er studenten kiezen voor woonzorgcentra of dat beleidsanalyse in het curriculum zit, verandert weinig aan die vaststelling. Waar was sociaal werk toen ouderen in het regeerakkoord vooral als financiële uitdaging werden neergezet? Waar was de verontwaardiging toen media vergrijzing opnieuw als bedreiging framen?

Mijn oproep is helder: erken de inspanningen, maar durf verder te gaan. Sociaal werk moet de stilte doorbreken, het negatieve narratief uitdagen en ouderen eindelijk krachtig positioneren als volwaardige burgers.

Reactie Bart Van Bouchaute

In dit korte bestek kan ik niet grondig ingaan op deze interessante repliek. Daarom beperk ik me tot een paar algemene reacties:

  • Ik benader neoliberalisme inderdaad als een rationaliteit, eerder als termieten die opleidingen van binnenuit ondermijnen dan als de leeuw buiten aan de poort. In internationaal onderzoek zien we die rationaliteit duidelijk aan het werk in het discours, het overheidsbeleid, de praktijk van onderwijs en onderzoek en ook in de subjectvorming van studenten en docenten. Die tendensen van neoliberalisering vinden we, uiteraard altijd in wisselende mate afhankelijk van de context, ook terug in onze opleidingen sociaal werk. Dit is dus geen allesverklaring. Er zijn (gelukkig) ook andere waarden en praktijken in opleidingen. En er is altijd de optie van individueel of collectief verzet.
  • Concepten als ‘talenten’ of ‘persoonlijke veerkracht’, waarden als ‘ondernemerschap’ en technieken als ‘persoonlijke ontwikkelingsplannen’, ‘portfolio’s’ of ‘peer assessment’ zijn niet neutraal, maar zijn precies technieken van self-governance binnen een neoliberale rationaliteit. Ze verdienen dus een meer kritische benadering in de opleidingen.
  • Opleidingen kunnen niet volhouden dat ze toewerken naar finaliteiten als democratie, mensenrechten of sociale rechtvaardigheid als ze niet tegelijk kritisch afstand nemen van een neoliberale rationaliteit die dergelijke finaliteiten radicaal ondermijnt. Als sociaalwerkopleidingen “het neoliberalisme bekampen” dan houden ze minstens de mogelijkheid voor een eigen finaliteit van sociaal werk (opleidingen) open.

Om deze noodzakelijke discussie met meer nuance verder te voeren ga ik graag in gesprek met lectoren en teams in de opleidingen. Wie neemt deze warme uitnodiging aan?

Bron: sociaal.net

Van de ene opvangcrisis naar de andere: ‘Waar is de solidariteit naartoe?’

Tien jaar geleden, in september 2015, toonden burgers zich in het Brusselse Maximiliaanpark solidair met mensen op de vlucht. Dat historische moment lijkt ver weg. Onderzoekers (UGent) Marlies Casier en Robin Vandevoordt blikken terug en vooruit: “Waar is de burgersolidariteit naartoe? En komt die nog terug?”

Een golf van solidariteit

Het is september 2015. In het Maximiliaanpark, net buiten het treinstation van Brussel-Noord, ontstaat een tentenkamp dat onderdak biedt aan duizend mensen op de vlucht, de meesten uit Syrië en Irak. Jonge mannen en gezinnen met kinderen slapen er in iglotentjes.

Het raakt de harten van vele mensen. Er ontstaat een onophoudelijke stroom van burgers die kleren, dekens en voedsel brengen. Er worden juridische infostands opgericht, een school, een verdeelpunt voor kleding, kinderanimatie en een openluchtcinema.

Beschamend voor imago

Politici reageren sceptisch op die spontane solidariteit. Toenmalig vice-premier Alexander De Croo (Open Vld) was geen supporter“Als ik burgemeester zou zijn, zou ik nooit tolereren dat er in mijn gemeente een publiek park op die manier bezet wordt, als er alternatieven bestaan. Het lijkt daar soms een camping, een markt, ja zelfs een muziekfestival.” Bart De Wever, toen nog voorzitter van N-VA, ging een stap verder en noemde het Maximiliaanpark een ‘extreemlinkse activistenpost’.

Zijn partijgenoot en toenmalig staatssecretaris van Asiel en Migratie Theo Francken voerde een registratiequotum in bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waardoor pas aangekomen vluchtelingen tot enkele maanden moesten wachten vooraleer ze een asielaanvraag konden doen. Tot dan hadden ze geen recht op opvang. Intussen verspreidde hij ook officieuze brieven die Irakezen wezen op de lange behandeltermijnen van hun aanvragen en het bestaan van terugkeerpremies.

Opnieuw naar het kamp

Die afwijzende houding van de politieke elite stond in schril contrast met een breed gedragen en divers samengestelde burgerbeweging: jong en oud, links en rechts, rijk en arm, mensen met en zonder migratieachtergrond haasten zich naar het Maximiliaanpark.

Op 6 september 2015, daags nadat de foto van het levenloze lichaam van het Koerdische jongetje Alan Kurdi de wereld rondging, vond een grote ‘Assemblée Génerale’ plaats. Meer dan 1.600 mensen verzamelden zich aan de trappen van Brussel-Noord. Ze organiseerden zich in werkgroepen voor onder meer logistiek, communicatie en beleid. Een dag later liet de federale regering weten dat ze in een kantoor van het WTC-gebouw 500 veldbedden zou voorzien voor de vooropvang van mensen op de vlucht.

Die vooropvang bleef echter onderbenut. “Na negen uur ’s avonds kan niemand meer in of uit het gebouw. En overdag worden de mensen die er de nacht hebben doorgebracht, toch weer op straat gezet zonder dat ze er zelfs hun persoonlijke spullen kunnen achterlaten. En dus komen die mensen opnieuw naar het kamp”, legde een woordvoerder van het Burgerplatform uit, dat inmiddels ontstond uit de Assemblée Génerale.

Spontane solidariteit vult gaten

Het werd steeds duidelijker dat deze crisis in de eerste plaats het gevolg was van het onvermogen en de onwil van het beleid. In een interview met de VRT stelt de woordvoerder van het Burgerplatform: Al de hele zomer zijn het de Europese burgers die de handen uit de mouwen steken om deze mensen op te vangen en te helpen, omdat de politici achterblijven. In België heeft het gebrek aan structuren ervoor gezorgd dat er in het Maximiliaanpark een tentenkamp is ontstaan dat enkel draait op vrijwilligers. Sinds een maand slapen in Brussel mensen op straat omdat de regering weigert adequate opvang te voorzien.”

De oorzaken van die onmenselijke toestanden liggen inderdaad bij politieke beslissingen. In 2013 hervormde de Vlaamse regering de integratiesector, wat vooral uitliep op een bezuinigingsoperatie. Aan federale zijde bouwde begin 2015 de regering Michel I de opvangcapaciteit sterk af, zonder de nodige buffers te voorzien. In september 2015 vult de spontane solidariteit op het Maximiliaanpark de gaten die de verschillende overheden hadden geslagen.

De laatste zondag van september 2015 trekken naar schatting 20.000 mensen de straat op met een duidelijk appél aan het adres van de federale regering. Begin oktober besluit het Burgerplatform, niet zonder interne verdeeldheid en wrevel bij andere bewegingen, om het kamp te ontruimen en haar activiteiten verder te zetten in een nabijgelegen pand.

Nieuwe opvangcrisis

Zes jaar later, in november 2021, trekken verschillende organisaties aan de alarmbel: de opvangcrisis is opnieuw volledig ontspoord. Al vier weken botsen asielzoekers die zich willen registreren aan het Klein Kasteeltje op een weigering.  Lange rijen vormen zich aan de ingang en mensen slapen er op de stoep of brengen de nacht in kraakpanden door, vermits ook de noodopvang voor daklozen dichtgeslibd is.

Opnieuw organiseren burgers en NGO’s zich. Ze brengen de wachtenden slaapzakken, warme kleren en soep, en informeren hen over hun rechten. Ze spannen de eerste rechtszaken aan tegen de Belgische Staat en Fedasil voor het niet respecteren van het recht op opvang. In december spreekt een rechtbank een eerste veroordeling uit.

5.000 keer schuldig

Als in de maand daarop Fedasil opnieuw weigert asielzoekers te registeren, keren de NGO’s terug naar de rechtbank om hogere boetes te eisen voor de niet-naleving van rechterlijke uitspraken, in de hoop zo de druk op te voeren.

In het voorjaar van 2022 wordt op initiatief van de Brusselse Orde van Advocaten in samenwerking met lokale advocatenpraktijken en NGO’s een ‘Legal Helpdesk’ geïnstalleerd. Via deze helpdesk ondersteunen vrijwilligers asielzoekers bij het nemen van juridische stappen om hun uitsluiting van de opvang aan te klagen bij de rechtbank.

In september 2022 tellen we 5.000 uitspraken waarin de Staat en Fedasil schuldig bevonden worden aan het niet verlenen van opvang. In november zijn er dat 7.000. In een symbolische processie dragen advocaten en mensenrechtenactivisten de rechtsstaat ten grave.

Salon van de schaamte

Ondertussen hebben asielzoekers hun toevlucht gezocht in een groot leegstand pand in de Paleizenstraat dat ze omdopen tot ‘Palais des Droits’. Op haar hoogtepunt verblijven er meer dan 800 mensen in het pand.

Na een chaotische evacuatie van het pand in februari slaan 200 asielzoekers zonder opvang hun tentjes op langs het kanaal aan de overzijde van het Klein Kasteeltje. “Nicole, hoe krijgen we dit nog uitgelegd aan onze kinderen?”, staat op een banner van bezorgde buurtbewoners te lezen. Na de ontruiming van de kaai en de verhuis naar een ander pand, bezet het collectief ‘Stop de Opvangcrisis’, samen met thuisloze asielzoekers, het toekomstige federale crisiscentrum.

Omdat de overheid blijft weigeren om de dwangsommen voor niet-opvang uit te betalen, gaat de rechtbank over tot inbeslagname en openbare verkoop van onroerende goederen. Burgers kopen de zetels van Fedasil op en installeren voor de deur van het Federaal crisiscentrum een ‘salon van de schaamte’. Op de banners staat de niet mis te verstane boodschap: “No bed for us. No couch for you.”

Niet naar België

September 2025. Tien jaar na de burgersolidariteit in het Maximiliaanpark, bevinden we ons al vier jaar in een nieuwe opvangcrisis. De Belgische overheid is intussen meer dan 10.000 keer veroordeeld. De Nederlandse Raad van State besliste dat alleenstaande mannelijke asielzoekers niet naar België teruggestuurd mogen worden, omdat ze daar geen recht op opvang meer hebben. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde het ‘systematisch falen’ van de federale overheid aan de kaak.

Asielzoekers moeten vandaag nog steeds drie tot vier weken wachten voordat zij hun wettelijk verankerd recht op opvang kunnen opeisen. Wie ‘geluk’ heeft vindt een tijdelijke slaapplaats in de noodopvang, maar ook daar gaat een wachtperiode aan vooraf.

Ondertussen blijft de federale regering de beslissingen van de rechtbanken naast zich neerleggen. Ze maakt zich sterk ‘het strengste migratiebeleid ooit’ te voeren. Niet het gebrek aan opvang is het probleem, maar de ‘instroom’, zo luidt het. En zo wordt de oorzaak van het falende regeringsbeleid opnieuw bij de asielzoekers zelf gelegd die met te veel zouden zijn.

Solidariteit in de schaduw

Toch lijkt er nog weinig publieke verontwaardiging te zijn over een overheid die rechterlijke uitspraken negeert, kromme redeneringen maakt en gezinnen die op straat laat leven. Het contrast tussen de situatie vandaag en de zomer van 2015 kan haast niet groter zijn. Het lijkt alsof we in de herfst van de solidariteitsbeweging zijn aanbeland. Is dat zo?

Tot op zekere hoogte was de zomer van 2015 een uniek historisch moment. Het beeld van het levenloze lichaam van Alan Kurdi vond, samen met de beelden van dolende families in Brusselse straten de weg naar de woonkamers en smartphones van Belgische burgers. De schok was even groot als de kans om iets te doen.

De verontwaardiging om het politieke discours van staatssecretaris Theo Francken gooide olie op het vuur. “Achteraf bekeken was Francken een ongelooflijk cadeau voor ons”, vertelt een woordvoerder van het Burgerplatform ons in een gesprek. “Bij iedere tweet stroomden nieuwe vrijwilligers binnen.”

Voor veel vluchtelingen én burgers betekende die zomer een breuk in hun leven. Er werden banden gesmeed. Het vertrouwen in de overheid kreeg een ferme deuk. Veel mensen engageerden zich voor een lange tijd, soms als vrijwilligers, soms als professionele hulpverlener.

Van onthaal naar inclusie

Hun engagement is samen met de trajecten van vluchtelingen opgeschoven van onthaal naar inclusie. Noodopvang, veilige ontmoetingsplaatsen voor vrouwen, geïmproviseerd onderwijs en vrijetijdsbesteding evolueerden naar georganiseerde taal-oefenkansen, het zoeken naar een woonst, zich inschrijven bij de gemeente of diensten die de weg wijzen in de Belgische bureaucratie.

De afgelopen tien jaar hebben honderden kleinschalige vrijwilligersgroepen zich verenigd in vzw’s, feitelijke verenigingen en professionele NGO’s. Het Burgerplatform is uitgegroeid tot een van de grootste publieke dienstverleners in Brussel.

Engagement onder druk

Door die ‘institutionalisering’ is spontane solidariteit vandaag een stuk minder zichtbaar. Toch zijn de obstakels waarmee mensen op de vlucht worden geconfronteerd er niet bepaald minder op geworden, zoals recent onderzoek uitwijst.

Organisaties die zich engageren met en voor mensen op de vlucht, staan onder zware druk. Door het gebrek aan een degelijk opvangbeleid, moet er voortdurend naar noodopvang gezocht worden voor pas aangekomen asielzoekers. Door de wooncrisis loopt het integratietraject van erkende vluchtelingen dan weer nodeloos veel vertraging op.

Ook hier moeten we de oorzaken in politieke hoek zoeken: de Vlaamse regering probeert de wooncrisis te verlichten door nieuwkomers uit te sluiten van de sociale woonmarkt. En dan hebben we het nog niet over de integratiesector die door de voorbije Vlaamse regeringen werd uitgekleed en gedepolitiseerd.

Nieuwe vonk

Door dit gebrek aan een humaan overheidsbeleid vallen er opnieuw grote gaten. Wie vult die naar best vermogen in? Inderdaad: veel vrijwilligersgroepen bieden vandaag opnieuw de laagdrempelige hulpverlening die enkele jaren geleden nog door professionals werd verzorgd.

Als humanitaire noden hoog zijn en de politiek niet thuis geeft, drukt burgersolidariteit zich opnieuw door. Dat is zowel een geruststellende als verontrustende gedachte. Het toont dat mensen nog steeds in grote getale de handen uit de mouwen steken om problemen aan te pakken. Het gevolg is evenwel dat zo politieke oplossingen  buiten schot blijven.

Zal die burgersolidariteit vroeg of laat opnieuw ontsteken in een massale mobilisatie, zoals tien jaar geleden? De geschiedenis toont dat daarvoor vaak weinig nodig is. Een vonk, op het juiste moment, op de juiste plaats, volstaat.

Bron: sociaal.net

Inclusie van mensen met een handicap: ‘Activering is maar de helft van het verhaal’

Linde Goedertier is sociaal begeleider op de personeelsdienst van provincie Oost-Vlaanderen. Een van haar kerntaken: medewerkers met een arbeidshandicap coachen. De vele drempels waarop deze mensen blijven botsen, treffen haar. Ze schreef er ook haar bachelorproef over.

Beperkte keuzevrijheid

Ik werk voor de personeelsdienst van provincie Oost-Vlaanderen. De laatste drie jaar ondersteun ik als sociaal begeleider mensen die het omwille van een arbeidshandicap moeilijk hebben om hun job uit te voeren. Die beperking kan van cognitieve, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard zijn, bijvoorbeeld autisme, slechthorendheid, een spierziekte of chronische depressie.

Vanuit mijn job zie ik dagelijks dat drempels op verschillende levensdomeinen, van onderwijs tot mobiliteit, het moeilijk maken om werk te vinden én te behouden. De uitdaging ligt dus niet alleen op de arbeidsmarkt. Er is nood aan een integrale aanpak waarbij beleidsdomeinen over de grenzen heen samenwerken om stap voor stap structurele obstakels weg te nemen. Alleen zo krijgen mensen met een arbeidshandicap de kans om hun talenten in te zetten en volwaardig te participeren aan onze samenleving.

Ik stel dit niet alleen vast op mijn werkplek, maar onderzocht het ook verder in mijn bachelorproject sociaal werk (HOGENT).De tekst die ik schreef in functie van dit bachelorproject is beschikbaar via de website van HOGENT, onder het thema ‘Integraal werken’, doorklikken op ‘download de artikels’.Het recht op arbeid en de vrije keuze van beroep is voor mensen met een arbeidshandicap niet evident.

Onderwijs: eerste schakel in gelijke kansen

Gelijke kansen beginnen in het onderwijs. Toch tonen cijfers dat leerlingen met een fysieke of mentale beperking gemiddeld een lager opleidingsniveau behalen of vaker de schoolbanken verlaten zonder diploma. Dat beperkt hun mogelijkheden en zorgt ervoor dat ze vaker in uitvoerende jobs, waar geen diploma vereist is, terechtkomen. Deze jobs zijn steeds schaarser binnen onze kenniseconomie.

Zo begeleid ik een jongeman met autisme en ADHD die via een stage in het buitengewoon secundair onderwijs in onze organisatie terechtkwam. Na zijn stage kon hij bij ons starten als medewerker van de groendienst. Zijn school liet hem zelfs zijn laatste jaar vroeger afronden, vermoedelijk omdat ze blij waren dat hij al werk had gevonden. Hij bloeide open en nam recent een moedige beslissing: hij gaat opnieuw studeren. Hij heeft een grote passie voor informatica en technologie. Ik wens hem alle succes toe, maar hoop vooral dat hij in het hoger onderwijs de juiste ondersteuning krijgt om zijn talent verder te ontwikkelen. Want helaas is dat niet vanzelfsprekend.

Autisme verzwegen

Dat merkten we ook bij een andere stagiair met autisme, die op een administratieve dienst van onze provincie werkte. Noch de hogeschool, noch de stagiair zelf had ons tijdens de voorbereiding van de stage op de hoogte gebracht van zijn beperking. De school had hem zelfs afgeraden om dit met ons te delen.

Pas tegen het einde van de stage kwamen we dat te weten. De stage verliep moeizaam en men overwoog zelfs om hem niet te laten slagen. Als wij eerder op de hoogte waren geweest, hadden we gerichte ondersteuning kunnen bieden. Het is jammer dat zo’n ervaring het zelfvertrouwen van de stagiair aantast, want dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor latere kansen op de arbeidsmarkt.

Werken is niet voor iedereen

Ook de arbeidsmarkt zelf kent nog veel drempels voor mensen met een beperking. Vacatures zijn vaak voltijds. Kandidaten die minder willen of kunnen werken, vallen al meteen uit de boot. Ik stel vast dat sollicitanten vaak zwijgen over hun arbeidshandicap. Pas nadat ze de volledige selectie doorlopen hebben, proberen ze bijvoorbeeld voorzichtig op tafel te leggen dat ze noodgedwongen de lat moeten leggen op deeltijds werken. Toch worden ze dan regelmatig alsnog geweigerd omdat de dienst een voltijdse medewerker wil.

Zulke momenten zijn pijnlijk: kandidaten die met succes uit de sollicitatieprocedure komen, zien hun kans alsnog verdwijnen. De teleurstelling is groot, want het gaat niet om hun competenties, maar om een werkduur die voor hen haalbaar is.

Vooroordelen

Op de werkvloer bestaan nog veel vooroordelen over personen met een handicap. Die verschillen naargelang de aard van de beperking: zichtbare, fysieke handicaps zijn meer bekend bij werkgevers en leiden meestal tot hogere tewerkstellingskansen dan handicaps die minder zichtbaar zijn.

Zo zie ik dat aanpassingen voor een collega in een rolstoel doorgaans sneller en makkelijker worden gerealiseerd dan voor iemand met autisme die overprikkeld raakt in een landschapskantoor.

Dat heeft te maken met het gebrek aan kennis van werkgevers over bepaalde beperkingen, maar ook met het feit dat ze de productiviteit en flexibiliteit van personen met een handicap vaak moeilijk kunnen inschatten. Hierdoor ontstaan vooroordelen over hun competenties, prestaties en attitudes.

Onvoldoende kennis

Werkgevers hebben vaak onvoldoende kennis over bestaande ondersteuningsmaatregelen en -mogelijkheden. Ze overschatten bijvoorbeeld de kosten van aanpassingen, vrezen dat die investeringen te weinig voordeel zullen opleveren of maken zich zorgen over de praktische impact op de werkvloer.

Een voorbeeld: een medewerker met autisme vraagt om in een prikkelarme ruimte te kunnen werken. Dat wordt als een enorme opdracht gezien, terwijl er met minimale ingrepen in een landschapskantoor al rustigere hoeken gecreëerd kunnen worden. Soms is er zelfs terughoudendheid uit angst dat andere personeelsleden gelijkaardige vragen zullen stellen. Aanpassingen worden dan pas toegestaan na het voorleggen van een officiële diagnose en medisch advies.

Diagnose als toegangsticket?

Diagnoses staan vaak centraal om een officiële erkenning als persoon met een handicap te verkrijgen. Die erkenning kan bij verschillende instanties aangevraagd worden: VDAB, Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), het RIZIV en de Directie-Generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, elk met hun eigen toelatingscriteria en rechten.

Die waaier van diensten maakt het niet makkelijk. Mensen met een arbeidshandicap moeten vaak meerdere erkenningen aanvragen om in hun noden te voorzien en bij elke instantie opnieuw verantwoorden waarom ze in aanmerking komen voor bepaalde rechten. Dat is frustrerend. Ze voelen zich bekeken als profiteurs, moeten telkens opnieuw hun situatie uitleggen en hebben door de versnippering van het hulpverleningslandschap niet altijd zicht op welke ondersteuningsmaatregelen er bestaan.

Gestraft

Veel mensen met een arbeidshandicap ervaren dat ze ‘gestraft’ worden als ze toch proberen te werken. Zo begeleid ik een alleenstaande vrouw die vervroegd met pensioen mag, maar ervoor kiest om voltijds te blijven werken. Door haar inkomen heeft ze geen recht op een verhoogde tegemoetkoming of integratietegemoetkoming, terwijl haar medische kosten hoog zijn. Omdat er nauwelijks rekening wordt gehouden met die kosten, valt ze overal uit de boot. Ze wil niet met vervroegd pensioen gaan, want dan zakt haar inkomen nog verder.

De inkomensgrenzen voor tegemoetkomingen zijn bovendien vaak afhankelijk van de gezinssamenstelling. Dat kan mensen met een handicap financieel afhankelijk maken van hun partner. In een andere begeleiding ondersteun ik een koppel dat bewust niet wettelijk samenwoont of trouwt omdat de tegemoetkoming van de vrouw dan grotendeels zou wegvallen. Het gezamenlijke inkomen zou dan te laag zijn om rond te komen.

In sommige gevallen leidt werken er zelfs toe dat mensen er financieel op achteruitgaan doordat hun uitkering geheel of gedeeltelijk wegvalt.

Met de fietstaxi naar het werk

Ook in de openbare ruimte en het openbaar vervoer liggen nog veel hindernissen.

Onze administratieve diensten in Gent verhuisden onlangs naar een nieuwe locatie die met het openbaar vervoer minder goed bereikbaar is. Pogingen om in overleg met De Lijn een bushalte dichterbij te krijgen, draaiden op niets uit. Voor een van onze medewerkers betekende dit een grote extra uitdaging om op het werk te geraken. Om dit te verhelpen, schakelen we nu de fietstaxi van de Fietsambassade Gent in om de afstand tussen het treinstation en onze werkplek te overbruggen.

Dit voorbeeld toont aan hoe cruciaal toegankelijkheid is. Het is geen detail, maar een bepalende factor voor de haalbaarheid van werk. Slechte bereikbaarheid kan de keuzevrijheid op de arbeidsmarkt aanzienlijk verkleinen.

Kloof tussen beleid en realiteit

De Vlaamse Regering legt een sterke focus op de activering van werkzoekenden, langdurig zieken en niet-beroepsactieven. De sleutelwoorden zijn werkbaar werk, inclusieve werkvloeren en een gezonde balans tussen werk en privé. De ambitie is duidelijk: een werkzaamheidsgraad van 80 procent behalen.

Op zich is dat een mooie doelstelling. Maar wie dagelijks in het werkveld staat, weet dat we er op deze manier niet zullen komen. Er zijn méér inspanningen nodig van de Vlaamse Regering om echte inclusie te realiseren. Personen met een handicap ondervinden nog te veel drempels om zomaar ‘geactiveerd’ te worden.

Het huidige beleid wekt de indruk dat, zodra we deze groep activeren, het probleem opgelost is. Maar activering alleen volstaat niet: het wegwerken van drempels is minstens even belangrijk. Dat vraagt om een structurele, gecoördineerde aanpak vanuit de overheid in plaats van de verantwoordelijkheid bij de persoon met een handicap of de werkgever te leggen.

Durven kiezen voor echte inclusie

Als alle schouders moeten bijdragen om onze sociale zekerheid te dragen, dan moet het systeem er ook voor zorgen dat iedereen kán bijdragen. Dat betekent investeren in toegankelijke infrastructuur, openbare ruimte en openbaar vervoer. Het betekent werkgevers ondersteunen bij het creëren van inclusieve werkvloeren. Het betekent bouwen aan een onderwijs dat werkelijk inclusief is en waarin elk kind kan groeien. Het betekent het hulpverleningslandschap vereenvoudigen, met minder erkenningsinstanties en minder bureaucratische hindernissen voor personen met een handicap.

Kortom: het vraagt om een integrale aanpak die structurele drempels wegneemt. En dat vraagt om een moedige overheid die durft te kiezen voor echte inclusie.

Bron: sociaal.net