De stemintenties die uit de internetenquêtes De Grote Politieke Peiling en De Stemming komen, zijn weinig betrouwbaar: we weten niet wat de medewerkingsgraad is, er is geen probabiliteitssteekproef en er bestaat risico op surveyfraude.
Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen tussen De Grote Politieke Peiling van Knack en De Stemming van VRT–De Standaard? Het commercieel enquêtebedrijf Kantar voerde beide peilingen uit. Telkens betrof het een internetenquête, waarbij voor Knack een 1.000-tal en voor VRT-De Standaard zowat het dubbel aantal potentiële kiezers werden bevraagd. Voor VRT-De Standaard peilde Kantar tussen 8 januari en 22 januari en voor Knack tussen 22 januari en 8 februari 2024. De deelnemers van beide onderzoeken werden gerekruteerd uit bestaande internetpanels. Deze panels bestaan uit personen die zichzelf kandidaat hebben gesteld om voor Kantar op geregelde tijdstippen enquêtes in te vullen, zogenaamde opt-in panels.
Het gaat dus eigenlijk om één groter onderzoek dat opgesplitst is tussen twee opdrachtgevers. Trends in stemintenties kunnen daaruit niet afgeleid worden, zelfs al zouden aan alle deelnemers net dezelfde vragen zijn gesteld.
ACADEMISCH SÉRIEUX INKOPEN
Een belangrijk verschil is dat Knack het bescheiden bij de internetenquête houdt, terwijl VRT-De Standaard via het opvoeren van de professoren Stefaan Walgrave (UA) en Jonas Lefevere (UA) academisch sérieux inkoopt. Beiden schrijven in de methodologische nota dat ze niet weten wat de medewerkingsgraad is – Kantar wil die uit commerciële overwegingen niet bekendmaken – en merken op dat de verzamelde data geen probabiliteitssteekproef (elke potentiële kiezer heeft dezelfde kans om opgenomen te worden in de studie) uitmaken.
Kort gesteld belet deze aanpak de berekening van onzekerheidsmarges, omdat dat slechts haalbaar is bij een probabiliteitssteekproeftrekking. De onderzoekers weten, met andere woorden, dat De Stemming geen statistische veralgemening toelaat, maar framen het onderzoek wel als zodanig.
Tussen haakjes: het is bekend dat de medewerkingsgraad aan internetenquêtes gemiddeld 5 à 20% bedraagt, en dat politiek en stemgedrag voor respondenten onpopulaire thema’s zijn. De vermoedelijk zeer lage medewerkingsgraad heeft hier als gevolg dat men een zeer specifieke zelfselectie uit alle kiezers krijgt, die niet zonder meer door een weging kan worden weggewerkt. De zelfselectiemechanismen zijn hier immers onbekend, en zijn zeker niet at random.
PROBILITEITSSTEEKPROEVEN ALS TOETSSTEEN
Eenzelfde marktonderzoeksbedrijf, een selectie van kiezers uit eenzelfde populatie, eenzelfde weging (om de steekproef in overeenstemming te brengen met de gekende demografische kenmerken van de gehele Vlaamse bevolking – leeftijd, geslacht, provincie) en een gelijkaardige smooting (om retrospectief het gerapporteerde stemgedrag in overeenstemming te brengen met het gekende stemgedrag in 2019) en men zou verwachten dat de uitkomsten van het opgesplitste onderzoek in beide deelsteekproeven (De Grote Politieke Peiling en De Stemming), behoudens toevalsfluctuaties, gelijk zijn.
Dat klopt voor alle partijen, maar voor N-VA (18,9% in De Stemming) is het kantje boordje. Het tweezijdig betrouwbaarheidsinterval situeert zich aan de bovenste zijde op de puntschatting van De Stemming, dus pal op 20,6%. Net dat resultaat behaalt de partij in het onderzoek voor Knack. Berekenend op de puntschattingen van De Grote Politieke Peiling en De Stemming verliest N-VA op een maand tijd dus 9% van haar electoraat zonder aanwijsbare reden. Dit plaatst een vraagteken bij de robuustheid en betrouwbaarheid van de bekomen stemintenties.
Berekenend op de puntschattingen van De Grote Politieke Peiling en De Stemming verliest N-VA op een maand tijd 9% van haar electoraat zonder aanwijsbare reden.
Er zijn in België twee academische verkiezingsonderzoeken die wél op een probabiliteitssteekproef (uit het Rijksregister) zijn gebaseerd : het Belgische Nationaal Verkiezingsonderzoek 2019 (BNES 2019), waaraan ondergetekende meewerkte, en de eerste bevraging van de panelstudie RepResent 2019 (RP19), die mede werd uitgetekend door Stefaan Walgrave en Jonas Lefevere (UA). Voor deze surveys werden kiezers door de onderzoekers toevallig uit alle kiezers geselecteerd en vervolgens door interviewers bij hen thuis bevraagd. Hoewel beide onderzoeken hun veldwerk deden in de periode 2019-2020, in volle coronapandemie voor BNES19, weten we dat de gedragingen en attitudes van kiezers slechts geleidelijk aan wijzigen. Deze probabiliteitsteekproeven kunnen bijgevolg dienen als toetssteen om de betrouwbaarheid van beide internetenquêtes – De Grote Politieke Peiling en De Stemming – na te gaan.
Weinig verrassend legt zo’n vergelijking enkele opvallende verschillen bloot.
Eerste vaststelling. Hoewel beide internetbevragingen aangeven dat 10% van de bevraagde kiezers niet weet voor wie ze gaat stemmen, tonen de gegevens in BNES19 dat 46% van de respondenten pas tijdens de campagne hun stemkeuze bepaalt. Ook in RP19 geeft 61,2% (en dus geen 90%) van de Vlaamse kiezers aan al bij de start van de campagne besloten te hebben voor wie ze zouden stemmen. Allicht hebben we in deze internetenquêtes dus te maken met een bijzonder standvastig segment van het electoraat. In dat geval hebben we een vertekende steekproef van sterk gemotiveerde kiezers, wat de meerderheid van de kiezers niet is.
Bij De Grote Politieke Peiling en De Stemming hebben we een vertekende steekproef van sterk gemotiveerde kiezers, wat de meerderheid van de kiezers niet is.
Een tweede verwonderlijke vaststelling is dat de internetenquêtes het absenteïsme (zeker weten dat men nooit zal gaan stemmen) bij een afschaffing van de opkomstplicht bijzonder laag inschatten. Voor CD&V, dat traditioneel een ouder electoraat heeft, zou deze groep volgens De Stemming slechts 1% bedragen. Met een gelijkaardige vraagstelling schat de BNES19 het absenteïsme bij CD&V echter op 15,9%, terwijl RP19 het op 8% houdt. Ook voor N-VA (9% versus 17% en 14%) en Vlaams Belang (20% versus 35% en 24%) wordt het verlies aan kiezers schromelijk onderschat.
In het rapport van De Stemming wordt het lage absenteïsme bij het CD&V-electoraat verklaard door de hoge leeftijd van de gemiddelde christendemocratische kiezer. Paradoxaal genoeg stellen RepResent-onderzoekers in hun boek over de verkiezingen van 2019, waarvan Jonas Lefevere mederedacteur is, net dat oudere kiezers minder zouden gaan stemmen (bij de Europese verkiezingen; de federale verkiezingen worden niet besproken in dit boek), wat in overeenstemming is met de bevindingen uit de BNES19 (voor de federale verkiezingen) en heel wat internationaal onderzoek. Ouderen zijn gemiddeld genomen nu eenmaal minder goed ter been. Het is opnieuw een sterke aanwijzing dat de zelfselectie van respondenten (potentiële kiezers) voor deze internetenquête(s) zeer gemotiveerde kiezers heeft opgeleverd, niet vergelijkbaar met de modale Vlaamse kiezer.
HET RISICO OP SURVEYFRAUDE
Naast de vragen over de lage participatiegraad, de robuustheid van de bekomen stemintenties en de vertekende samenstelling van de steekproef, stelt zich nog het mogelijke probleem van surveyfraude bij opt-in internetenquêtes.
In tijden waarin internetfraude bewezen bijgedragen heeft aan de Brexit en de verkiezing van Donald Trump, zou het naïef zijn manipulatie van internetenquêtes uit te sluiten. Hoewel Kantar poogt om frauduleuze invulling van vragenlijsten zo laag mogelijk te houden (met als doel om de kosten te beperken van de uitbetaling aan valse respondenten) en wij over geen enkele aanwijzing in dit verband beschikken, zou het volledig uitsluiten ervan onvoorzichtig zijn. De Poetins, Xi’s en andere niet-democratische regimes en organisaties van deze wereld zullen niet nalaten om de verkiezingen in democratische landen proberen te beïnvloeden. Eén manier om dit te doen, is enquêtes proberen te manipuleren via bots (die ondertussen hun e-mailadres kunnen bevestigen), via buitenlandse deelnemers die zich voordoen als Belgen (al dan niet via VPN-verbindingen), of door het aanzetten van personen met bepaalde politieke profielen om deel te nemen aan internetenquêtes.
Politieke partijen kunnen hun leden aanzetten om deel te nemen aan deze opt-in panels en om politieke enquêtes zeker en vast in te vullen.
Maar we moeten het niet altijd zo ver gaan zoeken. Ook politieke partijen kunnen hun leden aanzetten om deel te nemen aan deze opt-in panels en om politieke enquêtes zeker en vast in te vullen. Met activiteiten van partijmilitanten op Facebook, X en andere sociale media in gedachte valt dit zeker niet uit te sluiten. Opt-in panels zoals gebruikt bij De Stemming en De Grote Politieke Peiling, maar ook de bij peilingen van VTM, De Morgen en Gazet van Antwerpen, zijn hier uiterst gevoelig voor. Bij internetenquêtes gebaseerd op opt-in panels kan iedereen die dit wil, deelnemen. Terwijl de academische standaard voor probabiliteitssteekproeven dit niet toelaat en men daar moet uitgenodigd worden om deel te nemen. En die deelnemerslijst wordt door strenge criteria bepaald zodat surveymanipulatie haast uitgesloten is.
DE BURGER VERDIENT BETER
De Stemming geeft de indruk alsof sommige politicologen en sociologen als wetenschappers tevreden zouden zijn met een kaduke telescoop, waarmee ze een voor hen onbekende selectie uit meerdere melkwegstelsels kunnen bestuderen. Deze gegevens vervolgens wegen opdat ze in de juiste proportie zouden staan van wat gekend is over het gehele heelal, zou hun moeten toelaten om te beweren dat ze geldige en betrouwbare uitspraken kunnen doen over dat heelal.
De politieke wetenschap, de geïnteresseerde burger die hoogkwalitatieve informatie mag verwachten en de verkiezingen als scharniermoment van de democratie verdienen beter.
Met de nieuwe regels voor de lokale verkiezingen is de kans groter dan ooit dat het cordon sanitaire dit najaar lokaal sneuvelt. Dit kan verregaande politieke gevolgen hebben op hogere niveaus.
Mogelijke regeringsdeelname van Vlaams Belang wordt zowat de inzet van de verkiezingen. Bijna alle Vlaamse partijen presenteren zichzelf als alternatief voor radicaal-rechts, wat gepaard gaat met flink wat spierballengerol over het migratiebeleid.
Vandaag wordt de eeuwige vraag of het cordon sanitaire standhoudt bijna exclusief uitgesproken in de context van de Vlaamse verkiezingen en coalitievorming. Peilingen die een meerderheid op Vlaams niveau tussen N-VA en Vlaams Belang voorspellen, verwijzingen naar de Nederlandse avonturen, en herinneringen aan de onderhandelingen uit 2019, wakkeren dit debat verder aan. Vooralsnog is het koffiedik kijken. N-VA blaast bewust warm en koud over de kwestie, al blijft het onduidelijk of N-VA zich aan dergelijk, ook voor hen, riskant avontuur zou wagen.
DE NIEUWE REGELS VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN
Hoewel het begrijpelijk is dat het vizier nu in eerste plaats op 9 juni is gericht, staren we onszelf blind: de kans dat het cordon sanitaire in het najaar sneuvelt, is immers een pak realistischer. Ik zou zelfs durven stellen: eerder waarschijnlijk. In die zin luidt de vraag niet óf het cordon sanitaire sneuvelt, maar wel wáár en wannéér.
Daar zitten de nieuwe regels van de Vlaamse regering, op voorzet van ex-minister van Binnenlands Bestuur Bart Somers (Open Vld), voor een groot stuk tussen. In de grabbelton met nieuwe spelregels voor onze lokale democratie, vinden we – naast de afschaffing van de opkomstplicht – ook nieuwe regels voor de coalitievorming voor een gemeente- of stadsbestuur. Die geven het doembeeld van een doorbroken cordon sanitaire op lokaal vlak een flink duwtje in de rug. Naar analogie met Wallonië waar een soortgelijk systeem al in voege was, wordt de burgemeester voortaan meer rechtstreeks verkozen. De kandidaat met de meeste voorkeursstemmen in de grootste fractie van de coalitie krijgt automatisch de burgemeesterssjerp om zich heen gedrapeerd. Bovendien krijgt de lijsttrekker van de grootste lijst twee weken een exclusief initiatiefrecht om een ploeg rond zich op de been te brengen.
Het is ironisch dat als onbedoeld neveneffect deze hervorming het laatste zetje kan zijn om Vlaams Belang als bestuurspartij in het zadel te hijsen.
Deze regels worden officieel verkocht onder het mom van ingrepen om de particratie te verminderen, en burgers meer directe inspraak te geven in de democratie onder de kerktoren. Het is echter ironisch dat als onbedoeld neveneffect deze hervorming het laatste zetje kan zijn om Vlaams Belang als bestuurspartij in het zadel te hijsen. Mét mogelijke verregaande gevolgen op hogere politieke niveaus.
MONSTERCOALITIES VERSUS MACHT?
Ook in het verleden was het al spannend. Sommigen stellen zelfs dat het cordon sanitaire al gebroken werd in Grimbergen, waar de partij ‘Vernieuwing’ met ex-Vlaams Belanger Bart Laeremans toetrad tot een coalitie met N-VA en CD&V. In de Denderstreek was er een monstercoalitie nodig om Forza Ninove van Guy D’Haeseleer die 40% haalde buitenspel te zetten. Ook in Denderleeuw – waar in 2018 Vlaams Belang triomfeerde – zal het erom spannen. Daar leverde Vlaams Belang in 2013 al gedoogsteun. In 2019 was Vlaams Belang al de grootste partij in diverse plaatsen in West-Vlaanderen (Izegem), Oost-Vlaanderen (Assenede, Eeklo), de Denderstreek (Aalst, Zele, Geraardsbergen, Herzele, Ninove) en Limburg (Peer, Maaseik, Maasmechelen, Tongeren). In 2024 zal de kaart van Vlaanderen nog meer geelzwart kleuren. Het is geen hogere wiskunde: in deze postcodes komt Vlaams Belang – tenzij nog gemeenschappelijke lijsten worden gesmeed – als eerste aan zet.
Voor een heleboel lokale N-VA-afdelingen zal het lastig worden om de boot af te houden.
De nieuwe regels indachtig, rijst de vraag in hoeverre de hoofdkwartieren van nationale partijen – in de eerste plaats N-VA, maar mogelijk ook CD&V en Open Vld – hun lokale mandatarissen in het gareel kunnen houden. Voor een heleboel N-VA-afdelingen zal het lastig worden om de boot af te houden. Lokaal leeft bij sommige N-VA’ers zeker een verlangen om met Vlaams Belang in zee te gaan. Geruchten dat N-VA-mandatarissen hun handtekening dienen te zetten onder een document met de belofte geen gesprekken, voorakkoorden of coalities te initiëren met Vlaams Belang, duiken regelmatig op. Als Vlaams Belang goed scoort, centrumpartijen klappen incasseren, en vooral – als na 13 oktober er geen verkiezingen meer als donderwolk boven de coalitiegesprekken hangen – kunnen excuses snel worden gezocht én gevonden. Een gemeente- of stadsbestuur met Vlaams Belang dreigt zo de pasmunt te worden voor (lokale) partijen om hun macht en lokale verankering veilig te stellen. Bovendien kan, eens deze horde genomen is, dit fungeren als wegbereider voor een Vlaams regeren met radicaal-rechts.
IN EEN HOUDGREEP OF LOSLATEN?
De nakende verkiezingen in oktober zullen ertoe leiden dat alle partijen hun uiterste best zullen doen om onduidelijk te blijven over de coalitievorming op federaal en Vlaams niveau. Ze zijn als de dood dat een voorbarige coalitiekeuze Vlaams of federaal hun lokale kansen zal hypothekeren. Zo zei De Wever al dat hij eerst federaal een coalitie op de been wil brengen – het fameuze ‘zakenkabinet’ — en pas nadien een Vlaamse regering. Concullega Van Grieken bepleit net het omgekeerde. Die stoelendans zal maanden duren. De Wever zal trachten kost wat kost de interne verdeeldheid binnen zijn partij over regeren met Vlaams Belang over de lokale verkiezingen te tillen. Pas na 13 oktober zal er daarom iets beginnen bewegen, al zal het ook dan nog lang aanslepen. Als dan immers blijkt dat het cordon lokaal doorbroken wordt, zal dit een stempel drukken op de gesprekken op federaal en regionaal niveau. Paul Magnette (PS) waarschuwde N-VA al dat bij samenwerking met Vlaams Belang ze zal worden geweerd uit de federale regering. Zal hij dit dreigement herhalen (én woord houden) voor lokale coalities?
Magnette waarschuwde N-VA al dat bij samenwerking met Vlaams Belang ze zal worden geweerd uit de federale regering. Zal hij dit dreigement herhalen voor lokale coalities?
Of dit argument op De Wever indruk maakt, valt te betwijfelen. Hij kaatste de bal al terug naar de socialisten. Hoewel de vergelijking strikt gezien niet opgaat omdat het cordon sanitaire als ‘schutskring’ historisch nooit PVDA-PTB viseerde, strooit hij gretig met een gelijkaardig verwijt naar de socialisten. Zo kan ook mogelijke lokale samenwerking met PVDA-PTB een eigen leven gaan leiden.
PVDA zit weliswaar vandaag al op twee plekken in Vlaanderen aan de knoppen: in Zelzate en in het Antwerpse district Borgerhout. Verschillende rechtse kopstukken – zowel Vlaams als Franstalig – hebben zich al laten ontvallen dat wat hen betreft ook een coalitie met radicaal-links uit den boze is. De wisselmeerderheid met PTB bij de Franstalige gemeenschapsregering was hierbij nog koren op de molen. George-Louis Bouchez (MR) ijvert al langer voor uitbreiding van het cordon sanitaire naar PTB. Ook De Wever liet zich al betrappen op uitspraken dat hij het hypocriet vindt dat links minder scrupules vertoont richting samenwerking met PVDA. Hij beschuldigde links al van het doorbreken van een (dus formeel niet bestaand) cordon met PVDA. Die analyse houdt een zeker dreigement in: als links geen graten ziet in besturen met PVDA, waarom zou rechts dan niet hetzelfde mogen met Vlaams Belang? Zo dreigen de partijen elkaar in een wurggreep te houden, waarbij de ontknoping wel eens kan zijn dat, in ruil voor politiek zelfbehoud, morele principes worden opgeofferd. Die kiem kan dan wel eens lokaal zijn gelegd.
Zo is de cirkel rond. Het electorale succes van Vlaams Belang, het cordon sanitaire, de regeringsvorming regionaal en federaal, én de lokale verkiezingen, ze zijn allemaal met elkaar vervlochten. All politics is local: de Dorpstraat is de Wetstraat.
Wil je als kiezer op 9 juni echt impact hebben, breng dan een voorkeurstem uit voor één of meerdere kandidaten lager op de lijst.
De volledige kandidatenlijsten voor de verkiezingen van 9 juni zijn nu officieel bekend. Lang ervoor was er in de media al veel aandacht voor de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Er werd in de pers al likkenbaardend uitgekeken naar een strijd tussen Jan Jambon (N-VA), Tom Van Grieken (VB), Tom Ongena (Open VLD), Caroline Gennez (Vooruit) en Jos D’haese (PVDA) voor het Vlaams Parlement in de kieskring Antwerpen, of tussen Alexander De Croo (Open VLD), Petra De Sutter (Groen) en Vincent Van Peteghem (CD&V) voor de Kamer in de kieskring Oost-Vlaanderen. Ook nu gaan die lijsttrekkers en kopstukken met de meeste aandacht lopen.
Maar eigenlijk is dat naast de kwestie. We hebben immers geen presidentieel systeem waar de regeringsleider in een rechtstreeks duel wordt verkozen, maar een parlementair systeem waarbij de kiezers parlementsleden aanduiden, die naderhand op hun beurt het vertrouwen aan een regering en een regeringsleider kunnen geven. Door het systeem van evenredige vertegenwoordiging dat in België gehanteerd wordt, is de kans zeer groot dat al deze lijsttrekkers verkozen zullen raken in het parlement. Het aantal voorkeurstemmen dat ze daarbij halen is mooi voor de ranglijstjes waar de media graag mee uitpakken, maar is vaak gewoon afhankelijk van de grootte van hun partij en heeft weinig impact op wie er wel of niet verkozen raakt (aangezien – bijna – alle lijstttrekkers van grote, middelgrote en zelfs kleine partijen verkozen raken).
De kiezer brengt massaal een voorkeurstem uit voor de lijsttrekkers, terwijl toch al quasi zeker is dat die verkozen zullen geraken.
En toch gaat de aandacht van de media en van de kiezers vooral naar die lijsttrekkers, en dan nog vooral naar de meest prominente daarvan zoals partijvoorzitters en regeringsleden. De kiezer volgt. Zo brengt die massaal een voorkeurstem uit voor die lijsttrekkers, terwijl toch al quasi zeker is dat die verkozen zullen geraken. Bij gemeenteraadsverkiezingen brengt ongeveer 45% van de kiezers een voorkeurstem uit voor de lijsttrekker, bij parlementsverkiezingen (waar meer lijststemmen uitgebracht worden) is dit nog altijd bijna 30%.
Het is zelfs zo dat die prominente politici hun partijgenoten ook overvleugelen als ze niet op de kandidatenlijst staan. Zowel in 2014 als in 2019 brachten N-VA-kiezers massaal een voorkeurstem uit als Bart De Wever lijsttrekker was (in de kieskring Antwerpen), maar in de andere kieskringen bracht de helft of (vaak) meer dan de helft van de N-VA-kiezers een lijststem uit, als een soort surrogaat-stem voor de afwezige Bart De Wever daar. Dit fenomeen dat we in iets mindere mate ook terugvinden in andere partijen heeft ervoor gezorgd dat in 2019 maar iets meer dan de helft van de kiezers een voorkeurstem uitbracht, terwijl dit twintig jaar geleden nog ongeveer twee op drie was.
Door te stemmen voor lijsttrekkers en kopstukken die toch al (bijna) zeker verkozen zijn, en door een lijststem uit te brengen bij gebrek aan kopstukken op de kandidatenlijst in een bepaalde kieskring, maken kiezers niet ten volle gebruik van de inspraak die hen geboden wordt.
Wik en weeg de tweede, derde, vierde, … zeventiende kandidaat op lijst. Door daar een bewuste keuze te maken, kan je als kiezer echt een impact hebben op de samenstelling van het parlement.
Immers, waar de kiezer echt een verschil kan maken, is bij de vraag wie van de lager gerangschikte kandidaten in het parlement geraakt. Daarom mijn stemadvies: kijk verder dan de kopstukken en lijsttrekkers. Wik en weeg de tweede, derde, vierde, … zeventiende kandidaat op lijst. Door daar een bewuste keuze te maken, kan je als kiezer echt een impact hebben op de samenstelling van het parlement, wat uiteindelijk de essentie is van parlementsverkiezingen. En zelfs als de kandidaat niet verkozen raakt, heb je nog impact. Onderzoek heeft immers aangetoond dat kandidaten die niet verkozen raken, maar wel veel voorkeurstemmen halen een grotere kans maken om bij de volgende verkiezingen door de partij beloond te worden met een mooie plaats op de lijst.
Tom Cochez, onderzoeksjournalist bij apache.be, website voor onderzoeksjournalistiek: “Het boek ‘De vrienden van het vastgoed’ is de bundeling van 12 jaar onderzoek. Dit gaat over veel meer dan de N-VA. Geritsel met bouwvergunningen is een structureel probleem in Vlaanderen.”
Tom Cochez & David Leloup. De vrienden van het vastgoed – Geheime deals, miljoenencadeau’s en bouwvergunningen op maat – Hoe toppolitici en bouwpromotoren gouden zaken doen in België. Apache, Brussel, 2024, 254 pp. ISBN 978 9082 6051 29
In plaats van een sterk Vlaanderen te bouwen op eigen krachten haalt de N-VA het belegen cliché van ‘de Walen’ boven om de aandacht af te leiden van de eigen Vlaamse puinhopen in het onderwijs met een gigantisch leerkrachtentekort, wantoestanden in de ouderenzorg, sociale woningbouw, kinderdagverblijven, jeugdzorg, onbetaalbaar wonen en de afbraak van het openbaar vervoer …
“Wat we zelf doen, moeten we beter doen”, zei Gaston Geens (CVP) ooit1. Dit zinnetje ligt altijd op de loer in elk opiniestuk, artikel of column over het Vlaamse regeringsbeleid. Het werd jaren misbruikt om te pleiten voor meer bevoegdheden op Vlaams niveau.
Maar we zijn het er allemaal over eens dat Vlaanderen al lang niet meer alle verantwoordelijkheden in de lucht kan houden. Vlaanderen staat vandaag, tien jaar na de laatste staatshervorming, met de billen bloot.
Wat heeft Vlaanderen nu gedaan met die bevoegdheden? Hoe staat het met de publieke dienstverlening? Investeert de Vlaamse Regering voldoende in haar bevolking?
Het antwoord is nee.
Er wordt bespaard op het kindergeld, de hervorming van het openbaar vervoer resulteerde in minder haltes, er zijn minder plekken in de kinderopvang dan een paar jaar geleden, sociale woonleningen zitten achter een hogere drempel, wonen is onbetaalbaar, en in sommige scholen zitten leerlingen meer in de studie dan dat ze les krijgen.
Voor een partij die telkens vakbonden basht en pleit voor een minimumdienstverlening, is dat opvallend. Want waar is die zogenaamde Vlaamse minimale publieke dienstverlening dan?
Vlaanderen staat in schril contrast met Schotland, waar ik in oktober 2022 op studiebezoek ging met de Commissie Wonen van het Vlaams Parlement. “Ieder greintje bevoegdheid die we kunnen krijgen, vullen we maximaal in, zodat we de Schotten vooruit helpen”, vertelde de minister mij daar.
Voor de Schotten is een (Britse nationale) Conservatieve regering het ergste wat ze kan overkomen: de overheid wordt ondergraven, de dienstverlening afgebouwd en de grootste slachtoffers zijn gewone mensen. Laat de Tories (de Conservatieven) nu net de grootste idolen zijn van N-VA-partijvoorzitter Bart De Wever.
Dienstverlening als vijand
En dát is de reden waarom de twee afgelopen rechtse Vlaamse regeringen zoveel schade hebben aangericht.
Het lijkt alsof dienstverlening de vijand is. De Vlaamse burger wordt als ‘een klant’ gedefinieerd. Als het over plichten van die klant gaat, dan is N-VA er als de kippen bij om de strenge vinger boven te halen. Kijk maar naar minister van Wonen, Matthias Diependaele, die zich bijna uitsluitend richt op sanctionerende maatregelen.
Kinderopvang, rusthuisfacturen, mensen met een beperking, plaatsen in de jeugdzorg, … Vlaanderen geeft niet thuis.
Maar zodra het over rechten gaat – het recht op betaalbaar wonen – geeft N-VA niet thuis. Dat is het geval wanneer het gaat over kinderopvang, rusthuisfacturen, mensen met een beperking, plaatsen in de jeugdzorg. Ik stop hier omdat deze column een maximum aantal woorden heeft, niet omdat de voorbeelden zoek zijn.
Het minste wat de burger zou mogen verwachten, is een minimumdienstverlening. Dat is één van de favoriete woorden van N-VA, maar wordt enkel uit de schuif gehaald als het kan dienen om syndicale organisaties voor het blok te zetten. Als het gaat om de eigen verantwoordelijkheden, bestaat dat woord plots niet.
En dat is triest. Vlaanderen en haar inwoners verdienen beter.
Geen pleidooi voor een Belgische bestuurlijke coalitie
Dit is geen pleidooi voor federale Belgische bestuurlijke nostalgie. Ik ben niet van mening dat alles geherfederaliseerd moet worden. Er is namelijk een reden dat bevoegdheden geregionaliseerd en gecommunautariseerd zijn geweest. Vlaanderen verdient politieke autonomie en eigen bevoegdheden. Hell, dat is de reden waarom ik ieder jaar naar de 11 juliviering ga in mijn eigen stad.
Vlaanderen verdient politieke autonomie en eigen bevoegdheden. Hell, dat is de reden waarom ik ieder jaar naar de 11 juliviering ga in mijn eigen stad.
Maar deze rechtse coalitie maakte er een zootje ongeregeld van. Vlamingen waren nog nooit zo slecht af als met deze Vlaamse Regering. Terwijl de Vlaming vooral een goede dienstverlening verdient vanuit die Vlaamse bevoegdheden. Een overheid die investeert, die hervormt, en die degenen die hun best doen vooruit laat gaan. Een overheid die kansen geeft en niet beschuldigt, die toegeeft dat geluk en pech een rol spelen in onze samenleving.
De voorbije tien jaar kreeg de Vlaming het omgekeerde: een regering zonder links. Een regering die dienstverlening afbouwt en mensen in de kou zet. Deze rechtse regering schiet hopeloos tekort.
Wat zijn we met dit Vlaanderen als het de mensen niet vooruit helpt?
En dat zie je ook in de debatten. De N-VA ownt haar shit niet. Al tien jaar heeft ze een minister-president van hun Vlaanderen. Maar in ieder debat en in iedere beslissing blijkt dat ze het Vlaams niveau vooral als een instrument zien.
Het Vlaams niveau dient voor hen om te schieten op wie ze willen: de federale regering, Franstaligen in dit land, de onderwijskoepels, het middenveld, tot zelfs de eigen coalitiepartners. Maar effectieve oplossingen, visies of plannen om de Vlaming vooruit te helpen? Dat niet. Dit is het Vlaanderen van de achteruitgang en de wachtlijsten geworden.
Eén grote boodschap dus voor hen: stop met te focussen op de Walen, en heb wat meer aandacht voor het eigen falen. Dan komen we al een heel eind.
Het Vlaams niveau dient voor N-VA om te schieten op wie ze willen: Vivaldi, Franstaligen, onderwijskoepels, het middenveld, tot zelfs de eigen coalitiepartners.
Maar wij progressieven mogen Vlaanderen niet links laten liggen. We moeten opnieuw groot genoeg worden. Want we mogen de koopkracht, de gezondheid van mensen en het onderwijs niet langer overlaten aan een rechtse regering die het verder in crisis stort. Dan wordt alles klaargezet voor een Vlaanderen als neoliberaal laboratorium waar de kleintjes niet meer aan bod komen.
Dan wordt publieke dienstverlening luxe en krijgen we een beleid puur gericht op belastinggeld richting de hoogste inkomensklassen schuiven. Terug naar een graafschap, met één graaf en vele leenmannen. Wie toegang heeft tot een kabinet, bepaalt vandaag het beleid.
Daarvoor zijn de staatshervormingen niet gebeurd.
De boodschap van Vlaams minister-president Jambon (N-VA) in 2019 tijdens zijn eerste regeringsverklaring is vijf jaar later niet meer dan een oproep aan zijn eigen partij: Plus est en vous!
Vlaams Belang kreeg het nummer 1. MR 2, Open VLD 3, de PS 4 en Volt op nummer 5. Les Engagés kregen het nummer 6, Agora het nummer 7, PVDA 8, Vooruit 9, de N-VA 10, Vivant 11, het Duitstalige ProDG 12, DéFI 13, Ecolo 14 en Groen 15. CD&V is de hekkensluiter met het nummer 16.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.