Jeugdhulp aan de voedselbank: kapot bespaard in stilte

Jeugdhulp aan de voedselbank: kapot bespaard in stilte

Als jeugdhulp moet bedelen om diepvriesgroenten, is er iets fundamenteel mis. Vijftien jaar aan koude besparingen laten diepe, pijnlijke sporen na op het bord van onze kwetsbaarste kinderen.

Sluipende aanval op de zorg

Terwijl de kosten voor het dagelijks leven de hoogte in schieten, blijft de Vlaamse overheid doof voor de noden van de meest kwetsbaren. Sinds 2010 zijn de werkingsmiddelen van de zorgvoorzieningen in Vlaanderen niet meer geïndexeerd. Wat aanvankelijk een kleine ingreep leek, is uitgegroeid tot een structurele uitholling van deze sector.

Door de weigering om budgetten aan te passen aan de reële prijzen van energie, voeding en onderhoud, is er in feite sprake van een bikkelharde besparing. Volgens ramingen gaat het om een verlies van maar liefst 40 procent aan koopkracht voor instellingen die jongeren en gezinnen in nood ondersteunen.

Neem nu Ter Wende, een therapeutisch centrum in Leuven. Directeur Mattias Bouckaert kent zijn cijfers uit het hoofd: een werkingsbudget van 389.000 euro voor veertig bedden en zeventig medewerkers. Dat bedrag is al vijftien jaar ongewijzigd.

Bouckaert legt de pijnlijke realiteit bloot: “Als dat bedrag geïndexeerd zou zijn – aangepast aan het feit dat werkelijk alles, van voeding tot energie, de voorbije jaren duurder is geworden – zou dat 160.000 euro meer zijn.” In de loop van die vijftien jaar heeft zijn organisatie in totaal meer dan een miljoen euro aan broodnodige middelen misgelopen. 

“Het is een sluipende besparing, die aanvankelijk onschuldig lijkt”, zegt hij, maar de gevolgen zijn inmiddels allesbehalve onschuldig.

Overleven op voedseloverschotten

Wanneer de overheid de kraan dichtdraait, moeten instellingen wanhopig creatief worden. Bij Lionshulp vzw in Gent is de situatie zo nijpend dat ze sinds 2024 samenwerken met de lokale voedselbank voor diepvriesvoeding en droge producten.

Directrice Hilde De Borger windt er geen doekjes om: “Het voelt ethisch moeilijk om van een voedselbank gebruik te maken, maar het kan momenteel niet anders.” 

Het is een hallucinante vaststelling: in een van de rijkste regio’s ter wereld moet de professionele jeugdhulp bedelen om eten om de jongeren onder hun hoede een maaltijd te kunnen aanbieden. Ook Ter Wende overleeft dankzij de goodwill van lokale supermarkten die hun voedseloverschotten schenken.

De strategie in de sector is vandaag simpelweg: “Besparen, besparen, besparen.” Elke euro wordt drie keer omgedraaid. Dat betekent dat investeringen in gebouwen worden uitgesteld, computers pas worden vervangen als ze echt uit elkaar vallen, en de verwarming een graadje lager gaat.

Bij vzw Huize Sint-Vincentius hanteren ze een strikt dagbudget van 5,5 euro per kind voor drie maaltijden. Directrice Fran Segaert benadrukt de absurditeit daarvan: “Met 5,5 euro per dag per jongere verzorgen onze medewerkers drie maaltijden. Geen dure biefstuk of scampi – luxe kennen we hier niet – maar gelukkig wel nog steeds voedzaam en gezond.” 

Het vraagt een bovenmenselijke inspanning van het personeel om met dergelijke bedragen nog iets fatsoenlijks op tafel te toveren.

Afbraak van de toekomst

De besparingen raken niet alleen de materiële middelen, maar ook de kwaliteit van de begeleiding. Omdat de werkingsbudgetten tekortschieten, hevelen sommige instellingen noodgedwongen geld over vanuit hun personeelsbudget naar de dagelijkse werking.

In Ter Wende betekent dit concreet dat ze het moeten doen met 2,5 voltijdse medewerkers minder. Het gevolg? Jongeren die niet naar school kunnen gaan, krijgen overdag geen zinvol alternatief programma. 

Eén begeleider moet de dag doorkomen met zeven jongeren met complexe problematieken. De tijd voor individuele aandacht en echte therapeutische diepgang verdwijnt, terwijl de werkdruk voor het resterende personeel onhoudbaar wordt.

Het gebrek aan een financiële buffer is een tikkende tijdbom. Infrastructuur veroudert en dringende renovaties worden vooruitgeschoven. Fran Segaert waarschuwt dat het op korte termijn “nijpend” wordt als er geen reserve kan worden opgebouwd voor deze investeringen.

Maar de grootste kost is de menselijke kost. Jongeren in de jeugdhulp dragen vaak al een loodzware rugzak. Hilde De Borger herinnert ons aan de essentie van hun werk: “Hoe meer wij in deze jongeren kunnen investeren, hoe groter de kans dat zij uitgroeien tot mensen die durven te geloven in zichzelf, die naar school gaan, een diploma halen, een leven uitbouwen.” 

Door nu te beknibbelen op hun zorg, riskeert de samenleving de rekening later dubbel en dik te betalen via het OCMW, de psychiatrie of de gevangenis.

Een kwestie van menselijkheid

De reactie vanuit de Vlaamse regering blijft mager. Minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) wenst niet te reageren op de huidige noodkreet. Hoewel er voor 2025 een minimale indexering van 1 procent is toegestaan, dekt dit bijlange niet de opgestapelde tekorten van de afgelopen vijftien jaar. 

Pas in 2028 en 2029 wordt er opnieuw gekeken naar een gedeeltelijke indexering, wat betekent dat de sector nog jarenlang in de kou blijft staan.

Oppositiepartij Groen heeft inmiddels een ontwerpdecreet ingediend om vanaf 1 januari 2026 opnieuw een volledige indexering toe te kennen. Volgens parlementslid Jeremie Vaneeckhout is de maat vol: “De Vlaamse regering heeft onze zorgsector door die niet-indexering kapot bespaard.” Hij noemt het hallucinant dat de absolute basis, zoals budget voor maaltijden en kledij, is wegbezuinigd.

Deze schandelijke situatie is het resultaat van bewuste politieke keuzes. Terwijl er miljarden worden gevonden voor prestigeprojecten – denk maar aan de dure fietsbrug over de Schelde – moeten de meest kwetsbare jongeren rekenen op de voedselbank.

De zorgsector vraagt geen extraatjes of luxe, maar simpelweg een correcte financiering om hun kernopdracht te kunnen uitvoeren. De sector vraagt dringend dat de Vlaamse regering stopt met deze “sluipende besparingen” en dat ze de jeugdhulp de middelen geeft die ze verdient. Een samenleving die bespaart op het bord van haar kwetsbaarste kinderen, heeft een ernstig probleem met haar morele kompas. 

Bron: dewereldmorgen.be

Kerstcadeau van Arizona: controles en sneller ontslag voor langdurig zieken

Vlak voor kerst werd een wet doorgeduwd die de jacht opent op langdurig zieke werknemers. In plaats van re-integratie en preventie komt er controle, sanctie en besparing op de kap van zieken.

Zonder veel publiek debat stemde het federaal parlement op 18 december de dikke bundel maatregelen rond langdurige ziekte, die op 1 januari al van kracht zijn. Volgens het ACV kiest de regering hiermee voor het “goedkoop en snel afschrijven van zieke werknemers”.

Zowel de mensen die dit beleid op het terrein moeten opvolgen als diegenen die er de gevolgen van dragen, worden binnen twee weken geconfronteerd met ingrijpende regels. De uitwerking van dit beleid is voor een groot deel nog onduidelijk, wat voor veel onzekerheid zorgt op de werkvloer.

Het ACV is dan ook bikkelhard voor deze gang van zaken: “Met de stemming van de ‘Terug Naar Werk’-wet nog vlak voor het kerstverlof, duwt de regering zonder veel debat een beleid door dat de problematiek van langdurige ziekte nog groter zal maken”.

Ontslagmachine draait warm

In het regeerakkoord was afgesproken om prioritair in te zetten op preventie. In de praktijk blijkt dat luik een dode letter. De regering pakt de gekende oorzaken van ziekte niet aan, maar richt haar pijlen op de zieke werknemer zelf.

We weten waarom de cijfers stijgen: mensen moeten langer werken, terwijl hun job of gezondheid dat niet toelaat. Er zijn steeds meer aandoeningen door ziekmakend werk en de werkdruk in sectoren met veel vrouwelijke tewerkstelling is vaak niet vol te houden tot aan het pensioen.

Een beleid dat deze structurele oorzaken negeert en enkel focust op sancties, is volgens de vakbond simpelweg “dweilen met de kraan open”. In plaats van ondersteuning komen er zwaardere uitkeringssancties. Wie bijvoorbeeld een afspraak met een arbeidsarts mist, kan zijn volledige ziekte-uitkering verliezen.

Een van de meest schadelijke punten in de nieuwe wet is de versoepeling van het ontslag. De regering wil het mogelijk maken om aanzienlijk sneller het arbeidscontract van zieke werknemers te beëindigen zonder dat er een ontslagvergoeding betaald moet worden.

Dit beleid ondergraaft cruciale hefbomen voor de terugkeer naar werk, zoals het behoud van de arbeidsrelatie en de ruimte voor re-integratie. Het ACV waarschuwt dat de regering hiermee een “ontslagmachine” aanmoedigt die nu al verantwoordelijk is voor zo’n 26.000 procedures per jaar.

In plaats van werknemers te beschermen, moedigt de hervorming werkgevers aan om de kosten van een zieke werknemer af te schuiven op de sociale zekerheid. De wettelijke verplichting om voor aangepast werk te zorgen, wordt zo heel gemakkelijk omzeild.

Mythe van de ‘profiteur’ 

Om dit asociale beleid te rechtvaardigen, wordt vaak een sfeer van achterdocht gecreëerd. De PVDA wijst erop dat er bewust ‘fake news’ wordt verspreid om miljardenbesparingen op de kap van zieken te vergoelijken. Zo wordt beweerd dat België veel slechter scoort dan Duitsland, een claim die volgens RTBF niet overeind blijft.

Vandaag zijn er meer dan een half miljoen mensen in België die al langer dan een jaar ziek zijn. Dat is een verdubbeling sinds 2010. Dit komt niet door een plotseling leger van profiteurs, maar door de realiteit op de werkvloer. Twee derde van deze mensen lijdt aan fysieke slijtage of mentale aandoeningen zoals burn-out.

Het onderzoek van het RIZIV, dat beweerde dat een kwart van de zieken ‘vals’ zou zijn, bleek volgens de krant Le Soir onbetrouwbaar. Toch werden deze cijfers gelekt op een politiek strategisch moment. De realiteit is dat de meeste zieken arbeiders, vrouwen en 55-plussers zijn die simpelweg ‘op’ zijn.

Achter de kille cijfers zitten mensen die jarenlang de samenleving draaiende hebben gehouden. De PVDA brengt hun verhalen naar buiten om de menselijke kost van het beleid te tonen. Paul, Maria en Marc zijn geen nummers, maar werknemers die gebroken zijn door hun job.

Paul (63), een bouwvakker, getuigt: “Ik heb mijn hele leven in de bouw gewerkt. Mijn rug en schouders zijn gebroken en eerlijk gezegd heb ik geen energie meer. Ik ben aan het eind van mijn latijn.” Maria (57), een huishoudhulp, zag haar lichaam bezwijken onder de “dubbele werkdag” van zwaar poetswerk en haar eigen huishouden.

Ook Marc (49), logistiek medewerker in de haven, kan niet meer. “Mijn schouders zijn helemaal versleten. Ik heb zelfs hulp nodig om mijn jas aan te trekken. Als ik hoor dat we tot ons 67e moeten doorwerken, vraag ik me af in welke wereld dat haalbaar is.” Voor deze mensen is de pensioenleeftijd van 67 jaar een wrede illusie.

Kiezen voor winst boven mens

Het ABVV stelt vast dat de nieuwe wetgeving werknemers flagrant discrimineert. Bert Engelaar van het ABVV is duidelijk over de ongelijkheid: “Er wordt weer eens met twee maten en twee gewichten gewerkt. De regering-De Wever trekt de sancties voor werknemers op, maar niet voor zelfstandigen.”

Wanneer een werknemer een afspraak bij de terug-naar-werkcoördinator mist, stijgt de financiële sanctie naar 10 procent van de uitkering. Voor zelfstandigen blijft diezelfde sanctie echter op 2,5 procent staan.

Bovendien worden werkgevers nauwelijks geresponsabiliseerd. De solidariteitsbijdrage voor bedrijven geldt enkel als ze meer dan vijftig werknemers tellen en enkel voor personeel jonger dan 55 jaar. De zieke werknemer daarentegen wordt altijd en overal gestraft, ongeacht zijn leeftijd of de grootte van het bedrijf waar hij werkte.

De huidige gezondheidscrisis op de werkvloer is het resultaat van een systeem dat productiviteit boven alles stelt. Vakbonden en gezondheidsexperts trekken aan de alarmbel omdat de arbeidsvoorwaarden steeds verder verslechteren.

“Systemen die winst boven mens stellen, hebben vaak onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van werknemers”, stelt de gezondheidscoalitie. In sectoren zoals de schoonmaak is elke dag één op de vijf werknemers ziek. Dat is geen toeval, maar het gevolg van zware fysieke belasting en chemische stoffen.

De drang naar constante flexibiliteit, nachtwerk en het combineren van meerdere jobs maakt mensen ziek. De regering kiest er echter voor om deze “ziekmakende arbeidswereld” in stand te houden en de slachtoffers ervan te stigmatiseren als lui of bedrieglijk.

Hardvochtig gelaat

Een effectief beleid begint bij het aanpakken van de oorzaken, niet bij het straffen van de zieken. Om de toename van het aantal langdurig zieken echt te stoppen, is er een radicale koerswijziging nodig die vertrekt vanuit menselijke waardigheid.

Dit betekent dat er fors geïnvesteerd moet worden in risicopreventie op de werkvloer en dat de arbeidsduur collectief moet worden verminderd om de werkdruk te verlichten. Ook het opnieuw invoeren van een waardig brugpensioen voor zware beroepen is essentieel om te vermijden dat mensen volledig opgebruikt aan de zijlijn belanden.

Echte oplossingen liggen in gezonde werkomstandigheden, voldoende personeel in knelpuntberoepen en een respectvolle begeleiding van wie uitvalt. Alleen door het ziekmakende systeem zelf te veranderen, kunnen we werknemers echt gezond aan de slag houden.

Met de ‘Terug Naar Werk’-wet toont de Arizona-regering zijn hardvochtige gelaat. Ze voert een beleid dat mensen reduceert tot kostenposten, net wanneer ze bescherming nodig hebben. Extra pijnlijk is dat deze wet vertrekt vanuit besparingsoverwegingen en niet uit oprechte zorg voor langdurig zieken. 

In deze kerstperiode zullen Vooruit en CD&V dit wellicht moeilijk aan hun achterban kunnen uitleggen. 

Bron: dewereldmorgen.be

De weg naar duurzaam voedsel is een strijd op vele fronten

Hoe kunnen burgers en boeren weer greep krijgen op de voedselketen om zo gezonder en duurzamer voedsel te verkrijgen? Dirk Holemans, coördinator van denktank Oikos geeft in het boek ‘Grondgenoten’ antwoord, al komt hij er ook niet helemaal uit.

Het boek ‘Grondgenoten’ draait om de vraag hoe de wereldbevolking tot gezonder en duurzamer voedsel kan komen. De vraag is veelzijdig en dat geldt ook voor het antwoord. Auteur Dirk Holemans presenteert een heel pakket aan ideeën en deskundigen. Het boek is dan ook geen hap-slik-weg geworden, om in de beeldspraak van de voedselindustrie te blijven. 

Gezonder eten? Eet gezamenlijk!

Het aardigste en eenvoudigste idee dat Holemans aanreikt om gezonder te eten is samen tafelen. Holemans verwijst naar de Italiaanse migrantenfamilies in de jaren zestig in de Verenigde Staten. Die namen de tijd voor het eten: het eten was vers en aan tafel heerste verbondenheid. Uit onderzoek is gebleken dat in deze groep minder hartaanvallen waren dan gemiddeld in de rest van de Verenigde Staten omstreeks die tijd. 

Dichter bij huis noemt Holemans het initiatief van de organisatie Aroma’s in Gent en Leuven. Hier koken oudere mensen samen met jongeren, leren zij over en weer van elkaars kooktips en eten samen. De organisatie redt voedseloverschotten van winkels en restaurants en gebruikt die bij de bereiding, de deelnemers eten in rust. Het initiatief is sociaal belangrijk, maar ook duurzaam en gezond.

Het contrast met de huidige dagelijkse praktijk is groot. Veel mensen wonen alleen, hebben haast of moeten lang reizen van en naar hun werk. Het samen aan tafel zitten met een grotere groep, waarbij er één iemand de verantwoordelijkheid heeft genomen om verstandig te koken, is meestal een illusie. Het is deze context, schrijft Holemans, “waar fabriekseten perfect op inspeelt. Klaar om altijd, overal en alleen te eten”.

Landbouw- en voedselsystemen eerlijker maken

Het idee om met aandacht te koken en samen te tafelen helpt om gezonder te eten, maar niet om de achterliggende landbouw- en voedselsystemen gezonder en eerlijker te maken, zoals Holemans ook graag wil. 

Een stap verder in die richting gaat het door Holemans genoemde idee om aan kinderen structureel schoolmaaltijden te geven, zoals dit bijvoorbeeld in Finland gebeurt. Die maaltijden kunnen niet alleen gezonder zijn dan wat kinderen misschien thuis aan fabriekseten opgedist krijgen, maar het is ook een kans om kinderen nieuwe smaken mee te geven.

“Het effect overstijgt de schoolmuren. Kinderen kunnen via hun bord nieuwe gewoontes introduceren aan de keukentafel thuis. Zoals bij het klimaat: ook hier kunnen ze, met hun ontwapenende helderheid, hun ouders wijzen op wat nodig is voor mens en planeet.” 

Hulp bij de uitzichtloze wedloop van schaalvergroting en intensivering

Samen eten en schoolmaaltijden zijn voor burgers nog redelijk makkelijk te organiseren. Moeilijker wordt het al wanneer ze de boeren willen helpen met een duurzamere landbouw. De boeren hebben er, in de visie van Holemans, baat bij als ze worden geholpen “in de uitzichtloze wedloop van schaalvergroting en intensivering”. Niet alleen met subsidies en heldere regelgeving, maar ook met politieke steun voor alles wat boeren meer doen dan voedsel produceren. 

“Rendement wordt ruimer gedefinieerd”, beschrijft Holemans deze toekomstvisie. “Niet enkel kilo’s en euro’s, maar ook regeneratie van de bodem en gemeenschap, biodiversiteit die terugkeert, de boerderij als plaats van samenkomst.” 

Want het is de agro-industrie die de boeren opjaagt, maar ook uit elkaar speelt. De klassieke familiale bedrijven die het systeem volgen en niet anders kunnen dan voor schaalvergroting gaan, worden opgezet tegen boeren die het ecologisch willen aanpakken. 

Opzettelijk twijfel zaaien over duurzaamheid en gezondheid

Nog ingewikkelder wordt het om invloed te krijgen op de grote krachten achter de voedselketen. Het boek verwijst naar het door de voedingssector betaalde onderzoek en naar rechtszaken, bedoeld om twijfel te zaaien over wetenschappelijke inzichten over duurzaamheid en gezondheid. Grote voedselbedrijven als Nestlé of Coca-Cola zetten bovendien hun geld en invloed in om wereldwijd de markt open te houden voor hun producten.

Over deze multinationals, door voorvrouw Margaret Chan van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO “Big Food” genoemd, zegt het boek dat hun gezamenlijke investeringen tussen 1985 en 2000 zijn gestegen van 61 miljoen dollar tot 1.068.000 miljoen dollar, en dat het budget nadien nog door is blijven stijgen. 

“De jaarlijkse omzet van de grootste bedrijven is groter dan het bbp van middelgrote landen en ze hebben miljarden klaarliggen om in nieuwe markten of technologie te investeren”, verzucht Holemans. 

Uit de greep van de markt

De voedselketen verbeteren is dus een moeilijke strijd die op vele fronten bevochten moet worden. Holemans diept gelukkig ook verder uit hoe die strijd gevoerd moet worden. Een finale overwinning in één keer zit er niet in. Dit is iets van de lange adem. 

Transitiemanagement, doceert Holemans, moet op verschillende niveaus gebeuren en verloopt in verschillende fases. Bij de Finse schoolmaaltijden noemde hij het element van de verandering van de publieke opinies via de smaak van kinderen en jongeren.

Een andere rol in de strijd ziet Holemans voor coöperaties. Die kunnen een tegenwicht vormen tegen de grote industrieën met hun aandeelhouders, maar kunnen ook als tegenwicht dienen tegen de durf van een enkeling, die daarmee kwetsbaar is. 

Het voordeel van coöperaties is dat hun besluitvorming meer kans geeft op verandering, omdat hier elke deelnemer één stem heeft op de Algemene Vergadering, ongeacht hoeveel aandelen die deelnemer heeft in de coöperatie. Dat is dus een andere beslismethode dan bij commerciële bedrijven, waar partijen met veel aandelen besluiten kunnen doordrukken. 

De transitie kan gebeuren door de overheid, de markt en burgers te veranderen, vat Holemans het proces samen. Verwijzend naar onder meer de econoom Karl Polanyi schrijft Holemans instemmend: “Willen we de economie opnieuw inbedden, dan moeten arbeid, land en geld niet langer louter als koopwaar worden behandeld, maar opnieuw uit de greep van de markt gehaald.” Boeren en burgers moeten voor deze strijd de handen ineenslaan.

Boeren en Burgers als bondgenoten

Wat dat bondgenootschap betreft is het alleen jammer dat Holemans niet beter heeft uitgewerkt hoe hij deze gedroomde opkuisbeweging van de voedselketen wil noemen. Want de term Boeren Burger Beweging, die Holemans ook als hoofdstuktitel gebruikt, is intussen gekaapt door de Nederlandse politieke partij BBB, die zo ongeveer het omgekeerde lijkt te willen van wat Holemans aanprijst. 

Holemans verwijst nota bene zelf kritisch naar deze conservatieve Nederlandse partij. “Alleen al de naam is een mistgordijn. De partij komt helemaal niet voort uit boeren of burgers. Er is ook nooit een beweging geweest. De stichters zijn agri-journaliste Caroline van der Plas en communicatiebureau ReMarkAble, dat voor industriële veeteeltbedrijven werkt.”

Als Holemans heeft bedoeld de koppeling van de woorden Boeren en Burger te willen terugkapen voor de goede zaak, dan had hij dit zeker beter mogen uitleggen. Nu blijft het verwarrend dat voor het Nederlandse taalgebied twee tegenstrijdige kampen zich van hetzelfde label zouden bedienen. 

Boek over gezond voedsel is zelf een hele boterham

Ook spijtig is dat het boek door zijn alomvattende aanpak zelf een hele boterham is geworden. Holemans heeft het hele slagveld beschreven. Van de verslavende werking van suiker, langs kolonialisme, ziekten veroorzaakt door ongezonde voeding, de effecten van de klimaatcrisis op waterbeheer, oogsten, hongersnoden en de toegenomen werkdruk van boeren.

Daarbij presenteert Holemans zoveel oplossingen en analyses, gesprekken met mensen en verwijzingen naar rapporten en onderzoeken, dat de verhaallijn had gewonnen als Holemans meer ruimte had genomen voor eigen overkoepelende gedachten of samenvattingen. De persoonlijke toon van het boek had zich daar bovendien goed voor geleend. 

Dat het boek eindigt met enkele recepten past dus bij de gekozen veelvormige aanpak. De recepten zitten niet in de weg, je kunt ze bereiden of overslaan. Maar een dergelijk verrassend slot van het boek onderstreept hoe Holemans en de samenstellers van uitgeverij EPO alle registers hebben opengetrokken. Dit boek bevat een schat aan interessante informatie en denklijnen, maar als op deze wijze zoveel bronnen en zegspersonen passeren, gaat dat helaas wel ten koste van een heldere boodschap.

Dirk Holemans, Grondgenoten, een voedselrevolutie van Boeren en Burgers, Berchem: EPO, 2025, 255 pp.

Bron: dewereldmorgen.be

Centenindex duwt koppels dieper in armoede

Terwijl Vlaanderen zich warm loopt voor solidariteit, krijgen duizenden koppels en gezinnen met een laag inkomen een koude douche. De centenindex op uitkeringen treft ook wie al rond de armoedegrens leeft.

De centenindex is een van de maatregelen van de regering Arizona waarbij de indexering van het loon en van bepaalde sociale uitkeringen wordt afgeremd, zodra je boven een vast bedrag uitkomt. In de praktijk gaat het dus om een besparing op de automatische aanpassing aan de stijgende levensduurte.

Volgens middenveldorganisaties is dat niet alleen een verkeerde keuze, maar ook een maatregel die mensen treft “in armoede en bestaansonzekerheid” en hen “verder in de armoede duwt”. Dat zeggen onder andere de grootste ouderenvereniging OKRA, het Belgische Netwerk Armoede Bestrijding en Samana, de organisatie voor mensen met een chronische ziekte en mantelzorgers, in een gezamenlijk persbericht.

Dubbele discriminatie

Heel wat middenveldorganisaties klagen al langer aan dat de centenindex, zoals die vandaag wordt toegepast op sociale uitkeringen, een dubbele discriminatie inhoudt. 

Ten eerste ligt de benedengrens bijzonder laag: vanaf 2.000 euro bruto per maand wordt de indexering van sociale uitkeringen beperkt. Die grens is “dubbel zo streng als voor lonen en wedden”.

Ten tweede treft ze “koppels van gerechtigden op sociale uitkeringen met eenzelfde maandelijks inkomen zeer ongelijk”. Een koppel met twee uitkeringen van respectievelijk 3.000 euro en 1.000 euro bruto per maand wordt geconfronteerd met een beperking van de indexering. 

Maar dat gebeurt niet wanneer beide partners elk 2.000 euro bruto per maand ontvangen, hoewel het totale inkomen dan even hoog is. Volgens de organisaties wordt zo niet gekeken naar draagkracht, maar naar een boekhoudkundige grens die voorbijgaat aan de realiteit van samenwonen, zorg en vaste kosten.

De regering verwees tijdens de parlementaire voorbereiding naar gepensioneerden met een “pensioen van 3.600 euro per maand”. Dat voorbeeld is volgens de organisaties “bijzonder misleidend”.

De centenindex treft immers alle gerechtigden op sociale uitkeringen vanaf 2.000 euro bruto per maand. Voor gepensioneerden houdt dat in dat de maatregel al van toepassing is vanaf een uitkering van 1.700 euro netto per maand.

Vandaag ligt die benedengrens 12,4 procent onder de Europese armoedenorm (2.284 euro in 2024). Koppels die daar net boven zitten, worden zo “verder in de armoede gedrukt”. Voor mensen die niet kunnen bijverdienen door leeftijd, ziekte of invaliditeit is indexering geen extraatje, maar het verschil tussen rekeningen betalen of achterstand opbouwen.

Zelfs minimumuitkeringen niet beschermd

Het wordt nog schrijnender. Ook een deel van de koppels die van één minimumuitkering in de sociale zekerheid en/of sociale bijstand moeten leven, wordt getroffen.

Voor koppels met een minimum gezinspensioen, zelfs bij een volledige loopbaan van 45 jaar, bedraagt dat 2.260 euro per maand. Ook koppels met een gezinspensioen, aangevuld met een inkomensgarantie voor ouderen (IGO),[1] komen met moeite aan 2.107 euro per maand. Daarnaast zijn er zieken en invaliden met personen ten laste met een minimumuitkering van 2.026 euro per maand. 

De zwaarst getroffenen zijn degenen die recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming omdat ze hulp van derden nodig hebben, met een minimum van 2.790 euro per maand.

Dat zijn bedragen die op papier misschien ‘boven 2.000 euro’ zitten, maar die in werkelijkheid vaak net volstaan om een huishouden draaiende te houden.

Het middenveld wijst erop dat de bodembescherming in de sociale zekerheid en sociale bijstand al “zwaar gehavend” is door zes jaar schorsing van de welvaartsvastheid. Volgens de parameters van het Generatiepact is dat op zich al goed voor een verlies van 5,8 procent.

“Het kan toch niet de bedoeling zijn” dat die bodembescherming “verder onderuit” wordt gehaald via de centenindex, klinkt het. 

Roger, 95 jaar: ‘grootverdiener’ met 2.300 euro

De getuigenis van Roger, 95 jaar, brengt de gevolgen van de centenindex tot leven. Hij en zijn partner leven van één gezinspensioen en voelen zich weggezet als ‘grootverdieners’. Roger getuigt: 

“We zijn 95 jaar en hebben ons pensioen opgebouwd in de vorige eeuw. Wij hebben één pensioen, een gezinspensioen, na een loopbaan van 48 pensioenjaren. We behoren tot de uitstervende groep die het moet doen met één inkomen.

Ons pensioen is niet genoeg om de opname van één persoon te betalen in een bejaardenhuis. Gezien ons gezinspensioen van 2.300 euro de 2.000 euro overschrijdt, worden we grootverdiener volgens de regering en gelijkgesteld met werkenden die 4.000 euro verdienen en dat meestal met twee inkomens. 

Niemand levert graag in. Maar moesten we een plan zien dat evenwichtig is naar draagkracht en durf heeft om te zoeken waar het te vinden is, dan ware er nog hoop. Ook voor de doorzetters uit de vorige eeuw.” 

Eisen van het middenveld

Los van de algemene kritiek op de centenindex en het discriminerende karakter ervan, verwacht het middenveld op korte termijn minstens drie bijsturingen. Eerst en vooral moet de volledige indexering van alle minimumuitkeringen in de sociale zekerheid, én van de bijstandsuitkeringen, worden gevrijwaard.

Daarnaast vragen de organisaties dat het grensbedrag wordt opgetrokken wanneer twee of meer personen van één uitkering moeten leven. Concreet gaat het om een verhoging met 50 procent, naar 3.000 euro bruto per maand, zodat gezinnen niet gestraft worden omdat ze met meer zijn.

Ten slotte moet ook de forfaitaire hulp aan derden voor uitkeringen voor ziekte en invaliditeit volledig worden geïndexeerd. Net mensen die extra zorg nodig hebben, mogen niet de rekening gepresenteerd krijgen.

De Warmste Week roept op tot warmte en verbondenheid. Maar voor wie elke euro telt, begint solidariteit bij een sociale bescherming die niet achteruitgaat wanneer de prijzen stijgen.

Bron: dewereldmorgen.be

Meer tralies, minder veiligheid: waarom ons gevangenissysteem faalt

Meer tralies, minder veiligheid: waarom ons gevangenissysteem faalt

Sinds de jaren tachtig daalt de criminaliteit, terwijl het aantal gevangenen in België verdubbelde. Dit wrange contrast bewijst dat ons strafsysteem faalt en een radicale omslag naar sociale preventie onvermijdelijk is voor een werkelijk veilige samenleving.

In een opmerkelijke open brief luidt Mathilde Steenbergen, directrice-generaal van het gevangeniswezen, op moedige en glasheldere wijze de alarmbel over de onhoudbare toestand in onze gevangenissen. De ernst valt niet te ontkennen: noodmaatregelen zijn op korte termijn zowel onvermijdelijk als noodzakelijk. 

Maar zelfs als we de overbevolking wegwerken, tonen internationale studies dat opsluiting op zich geen structurele winst oplevert voor de maatschappelijke veiligheid. Intussen liggen er wél bewezen, beproefde alternatieven klaar die net bijdragen aan een duurzame versterking van onze collectieve veiligheid.

Wie het aantal gevangenen wil terugdringen, moet dat daarom doen binnen een brede strategie – met een preventief sociaal beleid als spil.

De open brief ademt tegelijk menselijkheid én een pijnlijk gevoel van machteloosheid uit. Niet onlogisch, gezien de onverschilligheid van de regering tegenover zowel de aantoonbare ineffectiviteit van het strafbeleid als de arbeidsomstandigheden van het personeel – op een moment waarop het zelfs niet meer lukt om elke gedetineerde een bed te garanderen.

In een klimaat waarin verschillende ministers in het spoor van autoritaire leiders elders, actief een dehumaniserende retoriek verspreiden over gedetineerden en mensen zonder verblijfsvergunning, lijkt het weinig waarschijnlijk dat de Algemene Directie van het gevangeniswezen, laat staan de gevangenen, op ‘kerstempathie’ zullen kunnen rekenen.

Toch verplicht deze ‘crisis’ politiek en administratie tot zelfonderzoek. Ze is immers deels het gevolg van een bewuste keuze: korte straffen effectief laten uitvoeren in een context van chronische overbevolking.

Mythes en misvattingen

We steunen principieel de oproep om noodmaatregelen toe te passen. Maar de brief vertrekt ook van een aantal aannames over het strafbeleid die wij fundamenteel in vraag stellen. Zo klinkt het idee dat een gevangenisstraf veiligheid biedt als ze maar kort is en “van goede kwaliteit”.

Vandaag is die gevangenisstraf níét van goede kwaliteit door de overbevolking. En tegelijk worden straffen steeds langer, vooral om tegemoet te komen aan een publieke opinie die een lik-op-stukbeleid zou eisen. Volgens die redenering zouden net die twee factoren een doelgericht strafbeleid in de weg staan.

Daarbovenop circuleren hardnekkige mythes en misvattingen over detentie en criminaliteit, waarvan de bekendste misschien wel deze is: dat de gevangenis veiligheid creëert. 

Maar dat klopt niet. In België wordt het recidivepercentage geschat op zo’n 70 procent. En internationale studies tonen dat ongeveer 95 procent van de overtredingen nooit tot een veroordeling leidt, simpelweg omdat ze niet worden opgespoord of gemeld.

Omgekeerd blijven tal van gedragingen en overtredingen die soms bijzonder schadelijk zijn voor de samenleving, nauwelijks of helemaal niet strafbaar. Denk maar aan belastingfraude in tijden van begrotingscrisis, of aan lucht- en milieuvervuiling.

Bovendien is er geen correlatie tussen criminaliteitscijfers en detentiecijfers. In België daalt de criminaliteit sinds de jaren tachtig, terwijl het aantal gevangenen is verdubbeld. Nederland doet het met ongeveer de helft. Finland schroefde zijn gevangenispopulatie al in de jaren vijftig terug, zonder dat dit tot meer criminaliteit leidde. Investeringen in preventie en sociaal beleid bleken daarbij cruciaal.

In de jaren vijftig was de publieke opinie ongetwijfeld anders, maar wij geloven dat een eerlijk discours, gebaseerd op beproefde maatregelen, ook vandaag op steun van de publieke opinie kan rekenen.

Daarom moet ook de mythe sneuvelen dat de gevangenis nu weliswaar niet efficiënt is, maar dat het vanzelf beter wordt zodra er een nieuw gebouw staat (zoals Haren), de overbevolking is opgelost of er genoeg personeel is.

Het uitgangspunt om ‘minder, korter maar beter op te sluiten’ is begrijpelijk als het enige alternatief ‘meer, langer en slechter opsluiten’ zou zijn. Maar het verliest zijn overtuigingskracht zodra je het afzet tegen maatregelen die oorzaken aanpakken in plaats van symptomen.

Een bestraffende, niet-wetenschappelijke benadering van criminaliteit houdt geen stand: niet tegenover de huidige en historische recidivecijfers, en evenmin tegenover de resultaten van een doordacht sociaal en gezondheidsbeleid.

Het staat buiten kijf dat de publieke opinie het strafrechtbeleid beïnvloedt. Maar vandaag beschikken burgers nauwelijks over kritische, onafhankelijke informatie: over wat strafbeleid werkelijk doet voor de veiligheid, over de neveneffecten in andere maatschappelijke domeinen, en over de structurele oorzaken van detentie en de overbevolking in gevangenissen.

Het huidige simplistische, onwetenschappelijke en vaak ideologisch gedreven discours over criminaliteit en veiligheid, in combinatie met toenemende ongelijkheid en de normalisering van autoritaire denkpatronen, voedt een gevaarlijke populistische dynamiek. 

Overbevolking

Terug naar de overbevolking. België is een van de Europese koplopers om mensen in voorhechtenis te houden. Velen komen niet in de gevangenis terecht vanwege de ernst van de gepleegde misdrijven maar vanwege hun sociale status: mensen zonder papieren of zonder vaste woonplaats. 

De gevangenis wordt grotendeels ‘overbevolkt’ door mensen die in armoede leven en mensen met psychische stoornissen. Bijna de helft van de gedetineerden zit vast voor drugsdelicten, vaak is er tegelijk ook sprake van verslavingsproblematiek. 

De toename, samenstelling en de selectie van problemen in de gevangenis vloeien voort uit een (toenemende) sociale ongelijkheid met bijhorende repressieve aanpak. De ongelijkheid is op zijn beurt ook bepalend voor de levensomstandigheden in de armere wijken, de dynamiek binnen gezinnen en het gedrag van individuen. 

Zo is bijvoorbeeld bekend dat mensen die tijdens hun jeugd getuige of slachtoffer zijn geweest van geweld, een verhoogd risico lopen op gewelddadig gedrag of problematisch drugsgebruik op volwassen leeftijd. 

Armoede vormt een risicofactor voor intra familiaal geweld, dakloosheid verhoogt het risico op problematisch drugsgebruik en de combinatie van beide verhoogt sterk het risico op (straat)criminaliteit en op detentie als maatregel. Juridisering en de gecreëerde noodsituatie leiden de aandacht af van sociale oorzaken van criminaliteit en dus ook van een preventieve aanpak.

We weten dat de gevangenisstraf op zijn beurt een negatief effect heeft op armoede en familierelaties. Dit effect zet zich bovendien over generaties heen voort en is ook actief wanneer er geen sprake is van overbevolking. De gevangenisstraf versterkt de criminogene cirkel, ook op het individuele niveau. 

Alternatieve vormen van rechtspraak maken internationaal een opmars: restauratieve en transformatieve justitie [1] kijken verder dan het individu en blijken effectiever te zijn dan strafrecht als het gaat om recidive. Mede om die reden zijn slachtoffers hier vaak voorstander van, ook bij ernstige misdrijven.

Er bestaat een duidelijke hiërarchie in wat criminaliteit echt voorkomt, vergelijkbaar met die in de volksgezondheid: hoe hoger het interventieniveau, hoe groter de maatschappelijke impact. Structurele ingrepen zoals armoedebestrijding, degelijke huisvesting en toegang tot gezondheidszorg werken aantoonbaar beter dan individuele maatregelen die mikken op gedragsverandering, gevangenisstraf inbegrepen.

Natuurlijk zal een beleid dat inzet op preventie in plaats van bestraffing niet van vandaag op morgen alle overtredingen doen verdwijnen. En in de tussentijd zullen sommige mensen tijdelijk van de samenleving moeten worden afgezonderd omdat ze een acuut veiligheidsrisico vormen.

Maar het debat herleiden tot louter overbevolking – en de dramatische, veelzeggende gevolgen daarvan – kan, bewust of onbewust, een helder en correct begrip van de oorzaken, uitdagingen en omvang van de gevangenisproblematiek blokkeren, zeker in tijden van toenemende sociale ongelijkheid.

Noodmaatregelen zijn een gemakkelijke opdracht. Structurele maatregelen, dat vraagt politieke moed. 

Het Internationaal Gevangenisobservatorium, Belgische afdeling (OIP) is een Belgische vereniging met als missie om de administratieve en gerechtelijke instanties, de media, de publieke opinie en alle betrokken verenigingen te waarschuwen wanneer de mensenrechten niet worden gerespecteerd in de penitentiaire instellingen. 

Bron: dewereldmorgen.be