by admin | jan 5, 2026 | Varia
Naar schatting een derde van de 180.000 mensen die het komend anderhalf jaar hun werkloosheidsuitkering verliezen, zal zich tot het OCMW wenden voor een leefloon. Hoe bereiden de OCMW’s zich voor? En wat hebben zij nog nodig om deze situatie het hoofd te bieden? Sociaal.Net vroeg het aan drie mensen die het kunnen weten: Annemie Wauman, voorzitter van de Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers, Griet Briels, stafmedewerker Lokaal Sociaal Beleid bij de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en Sébastien Lepoivre, voorzitter van de Federatie van Brusselse OCMW’s.
Annemie Wauman, voorzitter Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers
“De beperking van de werkloosheid in de tijd zorgt voor opschudding onder de OCMW-maatschappelijk werkers. De dossierlast was al heel hoog”, vertelt Annemie Wauman van de Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers. “Als ik met maatschappelijk werkers praat, klinkt het: ‘We hebben corona gehad, de Oekraïne-crisis, de energiecrisis… En nu gooit men een nieuwe bom op de sociale diensten.’ De emmer was al tot de rand gevuld. Nu zal hij zeker overlopen.”
“Zelf werk ik al 35 jaar binnen het OCMW en dit is een van de grootste en meest fundamentele beleidswijzigingen die een impact heeft op de werking van onze sociale diensten. Maar wat die impact exact zal zijn, is koffiedik kijken.”
“De cijfers die we kregen, zijn heel algemeen, zoals het aantal mensen en de datum waarop ze hun uitkering zullen verliezen. Dat zijn er veel. Maar wie zij zijn, welke profiel ze hebben en hoeveel beroep ze op ons zullen doen, dat weten we niet. Men gaat ervan uit dat slechts een derde bij het OCMW zal terechtkomen, maar dat is uiteindelijk nattevingerwerk. Dus het is afwachten tot de mensen effectief komen aankloppen. Dat zorgt natuurlijk voor grote onzekerheid en bang afwachten.”
Afwachtend voorbereiden
Annemie: “De meeste lokale besturen zien wel in dat er een serieuze impact zal zijn op de OCMW’s. Omdat er nog veel vraagtekens zijn, zijn sommige besturen wel wat afwachtend. Wij hadden verwacht dat de besturen massaal extra personeel zouden aanwerven om de werklast op te vangen: dat blijkt in de praktijk niet het geval. Bepaalde besturen werven wel aan, maar meestal eerder voorzichtig. En een heel aantal gemeenten kijken voorlopig de kat uit de boom.”
“Diensten zijn zich aan het voorbereiden op de grote tsunami die op hen afkomt. In de eerste fase gaat dat vooral over mensen voorzien van een inkomen nadat hun werkloosheidsuitkering is weggevallen. Vaak gaan we daarnaast nog niet direct hulpverlening kunnen opstarten, zoals we nu gewend zijn. Elke aanvraag voor een leefloon die ontvangen wordt, vereist een sociaal onderzoek dat binnen de maand afgerond moet zijn. Ik hoor dat veel diensten daarom hun intakeproces aan het herbekijken zijn.”
“Het OCMW is het laatste vangnet. Dat is onze rol. Maar een beleidsmaatregel uitrollen met zo’n impact op dat vangnet, zonder veel overleg, dat begrijp ik niet. Al zijn we het wel gewoon dat de dingen boven ons hoofd beslist worden. Onze toezichthoudende overheidsdienst, de POD Maatschappelijke Integratie, hebben we nauwelijks gehoord. Dat is jammer, want we hangen van hen af voor onze werking.”
Wat OCMW-maatschappelijk werkers nodig hebben
Annemie: “Een aantal zaken waar we al langer naar vragen, zijn in het licht van deze maatregel nog relevanter geworden. Zo moet er een oplossing gevonden worden voor het feit dat bijna een kwart van onze dossiers voorschotten zijn op andere uitkeringen die niet tijdig betaald worden. Dat zijn mensen die eigenlijk niet in ons vangnet thuishoren, want ze hebben recht op een andere uitkering.”
“De nieuwe groep mensen die nu bij ons komt aankloppen, zullen we proberen activeren. Maar het is simplistisch om te stellen dat ze allemaal maar een job moeten zoeken. Zeker bij zij die al heel lang werkloos zijn, is er een grote afstand tot de arbeidsmarkt die moet overbrugd worden. Bovendien is er een groep waarvan reeds is vastgesteld dat zij niet in staat zijn in het reguliere arbeidscircuit aan het werk te gaan. Dat wil niet zeggen dat ze niets kunnen doen, maar het zal gaan over enkele uren in de week in een vorm van maatwerk of andere activiteiten. En zulke jobs zijn er onvoldoende. Daar moet dringend iets aan gedaan worden.”
“Waar we ons ook nog zorgen over maken zijn de secundaire hulpvragen. Niet iedereen die zijn werkloosheidsuitkering verliest, zal in aanmerking komen voor een leefloon. Bijvoorbeeld omdat hun partner een inkomen heeft. Maar als je gezinsbudget plots zakt, kan je in de problemen komen en bijvoorbeeld schulden opstapelen. Deze mensen zie je niet in de cijfers over de leeflonen, maar zij zullen met wat vertraging met andere hulpvragen bij ons terechtkomen. Niemand is zich daarop aan het voorbereiden.”
Griet Briels, stafmedewerker Lokaal Sociaal Beleid (VVSG)
“De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd is niet zomaar een ingreep. Het is een historische omwenteling in de manier waarop onze sociale zekerheid werkt”, zegt Griet Briels van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. “En die omwenteling wordt op zeer korte tijd doorgevoerd. We hebben sterk gepleit voor meer fasering, maar dat bleek niet compatibel met het politiek akkoord. We hebben zelf meteen een projectteam opgericht om de besturen maximaal te ondersteunen.”
“Alle OCMW’s zijn zich aan het voorbereiden, maar het is voorbereiden op het onbekende. We weten niet hoeveel procent van de mensen die uitstroomt uit de werkloosheid recht zal hebben op een leefloon, maar de kans dat het maar 30 procent is lijkt ons klein. Op dit moment krijgen we te weinig informatie van het beleid. De weinige informatie die er is, zijn we zelf aan het interpreteren en communiceren met onze leden. Dat houdt natuurlijk ook gevaren in.”
“De voorbereiding verschilt van bestuur tot bestuur. Wat een goede praktijk is, hangt af van de lokale context. In een grote stad waar veel instroom verwacht wordt, werken ze bijvoorbeeld met een apart team voor intakes of telefonische screening. In kleinere gemeenten kan er een derde persoon stand-by staan om de twee collega’s die de sociale onderzoeken doen bij te staan. Maar de rode draad is dat de besturen zich aan het organiseren zijn. Wij staan hen daar ook in bij.”
Geen administratieve toekenning
Griet: “OCMW’s willen op dezelfde kwalitatieve manier en binnen dezelfde termijn sociaal onderzoek kunnen blijven doen. We hebben echt nood aan bijkomende maatregelen die het werk verlichten. Zo willen we een oplossing voor de vele voorschotten die we geven op andere uitkeringen. Dit probleem gaat de komende maanden nog groter worden. Een deel van de langdurig werklozen zal namelijk verkennen of ze recht hebben op een ziekte-uitkering en zal daarop een voorschot vragen omdat de toekenning van die uitkering op zich laat wachten.”
“We wensen ook administratieve vereenvoudigingen, zoals het herbekijken van het GPMI. Sociaal werkers ervaren dat begeleidingsinstrument nu te veel als een verplicht nummertje in plaats van een hulpmiddel in de begeleiding. Ook de optie om het huisbezoek later te mogen doen is een uitdrukkelijke vraag van OCMW’s, maar dan enkel uitzonderlijk, wanneer de tijdige afhandeling van het sociaal onderzoek in het gedrang dreigt te komen.”
“Voor alle duidelijkheid: de meeste OCMW’s zijn geen vragende partij voor een ‘sociaal onderzoek light’ of een meer administratieve toekenning van het leefloon. De toekenning van het leefloon is mensenwerk. Het is geen administratieve afhandeling. OCMW’s willen nabij zijn. De overheid heeft een gezicht nodig.”
“Voor veel van de mensen die nu hun werkloosheidsuitkering verliezen, zal de OCMW-maatschappelijk werker trouwens het eerste gezicht zijn dat ze daarrond zien. Want de menselijke dienstverlening staat de laatste jaren overal onder druk. Dan is het erg belangrijk dat zij die doorverwijzen naar de OCMW’s duidelijk maken dat de maatschappelijk werkers willen helpen. Zij zijn wel het gezicht van de overheid, maar ze zijn niet verantwoordelijk voor de beslissing over de werkloosheidsuitkering.”
Vraagstukken zonder antwoord
Griet: “Er zijn vandaag ook andere belangrijke vraagstukken waar nog geen antwoord op is. Bijvoorbeeld: wat gaat de rol van VDAB zijn in de toekomst? Als de werkloosheidsuitkering één, maximum twee jaar kan duren, dan betekent dat dat zij hun aanbod voor werklozen zullen moeten herdenken.”
“En op een bepaald moment stopt die werkloosheidsuitkering en kunnen mensen op het OCMW terugvallen. Gaan OCMW’s dan een beroep kunnen doen op het VDAB-aanbod? Dat weten we nog niet. Wij vragen bijvoorbeeld meer korte opleidingen die snel kunnen starten, meer plekken in de sociale economie en een minder lange doorlooptijd om mensen te laten aansluiten bij begeleidings- en matchingstrajecten.”
Nood aan monitoring
Griet: “Steden en gemeenten steken zelf veel middelen toe om de leeflonen te kunnen uitkeren en activeringstrajecten op te zetten. Daarenboven geven we nog eens een even groot bedrag aan aanvullende steun. De extra middelen die we nu tijdelijk krijgen, volstaan om in een eerste fase een toename in leeflonen te dekken, maar een deel van de mensen zal langdurig een leefloon nodig hebben.”
“Denk maar aan de mensen die meer dan twintig jaar werkloos zijn. Hun afstand tot de arbeidsmarkt is heel erg groot. We denken dat OCMW’s veel zullen kunnen betekenen voor deze groep. Maar we moeten vermijden dat de factuur doorgeschoven wordt naar de lokale besturen. Er zal dus meer structurele financiering nodig zijn, zowel voor de leeflonen als voor activering.”
“Het is belangrijk om goed te monitoren hoeveel mensen uitstromen uit de werkloosheid en hoeveel er aankloppen bij de OCMW’s. Omdat we zo weinig weten over wat er te gebeuren staat, hebben we bij VVSG een groep samengesteld met één sociaal werker per OCMW die ons zal helpen monitoren op het terrein. Zo kunnen we de vinger aan de pols houden en snel inzichten en knelpunten op de radar te krijgen.”
“Veel steden en gemeenten zullen zelf ook monitoren, want ze verwachten dat wat er nu gaat gebeuren, effect zal hebben op andere lokale dienstverlening. Mogelijks komt er meer druk op de sociale huisvesting, budgetbegeleiding of zelfs opvang voor dak- en thuislozen. Veel lokale besturen zitten al in een krappe budgettaire context. Het debat over wat tot hun kerntaken behoort en wat niet, was al bezig, los van deze omwenteling.”
Sébastien Lepoivre, voorzitter Federatie van Brusselse OCMW’s
“Omdat er in Brussel zo veel langdurig werklozen zijn, zal in verhouding met de bevolking de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd hier het grootst zijn”, vertelt Sébastien Lepoivre van de Federatie van Brusselse OCMW’s.
“Toen de inschakelingsuitkeringen voor jongeren in 2015 hervormd werden, klopte een derde van de getroffen jongeren aan bij het OCMW. We verwachten dat het nu meer dan een derde zal zijn. Veel van de mensen die uitgesloten worden, zijn gezinshoofd, alleenstaand of hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt en een laag opleidingsniveau. Deze hervorming vereist daarom drie fundamentele dingen die we absoluut niet kregen: tijd, geld en een grondig re-integratie- en tewerkstellingsbeleid.”
“Er dreigt een catastrofale situatie. We zijn bang dat we de hulpvragen niet meer zullen kunnen bijhouden. We zullen zeker iedereen die er recht op heeft een leefloon bieden. We zijn daar ook toe verplicht. Maar het is vandaag al een uitdaging om dit binnen de wettelijke termijn te doen. Wij zeggen al jaren dat het de OCMW’s aan middelen ontbreekt om hun wettelijke opdracht te volbrengen. Bovendien is de administratieve overlast te hoog.”
Geen partijpolitieke kritiek
Sébastien: “De hervorming is niet goed doordacht en niet goed voorbereid. Voor je zo’n grote hervorming doorvoert, moet je de tijd nemen om de situatie te analyseren en de mensen op het terrein te consulteren. Dat is hier niet gebeurd. Men heeft dit snel snel en om ideologische redenen ingevoerd.”
“Wiskundig zal de overheid erin slagen om de werkloosheidscijfers naar beneden te halen. Maar de armoedecijfers zullen stijgen. De federale overheid is verantwoordelijk voor de maatschappelijke integratie en armoedebestrijding. Ze moeten dus strijden tegen armoede, het niet organiseren.”
“Ik ben actief bij de PS, maar mijn politieke overtuiging doet er eigenlijk niet toe. Je wil toch dat de hervorming uitvoerbaar is? Geef ons daarvoor dan de capaciteit. Dat doet men niet. Het lijkt alsof zij die de touwtjes in handen hebben niet beseffen wat de gevolgen zijn, of er niet om geven. Als ik waarschuw voor een catastrofe is dat geen vorm van partijpolitieke kritiek. We nemen onze verantwoordelijkheid tegenover onze medewerkers en onze cliënten gewoon ernstig. Maar we worden niet serieus genomen.”
De crisis te veel
Sébastien: “De Brusselse maatschappelijk werkers zijn bang, nerveus en moe. De OCMW’s hebben de laatste tijd al verschillende crisissen doorstaan. ‘Dit is de crisis te veel’, zei een maatschappelijk werker me onlangs. ‘Deze honderden extra dossiers die op ons zullen afkomen, terwijl de omstandigheden er niet naar zijn om ons werk goed te doen, zijn er te veel aan.’”
“Ik vrees ook dat de spanning en agressie aan onze loketten zal toenemen. Hoe meer mensen komen aankloppen, hoe meer kans er zal zijn op vertragingen. Je kan dan verwachten dat mensen boos en geagiteerd raken. We proberen dit op te vangen met extra bewaking, opgeleide receptionisten, beveiligde kantoren en alarmen. Maar dat is eigenlijk dramatisch, want zo criminaliseer je de mensen in armoede, terwijl zij slachtoffer zijn van institutioneel geweld.”
Voorbereiden in moeilijke omstandigheden
Sébastien: “De OCMW’s in Brussel hebben niet stilgezeten. Sommigen huurden nieuwe gebouwen om in de wijken aanwezig te zijn. Anderen hebben infosessies georganiseerd om mensen uit te leggen wat hun rechten zijn. We organiseerden extra opleidingen voor knelpuntberoepen, zodat mensen daar nu al in kunnen stappen. En we hebben een reeks interne processen herbekeken, om tijd te besparen in de afhandeling van dossiers.”
“Veel OCMW’s proberen extra personeel aan te werven, maar het is niet evident. Vacatures raken niet ingevuld. We hebben het erg moeilijk in Brussel om maatschappelijk werkers te vinden. Bovendien bleven de beloofde federale middelen hiervoor lang uit. Sommige Brusselse gemeenten konden bijspringen, maar anderen niet. Hoe kunnen we ons zo voorbereiden?”
“Het lastige is dat we vandaag nog steeds niet alle informatie hebben die nodig is om ons voor te bereiden, zoals omzendbrieven die details specifiëren. De OCMW’s willen de wet uitvoeren, maar je moet die wel kúnnen uitvoeren.”
“En terwijl we ons aan het voorbereiden zijn om duizenden mensen extra te ontvangen, kondigt minister Anneleen Van Bossuyt nog nieuwe regels aan over de cumulatie van leeflonen binnen één gezin. Men geeft ons niet de tijd om een eerste hervorming op te vangen, en men voegt daar nog een nieuwe aan toe. En ook hier weer zonder na te denken over de operationele uitvoering.”
Geen regering
Sébastien: “We moeten meer mensen aan het werk krijgen, dat trekt niemand in twijfel. Elk jaar begeleiden we met de Brusselse OCMW’s dan ook duizenden mensen naar werk. Maar wij zullen met de langdurig werklozen niet als bij toverslag kunnen doen waar Actiris de afgelopen jaren niet in geslaagd is. Deze doelgroep mobiliseren richting werk is een taak van jaren van opleiding, taalcursussen en begeleiding van psychosociale problemen.”
“Dat er momenteel geen Brusselse regering is, vormt een extra probleem voor de regio. Daardoor kunnen er geen nieuwe maatregelen getroffen worden op vlak van arbeidsmarktbeleid of opleiding van werklozen. We opereren alsof het nog 2024 is. Maar de situatie is natuurlijk veranderd. En dat is een situatie die op het punt staat om helemaal uit de hand te lopen.”
Bron: sociaal.net
by admin | jan 5, 2026 | Varia
PFAS duiken op in het bloed van kopstukken van ziekenfondsen, vervuilende fabrieken stellen omwonenden bloot én in 1 op de 4 Vlaamse kranen zijn te hoge PFAS-waarden gevonden. Allemaal nieuws van de voorbije week, en toch blijft de Vlaamse regering zich verschuilen achter uitstelgedrag.
Zeven kopstukken van ziekenfondsen en milieuorganisaties lieten via een eenvoudige vingerprik hun bloed testen op PFAS. Bij elk van hen werden meerdere PFAS-stoffen teruggevonden, bij sommigen zelfs zes verschillende soorten.
Het gaat onder meer om Luc Van Gorp (CM), Paul Callewaert (Solidaris) en Ignace Schops (Bond Beter Leefmilieu). Geen mensen die naast een chemische fabriek wonen, geen uitzonderingen dus. Toch dragen ze – net als de rest van de bevolking waarschijnlijk – de zogeheten “forever chemicals” in hun lichaam.
“Het is schrikken als je je eigen PFAS-waarden ziet”, reageert Paul Callewaert, algemeen secretaris van ziekenfonds Solidaris. “Hoewel nog niet alle gevolgen van PFAS in ons lichaam bekend zijn, is het duidelijk dat iedereen ze in het bloed kan hebben. En voorlopig weet niemand hoe ze te verwijderen, dus is er maar één remedie om te vermijden dat de medische gevolgen zich opstapelen: een ban op PFAS.”
“Ik was zeer verbaasd dat er vier PFAS-stoffen in mijn bloed werden aangetroffen”, vult Luc Van Gorp, voorzitter van CM Gezondheidsfonds, aan. “Ik woon nochtans niet in een gebied dat als PFAS-hotspot bekendstaat. Dat toont nog maar eens aan hoe wijdverbreid de PFAS-problematiek is.”
PFAS zijn een grote familie van duizenden chemische stoffen die nauwelijks afbreken, zich opstapelen in milieu én lichaam en in verband worden gebracht met onder meer hormoonverstoring, problemen met lever en immuunsysteem en een hoger risico op bepaalde kankers.
Voor de ziekenfondsen en milieuorganisaties is de conclusie duidelijk: België moet meetrekken aan de kar van een Europees verbod op alle PFAS én een nationaal uitfaseringsplan. Dat zijn maatregelen die raken aan de kern van het verdienmodel van chemiebedrijven, en precies daarom gaan politieke beslissingen zo traag.
3M en Zwijndrecht
De PFAS-crisis rond de 3M-fabriek in Zwijndrecht is intussen een Europees symbooldossier. In maart 2025 publiceerde het Vlaams Gewest de groepsresultaten van een grootschalig bloedonderzoek bij inwoners binnen een straal van 5 kilometer rond de fabriek.
Ruim 8.500 bewoners namen deel, en bijna iedereen had PFAS in het bloed. Bij ongeveer de helft lagen de waarden zo hoog dat gezondheidsrisico’s op de lange termijn niet uit te sluiten zijn. In totaal zouden zo’n 45.000 mensen, onder wie veel kinderen, in de risicovolle zone wonen.
Tegen die achtergrond voert burgercollectief DARKWATER3M een groepsvordering voor 1.400 buurtbewoners tegen 3M. De reden: jarenlange PFAS-vervuiling in bodem, water en voeding rond de fabriek. De zaak wordt in februari 2026 gepleit in Antwerpen, maar nu al probeert 3M zich te verschuilen achter verjaring.
DARKWATER3M waarschuwt expliciet voor een nieuw asbestscenario: dat mensen tientallen jaren kampen met gezondheidsproblemen en kankers, en dan uiteindelijk de boodschap krijgen dat claims “verjaard” zijn. Terwijl asbestslachtoffers decennialang vochten voor erkenning, dreigen PFAS-slachtoffers zelfs die kans te missen, als de wet niet wordt aangepast.
Opvallend stil in dit verhaal is de Vlaamse regering, die wél bevoegd is voor leefmilieu, sanering en ruimtelijke ordening. In plaats van de kant van de omwonenden te kiezen en druk te zetten op een strenger kader, lijkt ze vooral bezig met de schade te beperken – niet voor de inwoners, maar voor de betrokken bedrijven én voor haar eigen verantwoordelijkheid.
Kraanwater: juridische “veiligheid” boven gezondheidsadvies
Alsof de PFAS-crisis rond 3M nog niet volstond, raken de chemicaliën nu ook de symbolische kern van het publieke vertrouwen: het drinkwater.
Uit cijfers die oppositiepartij Groen opvroeg bij Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns (CD&V), blijkt dat bij ongeveer één op de vier Vlaamse kraanwaterstalen de strengste Europese gezondheidsstreefwaarde voor PFAS (EFSA) wordt overschreden. Het aantal overschrijdingen lag in 2024 zelfs meer dan de helft hoger dan in 2023.
Voor wetenschappers en gezondheidsinstanties zijn die streefwaarden net de benchmark om burgers zo goed mogelijk te beschermen. Voor de Vlaamse regering lijken die streefwaarden vooral een “mening” te zijn. Minister Brouns herhaalt steevast dat “alle kraanwater aan de wettelijke normen voldoet” en dat er dus geen probleem is, waarmee hij de cijfers van Groen formeel niet ontkent, maar ze wél framet als alarmisme.
Vlaanderen hanteert momenteel twee andere, minder strenge normen. Die normen, die veel hoger liggen dan de EFSA norm, zijn wél wettelijk bindend. Als die worden overschreden, moet er dus wel worden ingegrepen. Maar “99,56 procent van de analyses aan de kraan voldeden” eraan, zegt het kabinet.
Die strategie is bekend van de industrie: focus op de verouderde of lakse wettelijke norm, niet op de actuele gezondheidswetenschap. Zolang de norm niet is aangepast, kan iedereen zeggen dat alles “in orde” is.
Politiek schuift verantwoordelijkheid naar burgers
In plaats van beleid te voeren dat grote industrieën streng controleert, terugfluit en bestraft bij vervuiling, schuift de politiek de verantwoordelijkheid steeds vaker naar individuele burgers. Waar vervuilers jarenlang onbeperkt winst konden maken, krijgen bewoners nu vooral leefstijladvies.
Een illustratief voorbeeld kwam van Tina Van Havere (Vooruit), die voorstelde om een controlecampagne op te zetten voor vlees, groenten, fruit en eieren uit Ronse en omgeving. “Afhankelijk van die resultaten kunnen we burgers dan correct advies geven”, zei ze.
Dat soort “advies” kennen mensen rond 3M in Zwijndrecht inmiddels maar al te goed. Aan bewoners in de buurt werd aanbevolen om geen eieren van eigen kippen te eten en om groenten uit de eigen moestuin voldoende af te wisselen met groenten uit de winkel.
Wie krijgt bescherming?
PFAS zijn bij uitstek een test voor de vraag wie een regering écht wil beschermen. Deze stoffen zijn onzichtbaar, verspreiden zich snel, stapelen zich op in lichaam en milieu en hun schadelijke effecten spelen zich af na jaren en decennia. Dat maakt ze ideaal om weg te relativeren: wat je vandaag niet ziet, kan je morgen ontkennen.
Maar precies daarom is een strenge en vooruitziende overheid nodig. Die ontbreekt vandaag in Vlaanderen. In plaats van de volksgezondheid voorop te zetten, kiest de Vlaamse regering voor een beleid dat de juridische en economische comfortzone van de industrie bewaakt en de bevolking sust met halve waarheden.
Zolang PFAS in ons bloed zitten, in onze tuinen, rond onze scholen, in ons kraanwater én in ons voedsel, volstaat het niet dat de Vlaamse regering de grote vervuilers “partners” noemt. Ze moet de industrie niet napraten, maar juist begrenzen.
Teken hier een petitie van Groen om PFAS te verbieden.
bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Sectoren
De Vlaamse media staan op een kantelpunt: Big Tech rukt op, winsten slinken en vijf mediagroepen controleren bijna alles. Als nieuws koopwaar wordt, wie bewaakt straks nog onze democratie?
Grote concentratie
De Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) windt er in zijn laatste rapport Mediaconcentratie in Vlaanderen 2025 geen doekjes om: de Vlaamse mediasector zit op een kantelpunt. Al jaren zakken advertentie-inkomsten weg richting GAFAN, terwijl de digitalisering het publiek steeds preciezer en dus goedkoper laat bespelen. GAFAN is het acroniem voor Google, Apple, Facebook, Amazon en Netflix.
Dat alles gebeurt in een landschap waar vijf groepen 80 tot 100 procent van de klassieke mediaproducten controleren. Het gaat om VRT, DPG Media, Mediahuis, Roularta en Play Media.[1]
DPG Media, met titels als Het Laatste Nieuws, De Morgen, VTM, Dag Allemaal, Humo, QMusic en Joe duikt werkelijk overal op en is hét voorbeeld van een crossmediaal conglomeraat dat kranten, tv, radio en online in één hand bundelt.
Formeel is er geen enkele speler die de hele sector domineert. Maar als vijf concerns bijna alles bezitten, hoeveel echte keuze blijft er dan nog over voor de mediagebruiker?
Op papier lijkt er niks aan de hand: de omzet stijgt licht. Maar in 2023 kreeg de winst wel een zware klap en in 2024 zakte die nog verder weg. Kosteninflatie, duurdere distributie en keiharde concurrentie vreten de marges aan.
Gevolg: het aantal werknemers daalt, redacties slanken af, vaste jobs verdwijnen en worden vervangen door tijdelijke contracten en freelancers. De mediabedrijven draaien dus nog wel, maar de rek is eruit. En als er gesneden wordt, gebeurt dat zelden bij de aandeelhouders.
Radio, tv en productiehuizen
Op de radiomarkt blijft de concentratie groot: VRT pakt nog altijd meer dan de helft van het marktaandeel, al zakken vooral Radio 2 en Studio Brussel, terwijl Qmusic, Joe en Nostalgie winnen. Ook de radioreclame schuift steeds meer naar een paar grote spelers op, omdat radio goedkoop veel volk bereikt en dus reclamegeld aantrekt.
Wie wil zien hoe hard internationale spelers toeslaan, moet naar het voetbal kijken: alle rechten van de Belgische competitie zitten nu bij DAZN, dat zowel de content als het platform controleert. Lokale zenders staan buitenspel.
VTM en Play trokken eind 2024 aan de alarmbel: vanaf 2026 dreigen ze structureel verlies te draaien. Mensen zeggen hun kabelabonnement op, reclamegeld verhuist naar Netflix, YouTube en TikTok. Play Media stapelt de verliezen op en wordt voorlopig rechtgehouden door Telenet. Ook regionale zenders wankelen. De omzet schommelt en jobs verdwijnen.
De Vlaamse productiesector boekte in 2023 een recordjaar: meer reeksen, grotere budgetten, met Streamz als motor. Dat klinkt goed, maar terwijl de kosten stijgen volgen de budgetten niet. De productiehuizen waarschuwen voor faillissementen en harde besparingen, zoals bij Woestijnvis.
Intussen groeit de buitenlandse greep. Telenet (Liberty Global) en groepen als Banijay, Warner Bros., RTL en TF1 zitten diep in Vlaamse productiehuizen. De winsten vloeien steeds meer naar het buitenland.
Kijkgedrag wijzigt
Volgens de Digimeter kijkt nog 41 procent van de Vlamingen dagelijks lineaire tv, maar die groep krimpt en uitgesteld kijken vangt dat verlies niet meer op. Het totale bereik van tv gaat jaar na jaar omlaag.
Elk jaar knippen 50.000 tot 100.000 gezinnen de kabel door en stappen over op goedkopere of gratis alternatieven: VRT MAX, VTM GO, GoPlay, maar ook vooral sociale media. Bij deze laatste bepalen influencers en algoritmes steeds meer wat we te zien krijgen.
Jongeren groeien op in een wereld waar scrollen belangrijker is dan zappen. Traditionele zenders verliezen hen, en daarmee ook hun rol als gedeeld referentiekader in de samenleving.
Streamingoorlog
De streamingmarkt zit in een nieuwe fase: giganten als Netflix, Disney, Warner Bros., Discovery en Paramount draaien intussen structureel winst.
In Vlaanderen blijft Netflix de grootste, maar niet langer onaantastbaar. Streamz zag in 2024 de kijktijd met 52 procent stijgen. Dat bewijst dat wie inzet op sterke, lokale verhalen, het publiek zal meekrijgen.
De streamingmarkt lijkt stabiel – 57 procent van de Vlamingen heeft een abo – maar mensen hoppen vlot van platform naar platform. De strijd om onze aandacht is dus nog lang niet gestreden.
Papieren pers
Voor de geschreven pers waren de voorbije jaren een perfecte storm: dalende verkoop, verdwijnende advertenties, duurdere distributie en inflatie.
Kranten die zwaar inzetten op digitale abonnementen – De Tijd, De Morgen en Het Laatste Nieuws – vangen de klap deels op. De HLN-app haalt meer dan drie keer zoveel bezoekers als de eerstvolgende concurrent. Wie die digitale bocht niet neemt, blijft achter.
Nieuws als koopwaar, democratie als bijzaak
De Vlaamse Regulator voor de Media waarschuwt dat door de grote concentratie de diversiteit in het medialandschap in het gedrang komt. Die concentratie is het logische gevolg van het gevecht om omzet, winst, marges en marktaandeel.
Als je het rapport leest, dan lijkt het erop alsof media in de eerste plaats een ‘markt’ is en pas in de tweede plaats een publieke voorziening die burgers informeert en macht kritisch controleert. In die logica is ‘nieuws’ een product en journalistiek een kostenpost.
Dat kan ook moeilijk anders, want de meeste Vlaamse media zitten stevig ingekapseld in grote kapitaalgroepen. Voor die aandeelhouders is winst geen detail, maar de kern van de zaak. Alles wat nieuws, cultuur of kritische duiding heet, moet in dat kader passen. Wat niets oplevert, wordt geschrapt of weggedrukt naar de marge.
Daarbovenop blijft reclame de levenslijn van het systeem. Hoe aantrekkelijker je bent voor adverteerders, hoe veiliger je businessmodel. Dat zet redactionele keuzes onder druk: welk publiek willen we? Welke toon verkoopt beter? Welke thema’s houden adverteerders tevreden en welke vermijden we liever? Wie afhankelijk is van advertenties, wordt vroeg of laat afhankelijk van de logica van de adverteerder.
Het gevolg is een perverse omkering. Media die in theorie de macht moeten controleren, worden in de praktijk steeds meer gestuurd door diezelfde macht, in de vorm van grote bedrijven, investeringsfondsen en ‘partners’ zonder enige democratische legitimiteit.
De maatschappelijke rol van journalistiek – burgers informeren, conflicten blootleggen, machtsstructuren doorlichten en alternatieven tonen – verschraalt tot een bijproduct van een commercieel model.
Als we die spiraal willen doorbreken, volstaat het niet om hier en daar een subsidie te verhogen of een nieuw platform te lanceren. Dan moeten we de vraag durven stellen welk mediasysteem we wíllen.
Willen we een landschap gedomineerd door enkele giganten die informatie behandelen als koopwaar? Of willen we een publiek aangestuurd model waarin diversiteit, kritische controle en toegankelijke informatie centraal staan, en waar winst niet de maat van alle dingen is?
Die keuze bepaalt wie aan het woord komt, wie onzichtbaar blijft, en hoe we samen begrijpen in wat voor wereld we leven, en hoe die kunnen verbeteren. In die keuze zijn eigendomsverhoudingen centraal, maar die worden door de media zelf meestal keurig uit het vizier gehouden.
Het is de zoveelste reden waarom alternatieve media als DeWereldMorgen meer dan ooit belangrijk zijn.
Note:
[1] Mediahuis is de uitgever van de Vlaamse kranten De Standaard, Het Nieuwsblad, Gazet van Antwerpen, De Gentenaar, Het Belang van Limburg. Roularta is de groep boven Knack, Trends, De Tijd, De Zondag en Libelle. Play Media bezit verschillende commerciële televisiezenders met de naam Play alsook de radiozender Nostalgie.
bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Onderwijs
Terwijl leerkrachten zich uit de naad werken, portretteert Zuhal Demir hen als plantrekkers. Haar kruistocht tegen vrije schooldagen maskeert het echte probleem: een onderwijs dat bloedt door een chronisch lerarentekort.
Het moet gezegd, de minister heeft gevoel voor timing. Net op het moment dat leerkrachten zich uit de naad werken om alles op tijd verbeterd te krijgen en overuren kloppen voor de deliberaties en het oudercontact, schildert ze leerkrachten af als plantrekkers die te weinig voor de klas staan en uit zijn op zoveel mogelijk vakantie.
De minister vindt namelijk dat er teveel ‘verloren onderwijstijd’ is. Daarom wil ze pedagogische studiedagen in het basisonderwijs beperken tot drie halve dagen en wil ze die in het secundair onderwijs helemaal afschaffen.
Ook de facultatieve vakantiedagen gaan op de schop. Dat zijn dagen die scholen zelf mogen vastleggen, vaak als brugdag of rond lokale activiteiten. Daarnaast wil de minister de deliberatietijd inperken en wil ze dat de eerste en laatste schooldag opnieuw volwaardige lesdagen worden. Volgens Demir moet dit alles helpen om de achterstand op andere OESO-landen in te halen.
Vakbonden woedend
Bij de vakbonden valt het plan bijzonder slecht. Volgens ACOD-topvrouw Nancy Libert kijkt de minister met haar cijfers “enkel naar lesdagen, niet naar het aantal effectieve lesuren per week”. Zowel op het vlak van het aantal verplichte uren per jaar op de schoolbank, als op de effectieve instructietijd scoren de Vlaamse leerkrachten boven het OESO-gemiddelde.
Het probleem van ons onderwijs vandaag is dus niet dat leerlingen te weinig op school zijn. Het meeste prangende probleem is het lerarentekort. Libert noemt de maatregelen dan ook “pure symboolpolitiek”. Haar beeld is duidelijk: “Wie zijn huis verbouwt, begint ook niet met nieuwe gordijnen te hangen. De eerste stap naar meer onderwijskwaliteit is een goede, gekwalificeerde leraar voor de klas.”
Ook het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) spreekt van een “motie van wantrouwen” richting leraren. De minister komt opnieuw met ingrepen die diep ingrijpen in hun werk, zonder hun realiteit ernstig te nemen. De onderwijsbonden vragen zich af wat het oplevert om studiedagen, brugdagen en evaluatiemomenten af te bouwen in een sector die nu al kraakt onder de werkdruk.
Studiedagen
De pedagogische studiedag is een van de heetste hangijzers. Volgens Marianne Coopman (COV) zijn die dagen “broodnodig” voor professionalisering. Scholen moeten nieuwe minimumdoelen invoeren, taalbeleid aanscherpen en omgaan met steeds meer gedragsproblemen in de klas. Dat vraagt tijd, opleiding en overleg.
Directeur Sabine Verheyden van het Lutgardiscollege in Oudergem legt uit dat zo’n studiedag vaak het enige moment is waarop het hele team samen kan nadenken over schoolbrede keuzes. In haar school plannen ze al een studiedag eind augustus om tijdens het jaar zo weinig mogelijk lestijd weg te nemen.
Door die momenten te beperken of te schrappen, duwt de overheid scholen richting oppervlakkige bijsturingen in plaats van diepgaande vorming. Drie halve dagen, zeggen directies, volstaan niet om nieuwe competenties aan te leren.
Deliberatietijd en werkdruk
Volgens de krant De Morgen toont Demirs voorstel om de deliberatietijd na de examens in te korten, weinig kennis van de huidige schoolrealiteit. Deliberaties duren langer omdat scholen rekening moeten houden met complexe leerlingendossiers, zorgnoden en strikte regels die ze niet zelf hebben uitgevonden.
Evaluaties en commentaren moeten zeer nauwkeurig worden genoteerd, want bij de kleinste discussie staan advocaten klaar – vaak namens dezelfde ouders die nu klagen over ‘tijdverlies’. Zo zijn deliberaties uitgegroeid tot een zware administratieve last. Net daar zou een minister iets aan kunnen doen, maar dat levert politiek weinig op.
Haar plannen raken vooral aan de manier waarop de werkdruk wordt ervaren. De minister doet alsof de periode na de examens een soort luilekkerland is. Maar leerkrachten beschrijven die weken als een storm: verbeterwerk, rapporten, klassenraden, feedbackgesprekken met leerlingen.
Verheyden vertelt hoe leerkrachten een heel weekend verbeteren en daarna dagenlang van ’s ochtends tot ’s avonds in klassenraad zitten. En dan nog krijgen ze het beeld voorgeschoteld dat ze niet veel doen. “Dat komt binnen”, zegt ze.
Pedagoog Pedro De Bruyckere verwacht dat scholen zullen schuiven in hun organisatie: meer permanente evaluatie, sportdagen verschuiven naar de periode na de examens om elders lestijd te winnen. Maar dat soort puzzelwerk verandert niets aan de grote werkdruk op het einde van elk trimester.
Facultatieve dagen
Een apart onderdeel van het plan is het afschaffen van de facultatieve vakantiedagen. Die dagen werden begin jaren 90 ingevoerd, bij de overheveling van Onderwijs naar de Vlaamse Gemeenschap. Scholen zouden zo lokale festiviteiten kunnen volgen, zoals een jaarmarkt of kermis. Basisscholen kregen twee dagen, secundaire scholen één.
Vandaag zetten sommige (basis)scholen die dagen nog altijd in voor lokale activiteiten. Veel secundaire scholen gebruiken ze als brugdag, bijvoorbeeld rond 11 november, na een schoolfeest of in combinatie met pinkstermaandag.
Voor vakbonden en directies zijn die dagen een klein stukje autonomie. Ze laten toe het schooljaar menselijker te organiseren. Dat Demir ze nu voorstelt als een soort luxeprobleem, botst met hoe die dagen op het terrein worden ervaren.
Carrièrekansen
In plaats van zich bezig te houden met symbooldossiers die goed scoren bij haar politieke achterban, zou de minister beter het kernprobleem van het onderwijs ten gronde aanpakken: het lerarentekort. Geen enkele kalenderwijziging verandert daar iets aan, integendeel.
In De Morgen werpt Bart Eeckhout de minister de volgende vraag voor: “Wat duwt de kwaliteit in de klas het meest naar beneden? Het lerarentekort of een pedagogische studiedag?” Volgens hem “vereist het antwoord geen diploma kernfysica”.
Nieuw onderzoek van KU Leuven toont dat één op de vijf afgestudeerde leerkrachten secundair nooit voor de klas komt te staan. Vooral de beperkte carrièremogelijkheden schrikken af. Voor toekomstige leerkrachten voelt die beperkte doorgroei als een daling van het nettoloon met ruim 8 procent. Daarnaast speelt ook de hoge werkdruk een rol. Opvallend is dat het net de sterkste profielen zijn die het meest afhaken, terwijl zij cruciaal zijn voor de kwaliteit van het onderwijs.
Daarnaast overweegt een op vijf van de huidige leerkrachten het onderwijs te verlaten. Idealisme is een sterke factor bij leerkrachten, maar die volstaat blijkbaar niet meer om mensen in het onderwijs te houden als loon, werkdruk en toekomstperspectief tegenvallen. Dat de minister de leerkrachten andermaal wegzet als plantrekkers is in deze allerminst bevorderlijk.
Weinig kans op slagen
CD&V, toch coalitiepartner, wijst openlijk op de verkeerde prioriteiten van de minister. Vlaams Parlementslid Loes Vandromme zegt dat Zuhal Demir eerst moet zorgen dat elke klas een leraar heeft. Zij verdedigt ook de tijd voor klassenraden. Dat is volgens haar geen vrijblijvend “hobbyclubje”, maar het enige moment waarop alle leerkrachten samen beslissen over de toekomst en schoolloopbaan van leerlingen. Minder tijd daarvoor betekent risico op minder doordachte beslissingen.
De kritiek van CD&V sluit aan bij die van de vakbonden: wie echt werk wil maken van onderwijs, moet eerst zorgen voor voldoende menskracht, een sterke omkadering en vertrouwen, niet bij het afvinken van ‘extra lesdagen’. Het voorstel van Demir moet nog voor overleg naar de onderwijskoepels en de vakbonden. De kans is zeer gering dat haar plannen werkelijkheid zullen worden.
Bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Varia
Het geloof in de democratie wankelt. In heel wat landen groeit onvrede over politieke stilstand en het gevoel dat verkiezingen weinig veranderen. Tegelijk slagen gevestigde partijen er niet in om overtuigende antwoorden te bieden op de grote uitdagingen van onze tijd. Hoe maken we onze democratie terug democratisch?
Hoe zou het komen dat het geloof in de democratie wankelt? Is dat de vraag? Of moeten we wellicht eerder de fundamenteel-existentiële vraag stellen of het huidige politieke systeem dat doorgaans “democratisch” wordt genoemd, wel effectief een democratie is?
De mythe van de volksvertegenwoordiging
Het begrip democratie is uitgehold. Veel regeringen claimen ‘democratisch’ te zijn, omdat ze bestaan uit zogenaamd verkozen vertegenwoordigers. Maar in de praktijk worden parlementen niet samengesteld door burgers, maar door partijbesturen. Burgers hebben geen zeggenschap over de lijsten en kunnen niet stemmen op kandidaten buiten hun district.
De ‘volksvertegenwoordigers’ zijn in de eerste plaats partijvertegenwoordigers. Hun stemgedrag in het parlement wordt rechtstreeks gecontroleerd door de partijhoofdkwartieren, niet door de burgers die ze horen te dienen. We zijn verplicht om binnen dit keurslijf onze ‘vertegenwoordigers’ aan te duiden, maar het is ons verboden om zelf direct de wetten in te voeren die we wensen.
Deze manier van politiek bedrijven vergroot meer en meer de kloof tussen de burgers en de politici. Als de mensen wetten of besluiten als onrechtvaardig of disproportioneel ervaren, rest hun alleen nog betogen, protesteren en staken.
Wanneer kunnen we over democratie spreken en wanneer niet, of wanneer wordt ze bedreigd? En als de democratie ziek is, wat is dan de remedie?
Wat is democratie?
Voor veel mensen is ‘democratie’ een vaag begrip. Nochtans is de oorsprong helder: de Griekse woorden demos (volk) en kratein (heersen), oftewel volksheerschappij. Dit impliceert een revolutionaire gedachte: geen enkele instantie, leider of macht staat boven de verzameling burgers. Democratie is de bestuursvorm waarin de wil van de mensen de bron is van legitieme macht. Alle burgers bouwen mee aan de samenleving door onderling wetten af te spreken.
De mensen vertegenwoordigen zichzelf in de politieke besluitvorming. Het basisbeginsel zou dus niet enkel indirecte representatie mogen zijn. Als democratie uitsluitend bestaat uit vertegenwoordiging via partijen, is de kans groot dat burgers zich nauwelijks gerepresenteerd voelen. Dit bouwt frustraties op.
Het startpunt van onze politieke instellingen moet zelfrepresentatie zijn. In een moderne democratie hoort het volk beslissingen te nemen over het bestuur, via directe democratische besluiten.
De Nederlandse auteur Eva Rovers bepleit in haar boek Waarom we de politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten de installatie van een geloot burgerparlement naast de verkozen kamers. Haar hoop is dat zulke nationale burgerparlementen nieuwe inzichten opleveren van “mensen die niet vastzitten aan een partijprogramma en niet de volgende verkiezingen hoeven te winnen”.
De vraag blijft echter in hoeverre een gelote derde kamer de échte democratische injectie is om geloofwaardige antwoorden te formuleren? Een ware democratie is een samenleving waarin burgers, ook al beslissen ze in de praktijk niet alles zelf, wel steeds het laatste woord kunnen hebben. Die vorm, ‘directe democratie’, is feitelijk democratie tout court.
Het wezen van democratie
De vergaande individualisering van nu drijft de mens naar zelfbeschikking en autonomie. We accepteren steeds minder een autoriteit boven ons. Politiek vertaalt dit zich in de eis voor ‘zelfrepresentatie’ in het besluitvormingsproces.
Democratie is het maatschappelijke gesprek waarin we als gelijkwaardige burgers afspraken maken over hoe we met elkaar omgaan en welke wetten we willen. Dit vormt de rechtsstaat, waar de verhoudingen van mens tot mens worden geregeld – iets wat elk individu aangaat en resulteert in wetten.
De diepe menselijke behoefte om tegemoet gekomen te worden, vindt zijn antwoord in deze afspraken en regelgeving. Voorbij alles wat ons als individu kleurt en kenmerkt ligt ons diepere mens-zijn, dat we ook in alle andere mensen kunnen herkennen. Wat komt de mens toe louter op basis van zijn mens-zijn? Hoe wil ik dat de andere mens behandeld wordt – zoals ook ikzelf? Daar liggen de diepere vragen van een rechtvaardige samenleving.
Democratie: het ‘hart’ van de samenleving
Democratie is het ‘hart’ van de samenleving, waar ons rechtvaardigheidsgevoel spreekt: iedereen is gelijk voor de wet. Maar gelijkheid vereist meer dan alleen gehoorzamen. Om écht gelijk te zijn voor de wet, moet iedereen op gelijke wijze kunnen deelnemen aan de productie van die wetten. In een rechtvaardige maatschappij moeten degenen die de gevolgen dragen logischerwijs ook mee beslissen.
Gelijkheid in wetgeving wordt gerealiseerd door een democratie die elk individu een gelijke, vrije stem in de wetsproductie garandeert. Alleen dan zijn die wetten een weerspiegeling van ons collectieve rechtvaardigheidsgevoel.
Democratie in de praktijk
De huidige particratie bedreigt niet alleen onze democratie (zelfbestuur van de burgers), maar maakt die feitelijk onmogelijk. Dit systeem druist in tegen de kernbeginselen en moet overwonnen worden.
In de praktijk vereist democratie dat burgers de mogelijkheid krijgen om via zelf ingediende wetsvoorstellen te bepalen hoe zij hun samenleving willen inrichten. Dit kan via directe democratie met een al dan niet geloot parlement én referenda op burgerinitiatief. De burgers zelf dienen (naast het parlement) wetsontwerpen in en laten deze goed- of afkeuren via referenda.
Mensen hoeven dan niet te stemmen op een partij of politicus, maar stemmen zelf over wetten en besluiten. Zo groeit het geloof in de democratie, omdat mensen ervaren dat hun stem écht telt en zij het zelf voor het zeggen hebben.
In een echte democratie hebben burgers het laatste woord via referenda op burgerinitiatief. Er is geen ‘overheid’, want de burgers beslissen zelf. De echte verantwoording ligt bij de burgers zelf, die de gevolgen van hun beslissingen dragen. Dit leidt tot zorgvuldigere en rechtvaardigere beslissingen.
Het referendum
Het referendum op basis van een volksinitiatief staat in schril contrast met een ‘volksraadpleging’, vaak misleidend een ‘plebisciet’ genoemd. Veel van wat wij zien, zoals de Brexit en aanverwante raadplegingen, zijn geen echte referenda, maar plebiscieten: nep-referenda van bovenaf, uitgeschreven door politici om hun eigen doelen te dienen. Plebiscieten zijn manipulatietools voor politici.
De werking van het echte referendum is precies omgekeerd: het stelt burgers in staat om politici te corrigeren als hun beslissingen onrechtvaardig worden ervaren.
Waarom Directe Democratie?
Onderzoek onder meer dan 6.500 Belgen, uitgevoerd door politicoloog Jean-Benoît Pilet (ULB), toont aan dat de burger klaar is met louter meer ethiek, transparantie of efficiëntie. Kiezers eisen grondige hervormingen en meer inspraak. De roep om politieke vernieuwing is groter dan ooit. Meer dan 70 procent van de Belgen wil bindende referenda over belangrijke kwesties.
Wanneer burgers naast het parlement zelf wetsontwerpen kunnen indienen en laten goed- of afkeuren via referenda, wordt met alle lagen van de bevolking rekening gehouden. Elke burger, ongeacht zijn achtergrond, krijgt de mogelijkheid om via een gegarandeerd vrije en gelijke stem deel te nemen aan de wetsproductie, zowel door initiatieven te nemen als door erover te stemmen.
Democratie kan de samenleving rechtvaardig(er) maken
Onze ‘democratie’ wordt zwaar gedomineerd door economische belangen. De lobbymachines van multinationals zetten nationale wetgeving en media naar hun hand, vaak met schending van het gelijkheidsprincipe en soms zelfs via omkoping. De waakhondfunctie van het volk en een echt feedbacksysteem ontbreken totaal.
In een échte democratie hebben burgers de mogelijkheid om via bindende referenda zelf orde op zaken te stellen. Dan hoeft er niet geprotesteerd te worden tegen een zogenaamde ‘overheid’. Wanneer burgers hun samenleving via referenda zelf vormgeven, groeit het democratische bewustzijn en verdwijnt het huidige wantrouwen, omdat de burgers zichzelf besturen.
Dit gaat niet om een democratie die een ‘hemel op aarde’ belooft, noch om een veelbelovend programma of ideologie. Democratie is nooit ‘af’, maar een steeds evoluerend proces. Een ware democratie biedt simpelweg de basis: het stelt de burgers in staat om zélf de best mogelijke maatschappelijke structuren te creëren, zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel.
Wat staat ons te doen?
We moeten de particratie doorbreken. Democratie is levendiger dan we denken, mits correct toegepast. Door bindende referenda op volksinitiatief zowel lokaal als nationaal mogelijk te maken, bepalen mensen daadwerkelijk de vormgeving van hun gemeenschap. Dit zorgt ervoor dat het democratisch bewustzijn groeit en sterker wordt in brede lagen van de bevolking. Burgers zullen actief deelnemen aan het beleid en de smaak van actief burgerschap te pakken krijgen.
Word lid van Meer Democratie vzw en steun onze actie om bindende referenda mogelijk te maken. Hiervoor moet de Belgische Grondwet worden aangepast.
Beste medeburger, doe met ons mee en teken de petitie: Grondwetswijziging voor invoering van bindende referenda.
Marc Vanvelk is bestuurslid van Meer Democratie vzw.
Bron: dewereldmorgen.be