Als Frankrijk de prijzen aan de pomp kan verlagen, waarom België dan niet?

Terwijl de prijzen voor diesel en benzine in België rond de twee euro per liter blijven, betaalt men in Frankrijk vanaf september anderhalve euro. Dat komt door een accijnsverlaging én een prijsverlaging door de oliemultinational TotalEnergies. Oppositiepartij PVDA eist dat de Belgische regering dezelfde maatregelen doorvoert. Sofie Merckx, voorzitter van de PVDA-fractie in de Kamer: “Als Frankrijk de prijzen aan de pomp kan verlagen, waarom België niet”

“De regering heeft sinds maart geen nieuwe maatregelen genomen. Wij pleiten al maanden voor een verlaging van de accijnzen tot het Europees minimum. Ook moet de regering werk maken van een belasting op overwinsten. Alleen al de dreiging met zo’n belasting zorgt in Frankrijk ervoor dat TotalEnergies de prijs met 20 cent per liter doet zakken.”

Volgens PVDA toont de prijsverlaging door TotalEnergies aan dat de oliemultinationals profiteren van de oorlog. “Total heeft 5 miljard winst gemaakt in de eerste drie maanden van dit jaar,” weet Merckx. “Zelfs met deze prijsverlaging zullen ze nog ongeziene winsten maken. Het is onbegrijpelijk dat onze Belgische regering blijft weigeren om die overwinsten te belasten. Zo’n taks bestaat in heel wat Europese landen zoals Spanje, Italië en Groot-Brittannië. Frankrijk toont aan dat je ze ook kan gebruiken als hefboom om de prijzen te doen dalen.”

PVDA eist dat brandstof in ons land maximaal €1,40 zou kosten. Ze lanceerde daarvoor een petitie die al meer dan 100.000 handtekeningen verzamelde.

Bron: PVDA

Toegenomen klimaatbewustzijn dwingt president Bolsonaro tot belofte voor minder ontbossing

Toegenomen klimaatbewustzijn dwingt president Bolsonaro tot belofte voor minder ontbossing

Klimaat komt naar voren als een belangrijk thema in de presidentsverkiezingen van Brazilië. Beide kandidaten – ook ontbossingskampioen Bolsonaro – werpen zich op als beschermers van het Amazonewoud, maar dringen tegelijk aan op nieuwe infrastructuur voor fossiele brandstoffen.

Voormalig links president, Luiz Inácio “Lula” da Silva, leidt in de peilingen tegen huidig president Jair Bolsonaro. Meer dan 156 miljoen mensen zijn geregistreerd om op 2 oktober te stemmen voor de eerste verkiezingsronde. Ondanks Bolsonaro’s destructieve beleid ten aanzien van het Amazonewoud, hebben zowel hij als Lula beloofd om de ontbossing een halt toe te roepen. Dit in een poging om bezorgde kiezers aan te trekken.

Klimaat prioriteit

Meer dan in voorgaande jaren is de klimaatcrisis een prioriteit geworden in deze verkiezingen, vertellen analisten. Het Zuid-Amerikaanse land met 212 miljoen inwoners is ‘s werelds zesde grootste uitstoter van broeikasgassen en de thuisbasis van het grootste deel van het Amazone-regenwoud. Dat werd de afgelopen vier jaar geconfronteerd met toenemende ontbossing en extreme bosbranden.
In het geval van alle grote kandidaten zou het vermijden van klimaatactie in hun programma “politieke zelfmoord” betekenen, gezien de wereldwijde en nationale context, zegt Thales Castro. Hij is het hoofd van de opleiding politicologie aan de Katholieke Universiteit van Pernambuco (Unicap).
“Wereldleider in klimaatoplossingen”
Het programma van Bolsonaro stelt voor om groene obligaties en koolstofkredieten in te voeren om emissiereducties te financieren, evenals wordt er gesproken over de aanstelling van zesduizend brandweerlieden om extreme bosbranden te beheersen. Verder zegt het programma dat Bolsonaro zal streven naar het versnellen van “acties om de uitstoot te verminderen”. Er staat zelfs te lezen dat Brazilië een “leverancier van klimaatoplossingen kan zijn en zichzelf kan vestigen als wereldleider in een wereldwijde groene toeleveringsketen”.
Maar gezien het ontbossingspalmares van Bolsonaro en zijn steun voor grootschalige landbouwbedrijven kunnen deze voorstellen niet serieus worden genomen. Dat zegt Marcio Astrini, uitvoerend secretaris van de klimaat-ngo-coalitie Observatório do Clima.
Onder zijn ambtstermijn steeg de ontbossing in de Amazone tot het hoogste punt in twaalf jaar. Toen die gegevens openbaar gemaakt werden door het Braziliaanse Nationale Instituut voor Ruimteonderzoek, ontkende hij ze en ontsloeg het hoofd van het ruimteagentschap.

Nieuwe olie-ontginning

Lula heeft een betere staat van dienst op het gebied van natuurbehoud door zijn ambtstermijn als president tussen 2003 en 2011. Maar als hij wordt verkozen, staat hij voor de uitdaging om een deel van de Bolsonaro-wetgeving ongedaan te maken, zegt Cynthia Suassuna, onderzoeker klimaatbeleid bij Unicap.
Bijvoorbeeld is er het berucht wetsvoorstel dat indringers legitimeert die het Amazonewoud met de grond gelijk maken voor veeboerderijen of sojaplantages. Dat werd onlangs aangenomen door de Tweede Kamer, en de regering staat te popelen om het voor te leggen aan de Senaat vóór de verkiezingen.
Het programma van de voormalige president omvat het versterken van milieu-instellingen die verzwakt zijn door het presidentschap van Bolsonaro, het verstrekken van “groene” landbouwleningen en het voldoen aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs.
Op vlak van fossiele brandstoffen ondersteunt Lula – net als Bolsonaro – de toenemende productie. Zijn plan roept op tot de ontwikkeling van het zogenaamde “pre-salt”, een overvloedige reserve van hoogwaardige aardolie die in de buurt van de Braziliaanse kusten werd gevonden. “Het is noodzakelijk om de productiecapaciteit van (aardolie)derivaten in Brazilië uit te breiden, gebruikmakend van de grote rijkdom van het pre-salt, met prijzen die rekening houden met de productiekosten in Brazilië”, luidt het plan van Lula.

Subsidies voor fossiele brandstoffen

Dankzij de overvloedige waterkrachtcapaciteit heeft Brazilië relatief schone elektriciteit, waarbij fossiele brandstoffen slechts 12 procent van de opwekkingsmix vertegenwoordigen. Brazilië is echter een grote olie-exporteur en de grootste producent van Latijns-Amerika.
Die productie wordt gedeeltelijk ondersteund door middel van overheidssubsidies. In 2020 besteedde Brazilië meer dan 2 procent van zijn bbp aan het subsidiëren van fossiele brandstoffen. Sinds het presidentschap van Bolsonaro in 2018 werden de subsidies aanzienlijk uitgebreid. Fossiele brandstoffen zullen “moeilijk uit te faseren zijn”, zegt Suassuna. In een interview met Time zei Lula: “We hebben nog een tijdje olie nodig” en dat hij een “langdurig” reductieproces steunt.
Deze visie staat in schril contrast met andere linkse presidenten in de regio, zoals de onlangs gekozen Gustavo Petro in Colombia, die opriep tot een “anti-olieblok” en nieuwe belastingen op de olie-export voorstelde. Petrobras, de Braziliaanse staatsoliemaatschappij, is van plan de productie tegen 2026 met 18 procent te verhogen, tot ongeveer 3,7 miljoen vaten olie-equivalent per dag.

“Cruciale verkiezingen”

Zowel Suassuna als Astrini verwelkomen enkele signalen dat Lula een energietransitie ondersteunt. Een belangrijk project is bijvoorbeeld de transformatie van Petrobras van een oliemaatschappij naar een energiebedrijf dat investeert in meststoffen, biobrandstoffen en hernieuwbare energiebronnen.
Van een Bolsonaro-regering daarentegen zegt Astrini van Observatório do Clima: “We verwachten geen positieve voorstellen of beloften”. Op internationaal niveau worden de klimaatplannen van Brazilië door Climate Action Tracker als zeer ontoereikend beschouwd, daarbij verwijzend naar ontbossingstrends en de ontwikkeling van olie en kolen.
De compromissen van het land herleiden naar ambitieuzere klimaatdoelstellingen moet deel uitmaken van de acties van de nieuwe regering gedurende de eerste honderd dagen, zegt Astrini. Suassuna voegt eraan toe dat er behoefte was aan een geïntegreerd adaptatiebeleid dat de toegang tot huisvesting, water en gezondheid voor de armsten van Brazilië dekt.
“Dit is een cruciale verkiezing”, met name voor het Amazone-regenwoud, dat op de rand van ecologische ineenstorting staat, concludeert Astrini. De vraag om een reactie aan zowel het Lula- als het Bolsonaro-team, bleef tot op het moment van publicatie onbeantwoord.

Bron: DeWereldMorgen

Rijken verbruiken meer elektriciteit

Rijken verbruiken meer elektriciteit

De voorbije maanden explodeerden de energieprijzen. Ook in ons land. Dat heeft grote budgettaire gevolgen voor de gezinnen. Toch wordt niet iedereen gelijk getroffen. Een studie van Mathias Somers voor denktank Minerva “Elektriciteitsverbruik in Vlaanderen. Wie verbruikt hoeveel?” onderzoekt de link tussen inkomen en verbruik. Daar vallen heel wat lessen uit te trekken, zowel naar financieel ondersteunend beleid naar koopkracht als voor een duurzaam energiebeleid. Allebei zaken met een hoge prioriteit in de samenleving.

Aangezien het omwille van privacy redenen niet mogelijk is om de situatie op het niveau van individuele huisgezinnen te bestuderen onderzoekt de studie het verbruik op het niveau van wijken. Statbel onderscheidt zo’n 20 000 sectoren afhankelijk van morfologie, inkomen gezinssamenstelling etc. in België. Zo’n 9000 van die sectoren bevinden zich in Vlaanderen. Naast het fiscale inkomen is ook het aantal gezinnen en afnamepunten voor elektriciteit bekend van die wijken. Zo kan van elke buurt het gemiddeld inkomen en het gemiddeld verbruik worden bepaald. Dat wordt dan vergeleken met het Vlaamse gemiddelde.

De rijkere buurten zijn overigens eerder te vinden in het centrum van het land en in een gordel rond de Antwerpse binnenstad. Het West-Vlaamse hinterland en Limburg kennen gemiddeld lagere inkomensbuurten. Ook binnen steden zijn er soms relatief grote verschillen. Bijvoorbeeld Zurenborg of Bijloke zijn opmerkelijk rijker dan Rabotof Borgerhout-Gemeentehuis.

Als je alle buurten indeelt per deciel, krijg je in het eerste deciel de buurten met de tien procent armste inwoners. Het tiende deciel de buurten met de tien procent rijkste inwoners. Daarnaast kan je dezelfde oefening nog eens maken op het vlak van bevolkingsdichtheid en elektriciteitsverbruik. Ook kan je de oefening nog eens herhalen per vintiel (5 procent).

Rijken verbruiken meer energie

“Uit deze analyse,” zo stelt Somers, “blijkt dat er, niet verrassend, een grote kloof gaapt tussen het inkomen van de rijkste buurten en het inkomen van de armste buurten.” Vijf procent van de Vlamingen woont in een wijk waarvan het inkomen 40% hoger ligt dan het gemiddelde inkomen. Omgekeerd woont vijf procent van de Vlamingen in een wijk waarvan het inkomen nauwelijks 60 procent van het gemiddelde bedraagt. De inkomens in het hoogste deciel zijn dubbel zo hoog als die in het laagste deciel.

Die inkomenskloof vertaalt zich ook in een groot verschil in energieverbruik per persoon. In de buurten met het rijkste inkomensdeciel verbruikt men gemiddeld 20 procent elektriciteit meer dan het Vlaamse gemiddelde. De 5 procent rijkste Vlamingen verbruiken zelfs 30 procent meer dan de gemiddelde Vlaming.  Het verbruik in de armste wijken ligt daarentegen een stuk lager. In het armste inkomensvintiel verbruikten mensen een kwart minder dan het Vlaamse gemiddelde. In het armste deciel gaat het om 20 % minder. Zo gebruiken mensen uit het rijkste inkomensdeciel de helft meer dan mensen uit het laagste inkomensdeciel. Mensen uit het hoogste inkomensvintiel verbruiken zelfs 70 procent meer dan mensen uit het laagste inkomensvintiel. Kortom: hoe rijker de buurt hoe hoger het elektriciteitsverbruik.

Algemeen verbruik laatste jaren gedaald

Als je het historisch bekijkt is het elektriciteitsverbruik afgenomen van het net in Vlaanderen een stuk gedaald. Tussen 2011 en 2020 daalde dat jaarlijks met zo’n 3 procent. Een gemiddeld huishouden nam in 2020 zo’n kwart minder elektriciteit af van het net dan in 2011. Dit weerspiegelt grotendeels de toename aan installaties om zelf elektriciteit op te wekken, vooral zonnepanelen, wier totale vermogen in dezelfde tijdspanne verdubbelde. Maar hier geldt dat hoe hoger de inkomens hoe meer de afname van elektriciteit op het net daalde.

In het laagste inkomensdeciel daalde de energie afname tussen 2018 en 2020 met 4,1 procent terwijl het in het hoogste inkomensdeciel daalde met 7,6 procent. Wat kan aantonen dat het beleid vooral de hogere inkomenscategorieën heeft bereikt met haar financieringssystemen. Vaak omdat er prefinanciering nodig was of voordelen fiscaal verkregen konden worden. Twee zaken die minder vanzelfsprekend zijn voor lagere inkomens. Desondanks blijft het beeld van een  hoger verbruik bij hogere inkomenscategorieën heel duidelijk.

De gegevens van de studie lijken belangrijk om mee te nemen voor het beleid. Er zijn economische redenen, geo-politieke redenen, klimaatredenen en sociale redenen waarom sterke koersveranderingen nodig zijn in het energiebeleid. Maar terwijl we een traditie hebben in ons land van maatregelen die zeggen de middenklasse te ondersteunen, blijkt in de praktijk vaak dat het de hogere inkomens zijn die het meest profiteren en de laagste inkomens die de dupe zijn.

Wat nu met lineaire maatregelen?

Een voorbeeld hiervan zijn lineaire maatregelen als de BTW-verlaging op elektriciteit van 21% naar 6%. De 15 % daling levert een veel groter bedrag op voor een grootverbruiker dan voor een kleinverbruiker. Bovendien beloont het verbruik, terwijl er net minder verbruikt zou moeten worden en dit door middelen van de overheid (van ons allen) te herverdelen naar de rijken, waardoor de laagste inkomens twee keer verliezen.

Terwijl de laagste inkomens ondanks hun minder grote verbruik toch een relatief groter deel van hun inkomen moeten spenderen aan elektriciteit, wat hen extra gevoelig maakt aan de impact van allerlei maatregelen en de prijsschommelingen op de energiemarkt. Zij hebben gezien hun lagere verbruik waarschijnlijk ook minder marge om nog makkelijk energie te besparen (zeker als dat gepaard moet gaan met de aankoop van zuiniger, en in aankoop vaak duurdere, apparaten). De veelvuldige ‘tips’ die sinds de prijsescalatie honderden euro’s beloven te helpen besparen in allerlei media lijken dan ook minder van toepassing voor hen.

Het onderzoek van Minerva kan voor het beleid ook een inspirator zijn om zich af te vragen waar de grote verschillen in elektriciteitsverbruik vandaan komen en of er misschien quick wins mogelijk zijn door bepaalde doelgroepen zoals rijke grootverbruikers te targeten en te sensibiliseren? Komt het grootverbruik bij hoge inkomens voort uit grotere woningen die meer elektriciteit verbruiken? Is er meer elektronische apparatuur voor het automatiseren van allerlei dagdagelijkse taken of voor entertainment? Grotere televisies? Krachtiger computers? Komt het door het feit dat ze door hun hogere inkomen minder budgettair bewust zijn en daarom minder rationeel omspringen met middelen en dus niet zo zorgzaam omspringen met energie? Misschien kan gericht onderzoek bij de sociologische doelgroep van de rijken de aanzet zijn tot een sensibiliseringscampagne om de rijken te helpen bij een rationeler verbruik. Of om hen te helpen bij een maatschappelijk verantwoord budgetbeheer.

Investeren in basisapparatuur

Tegelijk moet het besef van de geringe besparingsmarge van de laagste inkomensgroepen en het feit dat ze meer van hun inkomen besteden aan energie ook leiden tot oplossingen op maat. Minerva spreekt van progressieve tarieven: gebaseerd op inkomen en verbruik. Met lage tarieven voor basisbehoeftenverbruik bij lage inkomens en dure tarieven voor luxeverbruik bij hoge inkomens.

Maar misschien, zo voegen wij daaraan toe, kan er misschien het debat geopend  geopend worden van een rollend fonds (of premies)? Waarbij de overheid investeert in duurzame basisapparatuur voor lage inkomens die deels terugverdiend worden door de winst op de energiefactuur? Of door in te zetten op het delen van elektrische apparatuur per wijk? Denk bijvoorbeeld aan een wijkwascentrum of strijkcentrum? Zo wordt bespaard op apparaten door de gezinnen, kan er geïnvesteerd worden in duurzame apparatuur, wordt er bespaard op de energiefactuur en wordt het sociaal weefsel versterkt.

Dit artikel is een overname van Climaxi vzw waar het op 16 augustus 2022 gepubliceerd is.

Opinie – Janneke Ronse en Hanne Bosselaers

Met de New Deal van Vandenbroucke zullen patiënten ook de komende jaren blijven wachten

“Wie zorg nodig heeft, zal moeten leren wachten.” De voorpagina van De Standaard (9 augustus) had het voordeel van de duidelijkheid. De FOD Volksgezondheid, het RIZIV, Zorgnet-Icuro, de spoeddiensten … allemaal bevestigen ze dat de zorg niet meer kan volgen. Iedereen die beroep moet doen op onze gezondheidszorg ervaart het in de praktijk. Dermatologen, tandartsen, psychiaters … het is wachten, wachten en nog eens wachten. Of er is een patiëntenstop, en je botst resoluut op een neen.

“Dit is de nieuwe werkelijkheid”, lijkt de teneur te zijn van de recente krantenberichten. Maar waarom zouden we de dingen moeten aanvaarden zoals ze zijn? Gezondheidsproblemen verdwijnen niet door te wachten. Integendeel, ze worden groter.

Bovendien groeit de overbelasting van het gezondheidspersoneel zienderogen. Huisartsen geven al lang aan dat ze het zo niet langer volhouden. In de ziekenhuizen is de uitval bij verpleegkundigen enorm. Er moet iets gebeuren. “I don’t accept the things I cannot change, I change the things I cannot accept.” Een quote van Angela Davis.

De basis voor een toegankelijke zorg op maat van elke mens is een sterke eerste lijn. Volgens Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke zal zijn New Deal een oplossing bieden voor het huisartsentekort. “De minister wil het beroep aantrekkelijker maken en de administratieve rompslomp aanpakken”, klinkt het.

Wanneer 1 op 3 huisartsen denkt aan stoppen en duizenden patiënten geen huisarts meer vinden, is concrete actie dringend.

Op het eerste zicht lijkt Minister Vandenbroucke de problemen van de huisartsen te vatten, zo blijkt uit de keuze van de 5 pijlers die zijn New Deal belooft aan te pakken: voldoende huisartsen, minder administratieve overlast, betere toegang voor de patiënt, een goed organisatiemodel met taakdelegatie en een evenwichtig financieringssysteem.

Wat hij heel wat minder goed vat, is de urgentie. Wanneer 1 op 3 huisartsen denkt aan stoppen en duizenden patiënten geen huisarts meer vinden, is concrete actie dringend. De New Deal blijft te vaag, geeft geen concrete timing en financiering van de voorstellen.

Concrete voorstellen van het terrein, maar een vage minister

Een paar dagen na de voorstelling van Vandenbrouckes New Deal in juni, meer in de luwte, kwam een grote groep huisartsen uit de academische wereld en de praktijk met een concreet actieplan naar buiten: ‘Together we make change happen’, een sterk vervolg op hun visietekst over de toekomst van de eerste lijn uit 2014. Ze maken heel concreet wat we nodig hebben. We lichten er enkele belangrijke punten uit:

Huisartsen zijn per week minstens een halve dag bezig met vaak nutteloze attesten schrijven, onder andere voor werknemers die lichte klachten hebben en eigenlijk perfect voor zichzelf kunnen zorgen. De huisartsen van ‘Together we make change happen’ leggen een haalbaar en gedragen voorstel op tafel: tot 3 dagen arbeidsongeschiktheid zonder doktersattest.

Vandenbroucke moet tegen de werkgevers durven ingaan om dit waar te maken. 3 keer 1 dag per jaar is onvoldoende om de administratieve overlast echt te verminderen. Daarnaast formuleren de huisartsen nog heel wat andere maatregelen die voor de huisarts en zijn patiënt een grote verademing zouden betekenen:

Op korte termijn zorgen voor uniforme, elektronische attesten voor arbeidsongeschiktheid, de FOD voor gehandicapte personen hervormen zodat de erkenning van een handicap vlot en zonder papierberg voor de huisarts verloopt, de medico-legale ‘paraplu’-attesten verminderen.

Om het beroep aantrekkelijk te houden, doen de huisartsen van ‘Together we make change happen‘ ook een goed uitgewerkt voorstel om de praktijkorganisatie en de financiering te hervormen: naar 70% vaste financiering (forfait) per patiënt met het Globaal Medisch Dossier en 30% vergoeding per prestatie.

Zo’n kader schept ruimte om administratieve krachten en verpleegkundigen in de huisartsenpraktijk aan het werk te zetten en om meer in te zetten op preventie. Om die broodnodige paradigma-shift nu in te zetten, stellen de huisartsen voor dit financieringssysteem in te voeren voor het einde van deze legislatuur. De vage intentieverklaring in Vandenbrouckes New Deal ‘om te gaan naar meer geïntegreerd gefinancierde zorg’ staat in schril contrast met zo’n concreet voorstel.

Genoeg huisartsen?

Er is werk aan de winkel om de eerste lijn multidisciplinair te maken: de opleiding ‘praktijkondersteuner’ van start laten gaan, meer verpleegkundigen integreren in de huisartsenpraktijk, een goed kader scheppen voor taakdelegatie en bijhorende budgetten … Maar, nog afgezien van het toenemende tekort aan verpleegkundigen, zal meer multidisciplinair werken alleen onvoldoende zijn om op korte termijn een toegankelijke en kwaliteitsvolle eerstelijnszorg te realiseren.

De 868 afgestudeerde huisartsen in 2028 uit de New Deal zijn ruim onvoldoende om het tekort op te vangen, nu en in de nabije toekomst.

De komende jaren wordt de uitstroom van duizenden huisartsen verwacht. Meer dan de helft van ons huisartsenkorps is ouder dan 55 jaar. Daarbij gooit een groeiend aantal huisartsen de handdoek in de ring door de onmenselijke werkdruk. We kunnen op termijn niet voldoende huisartsen opleiden zonder het globaal artsenquotum te verruimen.

De 868 afgestudeerde huisartsen in 2028 uit de New Deal zijn ruim onvoldoende om het tekort op te vangen, nu en in de nabije toekomst. Mits bijkomende ondersteuning voor de opleidingscentra om de kwaliteit van de opleiding en de stages te garanderen, moet het mogelijk zijn om genoeg studenten naar de opleiding huisartsgeneeskunde aan te trekken. Begin juli zaten er immers nog 4643 gemotiveerde jongeren op de Heizel voor het toegangsexamen geneeskunde.

Een uitdaging van formaat vraagt om eenheid

Nu is het moment om een sterke, duurzame eerste lijn voor de toekomst op te bouwen waarin de huisarts een spilfunctie kan vervullen. Om zo’n enorme uitdaging aan te kunnen, moeten we alle krachten en budgetten bundelen. De versnippering van bevoegdheden tussen federaal en de regio’s speelt ons parten op alle vlakken.

Een sprekend voorbeeld: Vandenbroucke kan de zogenaamde overbodige attesten niet aanpakken want “het gaat veelal over domeinen die buiten mijn bevoegdheid vallen”. Hij kan alleen maar wat adviezen geven aan de deelstaten.

Het regionale niveau heeft hier geen meerwaarde, het zorgt vooral voor nodeloze spanning tussen het noorden en het zuiden van het land.

Of de minister moet een ‘interfederaal planningsorgaan’ oprichten om af te stemmen met de regio’s hoe ze de verhouding huisartsen/specialisten (subquota) gaan leggen terwijl een federale planningscommissie de globale artsenquota berekent. In ons klein landje zouden we toch de noden moeten kunnen inschatten zonder al die tussenstappen?

Het regionale niveau heeft hier geen meerwaarde, het zorgt vooral voor nodeloze spanning tussen het noorden en het zuiden van het land. En dat gaat ten koste van gemotiveerde jonge mensen die arts willen worden ten dienste van alle Belgen.

De vraag “van waar moet het geld komen?” leidt tot inertie, of op zijn best tot ongelijke vooruitgang in de regio’s. De gevolgen hiervan laten zich voelen in de ganse gezondheidszorg: ziekenhuizen, rusthuizen, preventie … We hebben niet de luxe om nog veel tijd te verliezen, nabije kwaliteitszorg voor alle Belgen staat op het spel.

Janneke Ronse is Voorzitter bij Geneeskunde voor het Volk en Hanne Bosselaers is Huisarts bij Geneeskunde voor het Volk in Molenbeek.

Bron: De Wereld Morgen

Oekraïne: alarmkreet voor Europa

In de nasleep van de Russische invasie in Oekraïne heeft Europa de controle verloren over zijn politieke lot, economie en milieu. Het wordt duidelijk dat de neoconservatieven van de VS erin geslaagd zijn een oorlogszuchtige, anti-Russische stemming in Europa te creëren door middel van een ongekende informatieoorlog. De gevolgen daarvan zullen pas over enige tijd duidelijk worden. De voortekens van wat ons te wachten staat dienen zich echter al aan.

Verliezers

We weten nog niet wie deze oorlog zal winnen (en of iemand hem zal winnen, afgezien van de wapenindustrie). Maar we weten wel wie het meest zal verliezen: het Oekraïense en het Europese volk. Delen van Oekraïne liggen in puin, miljoenen mensen zijn ontheemd en de euro boet aan waarde in. Dat zijn tekenen van een nederlaag. In de voorbije zeven decennia, na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog, was Europa weer opgestaan. Onder leiding van prominente politici en gesteund door de Verenigde Staten in hun anticommunistische kruistocht was West-Europa erin geslaagd zich op te werken tot een regio van vrede en ontwikkeling (ook al ging dat helaas ten koste van koloniaal en neokoloniaal geweld en toe-eigening). Om die vrede en ontwikkeling in gevaar te brengen, volstond één spookoorlog, uitgevochten in Europa, maar niet geleid door Europa en zelfs helemaal niet in het belang van de Europeanen.

Energietransitie

Koolstofdioxide (CO2) is verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde en blijft nog vele duizenden jaren in de atmosfeer. Naar schatting 40 procent van de CO2 die de mens sinds 1850 heeft uitgestoten, blijft in de dampkring, aldus een reportage van Deutsche Welle die zich baseert op de internationale Global Carbon Budget-studie van 2020. China zorgt vandaag voor de grootste uitstoot van CO2. Maar uit de analyse van de CO2-emissiegegevens van 1750 tot 2019 die Deutsche Welle maakte op basis van Our World in Data, blijkt Europa verantwoordelijk voor 32,6 procent van de totale CO2-uitstoot, de VS voor 25,5 procent, China voor 13,7 procent, Afrika voor 2,8 procent en Zuid-Amerika voor 2,6 procent. De afgelopen decennia heeft Europa het voortouw genomen in de strijd voor hernieuwbare energie, maar de cumulatieve emissieschuld die Europa in de loop van 269 jaar heeft opgebouwd, is daardoor slechts een beperkt succes. Het was wel het minste wat ze konden doen. Uiteraard moeten we kritisch staan tegenover een energietransitie die wordt geschraagd door de ecologie van de (meestal Europese) rijken, maar het ging in ieder geval de goede kant op. De oorlog in Oekraïne en de fossiele energiecrisis die daardoor ontstond waren genoeg om alle projecten die met deze energietransitie te maken hadden te laten verdampen. Steenkool is teruggekeerd uit ballingschap, en olie en kernenergie worden gerehabiliteerd. Waarom is het bestendigen van de oorlog belangrijker dan het bevorderen van de energietransitie? Welke democratische meerderheid heeft besloten in die richting te gaan?

Politiek spectrum

De naderende economische en sociale crisis zal zijn weerslag hebben op het politieke spectrum in de Europese landen. Enerzijds is het vermeldenswaard dat de meest autoritaire regeringen (zoals die van Hongarije en Turkije) en de extreem-rechtse partijen het minst oorlogszuchtig waren. Zij werden overrompeld door het anti-Russische triomfalisme dat de Europese politiek de afgelopen maanden domineerde. Op enkele uitzonderingen na hebben de linkse partijen hun eigen (linkse) standpunt over de oorlog laten varen. Partijen die zich in het verleden hadden onderscheiden door zich tegen de NAVO uit te spreken, zwijgen vandaag over de zinloze en gevaarlijke uitbreiding van het bondgenootschap naar zowat alle continenten. Wat zullen de burgers denken van de politieke keuzes die in naam van hun bescherming worden gemaakt als de oorlog wordt voortgezet en de uitbreiding van de militaire budgetten leidt tot verarming van de gezinnen? Zullen zij niet geneigd zijn te kiezen voor de partijen die het minste enthousiasme aan de dag hebben gelegd voor het oorlogszuchtige jingoïsme dat hun verarming heeft veroorzaakt?

Veiligheid van de burger

In juni 2022 heeft Interpol zijn bezorgdheid geuit over het feit dat een groot aantal van de aan Oekraïne geleverde wapens op de illegale wapenmarkt terecht kan komen en in handen kan vallen van criminelen. Deze situatie is des te ernstiger omdat een deel van het aan Oekraïne geleverde materieel zware artillerie omvat. De ervaring met wat er in het verleden in andere oorlogsgebieden is gebeurd, rechtvaardigt deze bezorgdheid. Zo kwam een groot deel van het door de VS aan Afghanistan geleverde oorlogsmaterieel in handen van de Taliban tegen wie het Amerikaanse leger streed. De Amerikaanse tragedie van de opeenvolgende moordpartijen door gewapende burgers is welbekend. Wat zal er in Europa gebeuren als de gemakkelijke toegankelijkheid van deze wapens ze in verkeerde handen laat terechtkomen?

Normalisatie van het nazisme

Kort voor de oorlog in Oekraïne hebben verschillende veiligheidsdiensten en denktanks al gewaarschuwd voor de sterke aanwezigheid van neonazigroepen in Oekraïne. De militaire training en uitrusting van deze milities en de manier waarop ze in de reguliere strijdkrachten werden opgenomen is zonder voorgaande. Het is begrijpelijk dat het uitbreken van de oorlog deze bezorgdheid heeft weggenomen. Waar het nu om gaat is echter of het nazisme kan worden omgevormd tot ‘zomaar’ een nationalistische ideologie. De vraag is ook of de terugkerende aanvallen op progressieve politici in Oekraïne niet langzamerhand zullen worden verkocht als patriottische daden. Het valt nog te bezien welke gevolgen dit voor Europa zal hebben tegen de achtergrond van een toenemende invloed van extreem-rechts.

Fantoom-anticommunisme

De anti-Russische haat die in Europa werd aangewakkerd door de invasie van Oekraïne bevat verdoken anti-communistische haat, ook al weet iedereen dat de Communistische Partij in Rusland een minderheid vormt en dat president Vladimir Poetin een rechtse politicus is die uitstekende banden heeft met Europees extreemrechts. Voor ultrarechtse groepen heeft het communisme op zich niets meer te betekenen. Het dient enkel nog als wapen om politieke tegenstanders te demoniseren, om te rechtvaardigen dat die tegenstanders op sociale media worden geschoffeerd en om meer haat te zaaien. Het valt te vrezen dat deze kater ook na de oorlog in Oekraïne in het politieke leven zal blijven hangen.

Misdaad en onrecht op de Balkan

De oorlog in Oekraïne heeft tot gevolg dat beter geïnformeerde Europeanen inzicht hebben gekregen in de willekeur waarmee Joegoslavië werd vernietigd; in de baldadigheid van NAVO-bombardementen op burgerdoelen in 1999 en in de oorlogsmisdaden die door alle partijen in het voormalige Joegoslavië werden begaan. Historische en religieuze vooroordelen tegen de Balkan komen tot uiting in de manier waarop sommige landen in de regio al vele jaren wachten op toetreding tot de EU. (Kanselier Klemens von Metternich van het Oostenrijkse Keizerrijk – in functie 1821-1848 – placht te zeggen dat Azië begon in de Landstrasse, de straat in Wenen waar immigranten uit de Balkan woonden).

Het is nog te vroeg voor een algemene beoordeling van wat we nu meemaken, maar de tekenen zijn verontrustend en beloven niet veel goeds.

Boaventura de Sousa Santos is emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Coimbra in Portugal.

Deze tekst verscheen op Brave New Europe. Vertaald door Jan Reyniers

Bron: DeWereldMorgen