Maanden wachten op je werkloosheidsuitkering? ‘Ik vind dat niet normaal’

Michelle Ginée – Column

Fan van de vakbond

Ik ben een grote fan van de vakbond, de kleur maakt me niet uit. Vakbonden zijn nodig om de belangen van werknemers te verdedigen. Zeker nu kortgeschoolden hun loon niet onmiddellijk zien stijgen. Daar moet dringend iets aan veranderen en dat kan enkel met sterke vakbonden. Het is een strijd die ze hevig voeren.

Maar die strijd staat in schril contrast met een ondertussen steeds groter wordende steek die ze laten vallen: het tijdig uitbetalen van de werkloosheidsuitkeringen.

Het probleem bestaat al langer, maar werd tijdens de coronacrisis heel groot toen werknemers massaal in de tijdelijke werkloosheid terechtkwamen. Zowel de RVA als de uitbetalingsinstanties – waaronder de vakbonden – konden de grote toestroom niet aan. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden was dat zeker te begrijpen.

Ondertussen zijn we drie jaar verder, corona is niet langer pretbederver, maar toch is de situatie kritieker dan ooit. Drie tot zes maanden wachten op een uitbetaling is schering en inslag, met af en toe een uitschuiver tot een jaar. Jawel, je hebt het niet verkeerd gelezen: sommige mensen wachten een jaar lang op hun werkloosheidsuitkering. Ik vind dat niet normaal.

Hallucinant ingewikkeld

Laten we eerlijk zijn: er komt natuurlijk wel wat kijken bij zo’n uitkering.

Om te beginnen is het aanvragen van een werkloosheidsuitkering vergelijkbaar met het invullen van je belastingaangifte. Er zijn quasi evenveel verschillende aanvraagformulieren als dat er nummertjes zijn op het belastingformulier. Bovendien hoor je het na het lezen van de titels van de formulieren gegarandeerd donderen in Keulen.

Die hallucinant ingewikkelde aanvraagprocedure is niet de schuld van de vakbonden. Dat weet ik. Maar mensen die zowat 18 euro per maand betalen om lid te zijn van hun bond, mogen toch verwachten dat ze met raad en daad worden bijgestaan bij het invullen van al die documenten.

En jawel, dat doen vakbonden ook, alleen moet je gemiddeld een drietal weken wachten op een afspraak, toch als je een computer hebt. Anders moet je telefoneren en met schietgebedjes hopen dat iemand je telefoon binnen een realistische tijdspanne opneemt. Een unicum, leert de ervaring.

Op eigen houtje

Veel mensen proberen het dan maar op eigen houtje. Ze vullen de documenten zelf in en versturen ze aan hun vakbond. Om vervolgens soms weken niks te vernemen tot er plots een mail of brief komt met de vraag om bijkomende documenten te verzamelen. Bij sommige mensen gaat dat zo een paar keer over en weer. Vanop afstand of na een afspraak drie weken later.

Als het dossier dan eindelijk volledig is en naar de RVA wordt doorgestuurd, heeft die dertig dagen tijd om te beslissen. Waarna mensen soms nog wekenlang moeten wachten op de effectieve uitbetaling. Waarom? Dat weet ik zelf ook niet, want de informatie daarover is erg karig.

Diep in de shit

Tijdens die wachtperiode geraken mensen echt belachelijk diep in de shit. Het spaargeld wordt opgesoupeerd, mensen krijgen betalingsmoeilijkheden, kopzorgen en mentale problemen.

Allemaal zaken die je kan missen als kiespijn, zeker als je op zoek bent naar een nieuwe job. Geen wonder dat mensen langdurig werkloos worden of door de miserie soms zelfs werkonbekwaam.

Naar het OCMW

Sommige mensen verzamelen de moed om naar het OCMW te stappen voor hulp. Of krijgen dat vriendelijk advies vanuit de vakbonden zelf, jawel.

Het OCMW kan namelijk, in afwachting van de uitbetaling van de werkloosheidsuitkering, een voorschot verlenen. Alleen kan dat enkel als het totale gezinsbudget niet meer is dan wat het gezin als leefloon zou krijgen. Het OCMW betaalt ook enkel het barema leefloon uit, niets meer.

Dat dit bedrag vaak lager ligt dan de werkloosheidsuitkering waarop mensen recht hebben, mogen wij, OCMW-maatschappelijk werkers, uitleggen. Heel plezant allemaal.

Ondertussen kunnen we wel uitstel van betaling vragen aan schuldeisers. Gelukkig wordt dat meestal ook wel gerespecteerd. Kleine anekdote: die blijken ook in dit verhaal veel bereikbaarder te zijn dan de vakbonden.

We creëren problemen

Maar je voelt toch ergens dat het niet klopt? Een hoofdmaatschappelijk werker van een OCMW vertelde me onlangs dat de helft van de hulpvragen voor zijn team dit soort voorschotten op werkloosheid zijn. De haren rijzen me te berge.

Tijdens mijn bemiddelingen rond huurachterstallen zie ik ook steeds vaker mensen die huurschuld opbouwen omdat ze wachten op de uitbetaling van hun werkloosheidsvergoeding. Waar zijn we mee bezig? We creëren problemen. We veroorzaken schulden. We zien gezinnen wegzakken. En dat terwijl een werkloosheidsuitkering een recht is dat werd opgebouwd, geen cadeau dat je verdient.

Grootste teleurstelling

Ongetwijfeld kunnen voor dit euvel veel redenen ingeroepen worden. Administratieve rompslomp bijvoorbeeld, of het kluwen aan regeltjes waar een kat zijn jongen niet meer in terugvindt. Dat onze overheid het je liefst zo lastig mogelijk maakt om gewoon je rechten uit te putten, dat zijn we ondertussen al gewend. Er zou zomaar eens iemand willen profiteren, weet je wel?

Alleen had ik van de vakbonden een meer activistische houding verwacht. Waarom staan ze hiervoor niet op de barricades? Waarom kaarten ze tot vervelens toe dit probleem niet aan in de media? Opkomen voor de gewone mens, is dat zo moeilijk?

Ter aanvulling: ook bij de hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen loopt de wachttijd op, wellicht veroorzaakt door dezelfde problemen en het gebrek aan middelen en personeel om hun opdracht deftig te vervullen. Maar het verschil zit hem toch vooral in de aard en de rol van de uitbetaler.

Vakbonden hullen zich in doodse stilte en verstoppen zich achter gesloten deuren en onbereikbare telefoons. Dat de gewone werkmens na een corona- en energiecrisis zo aan zijn lot wordt overgelaten door zij die net voor hen zouden moeten zorgen, is wellicht de grootste teleurstelling in mijn loopbaan.

Bron: Sociaal.net

“Onbetaalde zorgarbeid vormt de ruggengraat van onze maatschappij”

“Onbetaalde zorgarbeid vormt de ruggengraat van onze maatschappij”

Interview – Keltoum Belorf

Aan de vooravond van 1 mei pakte Conner Rousseau uit met het voorstel van de basisbaan. Iedereen die werkloos is moet volgens hem verplicht een baan aannemen of verliest de uitkering. In een artikel in het Nieuwsblad gaat hij zelfs verder en zegt dat ook vrouwen die er bewust voor kiezen om thuis voor de kinderen te zorgen verplicht buitenshuis moeten werken ook al hebben ze geen uitkering. De huisvrouwen die onbetaald zorgwerk verrichten en toekomstige werknemers voor de arbeidsmarkt verzekeren, zijn in de ogen van Conner Rousseau profiteurs, want ze rijden immers op onze wegen en genieten van onze gezondheidszorg. Jeroen Lievens van de vrouwenbeweging Femma was bereid om op Rousseaus uitspraken te reageren.

Belang van onbetaalde zorgarbeid

“Het is opmerkelijk om op 1 mei als socialistische partij een ballonetje op te laten tegen de werkzoekenden, de langdurig zieken en de huisvrouwen/huismannen. Terwijl het traditiegetrouw toch een dag is waarop je opkomt voor kwaliteitsvolle jobs, werkbare jobs en daar ook op inzet.”

“We vinden het ook vreemd dat arbeid als bijdrage aan de maatschappij verengd wordt tot betaalde arbeid buitenshuis. Vanuit Femma leggen we de nadruk op de combinatie van betaalde arbeid en onbetaalde zorgarbeid. We vinden alle twee belangrijk. Onbetaalde zorgarbeid vormt de ruggengraat van onze maatschappij. Zonder die onbetaalde zorgarbeid komen er geen nieuwe mensen bij. Het is frappant dat Conner Roussau het belang ervan niet ziet en niet meeneemt in zijn betoog. Los van het idee of die basisbaan – en de effecten daarvan – al dan niet een goed idee is. Daar kunnen andere bewegingen zoals de vakbonden zich beter over uitspreken.“

Waardering onbetaalde zorgarbeid

“Je kan binnen het huidig systeem die zorgarbeid veel beter erkennen als je de zorgverloven die er nu al zijn, zoals ouderschapsverlof en tijdskrediet met motief zorg, toegankelijker maakt en de verloning aantrekkelijker maakt. De drempel voor tijdskrediet is onlangs nog verhoogd, waardoor je nu minstens drie jaar moet gewerkt hebben bij dezelfde werkgever om er recht op te hebben. Vrouwen met tijdelijke jobs en precaire contracten hebben er hierdoor geen recht op. De hele lage uitkering bij tijdskrediet en ouderschapsverlof zorgt er ook voor dat mensen die het financieel niet breed hebben die verloven niet kunnen opnemen.”

“We zijn daarnaast ook voor kwalitatieve jobs. Betaald werk heeft vrouwen financieel onafhankelijk gemaakt en gaf hen de mogelijkheid om zich buitenshuis te ontplooien, meer status te verwerven en ook om sociale zekerheidsrechten op te bouwen. We vinden het wel belangrijk dat het kwalitatieve jobs zijn met goede verloning en voorwaarden. Je moet dat kader creëren en de mensen de vrijheid geven om te kiezen hoe ze hun leven willen invullen.”

Nood aan een holistische visie op arbeid en zorg

“Er ontbreekt inderdaad een holistische visie in het beleid over de plek van zorgarbeid in de samenleving en hoe die kwaliteitsvol kan verlopen en ook over de combinatie van betaald en onbetaald werk. ” 

“Het vraagt een shift in hoe beleidsmakers naar arbeid kijken. Het gaat momenteel in het discours vooral om meer mensen aan het werk krijgen en langer doen werken. Maar pertinente vragen worden niet beantwoord zoals: wat met de grootouders die langer op de arbeidsmarkt moeten blijven en voordien meehielpen met de zorg voor de kleinkinderen. Of wat met de sandwich-generatie die zowel de ouderen moet verzorgen als de kinderen of kleinkinderen. De uitdaging van die zorgarbeid zal blijven, ook in de toekomst. Hoe kan je dat op een goede manier combineren. En welke antwoorden wil het beleid daarop formuleren. Door mensen in betaalde arbeid te dwingen ga je dat vraagstuk niet oplossen.”

“Je moet eerst focussen op de voorwaarden, zoals het aanpakken van de crisis in de kinderopvang zodat iedereen zelf de keuze kan maken om al dan niet betaalde arbeid te verrichten. Zorg ervoor dat er voor iedereen in de buurt kinderopvang voorhanden is die kwalitatief en betaalbaar is. Idem voor de ouderenopvang. Zodat mensen kunnen kiezen om die zorg al dan niet uit te besteden aan goede kwalitatieve publieke diensten of om die zelf op een kwalitatieve manier op te nemen. Pas als al die voorwaarden vervuld zijn kan je eventueel zo’n voorstel doen zoals Conner Rousseau deed. “

Campagne voor waardering onbetaalde zorgarbeid

“In aanloop naar de verkiezingen van 2024 hebben we ook een aantal voorstellen rond zorg en arbeid waarrond we campagne gaan voeren. We doen bijvoorbeeld een oproep aan de politici om die onbetaalde arbeid te waarderen en te ondersteunen. En dat erkennen kan bijvoorbeeld praktisch door er binnen je beleid indicatoren rond te ontwikkelen. We hebben bijvoorbeeld indicatoren rond betaald werk zoals de werkgelegenheidsgraad en de werkloosheidscijfers en die gebruikt men ook naast het bnp.”

“Maar rond onbetaalde arbeid en de effecten van het beleid daarop heeft men geen indicatoren. Via tijdsbestedingsonderzoek kan men daar ook specifieke aspecten monitoren. Bijvoorbeeld de verdeling van zorgarbeid tussen mannen en vrouwen. Hoe is het verdeeld binnen de verschillende klassen in de samenleving. Je kan het beleid daarrond monitoren en er doelstellingen aan koppelen. Zoals bijvoorbeeld het verkleinen van de kloof tussen mannen en vrouwen als het gaat om zorgarbeid.“

“Het anders vormgeven van de zorgverloven die er al zijn zodat die toegankelijk worden voor een grotere groep in de samenleving. En er de Mattheus-effecten uithalen door de anciënniteitsvoorwaarden te schrappen en de uitkeringen te verhogen. Zo wil men enerzijds een flexibele arbeidsmarkt waar iedereen mobiel is en regelmatig van werkgever of sector kan veranderen. Maar hoe verenig je dat met de voorwaarden van drie jaar bij dezelfde werkgever om tijdskrediet voor zorg te kunnen opnemen. Ook het hele Marshall-plan rond de kinderopvang met betere verloning van de kinderverzorgers en verlaging van het aantal kinderen per verzorger is noodzakelijk.“

“Op langere termijn pleiten we voor een kortere werkweek met loonbehoud. Zo kan je naar een samenlevingsmodel gaan waar betaald werk en onbetaalde zorgarbeid evenwichter kan gecombineerd worden, besluit Jeroen Lievens.

Verkozenen aan een gemiddeld werknemersloon

Een traditie van de arbeidersbeweging

De afgelopen weken scoorde de PVDA met een geconcentreerde aanval in de parlementen en de media op de vele extra’s die verkozenen zichzelf toekennen. Van pensioenextra’s boven de wettelijke maxima tot bijzonder grote uittredingsvergoedingen: dit alles gebeurde in alle parlementen en alle traditionele (en minder traditionele) partijen wisten ervan. De schok is des te groter omdat er de afgelopen jaren aanhoudend aanvallen waren op onze pensioenen en levensstandaard.

Ondanks de onthullingen over de pensioenen van Herman De Croo en Siegfried Bracke hoor je hun partijen vandaag vooral over hoe ze extra geld willen zoeken bij… werklozen en zieken! Het argument dat ze niet wisten hoeveel ze zelf verdienen, gaat uiteraard niet op. Als ze tot op de cent weten hoeveel wij krijgen als we even zonder werk zitten of ook als we wel werken, dan zullen ze hun eigen inkomen ook wel kennen.

De campagne van de PVDA werd door rechts afgedaan als ‘nestbevuiling’ (aldus Jean-Marie Dedecker, een expert ter zake) en door de gevestigde media als ‘anti-politiek’. Als onze lonen en uitkeringen worden aangevallen, horen we nooit dergelijke verwijten. Blijkbaar betekent politiek dat er op onze levensstandaard wordt bespaard en is het in vraag stellen van de wel erg riante vergoedingen voor diegenen die dat beslissen ‘anti-politiek’.

Eén van de sterkste argumenten van de PVDA-verkozenen in dit debat is dat ze zelf aan een gemiddeld werknemersloon leven. Hierdoor worden ze niet meegesleurd in de levensstijl van het wereldje van parlementsleden en andere managers, maar staan ze met beide voeten in de realiteit van de werkende klasse. Ze komen met andere woorden uit een ander nest dan dat van Dedecker en co.

De traditie van verkozenen aan een gemiddeld werknemersloon zit ingebakken in de arbeidersbeweging. Het gaat terug op de Commune van Parijs, een arbeidersopstand die een nieuwe staatsvorm probeerde op te bouwen. De Commune van Parijs hield het slechts 72 dagen vol, maar legde de basis voor hoe een arbeidersstaat er kon uitzien. Het is geen toeval dat Lenin in ‘Staat en revolutie’ uitgebreid aandacht had voor de Commune en dat de lessen ervan werden meegenomen in de Russische revolutie en het begin van de opbouw van een andere samenleving die daarop volgde.

Marx omschreef de Commune als “de politieke vorm van de sociale emancipatie, van de bevrijding van de arbeid door de inbezitneming van de monopolisten van de arbeidsmiddelen, die gecreëerd worden door de arbeiders zelf of geschenken van de natuur zijn.” Een van de nieuwigheden in de Commune van Parijs was dat verkozenen niet meer verdienden dan de mensen die ze vertegenwoordigden. Geen buitensporig comfort of een mandaat dat een persoonlijke goudmijn is, maar verkozenen die op elk ogenblik de behoeften kennen van degenen die zij vertegenwoordigen.  

Lenin wees nadien op enkele belangrijke basisregels voor een arbeidersstaat die door de Commune van Parijs werden gevestigd:  1) niet enkel verkiesbaarheid maar permanente afzetbaarheid; 2) verkozen mogen niet meer verdienen dan een gemiddeld arbeidersloon; 3) onmiddellijke overgang naar een regime waarin iedereen controlerende en overziende functies kan vervullen in zoverre dat iedereen ‘bureaucraat’ wordt voor bepaalde tijd en op die manier niemand bureaucraat kan worden. Hierbij kwam nog dat het staande leger moest vervangen worden door de het gewapende volk.

Die politieke vorm van sociale emancipatie was een belangrijk onderdeel van de strijd voor maatschappijverandering, zelfs indien het er slechts een onderdeel van was. Marx merkte in zijn analyse van de Commune van Parijs op: “Zoals de staatsmachine en het parlementarisme niet het werkelijke leven van de heersende klassen, maar slechts de georganiseerde algemene organen van haar overheersing – de politieke garanties, vormen en uitdrukkingen van de oude orde – zijn, zo is de Commune niet de sociale beweging van de arbeidersklasse en daarom niet de beweging van de algemene vernieuwing van de mensheid, maar haar georganiseerde actiemiddel.” Het laten verrichten van plaatselijke en nationale bestuurstaken “tegen een arbeidersloon” was een belangrijk onderdeel van de politieke hervorming van de Commune.

Sindsdien is het principe dat verkozen vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging aan een gemiddeld werknemersloon leven gemeengoed bij de radicale vleugel van de arbeidersbeweging. Het werd overgenomen door de Russische marxisten die daarnaast na de revolutie ook in de samenleving overgingen tot het invoeren van een maximale loonspanning (verhouding tussen de hoogste en de laagste lonen). Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat verkozenen aan de levensstandaard van hun kiezers leven. Daarnaast is het gemiddeld werknemersloon ook belangrijk om de weg te blokkeren voor eventuele carrièristen die uit zijn op persoonlijk gewin vanuit een mandaat van de werkende klasse.

Het principe van een verkozene aan een gemiddeld werknemersloon werd door onze organisatie steeds gehanteerd en uitgespeeld in campagnes. In de jaren 1980 leefden de parlementsleden van de Britse Militant Tendency aan een gemiddeld arbeidersloon, tot grote woede van de Labour-leiding. De afgelopen jaren deden onze parlementsleden in Ierland hetzelfde, vandaag doen Mick Barry (parlementslid in Ierland) en Kshama Sawant (gemeenteraadslid in Seattle) dit eveneens. Alles wat deze verkozenen meer verdienen dan een gemiddeld werknemersloon gaat naar een solidariteitsfonds dat gebruikt wordt om strijd van de werkende klasse te ondersteunen.

Het is bijzonder positief dat de PVDA deze traditie ook volgt. Dit maakt dat ze beter gepositioneerd is om de graaiers aan te klagen. Dat is niet antipolitiek, het brengt integendeel een klassenelement naar voren die uiteraard ook in de politiek aanwezig is. Het wijst op een verschil tussen politici die de belangen van de kapitalistische klasse vertegenwoordigen en politici die aan de kant van de werkende klasse staan en bijgevolg leven zoals gemiddelde werknemers. Wellicht is dat de reden waarom rechtse politici zoals Dedecker zo in hun gat gebeten zijn?

Bron: LSP

Leesniveau in vierde leerjaar opnieuw fors gedaald

Leesniveau in vierde leerjaar opnieuw fors gedaald

“Scholen zijn overbevraagd, maar ook ouders spelen rol”

Het niveau begrijpend lezen van de Vlaamse leerlingen van het vierde leerjaar is opnieuw sterk achteruitgegaan. Dat blijkt uit het internationale PIRLS-onderzoek waar in Vlaanderen ruim 5.000 leerlingen aan hebben deelgenomen. De leerlingen bleken bij de test zowat een schooljaar achter te lopen op hun Vlaamse leeftijdsgenoten uit 2006. We scoren nu net boven het gemiddelde van alle deelnemende landen.

“Dramatisch, maar niet verrassend”, noemt Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) de resultaten. Want de leestest werd afgenomen tijdens de coronacrisis. Dat is een belangrijke verklaring waarom geen enkel EU-land erop vooruitgaat. Maar Vlaanderen is wel één van de sterkste dalers: enkel Finland en Nederland dalen sterker onder de West-Europese landen. In vergelijking met álle deelnemende landen scoren we net boven het gemiddelde maar onder de mediaan.

Leesachterstand blijft oplopen

Concreet hebben Vlaamse leerlingen van het vierde leerjaar nu een leesachterstand van tien maanden tegenover hun leeftijdsgenoten die aan het onderzoek van 2006 hebben deelgenomen. Het vorige onderzoek, in 2016, deed al alarmbellen afgaan. Maar de negatieve trend zet zich verder. Zes procent van de leerlingen haalt zelfs het laagste niveau niet. Amper drie procent behoort tot de top.

Nochtans was er na de vorige PIRLS-studie meer aandacht voor onderzoek naar wat goed leesonderwijs is, zegt Katrijn Denies van de KU Leuven: “Nu is het zaak om die kennis tot in de scholen te krijgen. Via de basisopleiding maar ook via nascholingen moet die kennis doorsijpelen naar de onderwijspraktijk.” 

School is overbevraagd

Opvallend vindt Denies het fatalisme bij de scholen: “We zien dat scholen moe en overbevraagd zijn en dat ze de moed wat verloren zijn. Het geloof daalt dat leerkrachten kinderen in de klas iets kunnen bijbrengen. En dat zorgt er allicht ook voor dat de verwachtingen ten opzichte van de kinderen kelderen.” Terwijl hoge verwachtingen net een belangrijke factor zijn voor sterke leerprestaties.

Denies erkent dat het dubbel is om scholen moed in te spreken terwijl dit onderzoek opnieuw vertelt dat het niet goed gaat. Al zijn er ook lichtpuntjes: “De aandacht voor begrijpend lezen vergroot. En we zien dat er scholen zijn die het duidelijk beter doen dan we zouden verwachten van die school met een uitdagend leerlingenpubliek.”

Moeder, waarom lezen wij niet?

Maar leren lezen is niet enkel een opdracht tijdens de schooluren. Ook voor Vlaamse ouders is er werk aan de winkel. In vergelijking met West-Europese landen zijn Vlaamse ouders het minst bezig met taalspelletjes met hun baby, peuter of kleuter. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om samen boekjes lezen, liedjes zingen of woordspelletjes spelen. Denies wil dan ook een warme oproep doen aan ouders: “Werk meer rond taal met je kind. We weten dat dat significant samenhangt met de prestaties van leerlingen.”

Ook de thuistaal speelt mee in de resultaten. 33 procent van de leerlingen spreekt nooit of slechts soms Nederlands thuis. Denies: “Leerlingen die thuis niet altijd Nederlands spreken, doen het duidelijk minder goed voor begrijpend lezen. Scholen kunnen dat niet volledig oplossen. We moeten zorgen voor een laagdrempelig aanbod aan buitenschoolse Nederlandstalige activiteiten zodat voor elk kind die leertijd ook buiten de schooluren kan verderlopen.”

Helft van de lestijd naar wiskunde en Nederlands?

Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) wijst dan weer vooral naar de verantwoordelijkheid van de ouders. Hij herhaalt zijn pleidooi om ouders financieel te straffen wanneer hun kind onvoldoende met Nederlands in contact komt na de schooluren. 

Daarnaast wil hij ambitieuzere minimumdoelen vastleggen voor het lager onderwijs: “Als het aan mij ligt herschrijven we de minimumdoelen zo dat minstens de helft van de lestijd naar Nederlands en wiskunde gaat. Dat is de essentie.” De gesprekken daarover wil de minister zo snel mogelijk opstarten, maar ze afronden zal niet meer lukken vóór de verkiezingen van volgend jaar.

Onderwijsexpert Dirk Van Damme “verbijsterd”

Onderwijsexpert Dirk Van Damme zegt “verbijsterd” te zijn over de slechte resultaten. “Dit zou een moment moeten zijn waarop het hele onderwijsveld en alle actoren zeggen: ‘zo kan het niet verder'”, aldus Van Damme. Hij vreest echter dat de “zwarte piet gaat worden doorgespeeld” en dat we “in een politiek spel” verzeild raken. “Die sense of urgency bepleiten klinkt hol. Wanneer gaat men eindelijk wakker schieten?”

Van Damme erkent dat er in ons land een te grote tolerantie is voor een thuistaal die niet Nederlands is. “De inburgering hier zorgt er niet voor dat migrantenouders, ook niet de tweede of derde generatie, Nederlands spreken. We zien dat het bij ons heel traag of zelfs niet evolueert, terwijl dat in andere landen met vergelijkbare migrantenpopulaties sterk verbetert. Je kan op dat vlak beleidsmatig echter niet veel verplichten.” 

Toch wil Van Damme niet enkel met de beschuldigende vinger wijzen naar de ouders, volgens hem is er ook een probleem met de manier waarop taal in Vlaanderen wordt onderwezen. “De taaldidactiek zoals ze vandaag gebeurt in scholen is in mijn ogen verkeerd en niet in lijn met wetenschappelijk onderzoek. Het lijkt puur om competenties te draaien, maar het resultaat is dat leerlingen niet competent worden.”

Bron: VRT NWS

Onderwijskoepels ongerust over dalend leesniveau Vlaamse kinderen: “Alle lichten staan op rood”

Het niveau begrijpend lezen van de Vlaamse leerlingen van het vierde leerjaar is opnieuw sterk achteruitgegaan, blijkt uit het internationale PIRLS-onderzoek. Bij de verschillende onderwijskoepels is men ongerust.

Uit de test blijkt dat leerlingen zowat een schooljaar achter lopen op hun Vlaamse leeftijdsgenoten uit 2006. We scoren nu net boven het gemiddelde van alle deelnemende landen.

Katholiek Onderwijs Vlaanderen verwacht “dat de overheid nu eindelijk het lerarentekort en de kansarmoede doortastend aanpakt”. “Alle knipperlichten staan op rood”, zegt directeur-generaal Lieven Boeve.

Volgens Katholiek Onderwijs Vlaanderen moet meer worden ingezet op de verbreding van de instroom en moeten startende leerkrachten beter worden begeleid. “Leraren moeten voelen dat zij er niet alleen voor staan, de onderwijsketting verdraagt geen zwakke schakel”, zegt Boeve nog. “We willen ook verbeteren wat beter moet: in het begeleidingsaanbod meer prioriteit maken van begrijpend lezen, intensieve trajecten aanbieden aan lerarenteams en voorrang geven aan scholen met grotere ondersteuningsnoden, die we proactief opsporen op basis van data.”

“Enkel het correct toekennen van werkingsmiddelen aan de scholen maakt het voor onderwijs mogelijk daarin een rol te spelen”, aldus de onderwijskoepel. 

Het gemeenschapsonderwijs reageert iets minder dramatisch. “Onze pedagogische begeleidingsdienst begeleidde de voorbije jaren al 260 basisscholen met een intensief traject, specifiek gericht op leesvaardigheid met sterke resultaten”, zegt afgevaardigd bestuurder Koen Pelleriaux van het GO! “We moeten die inspanningen langdurig volhouden om impact te zien.”

Het GO! erkent dat bijkomende nascholing nodig is om lerarenteams te versterken op vlak van taalonderwijs. Ook de Vlaamse toetsen kunnen helpen. “Door jaarlijks alle leerlingen van alle scholen te toetsen, kunnen we dit veel nauwer opvolgen en onze leerstrategieën analyseren en bijsturen waar nodig”, zegt Pelleriaux.

Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) is naar eigen zeggen “zeer bezorgd”. “We zien in Vlaanderen al enige tijd een neerwaartse tendens die moet gekeerd worden. Daarom heeft het provinciaal onderwijs de voorbije jaren niet stilgezeten wat het leesbeleid in onze scholen betreft”, reageert voorzitter Luk Lemmens.

Hij benadrukt dat leerkrachten en pedagogische begeleiders zich in wetenschappelijke kaders hebben verdiept en op basis daarvan een aanpak hebben gecreëerd “op maat van en samen met” scholen.

“In onze vormingen en begeleidingen merken we dat onze scholen gemotiveerd zijn om in te zetten op sterk leesonderwijs”, reageert Walentina Cools van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG). “De leraren kunnen wel degelijk een verschil maken, dat merken we in de praktijk.”

“Tegelijk moeten we, net zoals voor topsport, iedereen betrekken: jong beginnen met (voor-)lezen, naar de bib gaan, opgroeien in een kansrijk gezin en in een stimulerend leesklimaat, … het speelt allemaal een rol. In het gemeentelijk onderwijs hebben we de kans om de andere lokale beleidsdomeinen (kinderopvang, cultuur, bibliotheek, … ) mee te engageren voor lezen. Die lokale samenwerking willen we nog sterker uitbouwen.”

“We hadden een daling van de resultaten verwacht, maar dat ze zo slecht zouden zijn? Ik ben verbijsterd”, reageert onderwijsspecialist Dirk Van Damme.

“Dit zou een moment moeten zijn waarop het hele onderwijsveld en alle actoren zeggen: ‘zo kan het niet verder'”, aldus Van Damme. Hij vreest echter dat de “zwarte piet gaat worden doorgespeeld” en dat we “in een politiek spel” verzeild raken. “Die sense of urgency bepleiten klinkt hol. Wanneer gaat men eindelijk wakker schieten?”

Bron: VRT NWS