“Kinderen worden nog altijd opgeleid om mee te draaien in een oude wereld”

Waarom haken zoveel jongeren af en is er zo’n groot lerarentekort? Zelden of nooit krijgen we in de media het debat over de kern van de zaak. Voldoet ons huidig onderwijssysteem aan de noden van de 21ste eeuw? Hoe worden de jongeren voorbereid op een snel veranderende wereld. Sigrid en Kenny zijn twee enthousiaste leerkrachten uit het lager onderwijs die het anders willen. Ze zochten deze zomer naar inspiratie tijdens een conferentie over democratische scholen. DeWereldMorgen sprak met hen over welke inspiratie ze hebben opgedaan en wat ze graag anders zien in ons huidig onderwijssysteem.

Democratische scholen zijn, in een notendop, methodescholen die werken met directe democratie. Ze vertrekken vanuit het kind. De kinderen beslissen mee hoe ze hun leerproces willen invullen en worden daarin begeleid door de leerkrachten. De leergroepen zijn gemengd qua leeftijd en de beslissingen worden gezamenlijk genomen.

Ik heb net een stevige regenbui doorstaan als ik in de gezellige huiskamer van Sigrid binnenwandel. Op tafel stonden de koekjes, nootjes, koffie en thee al klaar. Kenny en Sigrid zaten te poppelen om honderduit te vertellen over de inspirerende conferentie waar ze waren geweest.

Kenny steekt van wal: “Het grappige is dat we dezelfde job doen in dezelfde stad. We werken allebei als onthaalleerkracht voor anderstalige nieuwkomers in verschillende stedelijke lagere scholen in Antwerpen. Maar we hebben elkaar vorig jaar pas ontmoet op de EUDEC-conferentie in Engeland over democratisch onderwijs.”

“We zijn in contact gebleven en besloten om er dit jaar samen naartoe te gaan. De jaarlijkse conferentie EUDEC vond dit jaar plaats in Bulgarije. EUDEC staat voor ‘European Democratic Education Conference’.”

Er klopt iets niet

Sigrid: “Mijn motivatie om er vorig jaar voor de eerste keer naartoe te gaan, was omdat het in Engeland was tijdens het Summerhill festival. En Summerhil is één van de oudste democratische scholen in de wereld. Ze vierden vorig jaar hun 101-jarig bestaan. Door corona konden ze hun 100-jarig bestaan niet vieren. Ik was nieuwsgierig naar hoe zo’n school effectief werkt.

“Ik ben me er al jaren van bewust dat ons onderwijs zoals het nu is niet meer klopt en ook niet werkt. We leggen teveel op aan kinderen. Fysieke straffen zijn gelukkig afgeschaft maar ons onderwijssysteem blijft in zekere zin nog altijd autoritair. Het regulier onderwijs vormt kinderen tot afhankelijke consumenten. Ze leren niet hoe ze autonoom kunnen denken.”

“De leerkracht dicteert hoe een kind zich moet gedragen naast wat het moet leren. ‘Je moet nu zitten, nu mag je je pen pakken, nu moet je je pen neerleggen, nu moet je wachten en luisteren.’ Zelfs wanneer het kind naar het toilet mag gaan, waar het moet zitten in de klas en naast wie. Het kind wordt zo ingeperkt en we hebben het recht niet om dat te doen.”

“Kinderen beginnen met heel veel goesting aan school maar dat neemt zienderogen af. We merken schoolmoeheid al in de lagere school. En dat vind ik heel jammer. Ik denk echt dat het komt door ons schoolsysteem waar te weinig vertrokken wordt vanuit het kind. Ik zocht naar inspiratie over hoe het anders kan. Ik heb er eerst veel over gelezen en ben dan een eerste keer naar de conferentie in Engeland gegaan.”

Wat wil het kind?

Kenny: “Ik sluit me aan bij wat Sigrid zegt. Ook ik vind dat er veel moet veranderen aan het huidige onderwijssysteem. Hoe meer je aan een kind oplegt hoe meer je de boodschap geeft dat wat hij of zij denkt er niet toe doet. In mijn zoektocht las ik het boek van Peter Gray, ‘Free to learn’. Ik vond het enorm inspirerend. Hij beschrijft in zijn boek o.a. de belangrijke voordelen van spelen voor de ontwikkeling van het kind en de intrinsieke motivatie om te leren. Als we vertrekken vanuit die intrinsieke motivatie zal het leren veel leuker worden en onthouden ze ook meer.”

“We leven in een democratische maatschappij maar ons onderwijs is alles behalve democratisch. We zitten nog altijd in het top down-paradigma dat nodig was in de 19e eeuw voor de industriële revolutie. Het vormt mensen om zich in te passen in het industriële systeem. Kinderen moeten nog altijd heel veel dingen leren waar ze totaal niets mee kunnen in hun leven.”

Sigrid: “Op zo’n EUDEC-conferentie kan je een week lang lezingen en workshops volgen over heel uiteenlopende aspecten van democratisch onderwijs. Je kan ook zelf tijdens de lege momenten workshops voorstellen. De bedoeling is mensen samen te brengen die rond democratisch onderwijs bezig zijn. Onderzoekers, oprichters, leerkrachten en leerlingen van zo’n school. En daarnaast ook leerkrachten die in een publieke school les geven maar andere inspiratie zoeken. Er komen mensen uit heel Europa. Er is veel uitwisseling onderling. Het is heel empowerend.”

“Na zo’n conferentie merk ik wel dat er echt veel werk aan de winkel is in ons reguliere onderwijs om te evolueren naar het meer bottom up-aanbieden van kennis.”

Kenny: “Een democratische school keert eigenlijk het paradigma van klassiek onderwijs om. De leerlingen krijgen de vrijheid en verantwoordelijkheid over hun eigen leerproces. Ze hebben ook inspraak in hoe de school gerund wordt. Bijvoorbeeld bij de opstelling van het reglement van een school kunnen leerlingen meebeslissen welke regels ze fair vinden. De regels worden meer gedragen in de school, leerlingen worden empowered om hun stem te laten horen en daar wordt rekening mee gehouden. Ze krijgen ook inspraak bij conflicten om samen naar een gepaste hersteloplossing te zoeken.”

Sigrid: “Wij kennen hier methodescholen zoals Freinet of Steinerschool. Die volgen wel ook de eindtermen zodat ze de erkenning en de subsidies hebben van de overheid. Een democratische school doet dat niet en krijgt dus ook geen erkenning. In Vlaanderen was er één democratische school in Gent, die is gestopt wegens te weinig leerlingen. Doordat de scholen geen subsidies krijgen, moeten de ouders zelf de kosten betalen wat niet evident is voor de meeste ouders. In Wallonië zijn er wel een aantal actieve democratische scholen.”

“De concrete uitwerking van de methode verschilt wel naargelang het type democratische school. Er zijn scholen die helemaal geen aanbod hebben, waarbij de leraar per leerling bekijkt wat die wil leren. De leraar zoekt vervolgens naar tools om de leerling daarin te begeleiden. Andere democratische scholen hebben een bepaald aanbod waaruit de leerlingen kunnen kiezen. Sommige andere hebben dan weer bepaalde vakken die wel verplicht zijn etc. … Er is dus veel diversiteit in de manier waarop het ingevuld wordt.”

Democratie: theorie vs praktijk

Kenny: “De acht pijlers in de lezing van Gabriel Groiss vond ik heel boeiend op de conferentie. (Zie presentatie.) We moeten een onderscheid maken tussen school en leren. We leren kinderen over de theorie van democratie maar niet hoe ze zelf die democratie vormgeven.”

“Anderzijds leer je amper iets over de echte wereld. De buitenwereld wordt op een abstracte manier naar binnen gebracht, met een focus op de hard skills, feitelijke kennis. De soft skills zoals verbindende communicatie, omgaan met emoties, omgaan met conflict, empathie, samenwerking, dat wordt niet aangeleerd.”

Sigrid: “Ik vond ook de lezing van Gabriel Groiss getiteld ‘Quality in education and the need for democratic education‘ heel boeiend. Hij vertelde hoe ons huidig onderwijssysteem van kinderen passieve afhankelijke volwassenen maakt die gedeconnecteerd zijn van zichzelf. Terwijl alle officiële onderwijsaanbevelingen van zowel UNESCO, Raad van Europa, Europese commissie en Human Rights Watch net het tegenovergestelde aanbevelen. Namelijk onderwijs dat van jonge mensen autonome volwassenen maakt, die verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Hij somt ook op hoe het anders kan.” (Zie presentatie.)

“Ook de workshop ‘Evolving Education‘ vond ik boeiend. We werden gevraagd naar onszelf te kijken en hoe het onderwijs ons heeft gevormd. Wat hebben we geleerd dat ons totaal niet dient, maar we wel nog ons hele leven meedragen. Iemand zei bijvoorbeeld: We hebben aangeleerd om altijd naar goedkeuring te kijken van buitenaf’. Iemand anders zei dat die op school geleerd heeft om oneerlijk te zijn om erbij te horen.”

Impact van een democratische school

Kenny: “Ik vond de presentaties van de organisatie Quest (Quality education for sustainable social transformation) ook boeiend. Zij doen effectief onderzoek naar wat de grote voordelen zijn van een democratisch schoolsysteem op het latere leven van de studenten.”

“Ze hebben een Europees project dat DESC heet (Democratic education in schools) waarbij leerkrachten uit het reguliere onderwijs, zoals wij, trainingen kunnen volgen over hoe je de methodes van de democratische scholen in je eigen school kan toepassen.”

Sigrid: “Ik heb heel veel inspirerende workshops gevolgd over hoe het anders kan in ons onderwijs, maar heel veel dingen kan ik niet toepassen, omdat de school waar ik voor werk in een bepaald kader zit. Het is zoeken naar hoe we dat kader kunnen veranderen.”

“De leerstof is wat het is en daar kan ik niets aan veranderen, maar wat ik wel kan veranderen is de omgang met de kinderen en hoe ik hen ruimte kan geven om ook iets aan te brengen. Als leerkracht voor anderstalige kinderen, heb ik het voordeel dat ik geen strak programma moeten volgen. Ik moet ze extra bijscholen in hun taalvaardigheid. Ik kan dus ook meer inspelen op wat hen bezighoudt.

“Bepaalde beslissingen kan ik ook samen met de leerlingen nemen en daar de tijd voor vrijmaken. De tijd die je steekt in het samen overleggen, is geen verloren tijd. Daar leren de kinderen net heel belangrijke dingen mee.”

Kenny: “De tools die ik meeneem van de conferentie om toe te passen in mijn klas, is verbindende communicatie, praten met de leerlingen over hun leefwereld en luisteren naar hun interesse. En kijken hoe ik de leerstof daaraan kan koppelen.”

“Er is weinig of geen kennis in het reguliere onderwijs over democratische scholen. Ik heb lang niet durven vertellen in mijn school dat ik naar de conferentie ben geweest, maar dit jaar toch met mijn directeur samengezeten over de opleiding van het Desc-project voor onze school. Het is de opleiding waarbij leerkrachten training kunnen volgen en tools krijgen om methodes van democratisch onderwijs in hun school te gebruiken. De directeur toonde er wel interesse voor.”

Sigrid: “Voor veel mensen op de conferentie gaat het vooral om de impact die democratisch onderwijs heeft op hoe je de wereld ingaat en welke verantwoordelijkheid je neemt om die ook mee vorm te geven. Ze willen een andere wereld. Kinderen worden nog altijd opgeleid om mee te draaien in een oude wereld. Maar alles is momenteel zo snel aan het veranderen. Je kan de kinderen niet opleiden voor een bepaald soort toekomst. Je moet ze juist zoveel mogelijk die soft skills meegeven zodat ze zich gemakkelijk kunnen aanpassen aan die veranderde wereld.”

Kenny: “Er staat veel op het curriculum dat we verplicht moeten onderwijzen, maar dat volgens mij overboord mag. We stoppen een kind vol met overbodige leerstof waar ze niets over te zeggen hebben. En op het einde heb je jonge mensen die niet weten wie ze zijn en wat ze zelf willen doen.”

Mijn ideale school

Sigrid: “Ik zie de democratische school als mijn ideale school. Een school waar de kinderen zelf zeggenschap hebben over hun tijd. De tijd die ze op school spenderen zelf invullen zoals ze dat willen. Ik ben ook voor groepen waar verschillende leeftijden door elkaar zitten. Zodat ze van elkaar kunnen leren.”

“Ik vind het ook belangrijk dat de kinderen zoveel mogelijk in de natuur kunnen zijn. Een natuurlijke manier van leren maar ook verbinding met de natuur. De natuur zit vol met leven en dus vol met leermogelijkheden. Het is enorm voedend op veel vlakken. School hoeft voor mij niet in een gebouw te zijn. Ook al zit de school in de stad. Je kan de leerlingen elke dag meepakken naar de natuur.”

Kenny: “De ideale school is voor mij een school die vertrekt vanuit de natuur van de leerlingen. Een kind is van nature nieuwsgierig en wil leren. Luisteren naar wat ze willen leren. De ruimte laten om te spelen. Ons huidig onderwijs heeft een goed aanbod. Alleen wordt deze opgelegd. Ik vind het een basisrecht van een kind om zelf te kiezen wat het wil leren. Zo geef je de boodschap aan het kind dat wat het wil er toe doet en dat het deel uitmaakt van een gemeenschap waar het evenveel inspraak heeft.”

Sigrid:“Ik denk zeker dat een ander systeem van onderwijs de leerkrachten veel meer zou motiveren. In een democratische school heb je een heel andere band met je leerlingen. Je creëert met hen samen wat ze willen leren. De leerlingen zijn veel meer gemotiveerd. Dat lijkt me veel fijner voor een leerkracht.”

Kenny: “Ik raad iedereen aan om de film Summerhill eens te bekijken. Summerhill is de oudste democratische school in Suffolk in Engeland. Het is een beetje een gedramatiseerde film, gebaseerd op waargebeurde feiten. Maar het is vooral een mooie ingang om een idee te hebben over wat een democratische school is.”

Sigrid: “Kennismaking met het democratisch onderwijs heeft voor mij een heel nieuwe wereld geopend. Het is een heel inspirerende wereld. Ik raad iedereen aan die in het onderwijs zit, of er interesse in heeft, om er zich in te verdiepen. Je vind er veel info over op het internet.”

Bron: De Wereld Morgen

Kinderen in armoede: geen pleister op een houten been, maar systeemverandering!

Kinderarmoede is een term die vaak gebruikt wordt door kapitalisten om de armoede en ontberingen van kinderen te beschrijven. Dit etiket verhult echter vaak dat het systeem zelf de schuldige is. Kapitalisme stelt winst boven mensen, wat leidt tot uitbuiting en mishandeling van werkenden. Dergelijke uitbuiting draagt aanzienlijk bij aan de armoede van veel gezinnen en dus ook van hun kinderen. Door het als “kinderarmoede” te bestempelen, probeert het kapitalisme een pleister op een houten been te plakken, in plaats van de oorzaken van armoede aan te pakken.

Daarom wil ik ervoor pleiten om in plaats daarvan de term “kinderen in armoede” te gebruiken. Deze subtiele verschuiving in taalgebruik is belangrijk omdat het zien van armoede als een externe omstandigheid die invloed heeft op een kind, in plaats van een inherente eigenschap van het kind, een breder perspectief aanmoedigt. Het zet aan tot nadenken over de vele dimensies van armoede, waaronder economische, sociale en educatieve factoren, en de behoefte aan allesomvattende oplossingen.

Enerzijds vermenselijkt het hun ervaring en erkent het dat ze niet enkel gedefinieerd worden door hun socio-economische status. Het benadrukt hun individualiteit, agency en inherente waarde, in plaats van hen te reduceren tot een statistiek of een categorie die kapitalisten kunnen gebruiken wanneer ze maar willen.

Door de situatie van het kind expliciet te benoemen als “in armoede”, wordt de aandacht ook gevestigd op de bredere systemische factoren die bijdragen aan hun omstandigheden. Het moedigt een kritisch onderzoek aan naar de sociale, economische en politieke structuren die ongelijkheid in stand houden en de kansen van kinderen beperken.

Bovendien moedigt het empathie aan door te benadrukken dat armoede geen abstract concept is, maar een doorleefde realiteit die individuele kinderen treft. Het stimuleert een gevoel van urgentie om de systemische problemen die armoede in stand houden aan te pakken en motiveert actie om het welzijn van deze kinderen te verbeteren.

Zeggen dat kinderen in armoede leven, gaat in tegen de gangbare stereotypen die met armoede worden geassocieerd. Het benadrukt dat armoede geen persoonlijk falen is of een weerspiegeling van de waarde van een individu, maar het resultaat van systemische factoren buiten hun controle. Deze verandering in taalgebruik kan helpen om stigma’s te verminderen en een meer meelevende en inclusieve samenleving te bevorderen met een meer omvattende en genuanceerde aanpak van de problematiek van kinderen in armoede.

Want kinderen die opgroeien in armoede worden geconfronteerd met een veelheid aan obstakels die hun gezondheid, welzijn en toekomstperspectieven beïnvloeden. Hoewel sommige oplossingen binnen het systeem een antwoord kunnen bieden op de korte termijn, zoals gratis schooluniformen, doen deze weinig om de systemische problemen aan te pakken die bijdragen aan armoede. Bijvoorbeeld, zelfs met een gratis uniform kan een kind nog steeds moeite hebben om naar school te gaan als ze geen vervoer hebben of zich zorgen maken of hun familie wel genoeg eten kan betalen om de hele dag door te komen.

We mogen ook niet vergeten dat de impact van onbetaalde arbeid op armoede en kinderen in armoede diep verweven is met het kapitalistische systeem. Het kapitalisme exploiteert en devalueert onbetaalde arbeid, waaronder huishoudelijk werk, zorg en andere vormen van reproductieve arbeid, die voornamelijk door vrouwen en moeders wordt verricht. Deze uitbuiting houdt niet alleen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in stand, maar draagt ook bij aan de armoedecirkel. De last van onbetaalde arbeid beperkt de economische kansen van vrouwen, en dus ook van hun kinderen, waardoor hun financiële afhankelijkheid blijft bestaan en ze kwetsbaarder worden voor armoede. Bovendien bestendigt het gebrek aan erkenning en steun voor onbetaalde arbeid de sociale en economische ongelijkheid, vooral voor alleenstaande moeders of moeders uit gemarginaliseerde gemeenschappen.

Daarom is het belangrijk om aan te geven dat er verschillende bijkomende factoren zijn die we eerst moeten bekijken voordat we gaan kijken naar zaken als het gebrek aan basisbehoeften.

Sociale vangnetten

Effectieve sociale vangnetprogramma’s spelen een cruciale rol in het verlichten van armoede.

Een studie uitgevoerd door de Belgische Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (2018) analyseerde de impact van verschillende sociale vangnetmaatregelen op kinderen in armoede in België. Uit de bevindingen bleek dat de verstrekking van gerichte geldoverdrachten, zoals kinderbijslag, een belangrijke rol speelt bij het terugdringen van het aantal kinderen in armoede door gezinnen met een laag inkomen extra financiële steun te bieden.

Bovendien benadrukte de studie het belang van universele gezondheidszorg, toegankelijk voor alle burgers, om de negatieve effecten van armoede op de gezondheid van kinderen te verminderen. De beschikbaarheid van kwaliteitsvolle gezondheidszorg, met inbegrip van preventieve zorg en medische bijstand, droeg bij tot het verbeteren van het welzijn van de kinderen en het verminderen van de last van de medische uitgaven voor gezinnen.

Daarnaast benadrukte het onderzoek het belang van sociale huisvestingsprogramma’s bij het aanpakken van armoede. Toegankelijke en betaalbare huisvesting kan de financiële druk van huisvesting op gezinnen met een laag inkomen verlichten, hen stabiele levensomstandigheden bieden en het risico op dakloosheid verminderen.

Deze bevindingen sluiten aan bij het bredere onderzoek naar sociale beschermingsprogramma’s wereldwijd. De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO, 2018) benadrukt de positieve impact van sociale beschermingsmaatregelen, waaronder geldoverdrachten en gezondheidsdiensten, op het terugdringen van het aantal kinderen in armoede.

Als socialist denk ik dat het cruciaal is om de effectiviteit van deze sociale vangnetmaatregelen te erkennen en te pleiten voor de uitbreiding en verbetering ervan. Door het implementeren van uitgebreide sociale beschermingsprogramma’s die geldoverdrachten (zonder voorwaarden), universele gezondheidszorg en initiatieven voor sociale huisvesting omvatten, kan de samenleving streven naar het creëren van een rechtvaardigere samenleving waar armoede effectief wordt aangepakt en het welzijn van alle individuen, vooral kinderen, prioriteit krijgt.

Intergenerationele effecten

Kinderen die in armoede leven, blijven vaak generaties lang in armoede leven. Een onderzoek uitgevoerd door Chetty et al. (2020) werpt licht op de blijvende gevolgen van armoede op het toekomstige inkomen.

Het onderzoek laat zien dat kinderen die zijn opgegroeid in gezinnen met een laag inkomen, aanzienlijke problemen ondervinden bij het doorbreken van de armoedecyclus als ze volwassen worden. Deze mensen lopen een grotere kans om in armoede te blijven en ervaren een beperkte opwaartse mobiliteit in vergelijking met hun leeftijdsgenoten die niet in armoede zijn opgegroeid.

Inzicht in de intergenerationele effecten van armoede versterkt de urgentie om beleid te voeren dat zonder voorwaarden of oordeel alle individuen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, laat voorgaan op wat als ‘winst’ wordt gezien onder het kapitalisme. Door de cyclus van armoede te doorbreken en ondersteuningssystemen te bieden die opwaartse mobiliteit mogelijk maken, kunnen we een samenleving creëren die gelijke kansen bevordert en individuen in staat stelt de beperkingen die armoede van generatie op generatie oplegt, te overwinnen.

Structurele ongelijkheid

Kinderen die in armoede leven zijn een direct gevolg van de structurele ongelijkheid in de kapitalistische samenleving. Als socialist denk ik dat het essentieel is om te erkennen dat armoede onder kinderen nauw verbonden is met bredere systemische problemen, waaronder systemisch racisme, genderdiscriminatie en sociaaleconomische ongelijkheden. Uitgebreid onderzoek, zoals dat van Brady et al. (2017), levert overtuigend bewijs van het verband tussen inkomensongelijkheid en het aantal kinderen in armoede in ontwikkelde landen.

De bevindingen van deze studie benadrukken dat landen met een grotere inkomensongelijkheid vaak een hoger percentage kinderen in armoede hebben. Deze correlatie onderstreept de systemische aard van armoede en het nauwe verband met economische ongelijkheid. Het benadrukt hoe het kapitalistisch systeem de problemen van kinderen die in armoede leven in stand houdt en verergert.

Bovendien toont onderzoek consequent aan dat kinderen uit gemarginaliseerde groepen, waaronder raciale en etnische minderheden, onevenredig hoge armoedepercentages ervaren en aanzienlijke barrières tegenkomen bij de toegang tot kwaliteitsonderwijs en gezondheidszorg. Studies uitgevoerd door Duncan et al. (2010) en Bellamy et al. (2020) werpen licht op de intersectionaliteit van armoede, ras en toegang tot essentiële diensten.

Deze studies onthullen een cyclus van nadelen waarin kinderen uit gemarginaliseerde milieus te maken krijgen met systemische belemmeringen en discriminatie, wat leidt tot nog hogere armoedecijfers.

Mentaal en emotioneel welzijn

Onderzoek uitgevoerd door Evans en Kim (2013) biedt waardevolle inzichten in de impact van armoede op het mentale en emotionele welzijn van kinderen. Hun bevindingen geven aan dat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen vaker chronische stress ervaren, wat nadelige gevolgen kan hebben voor hun cognitieve ontwikkeling en gezondheidsresultaten op de lange termijn. Deze chronische stress kan het gevolg zijn van verschillende factoren die samenhangen met armoede, zoals onstabiele leefomstandigheden, blootstelling aan geweld en beperkte toegang tot middelen en kansen.

Om kinderen echt uit de armoede te halen, moeten we verder gaan dan kortetermijnoplossingen en moeten we de onderliggende systemische problemen aanpakken. Dit vereist uitgebreide beleidsinterventies, een mondiaal perspectief en een focus op economische rechtvaardigheid, collectieve verantwoordelijkheid, herverdeling van rijkdom, toegankelijk onderwijs en gemeenschapsopbouw.

Dit is hoe ik het zie:

1. We kunnen het mondiale perspectief niet vergeten. De kwestie van kinderen die in armoede leven, is een wereldwijd gegeven. De Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties benadrukken de urgentie van het aanpakken van kinderarmoede op wereldwijde schaal en benadrukken de noodzaak van collectieve actie en internationale samenwerking. Dit omvat het ondersteunen van beleid en initiatieven die eerlijke handel bevorderen, schuldverlichting voor ontwikkelingslanden en internationale hulpprogramma’s om verarmde regio’s en gemeenschappen te helpen.

2. We moeten effectieve beleidsinterventies implementeren. Een recente studie van Besharov et al. (2021) analyseerde het effect van een combinatie van beleidsmaatregelen, waaronder een hoger minimumloon, meer subsidies voor kinderopvang en meer belastingvoordelen voor de armsten, op het terugdringen van het aantal kinderen in armoede in de Verenigde Staten. De bevindingen benadrukken dat een alomvattende aanpak het aantal kinderen in armoede aanzienlijk kan verminderen. Ik denk natuurlijk dat we verder moeten gaan naar een leefbaar loon en gratis kinderopvang.

Ik wil ook drie dingen benadrukken.

Eén, het creëren van degelijke jobs met eerlijke lonen en bescherming van werknemers. Dit houdt een beleid in dat volledige werkgelegenheid bevordert, leefbare loonstandaarden afdwingt, veilige werkomstandigheden garandeert en de rechten van werknemers beschermt om zich aan te sluiten bij een vakbond en collectief te onderhandelen.

Twee, het uitbannen van de gender- en rassenongelijkheid die bijdraagt aan armoede. Dit omvat het aanpakken van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, het bevorderen van gelijke kansen voor gemarginaliseerde groepen en het implementeren van beleid om systemische discriminatie te ontmantelen.

Drie, prioriteit geven aan duurzame ontwikkeling die rekening houdt met de ecologische grenzen van de planeet. Dit omvat het bevorderen van milieuvriendelijke praktijken, de transitie naar hernieuwbare energiebronnen en het aanpakken van klimaatverandering om een duurzame toekomst voor iedereen te garanderen.

3. Als socialist geloof ik dat iedereen toegang moet hebben tot de primaire levensbehoeften, zoals voedsel, huisvesting en gezondheidszorg. Armoede is een schending van dit principe, omdat het mensen de toegang tot deze basisbehoeften ontzegt.

Om de negatieve effecten van armoede op het welzijn van kinderen te verminderen, is het essentieel om toegang tot uitgebreide geestelijke gezondheidszorg en ondersteuning te garanderen. Daarom moeten we prioriteit geven aan universele, kwalitatief goede en betaalbare geestelijke gezondheidszorg en erkennen dat geestelijke gezondheid een fundamenteel aspect is van algeheel welzijn. Dit omvat voldoende financiering voor geestelijke gezondheidsprogramma’s, de integratie van geestelijke gezondheidsdiensten in de eerstelijnsgezondheidszorg en de implementatie van preventieve maatregelen die de onderliggende oorzaken van stress en trauma’s aanpakken.

We moeten economische rechtvaardigheid bevorderen en ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot de middelen die nodig zijn om een degelijk leven te leiden.

4. Als socialist geloof ik ook dat we een collectieve verantwoordelijkheid voor elkaar hebben. Armoede is niet alleen een individueel probleem of de schuld van ouders, maar een sociaal probleem dat ons allemaal aangaat. Als we het als zodanig zien, kunnen we een samenleving creëren die het welzijn van al haar leden hoog in het vaandel voert.

5. We moeten de ongelijkheid in rijkdom aanpakken, omdat dit de sleutel is tot het terugdringen van het aantal kinderen in armoede. Onder het kapitalisme is rijkdom geconcentreerd in de handen van enkelen, terwijl velen worstelen om de eindjes aan elkaar te knopen. Door rijkdom en middelen te herverdelen, kunnen we armoede terugdringen en meer economische gelijkheid en rechtvaardigheid bevorderen. Om middelen te kunnen herverdelen, moet de gemeenschap die in publiek bezit nemen.

6. Kwaliteitsonderwijs zou een recht moeten zijn, geen privilege. Het mag geen geld kosten en er mogen geen voorwaarden aan verbonden zijn. Armoede beperkt de toegang tot kwaliteitsonderwijs, wat een sleutelfactor is in het bereiken van sociale, politieke en economische mobiliteit. Ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot gratis en rechtvaardig onderwijs, hoe lang en wanneer ze maar willen, kan meer gelijkheid, rechtvaardigheid en kansen bevorderen.

7. Tot slot geloof ik als socialist in de kracht van de gemeenschap. Armoede isoleert vaak individuen en gemeenschappen, waardoor het moeilijk is om sterke sociale banden op te bouwen. Door samen te werken om armoede uit te bannen, kunnen we sterkere, veerkrachtigere gemeenschappen en landen opbouwen, die elkaar steunen in tijden van nood.

Bovendien vereist het aanpakken van het mentale en emotionele welzijn van kinderen in armoede een holistische aanpak. Het gaat om het creëren van ondersteunende omgevingen binnen gemeenschappen, scholen en gezinnen. Als socialist pleit ik voor het stimuleren van sterke sociale banden, het bevorderen van gemeenschapsbetrokkenheid en het bieden van uitgebreide sociale ondersteuningssystemen. Dit omvat initiatieven zoals buurthuizen, naschoolse programma’s en mentorprogramma’s die kinderen positieve relaties en veilige ruimten bieden om veerkracht te ontwikkelen en om te gaan met de uitdagingen waar ze voor staan.

Concluderend kan gesteld worden dat het probleem van kinderen in armoede verder gaat dan alleen etiketten en een allesomvattende socialistische aanpak vereist. Door de wereldwijde aard van het probleem van kinderen in armoede te erkennen, effectieve beleidsinterventies te implementeren, prioriteit te geven aan mentaal en emotioneel welzijn, structurele ongelijkheden aan te pakken, te pleiten voor herverdeling van rijkdom, toegang tot kwaliteitsonderwijs en gezondheidszorg te garanderen en collectieve verantwoordelijkheid en steun vanuit de gemeenschap te bevorderen, kunnen we werken aan een rechtvaardigere samenleving waarin alle kinderen de kans hebben om zich te ontplooien. Alleen door systemische verandering kunnen we de onderliggende oorzaken van armoede echt aanpakken en een betere toekomst creëren voor kinderen over de hele wereld.

Bron: LSP

Graaiende Bracke toont wat de ‘verandering’ van N-VA echt betekent

Zo luid De Wever toetert over al wie tegen onderdrukking ingaat, zo stil zwijgt hij over het gegraai van zijn eigen partijmakkers. En hij komt daar nog mee weg ook. Waar blijven de kritische vragen aan de N-VA-voorzitter over de pensioenextra’s van Siegfried Bracke? Zowel de arrogantie van Siegfried Bracke die meent dat het wettelijk plafond van 7.813 euro per maand niet geldt voor zijn pensioen als de oorverdovende stilte hierover vanwege zijn partij spreken boekdelen.

Destijds werd Bracke binnengehaald als ‘wit konijn’. Als journalist was hij alom bekend en werd hij gezien als ‘betrouwbaar’. Een uitstapje naar de politiek vlak voor zijn pensioen leek Bracke wel wat. Hij koos ongetwijfeld voor N-VA omdat die partij aan de winnende hand was en een gebrek aan bestuurservaring had. De ambitie was groot: het ego van Bracke zag zichzelf al in een ministerpost plaats vatten. In 2010 haalde Bracke veel stemmen, maar de zeepbel werd reeds met de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 doorprikt. Toen N-VA in 2014 een rechtse regering kon vormen, werd Bracke geen minister maar Kamervoorzitter. Dat werd opgelegd in het kader van de regeringsvorming, eerder verloor Bracke een stemming in het parlement toen hij zich kandidaat stelde. Het was een troostprijs die Bracke persoonlijk voordeel opleverde: een parlementsvoorzitter verdient evenveel als een minister. Discussies over zijn gegraai – Bracke combineerde de politiek met een betaalde ‘adviseursfunctie’ bij Telenet – maakten zijn positie onmogelijk. In 2018 was hij niet langer lijsttrekker in Gent en in de parlementsverkiezingen van 2019 raakte hij niet herkozen waarna hij ook als gemeenteraadslid opstapte.

De ophef over de pensioenextra van ongeveer 3000 euro bruto per maand bovenop het wettelijk pensioenplafond van 7.813 euro voor oud-voorzitters van de Kamer toont wat de ‘kracht van de verandering’ van N-VA eigenlijk betekent. Siegfried Bracke weigerde om het bedrag boven het wettelijke maximum in te leveren. Waar zijn liberale collega oud-Kamervoorzitter Herman De Croo dat wel deed en alle media afdweilt vol zelfbeklag, begon Bracke een juridische procedure om zijn extra te behouden.  

N-VA-voorzitter De Wever is ondertussen te druk bezig met het counteren van de “vergiftiging door het wokisme” om woorden vuil te maken aan de hebzucht van zijn partijgenoten. De strijd tegen woke is volgens De Wever nodig om het vertrouwen te herwinnen om “de beslissingen te nemen die zich opdringen om onze democratie en onze welvaart te borgen.” Over Bracke deed hij slechts één keer een uitspraak, namelijk toen de pensioendiscussie in maart op de agenda kwam. De Wever hield het op de voorzichtige stelling dat indien de pensioenbonus niet legaal was, Bracke deze moest terugbetalen.

De Wever en zijn partij proberen afstand te houden van het schandalenparkoers van Bracke. Een plaats op de lijst zal er niet meer inzitten in 2024. Nochtans was de politieke loopbaan van Bracke een product van de machtshonger van de N-VA. De Wever haalde hem binnen vanuit het idee dat dit zijn partij meer ‘respectabiliteit’ kon geven. Het tegendeel is waar gebleken. Het is niet vanuit een misrekening of een persoonlijk falen, maar omdat N-VA voor haar personeel en ideeën steeds kijkt naar het establishment en woordvoerders van de winstbelangen van de grote bedrijven.  

Het feit dat N-VA als eerste staat te springen om de pensioenen aan te vallen en eerder aan de basis lag van de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar, zorgt voor extra zout in de wonde van Bracke. Ons willen ze laten werken tot we erbij neervallen om vervolgens op een armoedig pensioentje amper te kunnen overleven. Voor zichzelf gelden andere regels: Bracke vertrok op 66 jaar en meent dat ruim 10.000 euro bruto in de maand voor hem een redelijk pensioenbedrag is. Zonder de aanvallen op onze pensioenen de voorbije jaren was Bracke er wellicht mee weg gekomen. Omdat de arbeidersbeweging de strijd voor degelijke pensioenen op de politieke agenda heeft geplaatst, en zo onder meer het puntenpensioen kon tegenhouden, is er ook een grotere gevoeligheid voor de pensioenprivileges van diegenen die ons op droog zaad willen zetten.

Bron: -LSP

Gratis opleiding leerkracht

Julie en Tara droomden ervan om les te geven in het lager onderwijs. Na een loopbaan in de privé, klopten ze aan bij VDAB om zich om te scholen. Julie: “Als juriste kon ik maar een stukje van mezelf tonen. Nu kan ik alles van mezelf kwijt in m’n werk.” Ook zin om voor de klas te gaan staan? We helpen je!

Als je werkloos bent en aan de nodige voorwaarden voldoet, kan je je via VDAB gratis omscholen tot leerkracht. Bovendien behoud je tijdens je studie je werkloosheidsuitkering. 

Je kan kiezen tussen deze studies: 

Julie en Tara vonden allebei al de weg naar VDAB, en getuigen vol passie en vuur.

Julie: ‘Toegangsticket tot de meest waardevolle job ter wereld’

“Ik was juriste personeelszaken bij een grote Belgische bedrijfsgroep. Ik zat in een fijn team, had een uitdagende job en voelde me geapprecieerd, maar ik had het gevoel dat ik mijn uren aan het verslijten was achter een computerscherm. Bovendien wou ik in mijn job graag iets betekenen voor anderen. 

Dus besliste ik om me om te scholen tot leerkracht lager onderwijs. Je verdient misschien niet het grote geld, maar er is volgens mij geen enkel ander beroep waarin je zoveel impact hebt op iemands leven. Verder vind ik de leergierigheid en het enthousiasme van lagereschoolkinderen enorm aanstekelijk.

VDAB gaf me het mooiste cadeau dat ik kon krijgen: tijd. Tijd om opnieuw te mogen beginnen en een ander carrièrepad in te slaan. En dat helemaal gratis en zonder dat ik mijn werkloosheidsuitkering verloor. Bovendien kreeg ik een hoogst persoonlijke cheerleader toegewezen. De gangbare term is VDAB-bemiddelaar geloof ik. <lacht>

In december studeer ik af. Ik kan niet wachten tot het zover is!”

Tara: ‘Ik werk heel graag met kinderen en heb geen ‘zittend gat’’

“Ik heb handelsingenieur gestudeerd, maar na mijn eerste drie bachelorjaren begon ik te twijfelen of ik de juiste keuze had gemaakt. Ik werk namelijk heel graag met kinderen en ik heb geen ‘zittend gat’. Maar, ik was al zover geraakt, dus besloot ik mijn studies af te maken.

Daarna begon ik te werken in de financiële sector. Zonder het te beseffen, was ik ineens tien jaar verder en voelde ik me steeds minder op mijn plaats in de financiële wereld. Onder het motto ‘nu of nooit’ nam ik de drastische beslissing om mijn job op te zeggen en mijn droom om leerkracht te worden na te jagen. 

Ik koos bewust voor de opleiding leerkracht lager onderwijs en niet middelbaar onderwijs, omdat ik graag een volledig schooljaar met een en dezelfde klas werk. Zo kan ik een hechtere band met hen creëren.

In het begin van mijn opleiding stond ik met knikkende knieën voor de klas. Vragen als ‘Doe ik het wel goed?’, ‘Hebben de kinderen mij graag?’ en ‘Begrijpen ze wat ik hen probeer uit te leggen?’ flitsten door mijn hoofd. 

Dankzij mijn stages deed ik veel ervaring op. Nu sta ik met bagage voor de klas en ben ik niet meer zenuwachtig. Als de lessen anders verlopen dan ik in gedachten had, weet ik hoe ik hierop moet reageren. En jonge kinderen zijn sowieso een dankbaar en enthousiast publiek.

Ik ben afgestudeerd in juni, maar wacht nog even met solliciteren omdat ik in zwangerschapsverlof ben. Mijn medestudenten die actief gesolliciteerd hebben, hebben allemaal al een job. En de meesten staan een volledig schooljaar voltijds voor de klas!”
 

Vier tips

Beide dames hebben nog enkele tips voor wie overweegt om de stap te zetten. 

  • Durf risico’s te nemen: durf de dingen waar je vroeger voor ging los te laten en vertrouw erop dat er iets komt dat nog meer in de lijn ligt met wie je nu bent. Als student en stagiair begin je weer onderaan de ladder en dit is even slikken. Opnieuw beginnen vraagt veel van je ego, maar het loont de moeite. 
  • Besef dat het overal iets is: in de media vind je veel negatieve berichten over het onderwijs. Negeer ze. Iedereen die al heeft gewerkt, weet dat het niet overal rozengeur en maneschijn is. In het onderwijs is dit net zo. Dit maakt het beroep niet minder mooi.
  • Doe het enkel als je er 100% achter staat: de opleiding vraagt een enorme inspanning van jou en je omgeving. Daarom is het belangrijk dat je er volledig achter staat. Zonder doorzettingsvermogen en onvoorwaardelijke steun, lukt het niet. Wat ook helpt, is een goed gevulde diepvries met spaghettisaus, soep, lasagne en pannenkoekenbeslag.
  • Deel ervaringen en geniet: deel lesvoorbereidingen en ervaringen met je medestudenten en vergeet tijdens de opleiding vooral niet te genieten van het lesgeven. Veel succes!



Meer info over studeren via VDAB: vdab.be/diplomaviavdab.

Leerkracht worden, iets voor jou?

Leerkracht worden, iets voor jou?

Dat een leerkracht véél meer moet kunnen dan kinderen leren dat één plus één gelijk is aan twee, zal je waarschijnlijk niet verbazen. Maar wat moet er nog in je DNA zitten als je leerkracht wil worden?

Grappig, enthousiast, zorgzaam, creatief, geduldig, lief, positief en luistervaardig. Het zijn acht kwaliteiten die leerlingen, ouders, collega’s en directeurs het vaakst noemen als je hen vraagt wat een goede leraar of lerares juist typeert. Het zijn ook stuk voor stuk karaktertrekken die perfect passen bij de 10 basiscompetenties van een goede leerkracht die werden opgesteld door de Vlaamse Regering.

Zij zien een goede leraar als …

  1. Onderwijzer, in de enge betekenis van het woord
  2. Opvoeder
  3. Inhoudelijk expert
  4. Organisator
  5. Innovator en onderzoeker
  6. Partner van ouders en verzorgers
  7. Lid van een onderwijsteam
  8. Partner van externen (stageplaatsen, kinderopvang, het hoger onderwijs, …)
  9. Lid van de onderwijsgemeenschap
  10. Cultuurparticipant

Een leven lang leren

Die basiscompetenties vertalen zich in 8 attitudes die een goede leerkracht in zijn of haar DNA heeft. Dan gaat het niet alleen om je leerlingen de kennis bij te brengen die in de eindtermen beschreven staan, want als leerkracht stopt je taak daar niet.

Zo moet je ook ouders op een positieve manier kunnen benaderen op het oudercontact, het schoolfeest helpen organiseren, de sportklassen in goede banen leiden en samen met je collega’s een aangenaam klimaat binnen de schoolmuren creëren. En dan komen de volgende vaardigheden wel goed van pas:

  1. Beslissingsvermogen: je durft een standpunt in te nemen of tot actie over te gaan, en je draagt daar ook de verantwoordelijkheid voor.
  2. Relationele gerichtheid: je bent oprecht, empathisch en respectvol naar anderen toe.
  3. Kritische ingesteldheid: je bent niet bang om jezelf en je omgeving in vraag te stellen, net als een bewering of een feit en de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel.
  4. Leergierigheid: je wilt blijven leren en jezelf ontplooien, om je kennis en bekwaamheid ten volle over te kunnen dragen aan je leerlingen.
  5. Organisatievermogen: je bent een krak in het plannen, coördineren en delegeren om te bereiken wat nodig is.
  6. Zin voor samenwerking: je zet je samen met collega’s en directieleden in om hetzelfde doel te bereiken.
  7. Verantwoordelijkheidszin: je voelt je niet alleen verantwoordelijk voor de school, maar ook voor de positieve ontwikkeling van de leerlingen.
  8. Flexibiliteit: je kunt je aanpassen aan wijzigende omstandigheden.

Het zijn trouwens bijna allemaal vaardigheden die je nodig hebt in tal van jobs. Dus als je een carrièreswitch overweegt, is de kans groot dat je al meteen op de goede weg bent om een uitzonderlijke leerkracht te worden.

Bronnen: Jobat/Klasse / Onderwijs.Vlaanderen.be