Transportnetbeheerders van elektriciteit en gas doen gouden zaken

Transportnetbeheerders van elektriciteit en gas doen gouden zaken

Jean-Marie Dedecker (LDD)

Voorzitter van LDD en lijstduwer op de N-VA-Kamerlijst in 2019

Jean-Marie Dedecker staat stil bij de stijgende energiefacturen, en de werking van de intercommunales.

Terwijl ons land straks haar zeven kernreactoren uitdooft, plant de Franse president Emmanuel Macron in Gravelines, op een boogscheut van De Panne, twee nieuwe kernreactoren, naast de reeds bestaande zes. Op 10 km, vlak voor de kust en precies op de grens met België, zal hij ook een windmolenpark van 55 km² en 600 MW neerpoten, bestaande uit 46 turbines van elk 300 meter hoog. Over die Franse kernuitbreiding ‘vlak over de schreve‘ wordt door onze dirigenten angstvallig gezwegen, maar tegen de bouw van de offshore-klimaatminaretten met een hoogte van de Eiffeltoren stappen ze naar de rechter. Enerzijds terecht, want ze doorkruisen vis- en vaarroutes, maar anderzijds merkwaardig omdat onze politieke windhanen zelf een windmolenpark met 80 turbines van elk 252 meter hoog plannen in het hinterland van de kust, vanaf de Franse grens in De Panne tot in Jabbeke langs de E40.

Op het protest van buurtbewoners na, wordt hen voor de bouw en de uitbating van die onshore windmolenparken niets in de weg gelegd, want dit monopolie is quasi volledig in handen van een kluwen aan allerhande (semi-) intercommunales (zoals Aspiravi, Eneco, Elicio en gemeentelijke holdings als Efin, Nuhma…) en van grote energieboeren zoals Engie & Co. De Franse elektriciteitsboer Engie pochte afgelopen week met een recordnettowinst van 3,2 miljard euro in 2021, onder andere door de Belgische kerncentrales die afgelopen jaar op 92% van hun capaciteit draaiden. Nu beleeft die energiemonopolist volgens onze energieregulator CREG opnieuw gouden tijden met de gascrisis.

Transportnetbeheerders van elektriciteit en gas doen gouden zaken.

Vijf van onze gascentrales zijn al in handen van Engie, die straks nog subsidies krijgt van minister Tinne Van der Straeten om nieuwe te bouwen. Ze hebben immers hun gas aangekocht aan vooraf vastgelegde tarieven die veel lager liggen dan de huidige doorgeschoten prijzen. In plaats van het te verbranden om elektriciteit op te wekken verkopen ze het door, en de elektriciteit die ze zelf moeten leveren, kopen ze gewoon op de internationale markt, waar de elektriciteitsprijzen minder gestegen zijn dan die van gas. Hun winst op gas zou daarmee volgens de CREG zelfs vertienvoudigd zijn. De Franse Reddy Kilowatt belazert de kluit, en wat ze ook opstoken, ze steken de monsterwinsten altijd op zak. De burger betaalt zich blauw maar staat zelf in de kou.

Maar gas en elektriciteit moeten ook vervoerd worden tot bij de verbruiker, en dat gebeurt door onze intercommunale netbeheerders. Iedereen kent door zijn doorgeslagen gas- en elektriciteitsfactuur intussen ook wel één van de 10 energie-intercommunales of distributienetbeheerders (DNB’s) die onder de Fluviuskoepel zitten, en waaraan elke verbruiker een distributienettarief betaalt (Gaselwest, Imewo, Intergem, Iveka…). Maar wat minder bekend is, is dat er op elke energiefactuur ook transmissie- en transportkosten worden aangerekend via de transportnetbeheerders (TNB’s) en dat zijn Elia voor elektriciteit, en Fluxys voor aardgas. Van een elektriciteitsrekening bestaat nauwelijks nog een derde of 32,4% uit echte energiekosten, zo’n 5,3% gaat immers naar transportnettarieven en niet minder dan 35,2% naar distributienettarieven. De rest zijn dan nog allerhande verdoken heffingen (o.a. voor de groenestroomcertificaten) en BTW.

In zijn boek ‘De Vlaamse Ziekte’ analyseerde Glabbeeks burgemeester Peter Reekmans (LDD) in 2017 al de werking van al die (semi-)intercommunales tot 2015. Hij pleitte toen al voor een ééngemaakt nettarief, want afhankelijk van de regio waar ze werkzaam zijn, hanteren ze verschillende nettarieven. De 10 DNB’s onder de Fluviuskoepel en de TNB’s Elia en Fluxys deden blijkbaar gouden zaken. Een recente actualisering van de cijfers in het boek tussen 2015 en 2020 leert ons dat alle TNB’s en DNB’s vandaag samen een eigen vermogen van maar liefst 19,6 miljard euro hebben. Vooral de TNB’s doen de laatste jaren enorm gouden zaken: het eigen vermogen van TNB Elia steeg van 2.413.600.000 euro in 2015 naar 4.173.200.000 euro in 2020. Dit is gedeeltelijk te wijten aan overnames, maar vooral aan de forse toename van hun bedrijfsopbrengsten. De bedrijfsopbrengst van Elia verdrievoudigde van 851.400.000 euro in 2015 naar 2.473.600.000 euro in 2020. Maar ook het eigen vermogen van Fluxys steeg van 2.568.147.000 euro in 2015 naar 3.512.017.000 euro in 2020. En hun jaarlijkse bedrijfsopbrengst steeg van 872.876.000 euro in 2015 naar 1.110.664.000 euro in 2020, evenals de dividenden van de gemeentelijke aandeelhouders.

In de jaarrekeningen van TNB Elia vallen ook de directielonen op. De totale loonkost van de vijf directeurs bedroeg in 2020 precies 3.199.058 euro, waarvan 949.206 euro voor de CEO. (Ter vergelijking: de premier in ons land verdient 233.609 euro). Maar ook de politici in de raden van bestuur passeerden aan de kassa. Ook zij lieten hun vergoedingen tussen 2015 en 2020 tegelijk fors meestijgen. De veertien leden van de raad van bestuur van TNB Elia kregen in 2020 samen een vergoeding van 844.529,77 euro.

De zitpenningen voor politici in de raden van bestuur werden door een Vlaams decreet wel geplafonneerd op 226,39 euro per vergadering voor de zuivere intercommunales, maar semi-intercommunales zoals Elia, Fluxys, Publi-T en Publigas vallen buiten dit decreet. In de raden van bestuur van deze 15 semi-intercommunales zitten immers vandaag nog steeds 256 politici die jaarlijks samen ruim 2 miljoen euro bijverdienen om maandelijks te vergaderen over jawel… onze energie. Bij de TNB’s zijn de politieke postjes sterk begeerd. Bij Elia en Fluxys en hun aanverwante structuren Publi-T en Publigas incasseren 76 politici zo’n 1.579.417,93 euro aan zitpenningen. De 180 bestuurders van de DNB’s onder de Fluviuskoepel krijgen 405.900 euro. Publi-T (met als voorzitter van de Raad van Bestuur: Open Vld’er Geert Versnick) en Publigas (met als voorzitter N-VA’er Andries Gryffroy), die de aandelen van de gemeenten in Elia en Fluxys bezitten voor respectievelijk 44,87 en 77,5%, deden uiteraard ook gouden zaken. Hier liet men dus op amper 5 jaar niet alleen het eigen vermogen met enkele miljarden stijgen, maar ook de directie en politici ontvangen er hoge vergoedingen.

Afgelopen week werd de hitparade van de politieke graaicultuur gepubliceerd. Vlaams Parlementsvoorzitter Liesbeth Homans (N-VA) voert de hitlijst aan gevolgd door Guy Verhofstadt die al twee decennialang in de top drie van die hitgraaiparade staat. In 2020 kreeg die Open VLD-roeptoeter 317.0159 euro, waarvan een derde als bestuurslid van Sofina. Maar de meest gewiekste Open VLD’er is Geert Versnick. De Gentenaar factureert zijn vergoeding van 52.263,90 euro voor 11 vergaderingen van Elia en 11.815,70 euro als voorzitter van Publi-T via zijn vennootschap Flemco BVBA.

Na Reekmans’ boek kwam er federale wetgeving waardoor politici hun vergoedingen niet meer via vennootschappen konden factureren, maar Versnick heeft nu geen verkozen politiek mandaat meer, en valt dus buiten deze wetgeving. Het wordt dus hoog tijd dat ook de transmisse- en transportkosten in onze energiefactuur eens grondig onderzocht worden, want in tijden van energiecrisis kunnen we peperdure overheidsinstanties die gouden zaken blijven doen op kap van de modale burger missen als kiespijn. 

Bron : Knack

Nieuwe koers

Wat als je jaren met plezier je job doet en plots een baas krijgt waar je een hekel aan hebt? Het overkwam Kris. Hij werd er letterlijk ziek van. ‘Op een dag kwam het tot een confrontatie en bleef ik thuis. Ik wou niet meer voor hem werken. Het idee dat ik terug moest, deed me blokkeren.’ Dankzij loopbaanbegeleiding krabbelde Kris overeind.

Kris (52 jaar) vertelt: ‘Ik werkte bij een glashandel als glasplaatser. Ik deed mijn job met hart en ziel. Raam gebarsten? Dan plaatste ik een nieuw raam. Een glazen binnendeur nodig? Ik kwam ze installeren. Mijn klanten zagen me graag komen en waren me dankbaar.’ 

Geen respect

Na 22 jaar kwam er een einde aan Kris’ werkplezier. ‘Het klikte niet met mijn nieuwe baas. En dat is nog zacht uitgedrukt. Hij hield totaal geen rekening met me en toonde geen respect. Zo zei hij ooit eens tegen me: ‘Ik ben de baas. Als ik een papier laat vallen en zeg dat jij het moet oprapen, dan doe je dit.’ Ik had het gevoel dat mijn jarenlange inzet met de grond gelijk werd gemaakt.

Uiteindelijk werd ik ziek door de situatie en bleef ik thuis. Na een week ziekteverlof, kwam er nog een week bij, en nog een… Ik dacht: het zal wel overgaan, maar het werd alleen maar erger. Ik besefte dat ik niet meer wou terugkeren.’

Mensen helpen

Kris bleef niet bij de pakken zitten en ondernam actie. Hij bestelde loopbaancheques en contacteerde een loopbaancoach. ‘Ik wou graag ander werk, maar wist niet hoe ik dit moest aanpakken. Mijn coach hielp me hierbij. We zochten eerst uit welke job en werkomgeving bij me passen. Het werd me snel duidelijk dat ik een job nodig heb waarin ik mensen kan helpen. 

Eerst vond ik dat verrassend. Maar eigenlijk was het logisch. Ik ben altijd lid geweest van de Chiro en in mijn vorige jobs vond ik het sociale aspect het leukst. 

Een job als onderhoudsmedewerker in een school of bejaardentehuis leek me het meest haalbaar. In zo’n functie kan ik mensen helpen en tegelijk mijn technische kennis gebruiken die ik in de loop van de jaren opbouwde.’

Tussen de muziek

Kris reageerde op enkele vacatures voor onderhoudsmedewerker bij hem in de buurt. ‘Bij mijn tweede sollicitatie was het al raak. Ik mocht aan de slag in de academie van Heist-op-den-Berg.

Ik ben, samen met een collega, verantwoordelijk voor de dagdagelijkse werking van de muziekschool. Ik doe ’s morgens de deur open, maak de containers leeg, vervang kapotte lampen, maak de zaal klaar voor een optreden, zet rekken in elkaar, herstel lekkende kranen… 

Het is een fantastische job. Ik heb niet het gevoel dat ik moet werken, ik ‘mag’ naar de academie. Ik zit de hele dag tussen creatieve mensen die blij zijn dat ik kleine problemen voor hen oplos. En het klikt geweldig met mijn leidinggevende! (lacht)

Beste beslissing

Kris besluit: ‘Het was nooit mijn bedoeling om van werk te veranderen. Ik wou tot aan mijn pensioen bij die glashandel blijven. Maar achteraf gezien bleek mijn carrièreswitch de beste beslissing ooit.’

Kernuitstap

‘Niet de kernuitstap, maar het debat erover is funest voor onze energievoorziening’

‘Het maakt niet uit of je voor of tegen een kernuitstap bent, je moet in elk geval als bezeten beginnen te investeren in een nieuw energiesysteem.’ Dat zegt Kris Voorspools van 70GigaWatt Consulting.

‘De exponent van de stompzinnigheid van het debat kwam zaterdag van NVA voorzitter Bart De Wever die voorstelde de bevoegdheid energie volledig te regionaliseren.’ © Belga Image

Voor of tegen kernenergie?

Je kan voor of tegen kernenergie zijn. Voor beide stellingen zijn er een heleboel argumenten. Ik volg de discussies al van toen ik nog onderzoeker was aan de KULeuven en achter de schermen meewerkte aan het werk van de commissie Ampère. Daarin zaten alle relevante wetenschappers van dat moment. Die commissie moest het hele energielandschap met alle bijhorende uitdagingen in België in kaart brengen.

Dat was eind jaren 90. Na een felle discussie met grondige afweging van alle argumenten voor en tegen, werd beslist te stoppen met kernenergie in ons land. Dat was controversieel, maar er was een democratische meerderheid die dat steunde. Plan was om die kernuitstap niet onmiddellijk te doen, maar voldoende tijd te voorzien om te investeren in alternatieven.

Dat was het plan in 2003. Echter, na de wet op de kernuitstap werd de discussie voor/tegen naadloos verder gezet. Het energiebeleid in België werd daardoor gevoerd met altijd één hand op de handrem. Dat schrikte investeerders af waardoor de uitbouw van alternatieven te traag gebeurde. Gevolg nu is dat die alternatieven er onvoldoende zijn, en er rap-rap-rap gekozen moet worden tussen scenario’s waar geen van de twee kampen gelukkig van worden. Een Belgisch compromis. Als je er niet uit komt, doe je gewoon iets dat slecht is voor iedereen. Debat in plaats van daadkracht. Dat is jammer. Dat had beter gekund.

De exponent van de stompzinnigheid van het debat kwam zaterdag van NVA voorzitter Bart De Wever die voorstelde de bevoegdheid energie volledig te regionaliseren. Echter, dat lukt niet meer in deze legislatuur. De nieuwe Vlaamse regering kan het dan bekijken in 2024. Hoe die ook samengesteld is, ze zal vaststellen dat er in Vlaanderen inderdaad geen draagvlak is om de kerncentrales te sluiten, maar evenmin om ze open te houden. Dat brengt dus een hele reeks nieuwe onzekerheden mee voor potentiële investeerders. De kernuitstap is in dat scenario 100 procent zeker. De NVA voorzitter weet dat allemaal. Dus is het gewoon grootspraak. Geen inhoud, alleen populistische communautaire demagogie.

Hoe ging dat in Duitsland?

In Duitsland liep de kernuitstap heel anders. Daar werd die kordaat beslist en ging het land als bezeten investeren in hernieuwbare energie om die kerncentrales te vervangen.

Let wel, niet iedereen was het eens met die kernuitstap. Volgens velen was dat een historische blunder omdat Duitsland beter de bruinkoolcentrales had kunnen sluiten. Daar valt zeker iets voor te zeggen, want bruinkool is op vele vlakken vuiligheid die niet in een moderne energiemix thuis hoort.

Maar, de beslissing was er, en iedereen ging er constructief mee aan de slag. Dat enthousiasme en die vastberadenheid wekte vertrouwen bij investeerders. Het resultaat vandaag is dat hernieuwbare energie in Duitsland de productie van de gesloten kerncentrales inderdaad heeft opgevangen. Sterker nog; de omslag ging zo snel dat hernieuwbare energie ook al een aanzienlijk deel van de productie van steenkool- en bruinkoolcentrales heeft overgenomen. Daardoor zal ook de uitstap uit bruinkool sneller uitgevoerd kunnen worden dan gepland.

Niet de kernuitstap, maar het debat erover is funest voor onze energievoorziening.

Duitsland maakt duidelijk dat werken aan een lange termijn plan altijd een goed idee is, los van wat je op korte termijn doet. Dat plan is om Duitsland zo snel mogelijk om te schakelen van het energiesysteem van het verleden naar dat van de toekomst. Daarvoor moet je keuzes maken. Dat lange termijn plan geeft een duidelijk kader voor alle korte termijn beslissingen; hoe moeilijk of controversieel die ook zijn. Dat is geen groene waanzin. Dat plan wordt gedragen over de partijen heen en die aanpak maakt van Duitsland de sterkste economie in Europa.

Maar… Had Duitsland dan toch niet beter eerst die bruinkoolcentrales gesloten? Persoonlijk vind ik van wel. Maar, anderen vinden van niet. En zo kom je snel in een discussie “à la Belge” waar je eindeloos gaat palaveren over dat ene punt, terwijl je in het vuur van de discussie de lange termijn vergeet. Door die discussie niet te blijven voeren, staat Duitsland nu verder dan België. Veel verder.

En nu?

Ondertussen discussieert België verder. Nu al (meer dan) 20 jaar. In die periode heb ik geen nieuwe argumenten gehoord. Tegenstanders hameren erop dat er nog geen gram kernafval permanent geborgen is. Maar dat was 20 jaar geleden ook al zo. Voorstanders wijzen erop dat hernieuwbare energie niet altijd beschikbaar is omdat de zon ’s nachts niet schijnt. Maar ook dat was 20 jaar geleden al zo. Beide kampen hebben een fort opgebouwd met een selectie aan argumenten die hun stelling onderbouwen en bewijzen. Mensen die nieuw zijn in de discussie kiezen gemakkelijkheidshalve vaak eerst een kamp en laten zich dan overtuigen door die eenzijdige selectie van argumenten. Conclusie is dezelfde als 20 jaar geleden; namelijk dat er twee kampen zijn, dat er argumenten voor en tegen zijn, dat die allemaal kloppen en dat beide kampen volledig gelijk hebben. Wat je dan niét mag doen, is die discussie blijven voeren. Het besluit zal altijd zijn dat er twee visies zijn. Dat was zo 20jaar geleden, dat is vandaag zo en dat zal binnen 20 jaar nog zo zijn.

Is er dan geen plan?

Ook België moet de omslag maken naar het energiesysteem van de toekomst. Dat wordt wel eens vergeten omdat het alleen maar over de kernuitstap. De discussie werkt zo verlammend dat ze het uitwerken van een robuust lange termijn plan belemmert.

Sinds de wet op de kernuitstap heeft beleid onvoldoende gewerkt aan alternatieven. Een voorbeeld. Op de Belgische daken is er genoeg plaats om 100TWh per jaar stroom met zonnepanelen op te wekken. Dat is meer stroom dan wat België vandaag nodig heeft. Sinds de wet op de kernuitstap is daar nog geen 5 procent van gerealiseerd. Dat is teleurstellend. Maar ook daar werd voorkeur gegeven aan discussies boven uitvoerend beleid. Discussies over groene stroom certificaten, subsidies, terugdraaiende tellers en compensaties. Dat resulteerde in een go/stop beleid waarvan mensen vooral in de war raakten. Uit wantrouwen plaatsten die dan maar geen zonnepanelen. Jammer, want aan huidige astronomische stroomprijzen zal je met zonnepanelen pakweg €1000 per jaar op je stroomfactuur uitsparen. Met een faciliterend en uitvoerend beleid had al makkelijk de helft van onze daken vol zonnepanelen kunnen liggen, met als resultaat 50TWh stroomproductie op jaarbasis, hetgeen de kernuitstap al veel makkelijker verteerbaar had gemaakt.

Belgisch beleid zit vast in een onproductieve debatcultuur. Het debat over de kernuitstap wordt al 20 jaar gevoerd zonder enige evolutie. Tijdens het debat wordt zelfs al een nieuw debat (nieuwe kerncentrales) klaargestoomd waarover dan naadloos verder kan gediscussieerd worden. Discussie is comfortabel. Zolang je aan het discussiëren bent, moet je geen beslissingen nemen. Want als je een beslissing durft te nemen, word je daar later toch meedogenloos op afgerekend. Zo werkt dat in België. Beleid dat gedomineerd wordt door anti-politiek uit de oppositie.

Maar moet je dan voor of tegen de kernuitstap zijn?

Eerlijk? Zowel voor als tegenstanders vinden het vervelend dat ik dat zeg, maar het maakt niet uit. Je kan via verschillende paden op een bestemming uitkomen. Je kan een energietransitie uittekenen met of zonder die paar kerncentrales. Maar, wat je ook doet, je moet in elk geval als bezeten beginnen investeren in dat nieuwe energiesysteem.

De enige vergissing die je kan maken is zo verstrikt te raken in korte termijn geneuzel, dat je helemaal vergeet wat het lange termijn plan is. Of, sterker nog, dat je zelfs vergeet een lange termijn plan op te stellen.

Niet de kernuitstap is een bedreiging voor onze energievoorziening, wel het eindeloze debat erover.

Bron: Trends

Hoe gaan nachtwerk en de 10-urendag de epidemie van stress en burn-outs oplossen?

Voor oppositiepartij PVDA betekent de arbeidsdeal een uitbreiding van het nachtwerk en het normaliseren van de arbeidsdag van 10u, zonder dat de vakbonden nog een controlefunctie kunnen uitoefenen. “De socialistische minister Pierre-Yves Dermagne (PS) gaat verder in het ontmantelen van het arbeidsrecht dan zijn voorganger Kris Peeters,” reageert Raoul Hedebouw, voorzitter van PVDA. “De nieuwe maatregelen van Vivaldi gaan de epidemie van stress en burn-out die momenteel op de arbeidsmarkt raast nog erger maken. De lange lijst van werknemers die langdurig ziek zijn zal alleen nog maar groeien.”

PVDA wijst erop dat inzake de nachtarbeid de bescherming door de vakbonden uitgehold wordt. Zeker het pilootproject voor ‘vrijwillig’ nachtwerk tot middernacht krijgt kritiek. “Ga maar eens met een contract van beperkte duur of als interimmer gaan vertellen aan je baas dat je niet vrijwillig dat ‘avondwerk’ wil doen. De ‘vrijheid’ waar Vivaldi over spreekt is de vrijheid om te doen wat de baas zegt of buiten vliegen.” zegt Raoul Hedebouw. “De regering gaat nu 18 maanden lang de vakbonden buitenspel zetten met die maatregel. Dit gaat leiden tot de normalisering van ongezond nachtwerk, zonder dat daar een premie aan vast zal hangen. De uren ‘avondwerk’ zullen gelden als ‘normale werkuren’.”

Naast het nachtwerk bekritiseert de PVDA ook het invoeren van de ‘vrijwillige’ werkdag van 10 uur. Raoul Hedebouw: “De vrijwilligheid waar de regering op rekent is een rookgordijn. Werkdagen van 10 uur worden genormaliseerd. Combineer dat maar eens met een gezin. Als je nog eens het groot aantal ‘vrijwillige’ overuren in rekening brengt, zullen mensen vaak verplicht worden om toch die vijfde dag te werken. De werkweek van 45 uur wordt zo in de feiten gelegaliseerd.”

De partij wijst er ook op dat de maatregelen rond de platformwerkers weinig nieuws brengt. “Het grote probleem is de controle. Wie gaat in het kader van de regering controleren wat de feiten zijn? Platformwerkers hebben nog altijd geen garanties over hun statuut. Moeten ze de platformen voor het gerecht dagen en dreigen hun job te verliezen? Ik vrees dat er in de praktijk weinig verandering zal komen. ”

“Ook rond het recht op deconnectie is controle de voornaamste uitdaging. Daar zijn geen ambities over. En als je in een bedrijf van minder dan 20 werknemers werkt, heb je dat recht niet en ben je helemaal vogelvrij. Dan mag je werkgever je lastig vallen wanneer hij maar wil,” aldus Hedebouw.

Volgens PVDA biedt het akkoord geen antwoorden op de grootste uitdaging voor de arbeidsmarkt: de epidemie van werkstress, burn-out en werkgerelateerde langdurige ziekten. “Hoe wil de regering dit aanpakken met nog meer flexibilisering, die in de praktijk opgelegd wordt door bedrijven? Meer dan de helft van het personeel in de ziekenhuizen haalt de vervroegde pensioenleeftijd niet, één op drie leerkrachten zit in de gevarenzone van een burn-out. 17 procent van werkende mensen geeft aan in de gevarenzone te zitten voor een burn-out. De regering wil die mensen aan het werk, maar hun oplossing is om de bescherming verder uit te hollen. Dat is contraproductief,” besluit Hedebouw.

Bron: PvdA

Lerarentekort vraagt om stevige maatregelen

Het lerarentekort is een tikkende tijdbom voor het onderwijs. Met het tienpuntenplan van minister Weyts geraken we geen stap verder. Er is meer nodig dan gerommel in de marge. De onderwijsbonden hebben nu zelf voorstellen geformuleerd om het nijpend tekort structureel weg te werken. Een overzicht.

Dweilen met de kraan open

In oktober 2021 lanceerde Weyts zijn tienpuntenplan in het Vlaams Parlement. Het was haast- en spoedwerk dat niet eens in de schoot van de regering was doorgesproken. Meer dan wat gerommel in de marge was het niet.

Weyts wil meer onderwijspersoneel aantrekken door o.a. bepaalde zij-instromers meer anciënniteit te geven, door gepensioneerden en mensen in zorgverlof tijdelijk voor de klas te laten staan, door leerkrachten meer betaalde overuren te geven en door minder gekwalificeerde mensen tewerk te stellen.

Het tienpuntenplan van Weyts was niet meer dan wat gerommel in de marge.

Het plan kreeg een onvoldoende van de onderwijskoepels en werd afgeschoten door de onderwijsbonden. Volgens Koen Van Kerkhoven van COC (de onderwijscentrale van ACV) is “inzetten op zij-instromers geen mirakeloplossing. Er staan geen massa’s zij-instromers te trappelen om te starten in het onderwijs.”

Bovendien is het probleem niet zozeer de instroom, maar wel de uitstroom. “Zullen we eerst eens proberen al die gedreven mensen aan boord te houden?”, vraag Nancy Libeert van ACOD Onderwijs zich af. Wat baat het om veel nieuwe mensen aan te trekken als er ondertussen heel wat personeel het onderwijs blijft verlaten.

De cijfers liegen niet. In het lager onderwijs houdt een kwart van de starters het al binnen de vijf jaar voor bekeken. In het secundair onderwijs is dat zelfs 37 procent. Met de toenemende arbeidskrapte zullen jobs buiten het onderwijs ook aantrekkelijker worden en leerkrachten nog gemakkelijker dan voorheen geneigd zijn om elders aan de slag te gaan.

In het secundair onderwijs houdt 37 procent van de starters het al binnen de vijf jaar voor bekeken.

De fundamentele oorzaken van het lerarentekort zijn de hoge werkdruk en de onaantrekkelijkheid van de job. Met zijn plan laat Weyts die oorzaken nagenoeg ongemoeid. Op die manier dweilt hij met de kraan open.

Voor de onderwijsbonden moeten we in de eerste plaats inzetten op de leraren die we al hebben. We moeten ervoor zorgen dat hun waardering stijgt en dat hun job aantrekkelijker wordt. De bonden doen daarvoor een aantal structurele voorstellen. De voorstellen van ACOD Onderwijs en COC zijn niet volledig dezelfde. Ze leggen soms andere accenten, maar ze gaan grotendeels in dezelfde richting. We zetten hier de belangrijkste op een rij.

Werkdruk

Uit een grootschalig tijdsonderzoek van 2018 blijkt dat leraren zeer hard werken, harder dan in de meeste andere sectoren. Zelfs als men de vakantieperiodes inrekent ligt de gemiddelde werkweek van een leerkracht vier uur hoger dan de ‘normale’ 38-urenweek, met pieken van tegen de 50 uur in een gewone lesweek. Bijna de helft van de leerkrachten werkt vaak of altijd na acht uur ’s avonds en 45 procent werkt ook op zondag.

Die werkdruk moet naar beneden. Dat kan op verschillende manieren. Vooreerst moet de leerkracht zich meer kunnen focussen op zijn kerntaak: lesgeven, voorbereiden en verbeteren. Nu gaat 30 tot 40 procent van de tijd van een leerkracht naar aan andere zaken zoals toezichten, vervanging van zieke collega’s, individuele leerlingenbegeleiding, contacten met ouders, heel wat administratie, klassenraad, vakvergadering, …

De gemiddelde werkweek van een leerkracht ligt vier uur hoger dan de ‘normale’ 38-urenweek, met pieken van tegen de 50 uur in een gewone lesweek.

Die overige taken moeten door andere personeelsleden worden opgenomen, ofwel moeten er uren voor voorzien worden.

Maar niet alleen het aantal uren weegt, ook de intensiteit telt mee. Daarom moeten klasgroepen kleiner worden. Dat is nodig om leerlingen met specifieke noden voldoende tijd en ruimte te kunnen geven. Differentiatie is heel belangrijk maar in grote groepen is dat onmogelijk en vooral zeer uitputtend.

Autonomie

Leerkrachten moeten zich constant verantwoorden voor wat ze doen. Ze moeten systematisch alle lesdoelen koppelen aan leerplandoelen en eindtermen. Differentiatie en remediëring moeten ze gedetailleerd uitschrijven in allerlei volgsystemen en handelingsplannen. Over van alles en nog wat moeten ze verslagen opstellen. Enzovoort.

Leerkrachten moeten zich constant verantwoorden voor wat ze doen. Dat veroorzaakt niet alleen heel wat overbodig administratief werk, het tast ook de autonomie aan.

Dat veroorzaakt niet alleen heel wat overbodig administratief werk, het tast ook de autonomie aan. Leraren worden steeds meer aangesproken als passieve uitvoerders van een gestandaardiseerde aanpak die anderen bedenken of die zogenaamde onderwijsexperts aanbevelen.

Op die manier voelen velen zich niet langer erkend als professionals met een belangrijke maatschappelijke opdracht. Ze voelen zich aangetast in hun beroepseer. De overbodige verantwoordings- en vernieuwingsdrang moet ingeperkt worden.

Starters

Voor starters is alles nieuw. Daarom gaan zij gebukt onder een zeer hoge werkdruk en emotionele belasting. Ze moeten vaak ook genoegen nemen met de ‘restjes’, vaak met weinig paralleluren. Vandaar dat er zoveel afhaken.

Om hun opdracht haalbaar te maken moet de mogelijkheid voorzien worden om het eerste jaar een verminderde lesopdracht op te nemen, (bijvoorbeeld 80 procent, maar 100 procent betaald), om meer ruimte te hebben voor lesvoorbereidingen, aanvangsbegeleiding en navorming.

Het duurt soms jaren vooraleer starters een vaste betrekking en dus inkomen hebben. Dat is een van de belangrijke redenen voor het snelle vertrek uit onderwijs.

Voor starters is er ook heel wat jobonzekerheid. Het duurt soms jaren vooraleer ze een vaste betrekking en dus inkomen hebben. Dat is een van de belangrijke redenen voor het snelle vertrek uit onderwijs. Daarom komen de onderwijsbonden met een voorstel dat in het verleden al eens ingevoerd werd: zogenaamde lerarenplatforms of minipools.[1] Die geven aan startende leerkrachten de garantie op een voltijdse opdracht, hetzij door les te geven hetzij door pedagogische bijstand in de klas.

Eindeloopbaan

Door afname van fysieke en mentale weerbaarheid zijn heel wat leerkrachten op het einde van hun carrière gevoeliger voor stress, depressie, ziekte en lichamelijke ongemakken. Zij vallen dan ook in vergelijking met hun jongere collega’s vaker ziek. Wie over de financiële mogelijkheden beschikt, neemt dan vaak een deeltijdse opdracht op. Alleen zo slagen zij er nog in om kwaliteitsvol les te geven.

De situatie op het einde van de loopbaan is de laatste jaren sterk achteruitgegaan. De pensioenleeftijd werd vijf tot zeven jaar opgetrokken terwijl de landingsbanen afgeschaft werden. Dat was een mokersslag. Er staan steeds meer opa’s en oma’s voor de klas. Bovendien zullen de gepensioneerden het met een beduidend lagere pensioenuitkering moeten doen.

Er staan steeds meer opa’s en oma’s voor de klas. Het einde van de loopbaan moet opnieuw leefbaar gemaakt worden.

Voor de aantrekkelijkheid van de job is dat nefast. Het einde van de loopbaan moet opnieuw leefbaar gemaakt worden. Er moeten opnieuw landingsbanen komen die financieel haalbaar zijn en iedereen moet op pensioen kunnen vanaf 60 jaar.

Vanaf 50 of 55 jaar moet het aantal contacturen naar beneden. Het overgebleven gedeelte van de opdracht kan dan opgevuld worden met taken als co-teaching, begeleiding van startende leraren of stagiairs, leraren, schoolloopbaanbegeleiding van leerlingen, individuele vakgebonden remediëring van leerlingen … Zo wordt de expertise en ervaring van de ‘senior leerkrachten’ ingezet en wordt de werklast van hun collega’s verminderd.

Loonsverhoging

Wanneer werkgevers klagen dat ze geen werkvolk vinden, dan geeft president Biden hen een eenvoudige remedie: “betaal ze meer”. Dat geldt ook voor het onderwijs.

Het loon weerspiegelt het belang en de waardering voor het beroep. Vooral voor masters zijn de lonen in het onderwijs, bij een gelijk diploma, een stuk lager dan in de privé. Op voordelen zoals een bedrijfswagen, aanvullend pensioen, hospitalisatieverzekering, laptop, smartphone enz. moeten ze ook niet rekenen.

Het loon weerspiegelt het belang en de waardering voor het beroep.

Als het onderwijs niet meer draait valt de economie plat. Dat heeft de pandemie ons geleerd. Dat moeten we dus ook terugzien in het loon. Kwalitatief onderwijs is één van de pijlers waarop de huidige maatschappij rust. Daarom moeten we het beroep van leraar weer opwaarderen en moet het loon omhoog.

Op korte termijn, om het tijdelijk en acuut lerarentekort op te vangen, kunnen de gepresteerde overuren zoals in andere sectoren, dubbel betaald worden.[2]

Koken kost geld

De hierboven voorgestelde maatregelen zullen geld kosten. Maar als onderwijs een topprioriteit is, zoals men om het hardst heeft geroepen tijdens deze coronacrisis, dan moet dit ook vertaald worden in budgettaire middelen.

Het alternatief is een dramatisch lerarentekort en een nog verdere daling van de kwaliteit van ons onderwijs. Kunnen we ons dat permitteren?

Bronnen:

Lerarentekort? ACOD denkt enkele zetten vooruit

Knipperlichtennota COC

Betaal overwerk dubbel en neem niet-kerntaken weg

Lees ook: Lerarentekort is tikkende tijdbom onder onderwijs

Notes:

[1] In het schooljaar 2018-2019 is daarover een pilootproject in het lager onderwijs van start gegaan. Er is plaats voor 1621 onderwijzers. Wie in het lerarenplatform stapt, heeft werkzekerheid vanaf 1 september tot het einde van het schooljaar.

[2] In andere sectoren bedraagt de loontoeslag doorgaans 50 procent van het gewone loon. Dat kan opgetrokken worden tot 100 procent voor overuren op zondag, feestdag of vervangende feestdag.

Bron: dewereldmorgen.be