by admin | jan 6, 2026 | Onderwijs
Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) verbiedt scholen om reclame te maken voor betalende bijlessen. Het verbod geldt voor scholen in het basis-, secundair- en deeltijds kunstonderwijs. Door die maatregel wil de minister vermijden dat leerlingen actief worden doorverwezen naar commerciële bijleskantoren.
Demir benadrukt dat extra ondersteuning via bijleggen geen verdienmodel mag worden waarbij leerlingen naar een betalend circuit worden geduwd. “Wie extra ondersteuning nodig heeft, mag niet het gevoel krijgen dat de oplossing buiten de school ligt of alleen bereikbaar is voor wie het kan betalen”, zegt ze.
Reclame via Smartschool
Uit onderzoek van de KU Leuven blijkt dat bijna een vijfde van alle scholieren die betalend bijles volgen, dat doet na advies op school. “Dat kan gebeuren in een informeel gesprek op een oudercontact, maar we hebben ook gezien dat er reclame wordt gemaakt via Smartschool”, aldus onderzoeker Willem De Cort (KU Leuven).
“Bepaalde bijleskantoren kunnen daar een link plaatsen en leerlingen worden dan via die link rechtstreeks naar dat kantoor doorverwezen. De school krijgt dan eigenlijk een korting of een soort voordeel voor elke extra leerling die ze doorverwijzen. Dat zijn maar enkele manieren waarop scholen reclame maken voor bijles.”
Zorgen rond gelijke kansen
Volgens de onderzoeker is het ook niet helemaal vreemd dat scholen deals maken met bijleskantoren. “Ten eerste kunnen ze hun leerkrachten zo deels ontlasten. Als leerkrachten leerlingen doorverwijzen naar een betaalde bijles, hebben ze zelf meer tijd om andere leerlingen te helpen.”
“Daarnaast krijgt een school na bijvoorbeeld 10 doorverwezen leerlingen een soort budget om bijles te geven aan een leerling die het niet kan betalen, via dat betalende bijleskantoor. Dus er is wel aandacht voor gelijke kansen. Maar de vraag is of we willen dat betaalde bijles op die manier genormaliseerd wordt.”
Deals niet meer toegestaan
Concreet betekent de nieuwe regel dat scholen geen links naar bijleskantoren meer mogen verspreiden. Ook het sluiten van deals of het toelaten van boodschappen die de verkoop van bijlessen promoten, is verboden. Gratis studieondersteuning of huiswerkbegeleiding voor kwetsbare gezinnen blijft wel toegestaan.
Het verbod wordt nu expliciet opgenomen in de officiële regelgeving. Dat geeft de onderwijsinspectie de macht om sneller op te treden tijdens doorlichtingen.
Scholen die zich niet aan de regels houden, kunnen direct worden aangesproken zonder dat er eerst een klacht moet binnenkomen. Welke concrete sanctie dan kan volgen, is niet duidelijk. Wel wordt de vaststelling meegenomen in de evaluatie van de school.
“Het is goed dat het debat in de lerarenkamers zo gestimuleerd wordt”, zegt De Cort. “Dat de onderwijsinspectie er nu op toeziet, zorgt ervoor dat het verder in het oog wordt gehouden. Door er nu op tijd bij te zijn, hopen we dat die praktijken niet verder groeien, zoals dat in andere landen wel al gebeurd is.”
Wat is het alternatief?
Maar is er dan een alternatief voor wie moeilijk gratis bijlessen kan vinden? “Het kan efficiënter zijn om bijlessen op grotere schaal te organiseren, bijvoorbeeld over schoolgemeenschappen heen, of door huiswerkklassen te organiseren”, vindt de onderzoeker. “We weten dat die effectief zijn en minder personeel vragen. Ze kunnen ook gegeven worden door onderwijsassistenten of oudere leerlingen — ook dat werkt.”
En bij sommige scholieren is een bijles, volgens De Cort, ook helemaal geen oplossing. “Soms zit een leerling in een studierichting die niet aansluit bij zijn of haar interesses of talenten. Dan is het soms beter om te heroriënteren in plaats van bijles te blijven volgen om toch maar die richting te halen. Daar is niets mis mee.”
bron: vrt.nws
by admin | jan 6, 2026 | Economie
Premier De Wever mag dan geloven dat welvaart van de top neerdaalt, echte groei begint bij solidariteit. Laat de grootvermogens eindelijk meebetalen aan onze toekomst.
Een gezonde begroting kan alleen als de grote vermogens hun deel doen. De belastingmix in België is ongelooflijk scheef doordat vooral arbeid voor de inkomsten moet zorgen. Vermogens buiten schot laten, is een privilege voor de top dat niet te houden is. Dit inkomstenprobleem voor de overheid negeren en in plaats daarvan enkel naar uitgaven kijken is onverantwoord, niet duurzaam en niet van deze tijd. Bovendien, het is al vaker geprobeerd. Het is een mislukt recept dat voor meer ongelijkheid zorgt en daarmee een gevaarlijke voedingsbodem creëert voor sociaal ongenoegen en populisme. Alsof we daar nog niet genoeg van hadden.
Iedereen is het er over eens dat de begroting gezond moet worden. Alleen: de klassieke besparingslogica klopt mathematisch niet. De overheid heeft een inkomstentekort omdat de samenleving met de nieuwe uitdagingen van deze tijd kampt: vergijzing, defensie, klimaat. Mensen verwachten daarvoor een overheid die oplossingen biedt, dus moet je middelen vinden. Hervormingen in de sociale zekerheid en arbeidsmarkt zijn noodzakelijk, maar alleen daarmee kom je er niet. Wie kijkt naar de groepen die vooral langdurig ziek zijn – ouderen, vrouwen, mensen met een burn-out – ziet dat vooruitgang daar niet in een vingerknip wordt geboekt (en het voor de grote meerderheid alles behalve om ‘profiteurs’ gaat). En wie beseft dat ook Vlaanderen, waar het laaghangend fruit aan maatregelen allang geplukt is, nog altijd niet aan een werkzaamheidsgraad van 80% raakt, weet dat makkelijke oplossingen niet bestaan. Hoed je voor populisten die enkel naar de andere landsdelen wijzen: van hen hoef je geen oplossingen te verwachten.
SCHEEFGEGROEIDE INKOMSTEN
Omdat enkel hervormingen niet voldoende zijn en de resultaten pas op termijn zichtbaar worden, wordt besparingsretoriek van stal gehaald. Bij gebrek aan visie, herhalen rechtse politici sinds mensenheugenis het mantra there’s no alternative. Er zal koste wat kost bespaard moeten worden. Er wordt niet vastgesteld dat het noodzakelijk is omwille van scheefgegroeide uitgaven. Het is simpelweg de enige optie die in overweging wordt genomen. Rechts vergeet altijd dat een budget twee kanten telt. Scheefgegroeide inkomsten komen nooit in aanmerking voor hervorming. Die vergeetachtigheid lijkt doelbewust om belangengroepen te beschermen, of vanuit rechtse ideologische dogma’s, met weinig verdiensten voor de uitdagingen waar we nu voor staan, zoals groeiende ongelijkheid en populisme.
Naar welke besparingen kijkt rechts dan? De federale bevoegdheden, zoals justitie en politie, houden zich nu al met moeite recht. Internationale solidariteit, altijd het eerste symbolische slachtoffer voor rechts – wisselgeld voor de begroting, immens tastbare resultaten op het veld – heeft al mogen dokken. Wat uiteindelijk altijd onuitputtelijk in aanmerking komt voor rechts zijn dan de sociale uitgaven. Vanuit een verkeerd geïnformeerd mensbeeld, zal daar altijd nog wel wat te rapen vallen. Voorstellen die N-VA en MR op tafel leggen bij de onderhandelingen en in hun partijprogramma’s, verraden dat de begroting in evenwicht brengen voor hen hetzelfde is als fundamenteel in de sociale welvaartsstaat kappen. Dat zou een grote fout zijn. In plaats daarvan zou het land op orde krijgen juist als kans aangegrepen moeten worden om een scheefgegroeid systeem van overbelasting van arbeid ten opzichte van kapitaal eindelijk recht te trekken. De verdediging van ons samenlevingsmodel waar we verantwoordelijk zijn voor elkaars welzijn en gelijke kansen in welvaart: dat zou pas staatsmanschap zijn.
BELASTINGSPARADOX
Rechts schermt met de hoogste belastingdruk van Europa als reden om niets aan de inkomstenzijde te doen. Dat is maar een deel van het verhaal. De waarheid is dat in verhouding onze middenklasse het grootste deel van de belastingdruk draagt. België heeft een belastingsparadox waarbij we arbeid wurgen en kapitaal sparen. Het allermeeste vermogen is in de handen van slechts een kleine groep. De effectieve belastingvoet van die kleine groep, is aanzienlijk lager dan de modale werknemer. Dat komt doordat kapitaal op alle mogelijke voordelige belastingregimes kan rekenen. Dat is simpelweg niet te rechtvaardigen. Het is onhoudbaar dat modale werknemers op hun belastingbrief meer bijdragen aan de samenleving dan de top. Zeker juist wanneer de samenleving zulke grote financiële noden heeft. Een structureel begrotingsevenwicht is niet haalbaar zonder een hervorming van de inkomstenzijde.
Bij het openingscollege politicologie aan de UGent door premier, Bart De Wever, stond welvaart centraal. Het was een mooie glimp in het wereldbeeld van N-VA en MR. Welvaart wordt in het plaatje van rechts gemaakt door de mensen aan de top, de grote investeerders en industriëlen. Daarom is voor hen de belastingsparadox rechtvaardigbaar. De rest van de samenleving mag blij zijn dat we dankzij hun welvaartcreatie aan onderwijs, armenzorg en ouderenzorg kunnen doen. De Wever projecteerde dat in die woorden visueel als respectievelijk ‘de basis’ en ‘de zuilen’. Enkel als de top het zich kan permitteren, zijn er aalmoezen voor het volk.
Terwijl de premier zou moeten weten dat juist solidariteit en herverdeling van kansen een structurele motor voor meer welvaart en economische groei zijn. Publieke uitgaven voor scholen en ziekenhuizen leiden tot slimmere en gezondere burgers met meer economische output en hogere productiviteit. Dat beweren niet alleen linkse economen als Piketty en Zucman, ook studies van het IMF, de Wereldbank, OESO stellen het al lang: landen met lagere ongelijkheid hebben langere groeiperioden en herverdeling zelf zorgt voor reële productieve groei en investeringen. De Scandinavische landen waar we zo naar opkijken, hadden decennia hoge kapitaalbelastingen met sterke economische groei. België blijft in Europa hopeloos achter als land dat kapitaal niet om een bijdrage durft vragen.
HERVERDELINGSMACHINE
Welvaartsgroei als doel op zich – zonder na te denken naar waar en wie de groei gaat – is zonder voorwerp. Groei moet altijd gaan om de meerderheid van de samenleving. Daarom zou in de verdiensten van de sociale welvaartsstaat snijden om de begroting in evenwicht te brengen een grote fout zijn. Snijden in de welvaartsstaat zou economische groei fnuiken en welvaartcreatie tegengaan. In plaats daarvan, moet de herverdelingsmachine weer op gang worden getrokken. Ook de top moet eindelijk hun eerlijk deel doen, zodat de sociale welvaartsstaat en economische groei hand in hand gaan.
Kijk naar Spanje: een verdubbeling van de economische groei (en dus minder staatsschuld), terwijl het land ook nog eens ongelijkheid verkleint en het klimaatprobleem aanpakt. Internationale media schreven over ‘het Spaanse model’. Sánchez zelf spreekt over ‘het sociaaldemocratische model’.
Politici op rechts onderschatten gigantisch welk onrechtvaardigheidsgevoel er onder grote groepen van de bevolking leeft, als men hoort over een zoveelste ronde besparingen die hen gaat raken. De crisis van democratie die op veel plekken ervaren wordt, hangt direct samen met hoe belastingen worden geheven. Mensen zijn niet bang om te praten over belastingen, mensen willen rechtvaardigheid. In plaats van het begrotingsprobleem aan rechts te laten, moet links het begrotingsprobleem claimen en het probleem van inkomsten benoemen. Dat betekent ongegeneerd opkomen voor noodzakelijke eerlijke bijdragen door iedereen. Alleen zo beschermen we de welvaartsstaat.
Bron: sampol.be
by admin | jan 6, 2026 | Sectoren
De hervormingsplannen van minister Vandenbroucke zijn ambitieus en gaan over veel meer dan de beperking van supplementen op de artsenhonoraria. Het geïsoleerd naar voren trekken van dit aspect leidt tot spanningen die misschien konden worden vermeden en tot onrust over het doorbreken van complexe evenwichten.
Onder ziekenhuisdirecteurs wordt heel veel gesproken, gediscussieerd en soms ook gesakkerd over de hervormingsplannen voor de gezondheidszorg van minister Frank Vandenbroucke. Maar veel publieke standpunten zal je niet horen of lezen, zeker niet in de debatten over de beperking van supplementen op erelonen. Dat komt door de complexiteit van het debat, maar ook omdat elke ziekenhuisbestuurder weet dat hij zijn schip slechts veilig over de golven kan sturen als dat gebeurt in goede verstandhouding met de artsengemeenschap binnen het ziekenhuis.
Ik heb dan ook even getwijfeld om in te gaan op de vraag van de redactie van Samenleving & Politiek om een artikel te schrijven over de hervorming van de ziekenhuisfinanciering en de ziekenhuisorganisatie.1 Het debat is de jongste maanden zo gepolariseerd geworden dat elke nuance verloren dreigt te gaan en dat de ziekenhuizen zich zelfs niet meer positief durven uit te spreken over hervormingen die de sector nog zelf gesuggereerd of gevraagd heeft.2
Maar omdat er in deze verwarde en verwarrende tijden zelfs moed nodig is om genuanceerd te zijn3, ga ik graag in op de uitnodiging.
HERVORMINGEN NOODZAKELIJK
Vooreerst is het noodzakelijk om te herinneren aan de noodzaak van hervormingen in de gezondheidszorg. De voorgelegde hervormingsplannen zijn veel breder dan het sterk gemediatiseerde debat over de artsenhonoraria, maar blijven onvermijdelijk ook beperkt tot de manoeuvreerruimte van de federale overheid.
Dat hervorming in de gezondheidszorg noodzakelijk is, dreigt een cliché te worden. Maar clichés moeten soms worden herhaald.
We worden geconfronteerd met brede maatschappelijke dilemma’s die zich voordoen in bijna alle westerse landen. Het belangrijkste dilemma is de zogenaamde “dubbele vergrijzing”: meer oudere mensen met meer zorgnoden en tegelijk de vergrijzing van het zorgpersoneel met een uitstroom van verpleegkundigen die niet gecompenseerd wordt door een gelijkwaardige instroom. Dit dreigend “zorginfarct” doet zich voor tegen de achtergrond van meer “multimorbiditeit” en meer “multichroniciteit”. Meer mensen die over langere periodes leven met meerdere aandoeningen. Maar die wel kunnen worden behandeld met nieuwe technische mogelijkheden.
Die spectaculaire technische evoluties gaan van steeds preciezere diagnostiek en voorspellende genetica over robotchirurgie tot semi-gepersonaliseerde geneesmiddelen. Ze vormen een tweesnijdend zwaard. Ze kunnen steeds meer en ze kosten steeds meer. Met het gigantische gevaar dat solidaire, toegankelijke gezondheidzorg nog kan worden bewaard voor de geneeskunde van de 20ste eeuw, maar niet meer voor de geneeskunde van de 21ste eeuw.
Tegen die globale achtergrond zijn de door Frank Vandenbroucke voorgestelde hervormingen niet zo spectaculair, maar toch wel ingrijpend. Het overzicht van de werven is terug te vinden in zijn beleidsnota.4 Het gaat voor de ziekenhuissector dan vooral om de hervorming van de nomenclatuur, van de ziekenhuisfinanciering en van het ziekenhuislandschap.
NAAR ‘ZUIVERE HONORARIA’
In de ziekenhuisfinanciering zou het de bedoeling zijn om samen met de nomenclatuurhervorming te evolueren naar zogenaamde “zuivere honoraria” en rechtstreekse dekking van de kosten van het ziekenhuis. Nu worden ziekenhuizen gefinancierd via verschillende bronnen, waarvan de belangrijkste zijn: het Budget voor Financiële Middelen of BFM (gemiddeld goed voor 33,2% van het ziekenhuisbudget) en de “afdrachten” of “inhoudingen” op de medische honoraria (gemiddeld goed voor 35,4% van het ziekenhuisbudget).5 Artsen betalen deze afdrachten hoofdzakelijk om het ziekenhuis te vergoeden voor de kosten die het ziekenhuis maakt om de medische prestaties mogelijk te maken. Het gaat dus hoofdzakelijk om vergoeding voor lokalen, materiaal en personeel. Maar gradueel zijn die afdrachten ook ingezet om het ziekenhuis te helpen financieel recht te blijven. Het Budget voor Financiële Middelen volstaat namelijk niet om de kosten van sommige diensten (zoals intensieve zorgen) te dekken en sommige essentiële investeringen (zoals een Elektronisch Patiëntendossier) worden absoluut niet voldoende vergoed via de basisfinanciering van het BFM. Dat leidt tot financiële problemen voor de ziekenhuizen, zoals op 19 november opnieuw bleek uit de bekendmaking van de zogenaamde MAHA-analyse. Bijna de helft van de ziekenhuizen (46%) noteerde in 2024 een negatief gewoon bedrijfsresultaat.6
Het hele stelsel van afdrachten leidt tot complexe onderhandelingen tussen ziekenhuisbestuur en medische raad, en soms ook tot geschillen. Zowel tussen het ziekenhuisbestuur en de artsengemeenschap, maar ook tussen artsengroepen onderling. Er bestaan immers geen wettelijke regelingen of richtlijnen voor de berekening van deze afdrachten. Elk ziekenhuis heeft daarvoor een eigen systeem uitgedokterd. Sommige werken nog met procentuele afdrachten, anderen zijn geëvolueerd naar een bijdrage op basis van een berekening van de reële kosten. Bijna overal tracht men een hogere bijdrage te vragen aan de beter verdienende specialismen (zoals medische beeldvorming en klinische biologie).
Indien kan worden overgegaan naar een goed doordacht en correct berekend systeem van zuivere honoraria, kunnen deze discussies verdwijnen.
In een stelsel van zogenaamde ‘zuivere honoraria’, zoals minister Vandenbroucke voorstelt, vormen de honoraria een correcte vergoeding voor de kennis en kunde, de tijd en de inzet, de stress en de emotionele belasting van de arts.
Als ziekenhuizen volledig vergoed worden voor de kosten en in staat zijn om naast de lopende exploitatiekosten ook de nodige investeringen te plannen en te betalen, kan een dergelijke scheiding een flinke stap vooruit zijn.
Maar binnen de sector blijven er stevige zorgen.
Zullen de kostenbijdragen wel voldoende zijn? En gaan we dit ook kunnen doorvoeren voor de poliklinieken van de ziekenhuizen waar, net zoals in extramurale privépraktijken, zorg verstrekt wordt aan ambulante patiënten? Of zullen we daar moeten blijven onderhandelen over de bijdrage van de artsen in de kosten van het personeel en de ter beschikking gestelde ruimtes?
In elk geval is het essentieel dat de noodzakelijke omschakeling naar meer dagchirurgie en meer ambulante behandelingen niet afgeremd wordt, maar dat dit mogelijk blijft in de unieke multidisciplinaire omgeving van een modern ziekenhuis. En dat de zogenaamde “vlucht uit het ziekenhuis” niet gestimuleerd wordt. We zien immers een trend waarbij sommige specialismen (zoals oogartsen) helemaal buiten het ziekenhuis trachten te werken, wat ernstige problemen geeft voor de absoluut noodzakelijke wachtdiensten.
Zoals bij elk veranderingstraject, bestaan er ook grote zorgen over de transitie tussen het bestaande en het geplande systeem. Vele ziekenhuizen konden het risico bij langetermijninvesteringen zoals een nieuw EPD of een nieuw operatiekwartier pas nemen na een akkoord met de medische raad over de bijdrage van de artsengemeenschap. Zonder die bijdrage dreigen de precaire financiële evenwichten te kantelen naar verliezen die de organisatie in gevaar brengen.
DE HERVORMING VAN DE NOMENCLATUUR
De hervorming van de ziekenhuisfinanciering kan enkel worden uitgevoerd indien ook de nomenclatuur hervormd wordt met een splitsing tussen het professioneel gedeelte (het “zuiver honorarium”) en de operationele kosten. De hervorming van de nomenclatuur is een proces dat reeds jaren aangekondigd wordt en waarvoor nu onderzoeksgroepen van ULB, KU Leuven, UGent en Möbius aan het werk zijn, onder regie van het RIZIV.
Ook zonder de fameuze hervorming in de richting van een zuiver honorarium zou een herziening van de nomenclatuur nodig zijn.7
De nomenclatuur is een inventaris van alle verstrekkingen van alle gezondheidszorgbeoefenaars. Bij elke reeks van 6 cijfers hoort een definitie van de ingreep of het onderzoek. En via de waarde van de zogenaamde sleutelletter kan je berekenen hoeveel een geconventioneerde zorgenverstrekker mag aanrekenen voor deze akte en hoeveel remgeld de patiënt moet betalen.
De hervorming van de nomenclatuur is nodig om het geheel te moderniseren en te rationaliseren. En om de nomenclatuur aan te passen aan nieuwe vormen van zorgverlening zoals telegeneeskunde en multidisciplinair werken.
Zoals de website van het RIZIV het zedig en voorzichtig omschrijft, is de herziening ook nodig om “onredelijke inkomensverschillen te corrigeren tussen huisartsen en specialisten, en tussen arts-specialisten onderling”.
Hoewel er tijdens de voorbije jaren reeds enkele revalorisaties zijn doorgevoerd, blijven de inkomensverschillen tussen de goed en de zeer goed betaalde specialismen erg groot. Ze kunnen nauwelijks verantwoord worden door klassieke motieven om inkomensverschillen te motiveren (zoals tijdsduur en complexiteit van de opdracht, noodzakelijke expertise, fysieke en emotionele belasting of stress).
Bij de herziening van de tarieven zal – naast een correcte vergoeding voor kennis, kunde en tijd – ook rekening moeten worden gehouden met technische evoluties. Sommige verstrekkingen zijn routineuzer geworden en vergen minder persoonlijke inzet van artsen. Andere verstrekkingen zijn door de technische evoluties complexer geworden of vragen de inzet van meer materiaal.
Die evoluties verklaren gedeeltelijk de enorme verschillen in conventiegraad. Artsen hebben immers de mogelijkheid om al dan niet “toe te treden” tot de akkoorden (conventies) die afgesloten worden tussen de verzekeringsinstellingen (mutualiteiten) en de artsensyndicaten. Binnen sommige specialismen zijn de artsen die weigeren de conventietarieven toe te passen ruim in de meerderheid. Denk aan dermatologen (69%), plastisch chirurgen (56%) of oogartsen (60%). Bij andere specialismen is het aantal niet-geconventioneerde artsen heel beperkt. Dat is zo bij geriaters (0,5%), klinisch biologen (2,1%) of oncologen (2,3%). Binnen groepen met een hoge deconventiegraad wordt vaak aangevoerd dat de conventietarieven te laag zijn om de kosten te dragen die horen bij moderne geneeskunde en tegelijk de basis te vormen voor een “marktconform” inkomen. Het is zeker juist dat sommige afzonderlijke aktes in bepaalde specialismen niet meer aangepast zijn aan de oplopende kosten. De hoge deconventiegraad wordt ook verklaard door andere factoren zoals schaarste en de daarbij horende wachttijden, en de mogelijkheid om hoge eigen bijdrages aan de patiënt te vragen.
In elk geval zal het herzien van de nomenclatuur niet enkel een complexe, maar ook een delicate oefening worden. Het kan daarbij niet enkel spannend worden tussen de mutualiteiten en de artsensyndicaten, maar ook tussen de artsen onderling.
De oefening zou immers moeten worden uitgevoerd als een “zero sum game”, een herverdeling binnen hetzelfde globaal budget. En dat betekent dus onvermijdelijk dat er winnaars en verliezers zullen zijn.
In elk geval is het te hopen dat de hervorming rationeel doorgevoerd wordt en nadien tot stabiele verhoudingen binnen de medische wereld leidt.
Het is ook belangrijk dat de deconventiegraad nadien niet verder toeneemt en dat dit geen rem vormt op de ontwikkeling van nieuwe vormen van vergoeding waarbij losgekomen wordt van het “fee for service“-model.
En uiteraard hopen we dat de nieuwe nomenclatuur duidelijk en eenvoudig toepasbaar zal zijn, en dat goed rekening gehouden wordt met alle toepassingsproblemen binnen de sector. In de ziekenhuissector zijn we onder meer bezorgd over de impact op de langetermijnafspraken die met de medische raden werden gemaakt voor bijdragen aan investeringen.
BEHEERSING VAN DE SUPPLEMENTEN
Laat het ons dan nog ook even hebben over het meest besproken deel van de hervorming: de beheersing van de supplementen.
Het is een onderdeel dat op 7 juli 2025 tot een artsenstaking leidde en nadien tot een bijgestuurde versie van de fameuze Hervormingswet.
Nochtans is de rust nog niet weergekeerd. Wie af en toe eens De Specialist of Artsenkrant leest of op LinkedIn de posts volgt van syndicaal actieve artsen, ziet een ware demonisering van minister Vandenbroucke.
Hij zou de man zijn die het “vrij beroep afbreekt”, “staatsgeneeskunde invoert” en de “plannen en dromen van jonge artsen vernietigt”. De artsensyndicaten hebben een oproep gelanceerd om tegen 14 december massaal bezwaren in te dienen tegen het ontwerp van Hervormingswet.
Zeker in de aanloop naar de artsenstaking van 7 juli was het heel merkwaardig dat binnen het debat over de artsenhonoraria alle pijlen op de overheid en in het bijzonder op minister Vandenbroucke werden gericht. Minder goed betaalde specialisten zoals pediaters, reumatologen of psychiaters zouden nochtans ook hun ongenoegen kunnen uiten over het feit dat radiologen, nefrologen of klinisch biologen twee tot drie keer meer verdienen voor hetzelfde aantal uren werk.
Mogelijk kwam de brede verontwaardiging omdat het voorstel om ook voor niet-geconventioneerde artsen maximale supplementen op te leggen reeds meteen heel concreet werd gemaakt (25% in ambulant verband en 125% bij opname in een eenpersoonskamer), terwijl over de andere aspecten van de hervorming nog heel veel onduidelijkheid bestond en nog steeds bestaat.
Wanneer men niet weet wat het resultaat zal zijn van de nomenclatuurhervorming en nog niet geweten is hoe de opsplitsing tussen het professioneel honorarium en de operationele kosten er zal uitzien, dan kan men ook moeilijk inschatten of die beperking van de supplementen echt zal leiden tot verlieslatende ambulante praktijken of gewoon een redelijke beperking is in het belang van toegankelijkheid van de zorg.
Hoewel het van meet af aan de bedoeling was om die beperking van supplementen pas te laten ingaan vanaf 1 januari 2028, heeft het beklemtonen van dit onderdeel van de hervorming en de eis om dit meteen wettelijk te laten verankeren de gemoederen hoog doen oplopen.
Nochtans zijn er ernstige argumenten om voor alle terugbetaalde gezondheidszorgen geen onbeperkte ereloonvrijheid toe te laten.
Het blijft een boeiende maatschappelijke discussie, maar het is belangrijk om te beseffen dat het eigen aandeel van de gezinnen in de globale zorgkosten (met inbegrip van geneesmiddelen, tandzorg en hulpmiddelen) gestegen is tot 20,1%. Zoals John Crombez en Eric Mortier terecht schijven in hun recente boek Hou België gezond is het vooral “die 20,1% uit eigen zak die ons zorgen moet baren”.8
Dat eigen aandeel wordt voor sommige bevolkingsgroepen gelukkig gedeeltelijk beperkt door stelsels zoals de maximumfactuur en de gradueel ingevoerde verplichting om aan conventietarieven te werken voor alle personen die recht hebben op verhoogde verzekeringstegemoetkoming.
De Hervormingswet van minister Vandenbroucke voorziet ook stimulansen opdat meer artsen bereid zouden zijn om voor alle patiënten aan conventietarieven te werken.
Toch blijven de artsensyndicaten zich verzetten tegen een beperking van de supplementen voor niet-geconventioneerde artsen. Dit zou een aantasting zijn van de kern van het vrij beroep en de innovatie en ondernemerszin afremmen.
Hoewel er evident mag worden verwacht dat honoraria een correcte vergoeding vormen voor kennis en kunde en voor reële kosten, is het niet abnormaal dat de sociale zekerheid beperkingen oplegt in ruil voor de tegemoetkoming. Ook niet-geconventioneerde artsen blijven voor de terugbetaalde handelingen deel uitmaken van een systeem waar de sociale zekerheid en de overheid in 2026 het gigantische bedrag van 42 miljard euro in investeert. De patiënten blijven immers terugbetaling ontvangen op basis van de tegemoetkoming voorzien voor geconventioneerde artsen. Het eigen aandeel van de patiënt is hoger, maar in het belang van de toegankelijkheid van de zorg en de aanvaardbaarheid van de solidaire bijdrage in de financiering (via belastingen en sociale zekerheidsbijdragen), is het niet onredelijk dat er grenzen worden gesteld aan dat eigen aandeel.
De Hervormingswet van minister Vandenbroucke voorziet nu dat de beperking van de supplementen zal moeten worden onderhandeld in de akkoordencommissies (tussen mutualiteiten en artsensyndicaten) die hiervoor tot midden 2027 de tijd krijgen. Indien er geen akkoord tot stand komt, zal de regering de mogelijkheid krijgen om grenzen op te leggen.
Die onderhandelingen zullen deel uitmaken van de zoektocht naar een globaal evenwicht. Vanuit de ziekenhuissector wordt er terecht op gewezen dat het stelsel van supplementaire honoraria in eenpersoonskamer nu deel uitmaakt van een moeizaam onderhandeld evenwicht. In veel ziekenhuizen wordt een deel van deze supplementen ook gebruikt voor de financiering van nieuwe technologie.
Het zeer belangrijke doel van de toegankelijkheid van de zorg voor de brede bevolking mag en moet een belangrijk element blijven in de globale hervorming. Samen met andere doelen, zoals de kwaliteit van de zorg en het mogelijk maken van goed doordachte innovatie. En uiteraard ook de financiële leefbaarheid van de ziekenhuizen. Ziekenhuizen zijn slechts een onderdeel van een globale zorgketen waar meer “geïntegreerde” samenwerking absoluut noodzakelijk is. Maar ze blijven wel een onmisbaar onderdeel.
EINDNOTEN
- Deze bijdrage is geschreven in eigen naam en niet namens het ziekenhuis.↑
- “Naar een nieuw zorgysteem – Memorandum federale en Vlaamse verkiezingen 2024”, p. 53 waar Zorgnet-Icuro als koepel van Vlaamse ziekenhuizen in 2023 nog pleitte voor “een meer rechtstreekse financiering met afbouw van afdrachten en supplementen”, maar dan wel onder de voorwaarde dat die rechtstreekse financiering “duurzaam en kostendekkend zou zijn”. Brochure te raadplegen via www.zorgneticuro.be. ↑
- Jean Birnbaum, Le courage de la nuance, Points, 2022. [↑
- Beleidsverklaring volksgezondheid van 13/3/2025 (te consulteren via www.vandenbroucke.belgium.be of www.dekamer.be (document 56 0767/009)).↑
- Meer cijfers en een nauwkeurige analyse vindt men in het jaarlijkse MAHA-rapport van de studiedienst van Belfius: www.belfius.be. ↑
- MAHA-sectoranalyse 2025: www.belfius.be.↑
- Zie op de website van het RIZIV de vrij heldere “Lijst met veelgestelde vragen over de hervorming van de nomenclatuur van medische verstrekkingen”: www.riziv.fgov.be.↑
- J. Crombez en E. Mortier, Hou België gezond. Een rechtvaardige gezondheidszorg voor een onzekere toekomst, Houtekiet, 2025.
Bron: sampol.be
by admin | jan 6, 2026 | Varia
Voka stelt dat onze overheid te groot en te duur is. Maar achter die cijfers schuilt een genuanceerd verhaal over kerntaken, efficiëntie en de ware betekenis van ‘goed bestuur’.
Als journalisten mij bellen voor een reactie op een actuele bestuurskundige kwestie, vraag ik hen meestal om ‘over een uurtje terug te bellen’. Dat is geen kwestie van gebrek aan parate kennis. Als ik te weinig over het onderwerp meen te weten, verwijs ik altijd door. Het is eerder een leugentje om bestwil: nog even de gedachten ordenen, want ik pas voor een snelle reactie uit de losse pols.
Eén van mijn laatste tussenkomsten was voor Het Laatste Nieuws. Voka maakte recent een oefening die moet aantonen dat we in ons land te veel ambtenaren hebben, en dat onze overheid ondanks haar omvang eigenlijk maar middelmatig presteert. Dat was aanleiding voor Het Laatste Nieuws om zelf op onderzoek te trekken. En om naar reacties te peilen. Ik ging graag op de vraag in: interessant thema, breed gelezen krant en een journalist met kennis van zaken. Maar ik weet, en begrijp ook wel: veel meer dan een paar quotes wordt het meestal niet. Er blijft dan altijd een klein beetje frustratie hangen, omdat het verhaal vaak genuanceerder is dan het in de krant gebracht kan worden. Ik ben daarom blij dat ik geregeld ook een meer uitgebreide column mag schrijven. Bij deze.
VERHAAL VAN VOKA VERDIENT NUANCE
De cijfers zijn natuurlijk wat ze zijn: we hebben een grote en complexe overheid. Er werken veel mensen in de bredere publieke sector. En onze overheid neemt een belangrijk deel van het bruto binnenlands product ‘in beslag’. Dat Voka dit aangrijpt om als belangenvereniging een verhaal in de markt te zetten mag niet verwonderen. Dat is nu eenmaal hun rol. Kritiek op het functioneren van onze overheid mag en moet. Maar hun verhaal verdient wel nuance.
Ten eerste worden in het debat over de ‘vele ambtenaren’ nogal wat functies op een hoop gegooid. Als we het over gesubsidieerde jobs hebben, dan zijn dat zeker niet allemaal ambtenaren die in Brussel op hun bureau in het ministerie allerlei regeltjes zitten te verzinnen. Die mensen leveren trouwens een nuttige bijdrage in de beleidsvoorbereiding, dus sowieso vind ik een dergelijke framing ook al een beetje misplaatst. Het gaat ook, en vooral, om mensen die diensten leveren die we allemaal zeer waardevol vinden: leerkrachten, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers. Of het gaat om mensen in overheidsdienst die met de laarzen in de modder belangrijke maatschappelijke uitdagingen helpen aanpakken: arbeidsmarktconsulenten (iedereen aan het werk!), politieagenten op patrouille (meer blauw op straat!), of inspecteurs van de voedselveiligheid (consumentenbescherming!). De meeste burgers komen via dit soort diensten rechtstreeks in contact met de overheid, en zijn daar trouwens heel vaak tevreden over.
Ten tweede kunnen we misschien wel van mening zijn dat er te veel mensen voor de overheid werken, maar dan moeten we ook durven doorpraten: vinden we wat die mensen doen belangrijk, of niet? De vraag naar hoe groot de overheid mag zijn, kan niet worden losgekoppeld van de vraag wat we eigenlijk van de overheid verwachten. Dat brengt ons bij het kerntakendebat, en dat is altijd een beetje lastig. Omdat kerntaken subjectief zijn – behalve een aantal ‘evidente’ zoals veiligheid en onderhoud van openbaar domein. En omdat het maatschappelijk en politiek gevoelig ligt om te snijden in publieke dienstverlening die breed gedragen is. Zorg en onderwijs kosten veel geld, maar we vinden het ook zeer belangrijk. Dat maakt elke (poging tot) efficiëntie-oefening – van overconsumptie in de gezondheidszorg, tot meer onderwijzend personeel voor de klas – bij voorbaat zeer gevoelig.
Ten derde is ook het begrip ‘goede overheid’ niet neutraal. Voka hanteert een kader met zestig indicatoren die zich hoofdzakelijk in de cluster ‘efficiëntie’ en ‘effectiviteit’ bevinden. Dat is uiteraard zeer belangrijk: we mogen van een overheid verwachten dat ze presteert, problemen (mee) oplost, op de centen let, … Maar een eenzijdige kijk verbergt andere criteria van een goede overheid: rechtsgelijkheid, rechtszekerheid, procedureel correct handelen, de samenleving wapenen tegen risico’s, maatschappelijk aanpassingsvermogen, zekerheid en veiligheid, … Bovendien dringt de vraag zich op of sommige criteria van goed bestuur die Voka naar voren schuift, wel te realiseren zijn zonder grote overheidsinterventie. Minder CO2-uitstoot, maar wat met regulering om dat te bereiken zoals het instellen van lage emissiezones? Een energiewende, maar wat met de subsidies voor zonnepanelen? Minder armoede, maar wat met investeringen in de sociale zekerheid of een consequente loonindexering? Met andere woorden: veel criteria van goed bestuur vergen eigenlijk een grote overheid.
Ten vierde mogen we geen abstractie maken van het feit dat ‘de overheid’ uit vele verschillende entiteiten bestaat, die allemaal beter of slechter kunnen werken, of veel of weinig kunnen kosten. De zestig indicatoren worden allemaal in dezelfde pot gestopt, alsof de overheid een ondeelbare eenheid is die de maatschappelijke uitdagingen vanuit een soort centrum aanpakt. Neem de vraag naar een goed functionerende arbeidsmarkt. Dat gaat over zaken als werkzaamheid van ouderen, arbeidsongeschiktheid, (langdurige) werkloosheid, levenslang leren, … Hoeveel verschillende instanties op verschillende bestuursniveaus zijn daar niet mee bezig? Akkoord, die complexiteit is deel van het probleem (dat erken ik ook, zie verder). Maar door de overheid als één en ondeelbaar voor te stellen, miskent men dat die bestuurlijke complexiteit bijna automatisch voor een ‘grote overheid’ zorgt. Ook al dient een bepaalde beleidsmaatregel het doel van meer efficiëntie en effectiviteit, dan nog is de kans op neveneffecten groot, zodat het nettoresultaat kleiner dan verwacht is.
Een voorbeeld, wat kort door de bocht: de werkloosheid beperken in de tijd (‘winst’ voor de federale sociale zekerheid) dwingt een deel mensen naar de lokale OCMW’s (‘verlies’ voor het lokaal bestuur wegens meer uitgaven daar). Op hun beurt zoeken OCMW’s ‘winst’, via een strenger activeringsbeleid dat in grote lijnen een dubbel effect heeft: investeren in begeleiding van leefloners via sociale economie (‘grotere’ lokale overheid), en een grotere uitstroom van leeflooncliënten naar de arbeidsmarkt (‘kleinere’ lokale overheid). Niet-werkwilligen verliezen hun leefloon en belanden op straat (‘winst’ voor OCMW), met mogelijks extra sociale overlast wat tot vraag naar extra investeringen in veiligheid en justitie zal leiden (opnieuw een ‘grotere’ overheid).
Ten vijfde is er in veel analyses over de grote en dure overheid weinig aandacht voor het feit dat een deel van de inefficiëntie en ineffectiviteit ook samenhangt met het functioneren van ons politiek systeem. We kunnen het niet enkel framen als een managerial probleem dat puur bedrijfsmatig op te lossen is met de recepten van de ondernemer. Hoe ons politiek systeem precies mee oorzaak is van een minder goed functionerende overheid is lastig hard te maken, maar het speelt mee: de permanente campagne onder druk van peilingen en verkiezingen, de noodzaak aan grote coalities met lastige compromissen die uitmonden in gedetailleerde bestuursakkoorden, de druk van kabinetten op administraties, het soms te weinig responsabiliseren van leidende ambtenaren, … Het leidt allemaal tot een inflatie van beleidsmaatregelen, en ook tot een zekere terughoudendheid voor een degelijke beleidsanalyse: wat is het effect van al die maatregelen op het probleem dat moet worden opgelost?
Om een wat makkelijk voorbeeld te geven: het gratis schoolmaaltijdenbeleid, of de frigocheques. Dat kost veel, ook aan organisatie, maar het effect op het probleem (kinderarmoede, klimaat) is onzeker of onduidelijk. Er zijn wel aanzetten tot impactanalyses bij het ontwikkelen van nieuw beleid, maar dat is allemaal nog te weinig structureel en fundamenteel.
Ten slotte gaan veel analyses nog uit van de impliciete assumptie dat de publieke sector en de private sector in een soort van zero-sum game verwikkeld zijn: als de overheid groot is, dan is de private sector klein, en omgekeerd. Mariana Mazzucato leerde ons echter al lang geleden dat overheidsinvesteringen (zoals in defensietechnologie) doorsijpelen naar de private sector, die daar dan ondernemend mee aan de slag gaat. Als voorbeeld wordt vaak de smartphone genoemd, waarvoor de belangrijkste technieken (gps, internet, …) allemaal uitvindingen zijn die door de overheid zijn gefaciliteerd. Met andere woorden: overheden die in de publieke sector (universiteiten, het leger, spinoffs) innovaties mee financieren, zorgen voor het zaaigeld dat soms tot heuse groeisectoren op de private markt leidt.
ENKEL KIJKEN DOOR BEDRIJFSBRIL IS NIET GENOEG
Ik eindig waarmee ik begonnen ben: het debat over het functioneren van de overheid is belangrijk. Goed dat velen er mee bezig zijn. Ook Voka. Zij binden mee de kat de bel aan. Goed ook dat de pers overneemt. Maar het debat blijft complex, met veel nuances. Er zijn zeker nog efficiëntiewinsten te boeken in ons bestuurlijk systeem. Door enkel met de bedrijfsmatige bril te kijken, gaan we er niet komen.
We moeten ook, en vooral, durven kijken naar een aantal fundamentele oorzaken van de grote omvang en het soms minder goed functioneren van de overheid: een gebrek aan een echt kerntakendebat, een gebrek aan beleidsanalyse, en een gebrek aan politieke doorzettingsmacht om onze complexe bestuursstructuur wat meer op orde te zetten.
bron: sampol.be
by admin | jan 6, 2026 | Onderwijs
Schooluitval is geen randprobleem, maar een maatschappelijke noodtoestand die we ons niet langer kunnen permitteren.
Binnenkort gooien we onze kalender bij het oud papier en hangen we er een nieuwe op. In de hoop dat het nieuwe jaar ons meer rust, stabiliteit en – here is a thought – respect voor mensenrechten brengt. Maar er blijven nog een paar to-do-vakjes over in 2025. Die worden hectisch ingevuld: hard doorwerken om die laatste deadlines te halen, last-minute cadeautjes kopen voor de feestdagen en dan van het ene naar het andere familiefeest crossen. Studenten zitten in de blokperiode en jongeren in het middelbaar zijn ondertussen klaar om daarna van hun verdiende vakantie te genieten.
Al is dat jammer genoeg niet voor iedereen zo. Het eindejaar betekent niet voor iedereen feest of cadeautjes. Het eindejaar betekent evenmin voor elke jongere ‘zich voorbereiden op of uitrusten van examens’. Er is een grote groep jongeren die de schoolpoort definitief achter zich heeft dichtgetrokken, zonder diploma op zak. Volgens de meest recente cijfers behaalt 13,2% van alle leerlingen géén diploma secundair onderwijs. In Antwerpen zijn de cijfers nog schrijnender: bijna één op de vier jongeren slaagt er niet in om de middelbare school succesvol af te ronden. In absolute cijfers betekent dit dat duizenden jongeren de schoolbanken ongekwalificeerd verlaten, op weg naar een samenleving en toekomst die ongelooflijk veel van hen zullen vragen. Even zorgwekkend is dat deze statistiek geen positieve trend vertoont.
Het spreekt voor zich dat de gevolgen hiervan aanzienlijk zijn. Het voortijdig verlaten van school legt een gigantische hypotheek op de toekomst van deze jongeren. Ongekwalificeerde uitstroom leidt natuurlijk niet automatisch tot kansarmoede, tot economische en sociale armoede of tot psychosociale klachten, maar het verhoogt de kans erop wel aanzienlijk. De kwetsbaarheid van deze jongeren is immers over het algemeen hoger. En toch hebben we hier als samenleving en beleid nog geen antwoord op gevonden.
Neen, een brief aan alle zeventienjarigen over een legerdienst is absoluut geen antwoord. Als je jongeren wil aansporen een land te verdedigen, moet je er eerst voor zorgen dat het land waard is om verdedigd te worden en dat het land ook hun kansen en belangen verdedigt.
MAATSCHAPPELIJKE STRIJD
Meer dan een halve eeuw geleden benadrukte Malcolm X dat onderwijs hét toegangsticket is voor de toekomst. Hij heeft natuurlijk gelijk gekregen: de democratisering van het onderwijs is misschien wel het beste wapen gebleken in de strijd voor meer gelijkheid, welzijn en welvaart. De realiteit van majeure uitval moet ons daarom tot actie verplichten. Onderwijs is niet als de Olympische Spelen, waar deelnemen belangrijker is dan winnen. Onderwijs moet je vormen als mens en je klaarstomen voor de toekomst, en daar hoort een diploma bij.
Overheden moeten schooluitval een halt toeroepen. Als we elk jaar opnieuw duizenden jongeren school zien verlaten zonder diploma, dreigt de situatie onhoudbaar te worden. In de eerste plaats voor henzelf, maar de samenleving als geheel zal mee opdraaien voor de gevolgen: ongekwalificeerde schoolverlaters zijn doorgaans sterker afhankelijk van onze sociale zekerheid, openstaande vacatures zullen nog moeilijker worden ingevuld en jongeren die rondhangen in plaats van naar school te gaan zorgen sneller voor overlast en zijn een makkelijke prooi voor mensen die het niet goed met hen voorhebben. Alle geledingen van de samenleving hebben baat bij een serieuze aanpak.
Het morsen met jong talent moet ophouden. Preventie is daarbij zeker nodig, maar preventie alleen is niet voldoende. De duizenden jongeren die de keuze hebben gemaakt om school te verlaten, worden nu in de eerste plaats nog naar een diploma begeleid. Een logische keuze, maar voor elke vijf van deze jongeren zullen er vier er nooit nog in slagen om een diploma te halen. Deze groep valt vandaag te gemakkelijk tussen de mazen van het net en naast de aandacht van het beleid. We kunnen het ons niet veroorloven om in deze uitdagende tijden zoveel potentieel verloren te laten gaan.
BINNEN EN BUITEN DE SCHOOLMUREN
Op basis van onderzoek weten we dat meerdere factoren voorspellen of een jongere de schoolbanken vroegtijdig zal verlaten. Maar het is en blijft een wicked problem. Er is veel onderzoek gebeurd, en er zullen nog talloze doctoraten en publicaties over geschreven worden. De oorzaken en de oplossingen zijn niet helder of simpel, universeel toepasbaar, hoewel die voorspellende factoren ons al een eind op weg kunnen zetten. En het is nalatig om daar niet nu mee aan de slag te gaan. Ben je een jongen, spreek je thuis geen Nederlands, zit je in het BSO en heeft je moeder hoogstens een diploma secundair? Dan behoor je tot de grootste risicogroep. Maar wie denkt dat schooluitval enkel een kwestie van taal of herkomst is, ziet het te eng. Ook onder jongeren die thuis wél Nederlands spreken, zien we alarmerende cijfers. Antwerps schepen voor Onderwijs, Nabilla Ait Daoud, gaf in oktober zelf aan: in de stad Antwerpen verlaten bij die groep één op de vijf de middelbare school zonder diploma.
Dat toont vooral aan hoe diep verweven, complex en intersectioneel het probleem is. Schooluitval is een kruispunt waar maatschappelijke fricties samenkomen: armoede, taalachterstand, motivatie, gebroken gezinnen, een watervalsysteem en onderwijsstructuur die te vroeg selecteert. Samen vormen ze een cocktail die de toekomst – of het gebrek hieraan – van veel jongeren bepaalt. Willen we de strijd tegen schooluitval ernstig nemen, dan moeten we kritisch kijken naar ons onderwijssysteem én alert en aanklampend blijven wanneer de laatste schoolbel van de dag is gegaan. We moeten binnen en buiten de schoolmuren werken en samenwerken.
Ruwweg kunnen de risicofactoren achter schooluitval worden opgedeeld in drie clusters. Er zijn de persoonlijke omstandigheden van het kind: uitdagingen binnen het gezin, armoede, gezondheidsproblemen of een instabiele thuissituatie. Daarnaast spelen ook schoolgebonden factoren een rol: pesten, een zwakke band met de school, of een toenemende schoolmoeheid. Tot slot zijn er de structurele kenmerken van ons onderwijssysteem zelf, zoals de vroege studiekeuze en het watervalsysteem dat leerlingen ontmoedigt in plaats van ondersteunt.
Die veelheid aan oorzaken maakt dat het beleid makkelijk versnipperd geraakt. De oorzaken en oplossingen liggen immers verspreid over verschillende beleidsdomeinen. Wat tot nu toe ontbreekt, is een gecoördineerde en geïntegreerde aanpak die over die beleidsdomeinen heen kijkt. Een nieuw actieplan tegen schooluitval, dat vanuit onderwijs vertrekt maar met duidelijke afstemming met jeugd, welzijn en werk kan aan die versnippering tegemoet komen. De krachten, de visie én de focus moeten meer gestroomlijnd én gebundeld worden, met duidelijke afspraken, verwachtingen en doelstellingen. Zo kunnen jongeren in deze periode bezig zijn met wat écht hoort: genieten na een geslaagde examenperiode of bijschaven na een tegenvaller.
Bron: sampol.be