De septemberverklaring

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is de verklaring van de Vlaamse Regering over het regeerakkoord.

Minister-president Diependaele heeft het woord.

Beste voorzitter, beste collega’s, beste Vlamingen, het is een hele eer om hier vandaag te staan als minister-president van Vlaanderen. Wij krijgen met deze ploeg de kans om de Vlaamse natie verder vorm te geven en naar nieuwe hoogtes te tillen.

Ik zag de voorbij maanden rond de onderhandelingstafel politici met een duidelijk toekomstbeeld voor Vlaanderen voor ogen, mensen die het beste voor hebben met onze gemeenschap en het potentieel van iedereen in Vlaanderen verder willen ontplooien.

Een samenleving is nooit af. We zijn permanent in ontwikkeling. Het is aan ons en iedere Vlaming om de keuzes te maken die de toekomst verbeteren.

Ik wil elke onderhandelaar oprecht bedanken. We hebben een sterk regeerakkoord gesloten vol ambitie dat antwoorden biedt op de uitdagingen van vandaag.

Want die uitdagingen zijn niet min. De geopolitieke spanningen zetten een grote druk op de Europese economie en industrie. Als open handelseconomie voelen wij hiervan als eerste de gevolgen. De wereld verandert aan een razendsnel tempo door technologische innovaties. Onze samenleving wordt diverser. Onze bevolking verzilvert.

Met deze Vlaamse Regering willen we antwoorden bieden op de uitdagingen waar we voor staan als samenleving en de Vlaming duidelijk maken dat we een partner zijn in het samen aanpakken van problemen. Het Vlaams regeerakkoord reikt alvast enkele richtingen aan.

Dit akkoord is niet louter een document of een overeenkomst tussen partijen. Het is een visie voor Vlaanderen, een pact mét de Vlamingen, álle Vlamingen. We willen dat iedereen deel uitmaakt van en meebouwt aan onze samenleving.

‘Samen werken aan een warm en welvarend Vlaanderen’ is niet zomaar een slogan, het is een belofte aan iedere Vlaming.

Een welvarend Vlaanderen is het fundament van alles wat we willen realiseren. Alles staat of valt met onze welvaart. Geen welzijn zonder welvaart. En er is welvaart in Vlaanderen, maar we mogen niet op onze lauweren rusten. We stropen samen onze mouwen op en gaan aan de slag.

Beste collega’s, werk is dé voorwaarde voor welvaart. Zoveel mogelijk Vlamingen aan het werk krijgen en houden is dan ook onze prioriteit. Nooit eerder waren er meer Vlamingen aan het werk. In 2023 steeg onze werkzaamheidsgraad naar bijna 77 procent.

Maar er doemen onweerswolken op aan de horizon. Onze export daalde licht tijdens de eerste zes maanden van dit jaar. Dat is niet verwonderlijk, gezien de economische vertraging of zelfs krimp in bepaalde afzetmarkten. Een subsidieopbod binnen Europa en explosieve conflicten dichtbij of ver weg verhogen de druk op ons systeem.

Maar we willen nog meer Vlamingen aan het werk. We weten dat er een beperkte groep is die moeilijk te bereiken is, of waarvoor een job een persoonlijke aanpak vraagt. Daarom focussen we op werkbaar werk en geven we zoveel mogelijk handvatten om Vlamingen uit de werkloosheid te trekken. We creëren ook duizend extra plaatsen in de sociale economie.

We hervormen VDAB, zodat de organisatie zich op haar kerntaken kan focussen: een efficiënt activeringsbeleid. We voeren een aanklampend beleid om ook langdurig zieken en niet-beroepsactieven een juiste plaats te laten vinden op de arbeidsmarkt. Als wij de handvatten aanbieden, dan moeten ze ook gegrepen worden. Samen streven we naar 80 procent werkgelegenheid.

En natuurlijk, geen welvaart zonder ondernemers. Laat een ondernemer vooral ondernemen. Dat klinkt als een open deur intrappen, maar dat is de voorbije jaren niet altijd een evidentie geweest. Door een overvloed aan regels zakt de Vlaamse ondernemers de moed vandaag vaak in de schoenen. Wij willen als overheid een partner zijn voor onze Vlaamse ondernemers.

We zijn al eeuwenlang een natie van handelaars, denkers, ondernemers en vernieuwers, en dat moeten we zo houden. Elke dag maken tweehonderd Vlamingen hun droom waar en starten ze een eigen zaak. Onze kmo’s zijn de ruggengraat van onze Vlaamse economie. Door hard werk, permanente bijscholing en de ontwikkeling van nieuwe technologieën tonen onze ondernemers de Vlaamse weg naar de kopploeg van Europa.Lees de volledige tekst via: deze link

Vlaamse regering van start

Vlaamse regering van start

Na goed drie maanden onderhandelen is de nieuwe Vlaamse regering onder leiding van Matthias Diependaele (N-VA) helemaal rond. Wie zijn de ministers en wat is hun achtergrond?

  • Bevoegdheden: Minister-president, Economie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering, Facilitair Management
  • Woonplaats: Zottegem, Oost-Vlaanderen
  • Leeftijd: 45
  • Stemmen verkiezingen: 47.001

Het stond in de sterren geschreven dat Matthias Diependaele na zijn rol als Vlaams formateur ook de nieuwe Vlaamse regering zelf zou leiden. Hij neemt de plaats in van Jan Jambon, in wiens regering Diependaele minister van Begroting en Wonen was. Diependaele is na Geert Bourgeois, Liesbeth Homans en Jan Jambon de vierde minister-president die de N-VA mag leveren.

  • Bevoegdheden: Viceminister-president, Begroting en Financiën, Vlaamse Rand, Onroerend Erfgoed, Dierenwelzijn
  • Woonplaats: Beersel, Vlaams-Brabant
  • Leeftijd: 53
  • Stemmen verkiezingen: 33.498

Ben Weyts begint aan zijn derde termijn als Vlaams minister. Maar hij krijgt wel minder zware bevoegdheden. In de vorige Vlaamse regering speelde hij de eerste viool voor N-VA als onderwijsminister én vice, daarvoor was hij minister van Mobiliteit. Nu moet hij genoegen nemen met Begroting en Financiën, de vroegere portefeuille van Diependaele. Weyts is wel nog steeds vice.

  • Bevoegdheden: Onderwijs, Justitie en Werk
  • Woonplaats: Genk, Limburg
  • Leeftijd: 44
  • Stemmen verkiezingen: 65.793

Het stemmenkanon van de N-VA bij de verkiezingen is duidelijk gestegen in de pikorde. Ben Weyts is dan wel nog vice, Demir krijgt de zwaarste en meest begeerde portefeuille. Zij wordt de nieuwe onderwijsminister, een domein waar de partij haar stempel kon drukken tijdens de onderhandelingen. De verwachting is dat Demir het departement met dezelfde sturm und drang bestiert als ze dat deed bij Omgeving. Ze krijgt er ook nog eens Werk bovenop.

  • Bevoegdheden: Mobiliteit en Openbare Werken, Sport
  • Woonplaats: Antwerpen, Antwerpen
  • Leeftijd: 45
  • Stemmen verkiezingen: 40.936

De Antwerpse belangen vertegenwoordigen aan tafel. Daarvoor is Annick De Ridder naar de onderhandelingstafel gestuurd, daarom neemt ze ook plaats in de Vlaamse regering. Het is haar eerste termijn als minister, tot nu was ze havenschepen in Antwerpen. In een legislatuur waar Oosterweel ongeveer afgewerkt moet worden, was het belangrijk voor N-VA om een Antwerpse minister te leveren. De auto zal voldoende aandacht krijgen. De Ridder is wel geen grote fan van openbaar vervoer.

  • Bevoegdheden: Brussel, Media
  • Woonplaats: Brussel
  • Leeftijd: 45
  • Stemmen verkiezingen: 2.579 (Brusselse verkiezingen)

De minst begeerde portefeuille, Brussel, gaat naar Cieltje Van Achter. Ze heeft nog minder bevoegdheden dan haar voorganger, Benjamin Dalle (CD&V), want hij was ook minister van Jeugd. De N-VA kan dankzij haar wel uitpakken met vijf ministers, en dus een meerderheid in de regering. Al liet Van Achter als Brussels N-VA-kopstuk geen goede score optekenen bij de verkiezingen.

  • Bevoegdheden: Welzijn, Cultuur, Armoede en Gelijke Kansen
  • Woonplaats: Mechelen, Antwerpen
  • Leeftijd: 49
  • Stemmen verkiezingen: 41.107

Haar comeback als Vooruit-kopstuk verraste vriend en vijand. In de federale regering depanneerde Gennez als minister van Ontwikkelingssamenwerking. Ze voerde campagne om minister van Onderwijs te worden, maar die post haalde haar partij niet binnen. Al zal ze niet malen om wat ze wel kreeg. Ze krijgt de kans om het hoogste budget voor Welzijn ooit te besteden. Het is voor het eerst dat de socialisten die post bekleden.

  • Bevoegdheden: Viceminister-president, Wonen, Energie en Klimaat, Toerisme en Jeugd
  • Woonplaats: Harelbeke, West-Vlaanderen
  • Leeftijd: 32
  • Stemmen verkiezingen: 63.917 (federale verkiezingen)

Melissa Depraetere werd tegen wil en dank gebombardeerd tot partijvoorzitter toen Conner Rousseau moest opstappen. Voor die loyaliteit en haar goede kiesresultaat wordt ze beloond. Ze wordt minister van Wonen en Energie, maar ook en vooral viceminister-president. Depraetere was nog nooit minister maar wordt dus meteen de Vlaamse kopvrouw voor de socialisten.

  • Bevoegdheden: Viceminister-president, Binnenlands Bestuur, Integratie en Inburgering
  • Woonplaats: Torhout, West-Vlaanderen
  • Leeftijd: 57
  • Stemmen verkiezingen: 77.533

Hoewel CD&V in West-Vlaanderen een stevige nederlaag leed, mag kopstuk Hilde Crevits zich opmaken voor een nieuwe termijn als minister. Ze is al regeringslid sinds 2007, en bekleedde al de posten Openbare Werken, Leefmilieu, Mobiliteit, Onderwijs, Werk, Landbouw, Economie en Welzijn. Maar de partij heeft voor het stemmenkanon een portefeuille weten te bekomen waar ze nog geen kaas van gegeten heeft. Op Binnenlands Bestuur moet ze het plattelandsbeleid vormgeven. Ze krijgt er ook samenleven én de post van vice bij.

  • Bevoegdheden: Omgeving en Landbouw
  • Woonplaats: Kinrooi, Limburg
  • Leeftijd: 49
  • Stemmen verkiezingen: 46.714

In het midden van de vorige legislatuur werd Jo Brouns van stal gehaald om minister van Landbouw te worden. Ook van Werk en Economie, maar toch vooral van Landbouw. Hij botste er geregeld op omgevingsminister Zuhal Demir. Dus heeft de partij er alles aan gedaan om Omgeving en Landbouw terug in één hand te krijgen. In de hand van Brouns, die zich ontpopte tot Limburgse CD&V-primus. 

Bron: GVA

Wat kan de lokale politiek aan armoede doen? 

Wat kan de lokale politiek aan armoede doen? 

‘Regels strenger maken is niet altijd de oplossing’

De lokale verkiezingen van 13 oktober zijn belangrijk, zeker ook voor mensen die leven in armoede. Sociaal.Net ging op pad en hoorde vier ervaringsdeskundigen. Houdt de politiek hen bezig? Gaan ze stemmen? En wat kan hun nieuwe lokale bestuur doen aan armoede? “Als we niet gaan stemmen, wie luistert er dan naar ons?”

Politici luisteren niet altijd

“Wat me stoort is dat er allerlei beslissingen worden genomen over mensen in armoede door mensen die zelf nooit in armoede hebben geleefd. Hoe kun je dan weten wat de juiste oplossingen zijn?” Aan het woord is Lisa Van de Velde (26), brugfiguur bij het Antwerpse netwerk van armoedeverenigingen STA-AN.

In aanloop naar de lokale verkiezingen sprak Sociaal.Net met vier mensen met ervaring in armoede. Hoe kijken zij naar de politiek? En wat moet er volgens hen veranderen in hun gemeente? Motor voor de gesprekken was de campagne ‘Als ik burgemeester ben…’ Met die campagne wil het Netwerk tegen Armoede mensen in armoede aanmoedigen om te gaan stemmen en zich uit te spreken over wat er moet veranderen.

Wat Lisa vertelt, komt in de verschillende gesprekken regelmatig terug. “Politici weten niet welke impact hun beslissingen hebben op mensen in armoede”, vertelt Christophe Teirlinck (50). Hij is ervaringsdeskundige en beleidsmedewerker bij het Netwerk tegen Armoede in Brussel. “Het is mijn job om de leefwereld van mensen in armoede binnen te brengen bij beleidsmakers.”

AbdulDe naam Abdul is een pseudoniem. is vrijwilliger bij een vluchtelingenorganisatie in Oost-Vlaanderen. Hij vertelt gedreven: “Een goede politicus luistert naar mensen. Die zit daar om mensen vooruit te helpen. Er zijn ook politici die het voor zichzelf doen en in de job interessante kansen zien. Maar als je daar niet voor de mensen zit, dan zit je niet op de juiste plek.”

Waar het om gaat

Als politici wel zouden luisteren, waar moet hun aandacht dan liggen? Een thema dat vaak ter sprake komt is wonen. “Wonen is een basisbehoefte”, zegt Christophe. “Als je geen adres hebt, kun je geen bankrekening openen. Als je geen bankrekening hebt, kan je geen job zoeken, want je loon moet ergens gestort worden.”

Ook Lisa zet wonen op nummer een. “Alles is zo duur. Duizend euro per maand voor een appartement, wie kan dat betalen? Als ik het appartement dat ik nu huur kwijtraak, dan kom ik terug op straat terecht. Een andere woning kan ik niet betalen.”

Die opmerking maakt Lisa niet zomaar, ze weet maar al te goed hoe snel je dakloos kan worden. “Zelf werd ik dakloos als tiener. Op school had ik het signaal gegeven dat het thuis niet goed ging. Ze hebben met mijn moeder gebeld en die zei dat het wel meeviel. Voor de school was het opgelost. Hadden ze maar geluisterd: een paar maanden later was het zover en stond ik op straat.”

Lisa vertelt verder: “Ik ben niet opgegroeid in armoede, ik ben erin beland. En daardoor wist ik niks van de hulpverlening of waar ik moest aankloppen. Dus in het begin sliep ik veel bij mensen in de zetel. Uiteindelijk kwam ik bij het OCMW terecht, ik weet ook niet meer hoe, en hebben ze me in een crisisopvang gestoken.”

Ondertussen werkt Lisa als brugfiguur en helpt ze jongeren op weg naar hulporganisaties. En die organisaties informeert en adviseert ze zodat ze jongeren beter kunnen ondersteunen. “Nu ken ik de hulpverlening goed en heb ik een groot netwerk. Dat maakt het veel makkelijker om de jongeren de juiste richting uit te sturen.”

Werk als hefboom?

Christophe noemt werk een ander belangrijk thema. “Werk kan een hefboom zijn om uit armoede te geraken. Maar het is niet genoeg om iemand aan werk te helpen, we moeten er ook voor zorgen dat mensen kunnen blijven werken. Bijvoorbeeld door te zorgen voor goed openbaar vervoer en kinderopvang die voor iedereen toegankelijk is.”

Ook de begeleiding van werklozen moet beter, weet hij uit eigen ervaring: “Op het moment dat ik mijn opleiding tot ervaringsdeskundige wilde starten, kreeg ik nog een invaliditeitsuitkering. Om aan mijn opleiding te beginnen, moest ik vanuit die invaliditeit de werkloosheid in en ging ik er 300 euro in de maand op achteruit.”

Niet vanzelfsprekend, want Christophe had schulden. “Gelukkig werd ik goed begeleid in mijn gemeente. Alle hulpverleners, van mijn sociaal werker tot mijn huisarts, werkten samen een plan uit zodat ik aan die opleiding kon beginnen. Het zou mooi zijn als meer gemeenten zo’n samenwerking stimuleren.”

Sport en cultuur

Rafael Janssen (42) is coach bij armoedevereniging Compagnie & Co in Lommel. Hij herkent de gebrekkige opvang van dakloze mensen. “We krijgen hier zoveel mensen aan de deur die onderdak zoeken. Helaas kunnen we hen zelf niet helpen aan onderdak. We verwijzen wel altijd door naar bevoegde organisaties. Soms geven we mensen zelfs een ticket voor de bus naar Hasselt. Daar kunnen ze zich bij de noodopvang aanmelden.”

Maar armoede gaat over veel meer dan wonen en werk, geeft Rafael aan. “We moeten ervoor zorgen dat mensen goed in hun vel zitten. Daarin zijn sport en cultuur belangrijk. Zulke activiteiten geven je afleiding, maar zijn ook een goede manier om vrienden te maken en een netwerk uit te bouwen. Helaas kan niet iedereen ze betalen.”

Naast de betaalbaarheid van lidmaatschappen, gaat het volgens Rafael ook om toegankelijkheid: “Ik groeide op in armoede en weet hoe het voelt als je bij een sportclub uitgesloten wordt. Als armoedecoach vertel ik verenigingen hoe ze hun activiteiten toegankelijker kunnen maken. Dat gaat om aanpassingen in communicatie, zorgen dat het minder opvalt dat mensen aan een ander tarief deelnemen…”

“Maar alles begint bij het bijstellen van het beeld dat heerst over armoede. Mensen belanden niet in armoede door hun gedrag, maar stellen bepaald gedrag door de omstandigheden waarin ze leven. Laten we in plaats van met de vinger te wijzen, die omstandigheden eens aanpakken”, aldus nog Rafael.

Vluchtverhaal

Bij Abdul ligt de focus anders. Hij woont al elf jaar in België, maar kreeg nog geen verblijfspapieren. Dat hij daardoor in een precaire situatie leeft, vindt hij moeilijk: “Ik respecteer alle wetten van België, maar voor mij zijn mensen meer dan wetten. Je moet kunnen overleven.”

Zijn vluchtverhaal legt de directe link met zijn politieke interesse. Abduls vader was namelijk politicus in zijn thuisland. “Hij kwam op voor de rechten van de zwakkere mensen”, vertelt Abdul. Zijn vader werd vervolgd en een aantal keer opgesloten. En dus besloot Abdul te vluchten vooraleer hem hetzelfde zou overkomen.

Het zijn heftige herinneringen, maar zijn vader inspireert ook: “Ik wil opkomen voor andere mensen, voor zwakke mensen. Misschien ben ik ook wel zwak, in mijn portemonnee. Maar ik ben niet zwak in mijn hoofd. Ik ben heel rijk door alles wat ik weet.”

Abdul kwam een paar jaar na zijn aankomst in België terecht bij de vluchtelingenorganisatie waar hij nu vrijwilliger is. “Ik was ziek maar zonder adres kon ik niet bij een dokter terecht.” Via via kreeg hij de tip om bij de organisatie aan te kloppen voor hulp. Die schoten direct in actie. Abdul bleef achteraf plakken en helpt nu zelf andere mensen. “Ik ken ondertussen alle regels over vluchtelingen. In mijn thuisland studeerde ik IT, dus ik help de mensen hier ook met hun computer.”

Lokale overheid

Genoeg thema’s met impact op mensen in armoede. Maar hoe kan een lokale overheid hiermee aan de slag?

Rafael vertelt dat ze met Compagnie & Co in overleg zijn over de invoering van de UiTPAS. De UiTPAS kan iedereen gebruiken voor cultuur- en sportactiviteiten. Als gemeente kan je aan de pas een kansentarief laten toevoegen. “Zo gebruikt iedereen dezelfde pas en valt het niet op wie aan een lager tarief deelneemt.”

“We staan al best ver in die onderhandelingen, dus hopelijk is het binnenkort zover”, gaat Rafael enthousiast verder. “Alleen hebben ze ons voorlopig nog niet betrokken in de uitwerking ervan en dat is jammer. Daarom vind ik die uitspraak van Mahatma Ghandi zo sterk: ‘Alles wat je voor mij doet, maar zonder mij, doe je tegen mij’. Je kan wel gesprekken voeren met mensen in armoede, maar het is veel krachtiger als ervaringsdeskundigen effectief mee kunnen schrijven aan het beleid.”

Regels, tools en nieuwe initiatieven

Ook voor de andere thema’s bestaan oplossingen. “Iets specifiek waar gemeentes op kunnen inzetten is de REMI-tool”, vertelt Christophe. “Dat is een tool voor OCMW’s om de behoeftigheid van cliënten op een uniforme manier te beoordelen. De tool houdt overal rekening mee: wonen, voeding, vrije tijd, vervoer… Al 424 van de 580 OCMW’s gebruiken dat.”

“Vanuit het Netwerk tegen Armoede geven we regelmatig input voor die tool. Zo hebben we er tijdens corona voor gezorgd dat er in het budget ruimte kwam voor de aankoop van een laptop zodat kinderen thuis les konden volgen.”

Volgens Lisa moeten er vooral sociale woningen bijkomen. Maar er is ook nood aan meer opvang voor dak- en thuislozen. “In Antwerpen hebben we nu Parkours, een noodopvang voor jongeren van CAW Antwerpen. Jongeren kunnen er tot rust komen, maar worden ook begeleid in hun zoektocht naar een woning en werk. Dat is een positieve ontwikkeling.”

Voor Abdul gaan de verkiezingen over mensenrechten. “Ik denk dat politici vooral moeten zorgen dat iedereen kan ademen, dat alle mensen aan hun rechten toekomen. Regels strenger maken is niet altijd de oplossing.” Hij verwijst naar het negatieve beeld dat heerst over nieuwkomers: “Niet alle mensen zijn slecht. Stel dat tien op de honderd mensen slechte bedoelingen hebben, dan zijn negentig van die honderd nog altijd goede mensen. En die hebben ook rechten.”

Politieke interesse

Pijnpunten benoemen en oplossingen aanwijzen, het gaat mijn gesprekspartners goed af. Waren ze altijd al zo geïnteresseerd in politiek? “Vroeger was het wel een ver-van-mijn-bed-show”, zegt Christophe. “Als je het moeilijk hebt om rond te komen, ben je daar niet mee bezig.”

“Nu ik als beleidsmedewerker werk, ga ik er veel bewuster mee om. Ik lees de partijprogramma’s beter, maar ik weet nu ook dat het belangrijk is om je stem te laten horen. Op die manier kun je verandering creëren.”

“Voor mijn job bij STA-AN was ik niet zoveel met politiek bezig”, vertelt Lisa. “Het wordt ook niet zo goed uitgelegd. Het gaat vaak over politieke partijen en hoeveel zetels iedereen heeft, maar de echte thema’s komen niet aan bod.”

Dat is iets wat Rafael herkent: “Ik heb vroeger veel weerstand gevoeld tegen verkiezingen. Ik zag er het nut niet van in. Politici leggen de mening van het volk naast zich neer. Zo kan het gebeuren dat de grootste partij niet kan besturen omdat andere partijen samen een coalitie vormen en zo de stem van het volk niet gevolgd wordt. Dat noem ik niet democratisch.”

“Ik weet wel ongeveer waar de meeste politieke partijen voor staan, maar het is niet dat ik de politiek zoveel opvolg”, gaat hij verder. “Op mijn werk ben ik er meer mee bezig. De drempels waar mensen op botsen, breng ik bijvoorbeeld tot bij de burgemeester.”

Gaan stemmen

Rafael, Lisa en Christophe gaan zeker stemmen op 13 oktober. Waarom? “Omdat de stem van jonge mensen in armoede gehoord moet worden”, zegt Lisa. “Als we niet gaan stemmen, wie luistert er dan naar ons? Ik voel dat de buitenwereld niet begrijpt hoe groot de armoedeproblematiek is. Het is belangrijk dat het hoger op de politieke agenda komt. Ik hoop zoveel mogelijk mensen te kunnen overhalen om zeker te gaan stemmen.”

“Ik ga stemmen om het goede voorbeeld te geven”, vertelt Rafael. “Maakt de politiek altijd alle beloften waar? Nee. Maar door niet te stemmen, zal er zeker niks veranderen. De enige manier om verandering te bekomen is door je uit te spreken.”

“Ik heb altijd al gestemd”, zegt Christophe. “Je stem is belangrijk. Als je echt twijfelt op wie je moet stemmen, denk dan na over wat je belangrijk vindt en bekijk de programma’s van de partijen in jouw gemeente.”

Eindigen doen we bij Abdul. Als hij zou mogen, zou hij zeker gaan stemmen. “Verkiezingen zijn heel belangrijk. Ik wacht tot de dag dat ik mag gaan stemmen. Ik hoop dat die ooit komt. Hoop is heel belangrijk, daar moet je aan vasthouden.”

Bron: sociaal.net

Aanslepende wooncrisis maakt slachtoffers: ‘Lokale overheid kan ingrijpen’

Wonen is duur. Gevolg: meer mensen wonen in huizen, appartementen en studio’s van ondermaatse kwaliteit. De aanslepende wooncrisis maakt dan ook letterlijk slachtoffers. In aanloop naar 13 oktober doet Joy Verstichele (Vlaams Huurdersplatform) een heldere oproep aan politici: “Als lokaal bestuur kan je ingrijpen.”

Minimale woonkwaliteit

Voor wie goed woont is het niet evident om zich voor te stellen hoe het er in slechte woningen aan toe gaat. Op zich niet eigenaardig, want het meeste woonleed zit verscholen achter gevels en voordeuren.

Het gebrek aan inlevingsvermogen zorgt er wel voor dat de garantie op een degelijke woning geen prioriteit lijkt te zijn. Sinds de fundamenten van het woonkwaliteitsbeleid 27 jaar geleden werden vormgegeven, zijn we vergeten om het verder af te werken. Met grote gevolgen, want een slechte woning heeft directe effecten op de gezondheid van de bewoners, heeft een nefaste impact op tal van levensdomeinen en zorgt voor een gebrek aan woonzekerheid.

In Vlaanderen hebben we een ondergrens afgesproken die bepaalt aan welke kwaliteitsnormen een woning moet voldoen. Die grens ligt vast in regelgeving en is behoorlijk gedetailleerd. Zo zijn  er regels over onder meer stabiliteit, veilige elektriciteit, vochtproblemen, CO-gevaar en minimale oppervlaktenormen. Een woning die er niet aan voldoet, mag niet verhuurd worden.

Normen moeten mee met hun tijd

Hoewel de normen stabiel moeten zijn zodat eigenaars weten wat van hen verwacht wordt, moeten ze ook mee evolueren met hun tijd. Zo was van energienormen drie decennia geleden nog geen sprake. En enkele generaties geleden keek niemand op van een toilet zonder spoelbak.

Het is dus een voortdurende zoektocht om de lat hoog genoeg te leggen zodat er menswaardig geleefd kan worden, maar deze tegelijk niet zodanig hoog te leggen waardoor amper nog woningen voldoen.

Sommige organisaties die werken met mensen in kwetsbare woonposities vinden de minimale normen te hoog. Een woning met gebreken is een stuk beter is dan geen woning, zo luidt de redenering dan.

Alleen komen we zo in een race to the bottom terecht waar de ondergrens in deze tijden van structurele schaarste steeds lager komt te liggen. Vinden we het echt aanvaardbaar dat mensen zich tevreden moeten stellen met ongeschikte, onbewoonbare of ongezonde woningen?

Onverwachte coalitie

Die organisaties vormen zo een onverwachte coalitie met belangengroepen van verhuurders en makelaars. Ook zij willen liefst geen al te hoge kwaliteitsnormen. Zij schermen met het idee dat de laatste jaren de kwaliteitsnormen al stevig verstrengd werden. Nog meer regels zou leiden tot hoge kosten bij verhuurders waardoor sommigen zullen beslissen om de woning te verkopen en niet meer te verhuren.

Dat blijkt grotendeels perceptie, want die strengere eisen blijken in de praktijk toch erg beperkt te zijn. Naast een aantal eerder technische wijzigingen, werd de laatste vijftien jaar enkel een verplichting van 3 centimeter dakisolatie en dubbelglas toegevoegd als bijkomende norm. Wie een voldoende goed energieprestatiecertificaat (EPC) kan voorleggen, moet aan dat laatste zelfs niet voldoen.

Wat tot de minimale woningkwaliteitsnormen behoort en wat niet is dus voer voor voortdurende discussie en dat moet vooral zo blijven. Globaal durf ik stellen dat de normen in balans zijn.

Slachtoffers in Hoboken

Maar het is natuurlijk niet omdat er normen en regels zijn, dat die ook gehandhaafd worden. Zo wordt van bewoners verwacht dat ze zelf een kwaliteitsonderzoek aanvragen als ze denken in een woning of appartement van onaanvaardbare kwaliteit te wonen.

Maar huurders aarzelen vaak. Door een controle aan te vragen organiseren ze hun eigen woononzekerheid. Ze vrezen te moeten verhuizen als blijkt dat de woning niet in orde is. Bij gebrek aan uitzicht op een haalbaar alternatief blijven mensen in slechte woningen wonen en wordt de problematische kwaliteit niet aan de kaak gesteld.

Het is helemaal niet uitzonderlijk dat dit leidt tot medische klachten, af en toe zelfs tot een dodelijke afloop. Denk aan de ontploffing in Hoboken waar enkele maanden geleden vier mensen het leven lieten, waaronder een meisje van tien jaar oud.

Hoewel we nog geen uitspraak kunnen doen over de precieze oorzaak, bleek uit getuigenissen van familieleden van de slachtoffers dat er naast de aanwezigheid van een grote vochtproblematiek ook een totaal gebrek aan eigenaarsonderhoud van het gebouw was. Bewoners wilden er wel weg, maar konden niet.

Conformiteitsonderzoek

Gelukkig kiezen steeds meer lokale besturen voor een meer proactieve aanpak. Ze verplichten een conformiteitsonderzoek bij verhuur, een vorm van kwaliteitscontrole. Daardoor hangt het verzekeren van de kwaliteit niet meer af van een klacht van de huurder.

Wanneer lokale besturen deze verplichting opleggen voor het pand verhuurd is, heeft dit het voordeel dat er nog geen bewoners zijn. De huurder dreigt zijn woning niet te verliezen. En omdat het pand nog leeg staat, is het voor de eigenaar makkelijker om de nodige herstellingen uit te voeren. Met het conformiteitsattest hebben de verhuurders een, weliswaar weerlegbaar, attest in handen over het vermoeden dat de woning in orde is.

Vlaanderen moedigt de lokale besturen aan om zo’n aanpak te hanteren, maar verplicht het niet. Zo blijft het in bijvoorbeeld Antwerpen mogelijk om onder de radar slechte woningen en appartementen te verhuren.

Wooninspectie

Wanneer het gaat over de meest ernstige krotverhuur, dan kan de wooninspectie tussenkomen. Deze inspecteurs hebben politionele bevoegdheden en kunnen processen-verbaal opstellen en het parket contacteren.

De wooninspectie werkt met een prioriteitenlijst en treedt vooral op wanneer er sprake is van ongeschikte of onbewoonbare panden die toch verhuurd blijven, constructies die bewoond worden maar daar niet voor bestemd zijn, woongelegenheden zonder vergunning of verhuurders die herhaaldelijk en structureel misbruik maken van de kwetsbare positie van bewoners.

In die laatste categorie valt de beruchte familie Appeltans. De familie kon decennialang ongestoord een imperium opbouwen van slechte appartementen, studio’s en opgedeelde woningen, vooral in Leuven en omgeving. In eerste instantie verhuurden ze die panden vooral aan studenten, maar de laatste jaren hadden ze hun oog laten vallen op nieuwkomers.

Mensen die vluchtten van oorlog en geweld, maar in Vlaanderen moeilijk een woonst konden vinden, huurden uit wanhoop een krot van de familie Appeltans. Ze moesten overleven in erbarmelijke, onaanvaardbare woonomstandigheden.

Vader, moeder en zoon Appeltans, en hun vennootschap, werden recent veroordeeld als krotverhuurder en huisjesmelker. De rechter sprak stevige geldboetes en gevangenisstraffen uit. Dankzij een sterke samenwerking tussen de stad Leuven en de huurdersbond kregen de slachtoffers schadevergoedingen toegekend.

Zelfs de grofste huisjesmelkers kunnen te lang hun ding doen zonder tegen de lamp te lopen. Daarom is deze veroordeling een opsteker. Het is een serieuze waarschuwing voor andere malafide verhuurders en toont dat we dit soort praktijken wel degelijk kunnen stoppen als we dat willen.

Lokaal woonbeleid

Hoewel de grootste hefbomen op Vlaams niveau liggen, kunnen ook lokale besturen de handen uit de mouwen steken om kwaliteitsvol en betaalbaar wonen te bevorderen.

Ze kunnen kiezen om een conformiteitsonderzoek te verplichten bij verhuur. Ideaal gaat dit gepaard met een beleid waarbij verhuurders begeleid worden bij de renovatie van het pand om zoveel mogelijk uitval van huurwoningen te voorkomen. Informeren en begeleiden van verhuurders en syndici is daarbij cruciaal.

Lokale besturen die een stap verder willen en kunnen gaan, kunnen een renovatiepremie voor verhuurders aanbieden in ruil voor een langdurige verhuring en een maximale huurprijs. Ook een samenwerking met organisaties zoals het Pandschap, dat renovaties uitvoert van private panden die nadien via woonmaatschappijen verhuurd worden, krijgt voet aan grond in steeds meer regio’s. Het zijn twee manieren van kwaliteitsverbetering die de huurprijzen niet opdrijven.

Politieke wil

Ook een actief en sociaal grond- en pandenbeleid kan een wereld van verschil maken. Het afbakenen van gebieden voor sociaal wonen, het opnemen van voorkooprechten en de keuze om niet langer publieke en semipublieke gronden te verkopen zijn voorbeelden van soms weinig populaire, maar noodzakelijke maatregelen om onze woonmarkt rechtvaardiger te maken. Ook een doortastend leegstandsbeleid biedt kansen voor lokale besturen.

Wat op veel plaatsen ontbreekt, is de politieke wil om een ambitieus  woonbeleid vorm te geven. Er is nochtans nood aan veel meer en betere sociale huurwoningen in elke Vlaamse gemeente. Een ruimer en kwalitatief sociaal woonaanbod kan de druk op de onderkant van de private huurmarkt verlichten.

Los daarvan. De achilleshiel van ons woonbeleid blijft het herhuisvesten van mensen die het slachtoffer zijn van huisjesmelkers, een uithuiszetting of onbewoonbaarverklaring. Te weinig noodopvang in combinatie met een gebrek aan een duurzaam woonalternatief leidt er toe dat mensen dakloos worden of slecht blijven wonen.

Nochtans kunnen lokale besturen de kost van de herhuisvesting verhalen op verhuurders die de oorzaak zijn van onbewoonbaarheid. Koppel je dit aan een samenwerking met de huurdersbond, dan geef je ook mogelijkheden aan de getroffen huurders om hun rechten af te dwingen.

Bron: sociaal.net

‘Lokale besturen kijken te eenzijdig naar zestigplussers’

‘Lokale besturen kijken te eenzijdig naar zestigplussers’

Lokale besturen gaan vaak te eenzijdig om met de vergrijzing. Ze organiseren ijverig dansnamiddagen en feestmaaltijden. “Maar zo gaan ze voorbij aan de enorme diversiteit onder zestigplussers”, schrijft ouderenbeleidscoördinator Tina Vanhoye.

Dé oudere bestaat niet

We worden met z’n allen een pak ouder dan vroeger. En dat is goed nieuws. Maar onze samenleving is er nog altijd niet op georganiseerd.

Lokale besturen weten dat 25 procent van hun inwoners ouder is dan zestig jaar, maar ze gaan daar eenzijdig mee om. Ze organiseren ijverig dansnamiddagen en feestmaaltijden, of springen op de kar van buurtgerichte zorg en de strijd tegen eenzaamheid. Alleen gaan ze zo voorbij aan de enorme diversiteit onder de zestigplussers. Want dé oudere bestaat niet. Nieuwe noden worden door deze tunnelvisie amper opgemerkt.

Heb jij al gehoord van de derde en vierde levensfase? De derde fase rol je langzaam binnen als je kinderen het huis uit zijn, je ouders meer aandacht vragen, je met pensioen gaat, je minder inkomen en meer vrije tijd hebt. De vierde fase kenmerkt zich door minder mobiel worden, trager zijn, meer beroep doen op anderen en als je minder geluk hebt, ook ziek worden.

Voor ieder van ons beginnen deze levensfases op een ander moment. En toch blijft de buitenwereld geloven dat alle zestigplussers in de laatste levensfase zitten, een rechte en neerwaartse lijn richting graf. Niet te verbazen dat lokale overheden focussen op zorg, hulp en entertainment uit ver vervlogen tijden.

Akkoord, ik ga misschien wat kort door de bocht, maar om de vergrijzing te omarmen hebben lokale besturen meer instrumenten in handen dan ze zelf geloven en inzetten.

Ga in gesprek

Politici en ambtenaren zijn zelden zestigplussers. Ze maken beleid voor senioren, maar amper met senioren. Alsof ouderen niet meer tellen eens ze met pensioen zijn. Ze formuleren hun mening misschien trager en bedachtzamer, maar dat betekent niet dat ze niet meer weten wat ze zeggen. Ouderen willen inspraak, geen beslissingen boven hun hoofd.

Als lokaal bestuur kan je participatiekanalen inzetten om de mening van oudere volwassenen in al hun diversiteit te capteren. De adviesraad en ouderenverenigingen zijn vanzelfsprekende partners, maar waarom ook niet langsgaan op plekken waar veel ouderen zijn. Denk aan schoolpoorten op woensdagmiddag, lokale dienstencentra, organisaties die met vrijwilligers werken, culturele activiteiten of woonzorgcentra.

Beperk participatie zeker niet tot online formulieren die mensen moeten invullen. Makkelijk om te organiseren, maar zo krijg je geen dialoog met je inwoners.

Openbaar domein

Biologisch verandert het lichaam met ouder worden. Spieren verslappen, het geheugen laat steken vallen, de mobiliteit verandert. Op een bepaald moment staan auto en fiets aan de kant, en worden de eigen benen het belangrijkste vervoersmiddel. Alleen zijn die benen niet meer zo stevig.

In tijden van afbouw van het openbaar vervoer kan een lokaal bestuur met de vinger naar bovenlokale overheden wijzen, maar daar hebben voetgangers weinig aan. Maak daarom van voetgangers een beleidsprioriteit.

Werk samen met minder mobiele bewoners aan het openbaar domein en alternatieve mobiliteit. Breng plekken waar ze vaak passeren in kaart, noteer struikelblokken en hindernissen. Zorg voor een centrale plek, online en telefonisch, waar mensen een tijdelijk ontoegankelijke plaats kunnen melden. En voer vervolgens aanpassingen door. Want weet: mensen die nergens meer geraken vereenzamen snel en worden ook sneller ziek. En niemand valt graag familie of vrienden lastig.

Attente buurten

Ouderen spenderen gemiddeld 80 procent van hun tijd in hun woning. Als deze onaangepast is, dan loeren valpartijen om de hoek. Een oude boom laat zich niet makkelijk verplaatsen. Stel bewoners daarom tijdig de vraag of hun woning aangepast is aan de toekomst. Idealiter wordt deze vraag bij het (ver)bouwen op elke leeftijd gesteld.

Bied ouderen, ongeacht hun inkomen, verhuisondersteuning en hulp bij de aanvraag van vergunningen. En zorg voor een stimulerend premiebeleid waarmee mensen hun huis kunnen aanpassen. Ontwikkel ook nieuwe en betaalbare woonvormen die zorgzame gemeenschappen stimuleren. En experimenteer met gemeenschappelijke woonvormen.

Ook de buurt wordt steeds belangrijker naarmate we ouder worden. Bepaal je aanpak per buurt, samen met de bewoners. Onderzoek grondig waar behoeftes liggen, van oud en jong. Welke zorg- en welzijnsdiensten zijn aanwezig? Wat ontbreekt? Zijn er winkels op wandelafstand? Is laagdrempelige vrijetijdsinfrastructuur te voet bereikbaar?

Kijk qua vrije tijd ook verder dan de clichés. Organiseer meer matinees, zorg voor toegankelijke locaties, betaalbare toegangskaarten en regel vervoer van en naar activiteiten. Als lokaal bestuur kan je private organisatoren via subsidiereglementen stimuleren hetzelfde te doen. En ondersteun verenigingen in hun zoektocht om nieuwe ouderen aan te trekken.

Samengevat: zorg dat in elke buurt ‘attente plekken’ ontstaan die uitnodigen tot ontmoeting en waar bewoners zorg voor elkaar dragen, met professionals en vrijwilligers als ondersteuning. Wedden dat babyboomers zich nog meer ontpoppen tot behulpzame buren?Attente plekken is een begrip dat Ludo Glimmerveen gebruikt in: Glimmerveen, L. (2023), ‘Lessen uit de buurtkroeg. Attente plekken in de grote stad’, in Linders, L., & Co (red.), Ouderen als oplossing. Over seniorisme, samenleven en solidariteit, Amsterdam, van Gennep.

Stop met digitale muren te bouwen

Ideaal is een gemeente- of stadhuis de plek waar ouderen relevante informatie gebundeld vinden, de nodige ondersteuning krijgen en waardevolle input kunnen geven voor een leeftijdsvriendelijk beleid. Vandaar deze oproep: maak je eigen dienstverlening terug bereikbaar! Bouw er niet langer digitale muren rond. Zorg voor begeleiding door mensen van vlees en bloed.

En heb oog voor de zorg die zestigplussers nu al in de samenleving opnemen. Als vrijwilliger zetten ze zich belangeloos in. Als grootouder of mantelzorger nemen ze zorgtaken op zich. Zo leveren ze een wezenlijke economische en sociale bijdrage aan onze samenleving. Zestigplussers zijn heus niet enkel een kost.

Een lokaal bestuur moet deze vrijwillige krachten koesteren. Geef alle pas gepensioneerden de kans om hun talenten te ontdekken. Wedden dat ze deze inzetten in het vrijwilligers- en verenigingsleven? Wedden dat ze de cement zijn voor hun buurt? Wedden dat ze zich beter in hun vel voelen en zo minder kans lopen om ziek te worden?

De nieuwe generatie ouderen heeft andere noden en ideeën dan de generaties voor hen. Omarm deze diversiteit en je maakt van je gemeente een leeftijdsvriendelijke plek, voor elke leeftijd, voor elke inwoner.

Bron: sociaal.net

Verplichte inburgeringscursus voor arbeidsmigranten en strenger op Nederlands: dit wil Vlaamse regering doen rond integratie

Een verplichte inburgeringscursus voor arbeidsmigranten, nog meer nadruk op de kennis van het Nederlands en stappen richting een voor-wat-hoort-wat-beleid: de nieuwe Vlaamse regering verscherpt het beleid rond integratie van nieuwkomers en mensen met een migratieachtergrond. Lees hier de plannen en voornemens voor de komende vijf jaar. 

“Ons doel is duidelijk: zelfredzaamheid bij nieuwkomers in een maatschappij waar goed samenleven vooropstaat en waar iedereen zijn deel doet”, zo klinkt het bij de nieuwe Vlaamse regering met Hilde Crevits (CD&V) als minister van Integratie en Inburgering. 

Toch is het hoofdstuk rond integratie één van de kortste van het regeerakkoord: 4,5 pagina’s. Het inburgeringstraject voor nieuwkomers of migranten is tijdens de vorige regeerperiode al hervormd. Vlaanderen heeft intussen één van de meest uitgebreide inburgeringsprogramma’s, volgens de OESO. De nieuwe Vlaamse regering wil daar dan ook vooral op voortbouwen, zo blijkt uit het regeerakkoord.

Twee concrete maatregelen staan vast: er komt een verplichte inburgering voor arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie en de eisen gaan omhoog over de kennis van het Nederlands.

Voorts is er een opvallend en wellicht controversieel plan: er komt een onderzoek “voor welke Vlaamse sociale ondersteuning we een algemene verblijfsvoorwaarde van 5 jaar kunnen invoeren.”

De overige tekst bestaat vooral uit een aantal voornemens zonder concrete doelstelling of plan van aanpak. Nochtans zijn er nog tal van werkpunten. Zo is er de moeizame integratie van laaggeschoolde vrouwen. Of de vaststelling dat in Vlaanderen nog altijd minder nieuwkomers aan het werk zijn dan gemiddeld in Europa

Verplichte inburgering voor arbeidsmigranten

Arbeid is de belangrijkste reden voor migratie naar Vlaanderen. Migranten van buiten de Europese Unie die hier op uitnodiging van werkgevers komen werken zullen voortaan verplicht een inburgeringstraject moeten volgen. Die verplichting was er tot nu toe enkel voor gezinsherenigers en erkende vluchtelingen. 

“Het is een vraag die we al langer hebben”, zo reageert Jan Knockaert van Fairwork Belgium, een organisatie die opkomt voor de rechten van arbeidsmigranten. “Arbeidsmigranten zijn vandaag niet op de hoogte van hun rechten en plichten. Sommige werkgevers maken daar misbruik van en stellen de migranten te werk in slechte omstandigheden en tegen een loon dat onwettig is.” 

Inburgeren in eigen land

De nieuwe regering wil bovendien dat kandidaat-nieuwkomers al in hun land van herkomst starten met een inburgeringstraject. Het afgelopen jaar liepen er proefprojecten, onder meer voor arbeidsmigranten en gezinsherenigers. Die worden verder uitgerold en op termijn verplicht.

“Geen goed idee”, vindt Pascal Debruyne, onderzoeker asiel en migratie aan de Odisee Hogeschool. “Op die manier houd je gezinnen langer uit elkaar, wat slecht is voor de integratie. Migranten investeren minder in hun toekomst hier, zolang ze niet weten of en wanneer hun gezin kan komen.” Met andere woorden: het vertraagt het integratieproces.

Fairwork vreest bovendien dat detachering nóg aantrekkelijker wordt zo. En dat is net wat de Vlaamse regering wil tegengaan door in te zetten op gewone arbeidsmigratie. Bij detachering komen EU-burgers hier werken, maar vallen ze wel nog onder de sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden van hun eigen land. Dat maakt de werknemers kwetsbaarder voor fraude en uitbuiting. Ook mensen van buiten de EU komen zo naar ons land. Het gaat dan bijvoorbeeld over Brazilianen die via Portugal komen.

Snel maar duurzaam aan het werk

Werk is belangrijk voor een geslaagde integratie, zo staat het in het regeerakkoord. Nieuwkomers snel aan het werk krijgen, is één ding. Nog belangrijker is dat het om duurzame jobs gaat. Daarom wil de nieuwe Vlaamse regering verschillende drempels naar de arbeidsmarkt wegwerken.

Zo duurt het vandaag maanden voor iemand een erkenning krijgt van zijn of haar buitenlands diploma. Dat moet sneller, vindt de nieuwe regering. Het is een doelstelling die ook al bij voorgaande regeringen genoemd werd. Een streeftijd voor de erkenning is er (voorlopig) niet. 

“Snellere diploma-erkenning is absoluut belangrijk, maar daar stopt het niet”, zo vertelt Dries Lens migratie-onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. “Buitenlandse masterdiploma’s worden hier vaak maar als bachelordiploma’s erkend. Daardoor zijn veel nieuwkomers genoodzaakt om nog een bijkomende studie te volgen in het hoger onderwijs. Maar de doorverwijzing en begeleiding van nieuwkomers naar het hoger onderwijs verloopt erg stroef.”

Daarnaast zullen kortgeschoolden die niet duurzaam aan het werk zijn verplicht kunnen worden om een beroepsopleiding of tweedekansonderwijs te volgen. “We kijken specifiek naar opleidingen in knelpuntberoepen”, aldus het regeerakkoord. 

Praktijktesten op de werkvloer per sector moeten dan weer voor minder discriminatie zorgen. Al valt het nog af te wachten of er ook effectief iets zal gedaan worden met de resultaten van die testen. Voormalig Vlaams minister van Werk Jo Brouns (CD&V) liet vorig jaar een nulmeting rond discriminatie uitvoeren per sector. Niet alle sectoren waren daar blij mee. De resultaten van de meting werden nooit bekendgemaakt, waardoor er geen verdere opvolging kon gebeuren om eventuele discriminatie aan te pakken.

Strenger op Nederlands

De kennis van het Nederlands is volgens de nieuwe regering cruciaal. Ze verhoogt daarom de eisen voor wie een inburgeringstraject volgt: nieuwkomers moeten op hun mondelinge test niveau B1 behalen. Dat is gevorderde kennis, met correcte zinsconstructies en een uitgebreide alledaagse woordenschat. Vandaag is dat niveau enkel verplicht voor wie na 2 jaar niet aan het werk is. 

Ook binnen de rest van het onderwijs komt er extra aandacht voor Nederlands. Met onder andere een taalbadklas voor anderstalige kinderen in het lager onderwijs. Ouders die zelf geen Nederlands willen leren, kunnen dan weer de schoolbonus voor hun kinderen verliezen. 

Daarnaast zal ook wie een sociale woning huurt, beter Nederlands moeten kunnen (niveau B1 in plaats van A2). 

Geen sociale steun voor nieuwkomers?

En dan is er ten slotte nog het plan dat de nieuwe Vlaams minister voor Integratie Hilde Crevits moet onderzoeken “voor welke Vlaamse sociale ondersteuning we een algemene verblijfsvoorwaarde van 5 jaar kunnen invoeren.”

Sociale ondersteuning die onder Vlaamse bevoegdheid valt, is bijvoorbeeld het groeipakket, de sociale bescherming en de studietoelage. Of het wettelijk mogelijk is om inwoners uit te sluiten, zal dus worden onderzocht. Sociale steun zou dan pas kunnen na vijf jaar wonen in Vlaanderen.

“Dit plan valt moeilijk te rijmen met de verplichting voor kortgeschoolden om een opleiding te volgen binnen hun inburgeringstraject. Het zal vaak gaan om voltijdse opleidingen, dus de vraag is hoe zij zich financieel dan nog kunnen redden”, zo legt Lens uit.

“De plannen van de nieuwe regering over integratie zijn onevenwichtig”, vindt hij. “Enerzijds klinkt er een veronderstelling door dat nieuwkomers niet willen integreren. Dat zet de regering ertoe aan om allerlei extra eisen op te leggen. Anderzijds nemen ze weinig concrete maatregelen om drempels weg te werken die het voor nieuwkomers moeilijk maken om deel te nemen aan het integratieaanbod.”

Bron: vrt.nws