Ziektedagen bij de overheid: 40 procent wegens stress

Stress is steeds vaker de oorzaak van ziekteverlet bij de federale ambtenaren.

De cijfers komen van Medex, een dienst binnen Volksgezondheid die tal van medische expertisen uitvoert voor overheidspersoneel. Daaruit blijkt dat 40,4 procent van de mensen die vorig jaar buiten strijd waren, stress als oorzaak gaven. In 2020 ging het nog om 36,2 procent en in 2017 lag het cijfer op 33,4 procent.

‘Of die stress rechtstreeks voortkomt van het werk, weten we niet uit de analyse van de ziektebriefjes. Wat ik wél weet: stress die niet weggenomen wordt, leidt vaak tot burn-outs’, reageert minister De Sutter. ‘Daarom ben ik tevreden dat er steeds meer van onze mensen de weg vinden naar manieren om burn-outs te voorkomen.’ Ze doelt daarmee op de loopbaanbegeleiding, die de federale overheid intern aanbiedt. Vorig jaar maakten 378 mensen er gebruik van, tegenover 212 in 2020. Die stijging wijt De Sutter aan de pandemie en het feit dat steeds meer mensen openlijk praten over hun mentale gezondheid. Bijna alle deelnemers (96 procent) nemen na zo’n traject hun loopbaan in handen, wat kan leiden tot aanpassingen van de functie, een opleiding, een andere baan of een betere balans tussen werk en privé, legt de minister uit.

Extra middelen

Ze wil in elk geval investeren in nog meer loopbaanbegeleiders, want nu zijn het vooral hoopopgeleide ambtenaren die hun weg naar loopbaanadvies vinden. Ook voerde ze het recht op deconnectie in, net als andere maatregelen om de mentale gezondheid te bevorderen, zoals extra stress- en burn-out-coaches en meer budget voor opleidingen over veerkracht, deconnectie en mentale gezondheid op het werk.

De Sutter benadrukt ook dat ambtenaren de laatste jaren telkens opnieuw besparingen moesten slikken. ‘Hetzelfde werk moet dus gedaan worden met veel minder volk. Daardoor neemt de werkdruk en de stress toe’, aldus de minister van Ambtenarenzaken. ‘Meer erkenning en respect voor hun werk zou geweldig zijn. Daarom klop ik op tafel om budget te voorzien voor een nieuw sectorakkoord, ook al zijn het budgettair moeilijke tijden’.

Zes op de tien bedienden kregen vorig jaar geen of minder dan 1 procent opslag

Werkgevers en vakbonden voeren al een tijd een stevige communicatieoorlog over onze salarissen. Het gemeenschappelijk vakbondsfront organiseert op 20 juni een nationale betoging voor hogere salarissen onder het motto: ‘lagere facturen, hogere lonen’. De loonnorm van 0,4 procent is volgens hen niet langer houdbaar vanwege de torenhoge inflatie. In een pamflet hebben ze het over spaghetti die 26 procent en koffie die 14 duurder is geworden terwijl de wettelijk toegelaten loonstijging blijft hangen op 0,4 procent. ‘Dat zorgt voor een flinke verarming. Onaanvaardbaar.’

‘Fake news’, reageert het VOKA, de grootste Vlaamse ondernemersorganisatie, boos. ‘Volgens de Nationale Bank zullen de lonen in dit land tussen 2021 en 2024 gemiddeld met 13,5 procent stijgen en allicht is dat nog een onderschatting.’ Topman Wouter De Geest liet in een interview weten dat werknemers de komende jaren niet hoeven te rekenen op een euro opslag boven op de loonnorm. Hij pleit zelfs voor een indexsprong.

Begin volgend jaar wordt een indexstijging verwacht van 8 procent of meer. Dat betekent dat ondernemingen maar heel weinig budgettaire ruimte meer zullen hebben voor bijkomende opslagen.

Ter verduidelijking: de loonnorm wordt om de twee jaar vastgelegd en bepaalt hoeveel de loonkosten maximaal mogen stijgen, boven op de indexering. Dat moet de concurrentiepositie van onze bedrijven vrijwaren tegenover onze voornaamste handelspartners Duitsland, Nederland en Frankrijk.

Voor de periode 2021-2022 is die loonnorm vastgelegd op 0,4 procent. Dat lijkt helder, maar het tegendeel is waar. Spreek met loonspecialisten en snel blijkt hoe onwaarschijnlijk complex het salarisbeleid wel is in dit land. Het is eigenlijk nog het beste te vergelijken met ons ingewikkelde belastingsysteem: elk jaar worden er nieuwe uitzonderingen en aparte regeltjes ontworpen zodat het voor een leek bijna onmogelijk is om door het bos de bomen nog te zien. Of vergelijk het met onze architectuur: metsel elk jaar een kot tegen je huis aan en na enkele jaren zit je met een onoverzichtelijk kluwen van koterijen.

Volgens Bert De Greve, directeur Talent Management van hr-adviesbureau Hudson, heeft dat allemaal te maken met de hoge belastingdruk op onze lonen. Die bedraagt in dit land gemiddeld 45,2 procent. Wij zijn daarmee met grote voorsprong koploper van alle 38 OESO-landen. Op die manier laten we Duitsland, Frankrijk en Italië (telkens 40,9 procent) verder achter ons.

Als een werkgever een brutoloonsverhoging geeft, kost hem dat veel geld en brengt het relatief weinig op voor de werknemer. Een voorbeeld. Bij een loonsverhoging van 150 euro bruto op een brutoloon van 5000 euro per maand houdt de ‘gelukkige’ 56,5 euro netto over. Het kost de werkgever in totaal 2610 euro per jaar.

Daarom zoeken werkgevers uitwegen om hun personeelsleden zo veel mogelijk netto te laten overhouden. De populariteit van maaltijdcheques, collectieve winstpremies, auteursrechten, bedrijfswagens et cetera is daar een rechtstreeks gevolg van. Met de regelmaat van de klok worden nieuwe vormen van bezoldiging ontwikkeld, soms door de sociale partners zelf, maar evenzeer door grote ondernemingen en gespecialiseerde consultants.

Onderzoek

Hudson monitort al bijna dertig jaar de salarissen van ongeveer 200.000 bedienden, kaderleden, managers en senior managers, verspreid over 707 bedrijven en 259 functies. Dat levert een schat aan informatie op die een goed beeld geeft van het loonbeleid in dit land.

Zo blijkt dat het mediane basissalaris tussen 2020 en 2021 met 2 procent steeg. Haal je de indexering eruit, dan blijft er nog een opslag over van 0,77 procent.

Het gaat hier over gemiddelde opslagen, promoties niet meegerekend. In sommige sectoren krijg je makkelijker opslag dan elders. Deze studie leert bijvoorbeeld ook dat bijna zes op de tien bedienden in 2021 helemaal geen of minder dan 1 procent opslag kreeg.

Wouter Beuckels, senior manager bij Hudson, wijst erop dat een Belgische werknemer het meeste opslag krijgt aan het begin van zijn carrière. In 2020-2021 kreeg iemand die jonger was dan 25 gemiddeld 5,4 procent opslag (inclusief indexering). Tussen 26 en 30 jaar was dat 4,2 procent en dat daalt zo verder tot 1,1 procent voor 55-plussers.

Het langjarige overzicht van Hudson leert bovendien dat we elk jaar een opslag kregen boven op de index. Enkel in 2014-2015 bleef die beperkt tot 0,1 procent. In jaren met meer inflatie, zoals in 2011, stegen de lonen met meer dan 4 procent inclusief de indexering. Volgens Bert De Greve zal de loonstijging dit jaar dan ook een stuk hoger zijn dan vorig jaar. ‘Begin volgend jaar wordt een indexstijging verwacht van 8 procent of meer. Dat betekent dat ondernemingen maar heel weinig budgettaire ruimte meer zullen hebben voor bijkomende opslagen.’

Hoewel de loonnorm om de twee jaar wettelijk wordt vastgelegd en bedrijven dus verplicht zijn om zich daaraan te houden, voorziet de regering toch nog een manoeuvreermarge.

Baremieke opslagen vallen buiten de loonnorm en daarnaast is er een zeer uitgebreid menu van allerlei uitzonderingen op dat stelsel, zoals de innovatiepremie, loonbonus, winstpremie, en stortingen in de groepsverzekering.

‘Momenteel woedt de war for talent ongemeen hard’, aldus Bert De Greve. Om het noodzakelijke talent in de onderneming te houden, worden werkgevers gedwongen om loonsverhogingen toe te kennen en is het niet vanzelfsprekend, makkelijk om de loonnorm strikt te volgen. Bedrijven die er financieel goed voor staan, kunnen concurrentieel belonen, terwijl bedrijven die er – al dan niet door de coronacrisis – minder goed voor staan, de loonnorm strikt volgen en dat ook zo communiceren aan de vakbonden en medewerkers. Met andere woorden, de symboolwaarde van de loonnorm is groter dan de reële waarde. Knack maakt een overzicht van de tien belangrijkste koterijen van het Belgische salarisbeleid.

1. Auteursrechten

Een vrij recente nieuwigheid is het systeem van de zogenaamde auteursrechten. Het werd een vijftal jaar geleden ingevoerd om het intellectuele eigendomsrecht van sommige werknemers apart te belonen. Artikels van bijvoorbeeld journalisten kunnen worden belast tegen een zeer voordelig tarief van 15 procent en dat na kostenaftrek.

Maar in dit land gebeurt het wel vaker dat een goedbedoelde maatregel voor specifieke gevallen wordt uitgebreid en vervolgens misbruikt. Bert De Greve: ‘Om redenen van interne rechtvaardigheid en externe marktdruk om concurrentieel te bezoldigen, worden ook niet-creatieve profielen betaald via auteursrechten.’

Hoe werkt deze regeling? Een werknemer mag tot maximaal 25 procent van zijn basissalaris een beroep doen op het tarief voor auteursrechten. Iemand die bijvoorbeeld 1000 euro bruto per maand verdient en daarop 50 procent belastingen betaalt, kan beslissen om voortaan een basissalaris te aanvaarden van 750 euro bruto. Hij betaalt daarop 50 procent belastingen. Op het resterende deel van 250 euro betaalt hij vrijwel geen belastingen: slechts 15 procent op de helft van dat bedrag na kostenaftrek. Reken uit je winst.

2. Bedrijfswagens

Nergens rijden er zo veel company cars als in ons land: 670.000. 13,5 procent van alle werknemers en 89 procent van de directieleden heeft zo’n auto, al dan niet gecombineerd met een gratis tankkaart. Dat is handig in tijden van hoog oplopende energieprijzen. Je begint je zelfs af te vragen wie die 11 procent ‘arme’ senior managers zijn die hun auto zelf moeten kopen? Navraag leert dat het vooral directieleden zijn van non-profitorganisaties, zoals ziekenhuizen en woonzorgcentra.

3. Cafetariaplannen

Bij de zogenaamde cafetariaplannen of flexbudgetten mag een werknemer zelf beslissen hoe een deel van zijn brutoloon – en vaak ook de dertiende maand – wordt uitbetaald. 35 procent van de werknemers kon in 2021 gebruikmaken van zulke flexbudgetten. Maar omdat een deel van het brutosalaris wordt ingeleverd en de patronale bijdrage soms gedeeltelijk wordt meegegeven als voordeel voor de werknemer, vloeit er minder geld naar de sociale zekerheid.

Hudson geeft ook een overzicht van de opties waarvoor werknemers kiezen. In 92 procent van de gevallen wordt gekozen voor een bedrijfsfiets. Een abonnement op het openbaar vervoer (38 procent) is een andere mogelijkheid. Extra vakantiedagen kopen is heel populair (54 procent), net zoals het goedkoop aankopen van een laptop of een smartphone (58 procent). 8 procent kiest ervoor om een extra opleiding, bijvoorbeeld een taalcursus, te volgen.

4. Loonbonus

De loonbonus of het niet-recurrent resultaatsgebonden voordeel is een bonus voor medewerkers die afhangt van het halen van collectieve doelstellingen van een onderneming, een groep van ondernemingen of van een duidelijk omschreven groep medewerkers die bepaald wordt op basis van objectieve criteria zoals functie, afdeling enzovoort. In 2021 kreeg iets meer dan 30 procent van alle bedienden een loonbonus. Bij kaderleden liep dat zelfs op tot net geen 50 procent.

5. Maaltijdcheques

Het is het populairste extralegale financiële voordeel zonder dat het brutoloon stijgt. 91 procent van alle werknemers krijgt ze en ook het senior management hoeft geen honger te lijden (86 procent). Die cheques mogen maximaal ongeveer 150 euro per maand bedragen en ze zijn volledig vrijgesteld van bedrijfsvoorheffing en sociale lasten. Daardoor zijn ze voor de werkgever 58 procent goedkoper dan een salarisverhoging en de medewerker houdt er 42 procent extra koopkracht aan over. Ze kunnen in meer dan 20.000 Belgische warenhuizen en buurtwinkels ingeruild worden voor etenswaren.

6. Onkostenvergoedingen

Zit ook in de lift: de zogenaamde onkostenvergoeding. Die moet eventuele onkosten vergoeden die de werknemer maakt, zoals parkeertickets. Maar in veel gevallen hoeven die onkosten helemaal niet individueel bewezen te worden en wordt een forfaitaire onkostenvergoeding beschouwd als een fiscaal aantrekkelijke netto-opslag. Vorig jaar had volgens Hudson 83 procent van de senior managers zo’n onkostenvergoeding. Voor bedienden is dat 17 procent, een verdubbeling sinds 2016.

7. Thuiswerkvergoeding

Dankzij de coronacrisis werken we steeds meer van thuis. Omdat aan thuiswerk extra kosten zijn verbonden, zoals verwarming, elektriciteit, de aankoop van een printer et cetera geven sommige bedrijven hiervoor een speciale thuiswerkvergoeding. Uit het onderzoek van Hudson blijkt dat ondertussen één bediende op de vijf zo’n specifieke vergoeding krijgt. Die bedraagt gemiddeld 58 euro. Het maximumbedrag bedraagt 140 euro.

8. Variabel loon

Werkgevers kunnen een goed functionerende werknemer ook belonen door hem of haar een variabel loon aan te bieden boven op het basissalaris. Dat variabele gedeelte kan worden toegekend na het halen van bepaalde doelstellingen. Hoe hoger de functie, hoe meer kans op een variabel loon. 63 procent van de senior managers heeft een variabel loon, tegenover 20 procent van de bedienden.

9. Warranten

Warranten zijn in deze betekenis een aandelenkorf, een financieel product dat wordt aangeboden door banken. De werknemer die ervoor kiest om in warranten betaald te worden, zal die meestal zo snel mogelijk willen verkopen. In de praktijk is dat vaak al na een dag. Volgens de studie van Hudson kreeg een kwart van de senior managers het variabele loon uitbetaald via warranten.

Het grote voordeel van warranten is dat ze vrijgesteld zijn van RSZ-bijdragen. Het nettovoordeel voor de werknemer wordt ook soms verhoogd door de patronale bijdrage die verschuldigd is op het variabele loon erbij te tellen om het bedrag van de warranten te bepalen, opnieuw ten koste van de sociale zekerheid.

10. Winstpremie

Sinds 2018 is het systeem van de collectieve winstpremie ingevoerd om werknemers te belonen wanneer het goed gaat met het bedrijf. De hoogte van de premie is afhankelijk van de verdeelsleutel die wordt toegepast op basis van objectieve criteria zoals de anciënniteit, de functieklasse, de functie of de weddeschaal. 3 procent van het senior management in dit land krijgt een collectieve winstpremie. Voor bedienden en kaderpersoneel is dat respectievelijk 10 en 18 procent.

Achterdocht

Het is voor Bert De Greve en Wouter Beuckels van Hudson duidelijk dat bedrijven de afgelopen jaren door de hoge belastingdruk steeds creatiever zijn geworden in hun salarisbeleid. Bert De Greve: ‘Als ik buitenlandse bedrijfsleiders vertel dat Belgische ondernemers massaal vouchers aan hun werknemers geven om voeding te kopen, of dat 90 procent van de managers een bedrijfsauto heeft, dan horen ze het in Keulen donderen. Toen ik me in Zweden voorstelde als compensation and benefits consultant, vroegen ze wat dat was. Dat kennen ze daar totaal niet.’

Wouter Beuckels: ‘Wanneer we bedrijven helpen hun beloningsstrategie uit te tekenen, pleiten we vaak voor eenvoud en transparante communicatie. We hebben geleerd dat medewerkers achterdochtig worden wanneer het beloningssysteem té complex wordt. Je bereikt dan het tegenovergestelde van een motiverend loonbeleid.’

Een bijkomend neveneffect van die ‘loonkoterijen’ is dat het een uitgebreid ecosysteem heeft laten groeien van fiscale consultants, advocaten, leasemaatschappijen en chequebedrijven die daaraan een voltijdse en goedbetaalde job overhouden.

RSZ als grote verliezer

Maar de grote verliezer van die evoluties is de sociale zekerheid. Tijdens de lockdown hebben we allemaal de voordelen van ons geroemde systeem van de sociale zekerheid gezien. De zorgmedewerkers die in volle coronacrisis het beste van zichzelf gaven en de regeling van economische werkloosheid die duizenden personeelsleden en bedrijven behoed heeft voor een financieel debacle. De financiering van ons systeem wordt evenwel uitgehold door de steeds verdere fiscale optimalisatie van onze salarissen.

Men zou ervoor kunnen kiezen om de meerderheid van de uitzonderingen gewoon af te schaffen en te kiezen voor een algemene verlaging van de lasten op arbeid. Maar dat is in dit land een veel te eenvoudige oplossing, die zelden wordt gekozen. Een kot bijbouwen is makkelijk. Eentje afbreken? Nee, dat doen we liever niet.

Komt er een algemene staking in het VK?

Het antwoord van de regering van het Verenigd Koninkrijk op de stijgende levensduurte is niet minder dan een regelrechte klassenoorlog. Je kunt niet verwachten van de werkers dat ze lijdzaam die aanvallen zullen ondergaan, zegt Lord John Hendy.

Het gevecht van de stakers deze zomer en herfst, van de werkers en vakbonden, die nog het recht op collectieve onderhandelingen hebben, is een gevecht voor heel de werkende klasse. In de jaren 1970 genoten zo’n 85 procent van de werkers van dat recht, nu nog maar 25 procent.

Maar we moeten nog iets anders onthouden uit de geschiedenis van de jaren 1970. Vijftig jaar geleden, in de zomer van 1972, werden in Pentonville vijf dokwerkers opgesloten omdat ze tegen een gerechtelijk bevel in toch hadden gestaakt. Ze werden vrijgelaten nadat de werkers over heel het land spontaan het werk hadden neergelegd en de Trades Union Congress (TUC) had opgeroepen tot een algemene staking.

De situatie is nu minstens even erg: de werkende klasse kijkt aan tegen een gigantische inflatiegolf die honderdduizenden families in armoede zal storten. Is het weer tijd voor een algemene staking? Deze keer om de hoge prijzen die het profiteurskapitalisme aan de werkende klasse opdringt, een halt toe te roepen omdat de werkers anders tot armoede veroordeeld zijn?

Want het antwoord van de regering op de huidige catastrofe is niet minder dan een klassenoorlog. De Tories (de conservatieve partij) delen aan de armen een paar honderd pond belastinggeld uit die niet eens de energiefactuur dekt en die de armen bij de betaling van hun factuur weer mogen doorsluizen naar de rijke energieondernemingen.

De Bank of England verhoogt de rente waardoor miljoenen burgers meer moeten betalen aan hun geldschieters. Rishi Sunak, kandidaat-voorzitter en -premier van de conservatieve partij, belooft de belastingen te verlagen. Dat is vooral gunstig voor wie veel belastingen betaalt maar helpt niets voor de miljoenen mensen met een inkomen dat niet eens het belastingvrije minimum haalt. Het straft wel de mensen die de openbare diensten nodig hebben die met die belastingen gefinancierd worden.

De Tories leggen de profiteurs een beperkte “belasting op onverhoopte winsten” op met talrijke achterpoortjes in plaats van een echte “woekerbelasting” die de hand kan leggen op elke penny extra winst. Ze weigeren de energieondernemingen een bovengrens op te leggen voor de prijzen die ze aanrekenen. En zowel de Tories als Labour wijzen de evidente oplossing af: de nationalisatie van de energiebedrijven zodat we de controle op de energieprijzen en winsten weer zelf in handen krijgen.

Dat heeft de Franse regering wel gedaan met EDF, waardoor de inflatie in Frankrijk beperkt bleef tot 6,5%. Terwijl de regering weigert de prijzen te beteugelen van sleutelsectoren die de inflatie hebben opgedreven, is ze vastbesloten het gevecht van de werkers voor hogere lonen, te verhinderen. Aan de ene kant staan de vakbonden die vechten voor de werkers, aan de andere kant staat de regering die met nieuwe wettelijke boeien komt om ze tegen te houden.

Minister van Transport Grant Shapps nam deze week nog meer maatregelen tegen de vakbonden en zei:  “Margaret Thatcher wist dat de Luddites[1] een obstakel waren voor die hervorming [van de vakbonden n.v.d.r.]. Zij bracht welvaart door het tegen hen op te nemen — en wij gaan hetzelfde doen.” De vakbonden zijn al aan strenge regels en beperkingen gebonden. In 1997 noemde Tony Blair terecht Thatchers hervorming als “de grootste dwangbuis voor vakbonden in de westerse wereld”.

Toch trokken de Labourregeringen die wetten niet weer in. Daarna kwamen de Tories weer aan de macht en legden met de Trade Union Act 2016 de vakbonden en de piketten nog meer aan banden. Dit jaar zijn er ook wetten goedgekeurd tegen luidruchtige piketten, moeten de vakbonden vier keer meer schadeloosstelling betalen (tot wel 1 miljoen pond voor grote vakbonden) en werd het aannemen van tijdelijke werkers om stakingen te breken, gewettigd.

Shapps heeft het ook al gehad over de invoering van een minimum dienstverlening in bepaalde sectoren. Deze week kondigde hij bijkomende maatregelen aan om de mogelijkheden van de werkers om te vechten voor betere lonen of betere werkomstandigheden verder te beperken.

Voor zover we kunnen nagegaan, zou het om volgende maatregelen gaan:

  • Een wetswijziging die de minister de toestemming geeft om gebruik te maken van noodbevoegdheden om elke stakingsactie die beschouwd kan worden als een “nationale noodsituatie”, te verbieden. Dit zal gelden voor zowel de openbare als de privé-sector en is duidelijk gericht op de “werkers in de sleutelsectoren” van transport, onderwijs, gezondheidszorg, voeding, energie enzovoort, waarvoor de regering elke donderdag van de lockdown nog heeft geapplaudisseerd. Als ministers zo’n beslissingsrecht krijgen, belandt het stakingsrecht in de prullenbak.
  • In “belangrijke openbare diensten” zal naast een meerderheid van stemmen ook minstens 50 procent van alle stemgerechtigden vóór actie moeten stemmen, tegenover 40 procent nu.
  • De vakbonden zullen een stakingsactie voortaan vier in plaats van twee weken op voorhand moeten aankondigen.
  • Wanneer een stemming groen licht geeft voor een stakingsactie, zal die beperkt blijven tot één stakingsactie binnen de zes maanden die door die stemming gedekt is. Is er meer actie nodig, dan moet er opnieuw gestemd worden. Een vakbond die dus eendagsstakingen wil organiseren, zal voor elke dag een nieuwe stemming moeten organiseren. De vakbonden zullen daardoor de voorkeur geven aan langere stakingsperioden.
  • Het aantal deelnemers aan een piket zal beperkt worden. Hoe er van de vakbonden kan verwacht worden dat zij het aantal mensen (of parlementsleden) die de piketten komen steunen zullen controleren, is vooralsnog niet duidelijk.
  • Piketten in de buurt van locaties met “essentiële nationale infrastructuur” zullen aan banden gelegd worden. Dit zal opnieuw de werkers van sleutelsectoren treffen. Verpleegsters zullen geen piketten kunnen vormen aan hun ziekenhuis, leraars niet aan hun school, spoorwegarbeiders niet aan hun stations enzovoort.
  • Er komt een verbod op opruiende en intimiderende taal aan de piketten. Dit is wat vreemd aangezien dat al tientallen jaren verboden is.
  • Online intimidatie is verboden. Waarom de huidige bescherming tegen online intimidatie ondoeltreffend is bij geschillen tussen werkgevers en werknemers maar niet nodig is in andere situaties, daar hebben we het raden naar.
  • De werkgevers zullen voortaan de lopende collectieve onderhandelingen mogen omzeilen en hun werknemers rechtstreeks een aanbieding doen. Het huidige verbod op zulke rechtstreekse aanbiedingen dateert van de Wilson en Palmer-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit 2002 die het recht op collectieve onderhandelingen handhaafde.
  • De stembrieven moeten niet alleen de geschilpunten vermelden (zoals nu het geval is) maar ook het antwoord van de werkgever erop.

Ook Liz Truss, de tweede kandidaat-premier, doet een duit in het zakje met het voorstel van een aangepaste minimum dienstregeling voor de “essentiële nationale infrastructuur” en aangepaste minimumdrempels voor stakingsacties. Het is niet duidelijk of Shapps haar daarin volgt. “Essentiële nationale infrastructuur” is wellicht hetzelfde als Shapps’ “belangrijke openbare diensten”.

Voor alle sectoren zou volgens Truss de huidige minimum vereiste van 40 procent van de stemgerechtigden moeten worden opgetrokken naar 50 procent. En er is meer. Net als Shapps wil Truss ook dat stakingen vier weken op voorhand worden aangekondigd. Ze maakt het wel niet zo bont als Schapps: in haar voorstel zal actie binnen de limiet van zes maanden een bepaald aantal keren toegestaan worden (met, naar het schijnt, afkoelingsperiodes tussenin). Afwachten welk van de twee voorstellen het zal halen.

Maar de kers op de taart is toch wel haar voorstel om de vakbonden te verbieden stakersgeld te betalen uit hun eigen fondsen (m.a.w. de bijdragen van de leden). Shapps heeft daar blijkbaar niet op gereageerd. Al die maatregelen zijn schendingen van de internationale wetgeving die door het Verenigd Koninkrijk is goedgekeurd en ook bindend is. Maar de vakbonden en werkers gaan niet zitten wachten op advocaten om die maatregelen aan te vechten. Ze zullen de blok erop leggen. Solidariteit nu! Genoeg is genoeg!

Bron: DeWereldMorgen

Eten of je huis verwarmen? Stevenen we af op een winter vol protest in Europa?

Europa staat deze winter voor een grote sociale test, zeggen experts. Aangewakkerd door de stijgende energie- en voedselprijzen uiten burgers in België, Groot-Brittannië of Spanje steeds vaker hun ontevredenheid. Deze sociale onrust wordt versterkt door een ontwricht klimaat en de oorlog in Oekraïne die nog steeds voortduurt.

De Britse burgerorganisatie Don’t Pay UK roept mensen op om vanaf 1 oktober de energierekening te boycotten, terwijl de door de vakbond gesteunde campagne Enough is Enough half augustus een reeks demonstraties en acties op gang bracht waarin werd opgeroepen tot betere lonen, plafonds voor huurprijzen, een rijkentaks en goedkopere energie en voeding.

De energiecrisis en de stijgende prijzen voor levensmiddelen heeft er in heel Europa er toe geleid dat werknemers in België, maar ook in onder meer Frankrijk en Spanje in staking zijn gegaan in sectoren als het openbaar vervoer, de gezondheidszorg en de luchtvaart. Telkens horen we dezelfde verzuchting: mensen hebben hogere lonen nodig om het hoofd te bieden aan de torenhoge inflatie.

Klimaatneutraal continent

Ondertussen heeft de Europese Unie zich ertoe verbonden de Russische invoer van fossiele brandstoffen met twee derde te verminderen en de vraag naar gas tegen het einde van het jaar met 15 procent te doen dalen. Vóór de oorlog in Oekraïne was er al het Europese doel om in 2050 het eerste klimaatneutrale continent te worden.

De druk op de olie- en gasimport uit Rusland, na de invasie van Oekraïne in februari, heeft landen ertoe gedwongen om de energiekloof te dichten door een mix van energie-efficiëntiemaatregelen: het opstarten van oude kolencentrales tot het stimuleren van een versnelde transitie richting hernieuwbare energie.

Sommige economen zeggen dat de noodzaak om de elektriciteit en verwarming tijdens de komende wintermaanden draaiende te houden in Europa, belangrijker is dan de doelstellingen op middellange tot lange termijn om meer schone energie op te wekken en de klimaatverandering af te remmen.

Black-outs

“Niemand is gebaat bij black-outs”, sprak Simone Tagliapietra, senior fellow bij de Brusselse denktank Bruegel. Ze voegde daaraan toe dat alle opties moeten worden overwogen om dat scenario te vermijden, “inclusief de vervuilende”.

Klimaatactivisten willen echter dat regeringen fossiele brandstoffen radicaal de rug toekeren, dat ze meer gaan investeren in energie-efficiëntie en meer hernieuwbare energiebronnen toevoegen aan hun energiemix.

Welke route ze ook kiezen, de komende winter zal geteisterd worden door sociale onrust, waarschuwt Naomi Hossain, professor ontwikkelingspolitiek aan de American University in Washington D.C. die energie-, brandstof- en voedselprotesten bestudeert.

Volgens haar voorzichtige schatting hebben er sinds afgelopen november wereldwijd al tienduizend van dergelijke protesten plaatsgevonden, – en met deze onzekere toekomst, worden er meer verwacht, stelt ze. “Mocht ik een politicus zijn zou ik me echt zorgen maken.”

Besparingen

Geconfronteerd met de dreiging van stroomuitval, hebben de EU-landen een reeks efficiëntiemaatregelen ingevoerd om de energierekening te verlagen. De jaarlijkse inflatie bereikte een recordhoogte van 8,9 procent – daarvan ongeveer 4 procentpunten als gevolg van de duurdere energie.

Spaanse burgers moesten de hitte uitzweten tijdens deze zinderende zomer, nadat de regering had bevolen om de airconditioning in openbare gebouwen, hotels, restaurants en winkelcentra niet koeler in te stellen dan 27 graden Celsius.

Frankrijk richt zich ondertussen op ‘energiezuinigheid’ met maatregelen die tegen het einde van de zomer worden gelanceerd, waaronder het ‘s nachts dimmen van de verlichting van openbare reclameborden en het beboeten van winkels die hun deuren openlaten terwijl de verwarming of de koeling aanstaat.

Duitsland, de EU-staat die het meest afhankelijk is van Russische brandstof, heeft in de winter verwarmingsmaxima van 19 graden Celsius aangekondigd voor openbare gebouwen en openbare zwembaden, terwijl steden als Augsburg overwegen om bepaalde verkeerslichten uit te schakelen.

Dergelijke inspanningen maken deel uit van een breder streven van de Europese Unie om de vraag naar gas te verminderen. Het Europese blok wil voor het begin van de winter de bevoorrading versterken want vreest dat Rusland de gasleveringen verder zal beperken als een reactie op de financiële sancties van de EU.

Nog meer burgerprotest

Maar de energiebesparingen hebben de druk op de stijgende energierekeningen van gewone burgers nog niet kunnen verlichten, waardoor er voor de aankomende herfst nieuwe protesten op de planning staan van Madrid tot Londen.

Als mensen massaal gaan protesteren omdat ze hun basisbehoeften niet meer kunnen betalen – en dus moeten kiezen tussen zich verwarmen en eten – kan dat regeringen omverwerpen, zegt expert in sociale onrust Naomi Hossain.

“Vaak verandert een energieprotest in een politiek protest, zoals in Sri Lanka bijvoorbeeld, waar een opstand tegen een economische crisis in juli heeft geleid tot het afzetten van de president”.

Dergelijke onrust kan er echter ook toe leiden dat extreemrechtse of -linkse partijen “de politieke energie van ontevredenheid gaan recupereren”, terwijl centristen meer terughoudend zullen zijn tegen prijscontroles of het uitbreiden van de openbare diensten, vult ze aan.

Energie-inflatie

Cassie Sutherland van C40 Cities, een netwerk van grote steden die aandringen op snelle actie tegen klimaatverandering, zegt dat maatregelen nodig waren om de impact van energie-inflatie op te vangen en tegelijkertijd de uitstoot snel genoeg te verminderen om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden Celsius, zoals overeengekomen in het Klimaatakkoord van Parijs van 2015.

Sutherland roept op tot een beleidsfocus op “steun, het aanpassen van oude systemen en hernieuwbare energie”. Concreet moet dat volgens haar worden: financiële steun voor de armen, het upgraden van gebouwen om energie te besparen – te beginnen met sociale huisvesting, en het opschalen van investeringen in wind-, zonne- en andere hernieuwbare energiebronnen.

C40 Cities dringt er bij de Europese Commissie op aan zich te engageren voor de renovatie van zes miljoen woningen in het komende jaar, waardoor het huidige percentage van de duurzame renovatie van woningen zou stijgen van 1 naar 3 procent.

De Europese consumentenorganisatie BEUC is het ermee eens dat landen ambitieuze renovatieplannen moeten uitrollen om gezinnen te beschermen tegen de volatiliteit van de energieprijzen. “De goedkoopste energie is nog steeds de energie die we niet verbruiken”, zegt BEUC-directeur-generaal Monique Goyens. “Gezien de recente ontwikkelingen is nog langer wachten echt geen optie meer”.

Pragmatisme of snellere transitie?

Naarmate de schrik over de energieonzekerheid toeneemt, hebben Duitsland, Italië, Oostenrijk en Nederland aangegeven dat ze zullen toestaan dat kolencentrales opnieuw openen of hun activiteiten te verlengen.

Pragmatisme drijft de beslissingen om vervuilende energiecentrales nieuw leven in te blazen, zegt Tagliapietra, eraan toevoegend dat zonder noodmaatregelen de economische en sociale gevolgen “verwoestend” kunnen zijn.

Maar groene stemmen beweren dat dit vertrouwen in fossiele brandstoffen om de stroom aan te houden, zelfs op korte termijn, de crisis in de energieprijzen juist zal verergeren en de uitstootreducties in gevaar brengt.

“Het leidt tot aanhoudende problemen met prijsschommelingen”, zegt Sutherland “en die zullen de meest kwetsbare gezinnen het hardst treffen. Verder zal het vasthouden aan fossiele brandstoffen ook de CO2-uitstoot verhogen, waardoor klimaatdoelen in gevaar komen.”

Een nieuw rapport van de Climate Crisis Advisory Group (CCAG), een panel van 16 internationale klimaatexperts, roept regeringen op om de energiecrisis aan te wenden om de uitstoot van broeikasgassen “diep en snel” te verminderen en de overstap naar hernieuwbare energiebronnen te versnellen.

“Als we die richting uitgaan, creëren we een veiligere toekomst”, meent CCAG-voorzitter David King.

Hij erkent dat het wel enkele jaren duurt voordat nieuwe zonne- en windprojecten operationeel zijn – en ze vandaag dus niet op tijd zullen zijn om het energietekort deze winter aan te pakken.

Kopzorgen voor de politiek

Ondertussen zou de financiële pijn van de stemgerechtigden tot kopzorgen moeten leiden bij het Europese politieke establishment, zegt Hossain. Ze dringt er bij regeringen op aan om te luisteren naar wat er op straat gebeurt en te reageren met maatregelen om de pijn van de burger te verzachten.

“Tot zolang mensen het gevoel hebben dat ze worden gehoord, zie ik geen reden voor hen om te stoppen met protesteren”, concludeert ze.

Bron: DeWereldMorgen

Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 3

Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 3

Principe 6: haal de regelgevers aan boord

De tak van het bedrijfsleven die moet beregeld worden, heeft de regelgevers in zijn zak. Dat is bijna een natuurlijk gegeven. De regelgevers weten immers maar al te goed dat ze er wel bij zullen varen als ze zich tijdens het uitvoeren van hun ambt min of meer schikken naar de wil van de machthebbers. Het gaat zelfs zo ver dat lobbyisten in dienst van de banken de wetten van de financiële regelgeving schrijven.

In 1933 wordt de Glass-Steagall Act uitgevaardigd. Deze wet werpt een muur op tussen de commerciële banken (deposito’s gegarandeerd door de staat) en de investeringsbanken (geen staatsgarantie). De muur belet dat het spaargeld van de Amerikaanse burger kan gebruikt worden voor speculatieve doeleinden.

In 1999 slaan Robert Rubin (prominent lid van de Democratische Partij en op dat moment in functie als minister van Financiën onder Clinton) en zijn compagnons, samen met een aantal rechtse republikeinen, waaronder Phil Gramm, die muur met een voorhamer aan stukken. Resultaat: vanaf nu zijn risicovolle transacties van investeringsbanken gedekt door staatsgarantie. Tegelijk wordt komaf gemaakt met de regulering van derivaten (exotische financiële instrumenten).

Na zijn baan als minister van Financiën in het kabinet-Clinton werd Robert Rubin bestuurder van Citigroup, één van de grootste Amerikaanse banken. In de VS is het bijna standaard dat regeringsfunctionarissen van verschillende niveaus na hun job in de politiek werk vinden bij de financiële instellingen die ze – in theorie – hebben gereguleerd. Dit fenomeen heet ‘verkleving’.

In de jaren 70 van vorige eeuw begon lobbying een steeds grotere rol te spelen bij de pogingen van de zakenwereld om hun greep op de wetgeving te vergroten. Er ontstonden nieuwe denktanks, zoals bijvoorbeeld de Heritage Foundation, die vat wilden krijgen op het ideologische systeem.

Tijdens de jaren 50 en 60 van vorige eeuw waren er geen financiële crashes omdat de beschermende maatregelen onder de New Deal nog steeds golden. Tijdens de jaren 70 werd een begin gemaakt met de deregulering. In de jaren 80 volgden onder Ronald Reagan de eerste crashes (Continental Illinois, Savings and Loan Crisis). In beide gevallen was het de overheid die de brokken lijmde. Onder Clinton en George W. Bush ging de deregulering gewoon verder.

Na de Savings and Loan Crisis werden de schuldigen berecht. Na de financiële crisis van 2008 was dat niet het geval. De macht is nu zo geconcentreerd dat de banken niet alleen ‘too big to fail’, maar ook ‘too big to jail’ zijn. In de VS kunnen mensen nu van hun centen beroofd worden zonder dat iemand daarvoor wordt gestraft.

In een kapitalistische economie gaan investeerders die te veel risico nemen kopje onder. Ze gaan failliet. In de VS worden private financiële instellingen die op de fles gaan door de overheid gered. Hieruit volgt dat er in de VS geen sprake is van een kapitalistische economie. Ondertussen wordt er niets ondernomen om een herhaling te voorkomen. Op naar de volgende crash!

Er zijn in de VS economisten zoals Joseph Stiglitz en Paul Krugman (beide winnaars van de Nobelprijs voor Economie) die het niet eens zijn met de gevolgde koers. Maar ze worden nooit ofte nimmer geconsulteerd. De mensen die werden aangezocht om de crisis van 2008 aan te pakken, waren dezelfde als diegenen die ze hadden veroorzaakt (Rubin, Goldman Sachs).

Investeringsbanken doen aan risicoschatting maar kijken daarbij alleen maar naar zichzelf. Ze houden geen rekening met het ‘systemische risico’, het risico dat heel het systeem in elkaar stuikt als hun eigen zaakje misloopt.

De financiële crisis van 2008 werd veroorzaakt door verkopers van hypotheken. Grote hoeveelheden hypotheken werden verkocht aan mensen waarvan de verkopers wisten dat ze de hypotheek nooit zouden kunnen terugbetalen. De banken namen ze in hun portefeuille als MBS (waardepapieren gedekt door hypotheken). Die MBS werden in kleinere stukken verdeeld en verhandeld als CDO (schuldobligaties met onderpand). Aangenomen werd dat die techniek het risico zou beperken. Maar het omgekeerde was waar en toen het systeem met een tegenslag (de huizencrisis) werd geconfronteerd, waren de gevolgen niet te overzien.

‘Laat alles over aan de markt’ is de leus van het neoliberalisme. Maar dat is pure fictie. Reagan, het icoon van het neoliberalisme, voerde een protectionistisch economisch beleid. Ook kwam hij de banken in nood ter hulp met overheidsgeld in plaats van ze te laten opdraaien voor de kosten.

Paradox: in de VS vertrouwen de rijken op de staat om hen te redden als ze in de problemen komen; de armen wordt verteld dat ze niet op de staat moeten rekenen en de Amerikaanse Droom moeten najagen.

Principe 7: kaap de verkiezingen

Concentratie van rijkdom leidt tot concentratie van macht. In de VS is het de gewoonste zaak dat grote bedrijven de verkiezingen kopen. Het is niet eens onwettelijk. Daar gaat een hele geschiedenis aan vooraf:

  • Het begint bij de Amerikaanse grondwet. In het veertiende amendement staat dat iemands rechten niet mogen worden geschonden zonder rechtsgeding.
  • In de loop van de twintigste eeuw krijgen de bedrijven rechtspersoonlijkheid. Dat geeft ze bepaalde rechten die natuurlijke personen (mensen dus) ook hebben. Gevolg van deze evolutie is dat het veertiende amendement nu ook op bedrijven van toepassing is. De rechten van bedrijven mogen bijgevolg niet worden geschonden zonder rechtsgeding.
  • In 1976 doen rechters uitspraak in de zaak Buckley v. Valeo. Ze bepalen dat beperkingen op de verkiezingsuitgaven een inbreuk zijn op het eerste amendement van de Amerikaanse grondwet. Dat amendement garandeert de vrijheid van meningsuiting. Wie beperkingen oplegt aan de verkiezingsuitgaven, beperkt de hoeveelheid politieke communicatie. En dat is in strijd met het principe van de vrijheid van meningsuiting. In wezen zegt dit vonnis dat geld een vorm van vrije meningsuiting is.
  • In 2010 beslissen rechters in de zaak Citizens United v. Federal Election Commission dat het recht op vrije meningsuiting van bedrijven niet mag beperkt worden. De laatste obstakels voor bedrijven inzake beïnvloeding van de verkiezingen worden hiermee opgeheven.

Via hun financiële steun aan een presidentskandidaat kopen bedrijven invloed op de wetgeving. Eens hun kandidaat verkozen is, droppen ze hun juristen in wetgevende kringen om de wetgevers te ‘adviseren’.

Het is hoog tijd voor een derde, onafhankelijke partij. Maar ook dán is één keer om de vier jaar naar de stembus gaan niet voldoende als je een democratie wil die goed werkt. We moeten actieve volksbewegingen van de grond krijgen die niet alleen continu demonstreren en kandidaten onder druk zetten, maar ook werk maken van een kiessysteem dat die naam waardig is en zich voortdurend op alle niveaus met beleidszaken bezighouden.

Principe 8: laat het schorriemorrie in de pas lopen

Bij pogingen om het lot van gewone mensen te verbeteren, hebben arbeidsorganisaties altijd al de kar getrokken. Omdat ze een democratiserende kracht vormden en als zodanig een bedreiging voor de privileges van de machthebbers, werden ze fel bestreden. Het recht op vrije vereniging – het basisprincipe van de Internationale Arbeidsorganisatie – is nooit door de VS geratificeerd. Dat zegt iets over de diepe afkeer van vakbonden die de Amerikaanse elite en de Amerikaanse politiek typeert.

Na een terugval onder het repressieve beleid van president Woodrow Wilson in de jaren 20 begon de arbeidersbeweging in het midden van de jaren 30 aan een nieuwe opmars.

Franklin Delano Roosevelt was niet afkerig van progressieve wetgeving. Hij liet de vakbondsleiders verstaan dat, als ze maar genoeg druk zetten, hij hun eisen met alle plezier zou inwilligen. De zakenwereld van haar kant was verdeeld over de bepalingen van de New Deal. De wetten van de New Deal legden de basis voor de economische groei van na de Tweede Wereldoorlog.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog was voor de bedrijfswereld het sein om in de tegenaanval te gaan. Vakbonden werden belaagd. Er werden pogingen ondernomen om het onderwijssysteem en de sportfederaties over te nemen. Kerken werden geïnfiltreerd. Het publiek moest wantrouwig gemaakt worden tegenover de overheid, maar ook weer niet té, want het zakenleven had de overheid nodig voor eigen doeleinden.

Onder Reagan werd het alleen maar erger. Die maakte werk van het illegaal breken van stakingen. Tijdens zijn presidentschap verdrievoudigde het aantal onwettige ontslagen. George W. Bush deed er nog een schepje bovenop. Vandaag zijn nog maar 7% van de arbeiders in de privésector lid van een vakbond. Het is niet dat de arbeiders niet willen lid worden van een vakbond: ze kunnen gewoon niet.

Aan het begin van de Industriële Revolutie leidde wat toen de Nieuwe Tijdgeest werd genoemd – maak winst en vergeet daarbij alles behalve jezelf – tot woede onder de arbeiders. Die vonden dat er niet veel verschil was tussen werken in loondienst en slavernij. “Werkende mensen zouden de fabrieken moeten overnemen”, luidde de slogan van de grote arbeidsorganisaties in die tijd.

Het woord ‘klasse’ is net geen schuttingwoord in de VS. Mensen worden ongemakkelijk als ze het horen uitspreken. Het is nochtans vrij simpel: geef je orders of volg je ze op? Dat bepaalt namelijk tot welke klasse je behoort. De rijken hebben een hekel aan het woord, omdat het de nadruk op verschil legt.

Wat in de jaren 30 van vorige eeuw werd verwezenlijkt, dat kan opnieuw worden gedaan. De omstandigheden zijn nagenoeg dezelfde. Net als toen is er nu veel ongelijkheid en een grote mate van repressie. Maar we moeten het dóén. Het zal niet uit zichzelf gebeuren.

Principe 9: zorg ervoor dat ze het allemaal prima vinden

David Hume, een politiek filosoof uit de achttiende eeuw, schreef in een van zijn werken dat de macht in handen is van degenen die geregeerd worden. Daarmee bedoelde hij dat, als het volk zich bewust wordt van zijn macht, autoritaire en repressieve regeringen gedoemd zijn om te verdwijnen. Dat is een van de redenen waarom we in de VS die enorme PR-industrie hebben

In zijn boek “Propaganda” uit 1928 zegt Edward Bernays, in die tijd een toonaangevend intellectueel en een soort van goeroe, dat het land moet bestuurd worden door de ‘intellectuele minderheid’. Het volk mag niet de kans krijgen om te regeren, want dat neemt toch maar de verkeerde beslissingen. Tegelijk moet de ‘intellectuele minderheid’ ervoor zorgen dat het volk het eens is met haar beslissingen.

Dat doel kan je bereiken met afleidingsmanoeuvres. Reclame is zo’n afleidingsmanoeuvre. Reclame kan mensen doen geloven dat ze bepaalde dingen nodig hebben om gelukkig te zijn. Als mensen bezig zijn met consumeren, schenken ze geen aandacht aan de beslissingen van de ‘intellectuele minderheid’. Als ze zich bij het aanschaffen van consumptiegoederen in de schuld steken, dan hebben ze daar ook nog eens een kluif aan. Dan heb je ze als heerser over de horden helemaal tuk.

Reclame geeft geen informatie en is ook niet rationeel. Reclame wil ongeïnformeerde consumenten irrationele beslissingen doen nemen. Zonder reclame zouden mensen rationale beslissingen nemen. En dat zou de ‘intellectuele minderheid’ wel eens in de problemen kunnen brengen.

Verkiezingspropaganda is ook een vorm van reclame. Over echte verkiezingsthema’s praat die propaganda doorgaans niet. Door de aandacht van de kiezers van de essentie af te leiden en te richten naar bijkomstigheden, wil verkiezingspropaganda ongeïnformeerde kiezers irrationele beslissingen doen nemen, vaak tegen hun eigen belangen in.

Principe 10: marginaliseer het volk

Politiek wetenschapper Martin Gilens komt in één van zijn studies tot de conclusie dat het beleid niet aansluit bij de opvattingen van het volk maar bij de belangen van het bedrijfsleven. In een andere publicatie toont Gilens aan dat ongeveer 70% van de Amerikaanse bevolking op geen enkele manier op het beleid weegt. Ze zouden even goed op de maan kunnen wonen. De rijken daarentegen slagen er wel in om hun stempel op het beleid te drukken. Het volk is zich van deze wanverhouding bewust. Dat verklaart zijn vijandigheid tegenover allerlei organen en instanties (presidentschap, parlement, grote bedrijven, banken, zelfs de wetenschap).

Er is veel ongerichte woede. Er is veel diepe haat tegenover elkaar en tegenover kwetsbare groepen. Tegen hun eigen belangen in geven velen hun steun aan politici die niets om hen geven, die hen zelfs schade willen toebrengen. Toen het duidelijk werd dat Obama’s boodschap van ‘hoop en verandering’ weinig soelaas had gebracht, kreeg Trump veel stemmen van boze kiezers.

Veel Amerikanen zijn zwaar misnoegd. Het zijn vooral witte arbeiders uit de lagere middenklasse, slachtoffers van het neoliberalisme. Ze vinden dat hun land naar de haaien gaat en dat een ‘veralgemeende zij’ het hen ontfutselen. Er is grote behoefte aan een zinvol programma dat voorziet in hoognodige verandering. Als dat er niet komt, is de kans groot dat de situatie uit de hand loopt.

Op 8 november 2016 hadden er verkiezingen plaats in het machtigste land ter wereld. Door die verkiezingen kwam alle macht (de uitvoerende macht, het Congres, het Hooggerechtshof) in handen van de Republikeinse partij, de gevaarlijkste organisatie uit de wereldgeschiedenis. Dit is nauwelijks een overdrijving. Want wat zijn de gevolgen? Meer fossiele brandstoffen, nog meer deregulering, geen hulp aan ontwikkelingslanden die de stap naar duurzame energie willen zetten.

We stevenen in sneltreinvaart af op een enorme milieuramp. Volgens een artikel in de New York Times van een tijdje terug smelten de Arctische ijskappen sneller dan gesofistikeerde computermodellen hadden voorspeld. Het smelten van de Arctische ijskappen is van grote invloed op het klimaat. In hetzelfde artikel stond dat de Amerikaanse regering en het Amerikaanse bedrijfsleven met groot enthousiasme op het nieuws hadden gereageerd. In de van ijs bevrijde zones zou nu immers naar fossiele brandstoffen kunnen worden gezocht.

Volgens John Dewey, de toonaangevende sociale filosoof van het eind van de twintigste eeuw, kunnen we enkel komen tot een goed functionerende democratische maatschappij als alle sectoren – productie, handel en media – aan participatieve besluitvorming doen. Zolang dit niet het geval is, zal beleid niets anders zijn dan de schaduw die door het bedrijfsleven over de maatschappij wordt geworpen.

Autoritaire, dominante en hiërarchische structuren zijn niet vanzelfsprekend. Ze moeten zich rechtvaardigen. Als ze dat niet kunnen, moeten we ze afbouwen. We moeten ze reguleren, we moeten ze vragen waarom ze er eigenlijk zijn.

Als dingen veranderen, dan is dat omdat tal van mensen er op de werkplaats of in hun leefgemeenschappen voortdurend mee bezig zijn. Zo leggen ze de basis van volksbewegingen en die brengen veranderingen teweeg. Zo is het altijd gegaan. Als we nu bepaalde rechten genieten, zoals vrije meningsuiting bijvoorbeeld, dan is dat omdat activisten er ooit voor hebben gevochten.

Wat kunnen we doen? Zo goed als alles. We leven nog altijd in een vrije maatschappij. Die is er niet vanzelf gekomen, daar is hard voor gevochten. Als mensen zich organiseren, kan er veel worden verwezenlijkt. We moeten nieuwe manieren van politieke actie bedenken. Zoals wijlen mijn vriend Howard Zinn ooit zei: “Belangrijk zijn de talloze kleine acties van onbekende mensen. Zij leggen de basis voor de betekenisvolle gebeurtenissen die in de geschiedenisboeken terecht komen.”

Bron: DeWereldMorgen