Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 2

Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 2

Principe 3: gooi de economie om

In de jaren 50 en 60 van vorige eeuw zorgde het Bretton Woods-systeem, het financieel-economische systeem dat na de Tweede Wereldoorlog door de overwinnaars werd uitgewerkt, voor financiële stabiliteit. De banken werden gereguleerd onder de bepalingen van de New Deal, het sociaal en economisch hervormingsprogramma van president Roosevelt. Commerciële banken en investeringsbanken waren strikt van elkaar gescheiden. Tijdens de hele New Deal-periode waren er geen financiële crashes. In die naoorlogse jaren hadden ondernemingen en banken oog voor het welzijn van de Amerikaanse maatschappij. De Amerikaanse economie was nog grotendeels gebaseerd op productie. Er werd weinig of niet gespeculeerd.

Aan het begin van de jaren 70 ging de hele boel aan het schuiven. De winsten op industriële productie gingen in dalende lijn. Deels als reactie hierop nam het volume van speculatieve transacties met grote sprongen toe. Steeds meer werden aanzienlijke winsten gegenereerd met het spelen van financiële spelletjes. Vandaag zijn bedrijven als General Electric in de eerste plaats financiële instellingen. Het welzijn van de Amerikaanse samenleving is voor de bedrijven en de banken van weinig of geen tel meer. Eigenbelang primeert. Kortetermijnwinsten bepalen de financiële agenda.

Naast deze ‘vergeldelijking’ van de economie was ook de delokalisatie een belangrijke gamechanger tijdens het laatste kwart van vorige eeuw. Meer en meer verhuisde de productie naar landen waar arbeid veel goedkoper en veel minder gereglementeerd was. Met als gevolg dat de Amerikaanse arbeider nu moet concurreren met de in extreme mate uitgebuite Chinese arbeider.

In de VS is de werkeloosheidsgraad in de verwerkende industrie nu ongeveer even groot als tijdens de Grote Depressie. Met dit verschil dat die jobs niet meer terugkomen, zoals na de Grote Depressie gebeurde, maar voor altijd verloren zijn. Arbeiders die wél nog werk hebben, stellen onder deze omstandigheden geen al te hoge eisen. Ze doen niet moeilijk als de baas hen vraagt om meer uren te kloppen. Desnoods maken ze schulden om het hoofd boven water te kunnen houden.

De grote Amerikaanse bedrijven maken het leeuwendeel van hun winsten in het buitenland. Daardoor zijn ze minder betrokken bij de situatie op het thuisfront en ook minder bereid om een deel van de lasten van de Amerikaanse samenleving op zich te nemen. Die lasten komen steeds meer op de schouders van het Amerikaanse volk.

Alleen de Amerikaanse burger kan deze evolutie een halt toeroepen. Als velen zich verontwaardigen over deze gang van zaken en hun ongenoegen laten blijken, dan kan dat leiden tot reglementering van de banken. Dan kunnen we financiële instellingen verantwoording laten afleggen aangaande hun economisch nut.

Waarom neemt het management altijd de belangrijke beslissingen? Waarom wordt het beleid van een bedrijf niet bepaald door de werknemers, door de gemeenschap? Ten tijde van de bankencrisis van 2008 werd de Amerikaanse auto-industrie nagenoeg genationaliseerd. Toen had het publiek bepaalde keuzes kunnen maken. Gaan we nog auto’s produceren? Of steken we die centen in een efficiënter openbaar vervoer? Maar er was geen actieve mobilisatie, en dus kwam de sector uiteindelijk weer in handen van dezelfde private eigenaars.

Principe 4: verleg de lasten

Tijdens de jaren 50 en 60 van vorige eeuw was er sprake van grote economische groei. Zowel de arbeider als de CEO pikten daar een graantje van mee. Er kwamen betere sociale voorzieningen. Het bedrijfsleven toonde zich van dichtbij betrokken bij de levensvoorwaarden van de Amerikaanse consument.

De situatie is volledig omgeslagen. Het Amerikaanse bedrijfsleven slijt zijn producten op de globale markt en heeft vrijwel geen belangstelling meer voor de thuissituatie. De beleidsmakers hebben geen langetermijnvisie meer. In hun ogen is de rol van de overheid drieledig: voorzien in subsidies voor onderzoek en ontwikkeling, redden van het bedrijfsleven in geval van een crash en uitbouwen van een sterk leger om de wereld te kunnen blijven domineren. Maar daar houdt het ook op. De zorg voor de bevolking en de bekommerdheid om het lot van de komende generaties behoren volgens de logica van de huidige politieke kaste niet tot het takenpakket van de overheid.

In de jaren 50 en 60 van vorige eeuw moesten rijken en bedrijven relatief veel belastingen betalen. Nu is er een tendens om rijken en bedrijven steeds minder te belasten – dividenden worden bijvoorbeeld niet belast – en hogere belastingen te heffen op inkomens en consumptiegoederen. General Electric betaalt geen belastingen.

De ‘politieke revolutie’ die Bernie Sanders tijdens zijn campagne in 2016 voorstond, zou Dwight Eisenhower, president van de VS van 1953 tot 1961, niet hebben verontrust. Wat eens normaal en algemeen geldig was, wordt nu radicaal en extremistisch bevonden. Het hele politieke spectrum is naar rechts opgeschoven. De Democraten van nu zijn eerder gematigde Republikeinen. De Republikeinen zijn zo hard naar rechts opgeschoven dat ze eigenlijk buiten het politieke spectrum vallen. Strikt gesproken is de Republikeinse Partij geen politieke partij meer. Om aan stemmen te geraken, bakt ze zoete broodjes met evangelisten, nativisten, racisten en de slachtoffers van de globalisatie.

Er is nood aan massamobilisatie om verandering in de zaak te brengen.

Principe 5: maak komaf met solidariteit

De rijken ervaren solidariteit als een bedreiging omdat ze mensen verenigt.

De sociale zekerheid wordt gefinancierd met overheidsgeld en drijft op solidariteit. Daarom willen de rijken haar financieel droogleggen. Als er bij gebrek aan fondsen geen door de overheid georganiseerde sociale zekerheid meer is, dan zal dat leiden tot hevige protesten vanwege de bevolking. En dan springt de private sociale zekerheid in de bres en speelt ze de reddende engel.

Ook het openbaar onderwijs staat in het teken van solidariteit. Meer en meer ligt het onder vuur. In meer dan de helft van de staten wordt het onderwijssysteem niet gefinancierd door de overheid maar met schoolgeld. In de jaren 50 en 60 van vorige eeuw was het openbaar onderwijs gratis, ook al was de maatschappij toen armer dan de onze vandaag. Je kon ook heel makkelijk aan een studiebeurs geraken. Al moet voor de volledigheid gezegd dat in die tijd zwarten door allerlei racistische obstakels heel moeilijk de weg vonden naar het openbaar onderwijs. Onze veel rijkere maatschappij van vandaag beweert geen geld te hebben voor openbaar onderwijs. Dat is larie. Mexico, toch niet bepaald een land dat bulkt van het geld, heeft een meer dan degelijk systeem van hoger onderwijs, en het is gratis. Laten we het openbaar onderwijs weer uitbouwen en gratis maken! Het kan. De economie zal er alleen maar beter van worden.

In de VS is de gezondheidszorg grotendeels in privéhanden. Miljoenen Amerikanen hebben geen ziekteverzekering omdat ze de premies van de private gezondheidszorg niet kunnen betalen. Medicare (overheidsorganisatie inzake gezondheidszorg) staat onder constante druk. Er wordt hard gelobbyd om de gezondheidszorg in de VS volledig te privatiseren. Volgens de tegenstanders kost Medicare handenvol geld en is dat een van de hoofdoorzaken van het Amerikaanse begrotingstekort. Maar de kosten voor Medicare swingen alleen maar de pan uit omdat de organisatie moet samenwerken met het net van geprivatiseerde en ongereglementeerde gezondheidszorg. Dat maakt het allemaal bijzonder inefficiënt en duur. Ook de farmaceutische industrie maakt deel uit van het probleem. De VS zijn waarschijnlijk het enige land ter wereld waar het de regering bij wet verboden is om te onderhandelen over de prijs van geneesmiddelen. Er is één uitzondering: de Veterans Administration. Voor oorlogsveteranen liggen de prijzen van geneesmiddelen gevoelig lager. De Veterans Administration is een overheidsorganisatie. Ze werkt veel efficiënter dan de private firma’s. Als de gezondheidszorg in de VS integraal door de overheid zou gerund worden, zoals in vele andere landen ter wereld het geval is, dan zou er waarschijnlijk geen sprake zijn van een tekort op de overheidsbegroting, maar van een overschot. En laten we wel wezen: het zijn vooral de exorbitante militaire uitgaven die stevig inhakken op de Amerikaanse begroting.

Het tekort op de overheidsbegroting wordt vaak naar voren geschoven als het grootste probleem waarmee de VS thans te kampen hebben. Maar wie goed toekijkt, ziet dat de werkeloosheid nog een veel groter probleem is. Werkeloosheid is het grootste humanitaire probleem in de VS momenteel. De gevolgen op menselijk vlak zijn dramatisch. Ook is er grote economische schade omdat heel wat potentieel gewoon niet wordt benut. Deze situatie is wraakroepend, want eigenlijk is er helemaal geen gebrek aan werk. Overal zijn ingrijpende infrastructuurwerken meer dan nodig.

Bron: DeWereldMorgen

Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 2

Boekrecensie – Ronald Decelle – deel 1

Requiem voor de Amerikaanse Droom – Noam Chomsky – deel 1

Het boek ‘Requiem for the American Dream’ is gebaseerd op de gelijknamige documentaire uit 2015. In 2019 verscheen bij uitgeverij Ten Have een Nederlandse vertaling met als titel ‘Het einde van de Amerikaanse Droom – De 10 Principes voor de Concentratie van Rijkdom en Macht’.

Een commentaar op de Amerikaanse Droom

De Amerikaanse Droom – wie doorzet, wordt vanzelf rijk – is grotendeels een mythe. Immigranten die in de tweede helft van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw uit Europa naar Amerika kwamen, konden er tot een hoger niveau van welstand en vrijheid komen dan mogelijk ware geweest in hun land van herkomst. Maar dat in de VS iedereen zomaar rijk kan worden en dat wie onderaan de sociale ladder blijft bengelen dat alleen maar aan zichzelf te danken heeft, dat is larie en apekool.

Tijdens de Grote Depressie (eind jaren 20 en de volledige jaren 30 van vorige eeuw) zag de sociale toestand in de VS er allesbehalve rooskleurig. Maar er heerste een zeker optimisme, een gevoel van ‘we geraken er wel uit’. De opkomst van de vakbonden stemde de kleine man hoopvol. Er was licht aan het eind van de tunnel. Toen na de Tweede Wereldoorlog de economie weer begon te groeien, profiteerden alle lagen van de bevolking van de toegenomen rijkdom.

Vandaag ontbreekt elk optimisme. De sociale mobiliteit in de VS is momenteel lager dan die in Europa. Er is meer ongelijkheid dan ooit tevoren. Politici beloven beterschap en refereren hierbij aan de Amerikaanse Droom. Het geloof in die mythe moet levend gehouden worden om perspectief te bieden aan de middenklasse. Maar de waarheid is dat er zich gedurende de afgelopen dertig jaar een radicale verschuiving in het sociaal-economische beleid van de VS heeft voltrokken. Tegen de wil van het volk, en met enorme winsten voor de superrijken als gevolg.

De Amerikaanse Droom is oogverblinding, propaganda. Op de schroothoop ermee, voor eens en voor altijd. Want de situatie is dramatisch. Alles ligt op zijn gat.

Inleiding

Concentratie van rijkdom leidt tot concentratie van macht. Neem nu de verkiezingen. Verkiezingscampagnes kosten handenvol geld. Om verkozen te kunnen geraken, zijn presidentskandidaten afhankelijk van giften van grote bedrijven. Die zijn zeer toeschietelijk. Om hun potentiële goudhaantje aan de macht te helpen, kijken ze niet op een dollar. Als dame Fortuna hen toelacht en de door hen gefinancierde kandidaat het Witte Huis haalt, is het voor die grote bedrijven terugverdientijd. Door hun goede relaties met het politieke bestel lukt het hen beleidsmaatregelen door te drukken die in hun voordeel zijn. Dat kan bijvoorbeeld gaan om meer deregulering, of om ingrepen op de fiscale wetgeving … Zo worden ze nog rijker. En krijgen ze nog méér macht. Het is een vicieuze cirkel.

In zijn boek ‘The Wealth of Nations’ uit 1776 noemde Adam Smith kooplui en fabrikanten de ‘masters of mankind’ (heersers over de mensheid). Vandaag zijn dat de financiële instellingen en de multinationals. Die scharen zich eensgezind achter de ranzige leus: “Alles voor ons en niets voor alle anderen”. Ze kijken alleen maar naar het eigen voordeel. En zolang er vanuit het grote publiek geen reactie komt, zullen ze dat blijven doen.

Principe 1: beperk de democratie

Democratie legt de macht in de handen van het volk. Doorheen de geschiedenis werd dat idee door de machthebbers en de geprivilegieerden zelden op applaus onthaald.

James Madison, een van de voornaamste auteurs van de Amerikaanse grondwet en vierde president van de VS, was een aristocraat. Hij vond democratie geen goed idee. Hij zag ze als een bedreiging voor de gefortuneerden. Volgens hem moest het schip van staat gestuurd worden door een speciale klasse van vooraanstaanden en geprivilegieerden. Daarom legde hij de macht grotendeels in de handen van een niet-verkozen Senaat. Het Huis van Afgevaardigden stond dichter bij het volk maar had weinig in de pap te brokken. Het volk moest onder de duim gehouden worden door middel van repressie en door verdeeldheid te zaaien.

Thomas Jefferson, derde president van de VS, was een democraat. Hij vond dat de macht aan het volk toekwam en dat er iets moest gedaan worden aan het probleem van de ongelijkheid.

Dit schisma – aristocraten versus democraten – loopt tot op vandaag doorheen de hele Amerikaanse geschiedenis.

Aristoteles schreef de ‘Politika’, het allereerste boek dat handelt over politieke systemen. Hoewel hij net als Madison een aristocraat was en vond dat de democratie moest beperkt blijven tot vrije mannen, was hij tegelijk voorstander van minder ongelijkheid. Door bepaalde tegemoetkomingen aan het volk – het verstrekken van maaltijden bijvoorbeeld – wilde hij verhinderen dat er opstanden uitbraken. Met enige goede wil zou je kunnen zeggen dat deze benaderingswijze overeenkomt met de idee van de welvaartstaat.

De Amerikaanse geschiedenis verloopt in fases. Tijden van sociale vooruitgang (zoals de jaren 50 en 60 van vorige eeuw) en tijden van stagnatie en achteruitgang (zoals de afgelopen 30 jaar) wisselen elkaar telkens weer af.

De democratiseringsgolf van de jaren 60 van vorige eeuw – vrouwenrechten, burgerrechten, het verzet tegen de oorlog in Vietnam – leidde tot grote paniek bij de gevestigde orde. De reactie zou niet uitblijven. Het volk moest koste wat kost weer in het gareel gedwongen worden. De geest van de democratie moest weer in de fles.

Principe 2: herzie de ideologie

In de jaren 70 van vorige eeuw lanceerde het bedrijfsleven een groot offensief om de opmars van het egalitarisme een halt toe te roepen.

In 1971 schreef Lewis F. Powell het ‘Powell Memorandum’, een vertrouwelijk memorandum aan de voorzitter van de onderwijscommissie van de Amerikaanse Kamer van Koophandel. Hierin stelde Powell dat de kapitalistische klasse de meest vervolgde van de VS was. Volgens hem had het zakenleven de controle over de maatschappij verloren en moest het democratiseringsproces hoe dan ook worden gestopt. Om dat doel te bereiken, moesten volgens Powell de bedrijven hun economische macht gebruiken. Powell zei eigenlijk: “Wij hebben het geld, wij zullen ervoor zorgen dat het volk zich weer aan discipline onderwerpt.”

In 1975 verscheen ‘The Crisis of Democracy’, een rapport van de Trilaterale Commissie. Deze commissie bestond uit liberale internationalisten uit de drie grootste kapitalistische industrielanden van toen: de VS, Europa en Japan. Het rapport stelde vast dat steeds meer mensen zich begonnen te organiseren en aan politiek begonnen te doen. Die overdaad aan democratie werd toegeschreven aan het feit dat de instanties die normaal moesten zorgen voor de ‘indoctrinatie van de jongeren’ – scholen, universiteiten, kerken – schromelijk tekortschoten in hun taak. Daardoor kwam het systeem onder te grote druk te staan. Het rapport kwam tot de conclusie dat de democratiseringsgolf dringend moest bedwongen worden om te voorkomen dat het systeem in elkaar zou storten.

Vanaf de jaren 70 van vorige eeuw onderging het onderwijssysteem in de VS een aantal ingrijpende wijzigingen:

  • Het schoolgeld werd voortdurend opgetrokken. De bedragen zijn nu belachelijk hoog. Hierdoor is voortgezet onderwijs voor veel jongeren geen optie meer. Studenten van wie de ouders een eerder bescheiden inkomen hebben, kunnen een studielening afsluiten. Dat systeem zadelt studenten op met torenhoge schulden. Wie afstudeert, kan daarom maar beter meteen op zoek gaan naar een goed betalende job. De studieschulden blijven gewezen studenten hoe dan ook levenslang boven het hoofd hangen.
  • In de lagere school kwam de nadruk steeds meer op mechanisch talent te liggen en steeds minder op creativiteit en zelfstandigheid. Deze verschuiving is een vorm van controle en indoctrinatie.
  • Het aantal contractscholen is fors toegenomen. Contractscholen werken met overheidsgeld maar zijn in privéhanden. Ze presteren absoluut niet beter dan publieke scholen. Deze evolutie moet gezien worden als een poging tot ondermijning van het openbaar onderwijssysteem.

Er zijn geen documenten voorhanden die aantonen dat deze maatregelen kaderen in een gericht beleid. Maar je ziet wél welke kant het opgaat…

Wie kritiek heeft op dergelijke ingrepen wordt algauw ‘anti-Amerikaans’ genoemd. Kritiek op een beleidsmaatregel wordt meteen geduid als een aanval op de hele maatschappij. Eigenlijk is ‘anti-Amerikaans’ een totalitaire notie.

Wat Powell in zijn memorandum schreef, komt neer op het volgende: “Wij hebben het geld, wij moeten ervoor zorgen dat het volk weer in de pas loopt”. De Trilaterale Commissie dacht volgens dezelfde lijn. Ze vond ook dat de media de pedalen volledig kwijt waren en dat het aan de overheid was om daar wat aan te doen. Alleen het bedrijfsleven ontkwam over de hele lijn aan de kritiek van de Trilaterale Commissie. Agressief lobbyen, verkiezingscampagnes kopen, de uitvoerende macht infiltreren … En wat dan nog? Daar is toch niks mis mee? Goed gedaan, jongens!

Bron: DeWereldMorgen

Flik in hellhole Molenbeek

Flik in hellhole Molenbeek

De Ecolo-jongeren organiseerden op hun jeugdkampen ooit een spelletje waarbij het erop aankwam om een politieagent op de kop te slaan. Ze verspreidden ook stickers waarop de politie ondubbelzinnig van moord werd beschuldigd. Dat is de sfeer onder vele jonge Brusselaars die agenten niet meer zien als ‘onze beste vriend’, zoals onze legendarische Nonkel Bob ooit zong. Een vooraanstaand lid van de Brusselse politie zei ooit dat vroeger alles bedaarde als de politie eraan kwam en dan dit nu omgekeerd is: als de flikken verschijnen, leidt dat meteen tot een escalatie.

Eric Goens

Dat was goed te zien in de documentaires die Eric Goens maakte over de politie in de hoofdstad. In Flikken BXL volgde hij patrouilles van de zone Brussel-Elsene, die bij een actie tegen drugdealers werden uitgescholden door jonge kinderen. In die periode werden in Brussel ook affiches verspreid waarop de beste manier werd beschreven om een agent aan te vallen: met een messteek in de rug.

Toch schrijft Dennis Sutherland aan het begin van zijn boek Flik in Brussel, over zijn carrière van agent in de hoofdstad, dat zijn beroep het mooiste is dat er bestaat. Hij is commissaris van een van de zes Brusselse politiezones, de zone West, en werkt vanuit Molenbeek. Niet bepaald de gemakkelijkste gemeente. Ze kreeg na de aanslagen van 2016 het troetelnaampje ‘hellhole‘ mee van de toenmalige Amerikaanse president Donald Trump.

Sutherland was te zien in een andere documentaire, Niveau 4 waarin Eric Goens zijn korps volgde in de weken na de aanslagen in Brussel. Uitgever Borgerhoff vroeg hem nadien om een boek te schrijven over zijn twintig jaar bij de politie.

Doorleefde anekdotes

Het is de verdienste van Sutherland (hij dankt zijn familienaam aan zijn Canadese grootvader) om ons met zijn Flik in Brussel een doorleefd en authentiek beeld te geven van zijn werk. Als je dit boek leest, is het alsof je een lang gesprek hebt met een agent die zowat alles heeft meegemaakt wat er mee te maken valt. ‘Ik zie en beleef elke dag het hele strafwetboek op straat‘, luidt de ondertitel, en de auteur illustreert dat in korte, vlot geschreven hoofdstukken met heel veel sprekende anekdotes.

Verwacht dus geen diepgaande analyses: Sutherland opteert eerder voor een vlotte opsomming van soms hallucinante feiten, die vooral tonen hoe verscheiden zijn beroep is. Dat hij ondanks alle moeilijkheden en problemen nog altijd blij is met zijn job heeft alles met die onvoorspelbare afwisseling te maken. Zo krijgt hij zowel te maken met zwaar banditisme en drughandel als met burenruzies over nachtlawaai. Flik in Brussel gaat niet alleen over wilde achtervolgingen (waarvan Sutherland eerlijk zegt dat hij dat heel graag doet) maar ook over vervelende en banale klusjes die een goed politieman met evenveel inzet doet.

De man met het hoedje

Aan Dennis Sutherland is niet veel theorie of ideologie besteed; zijn ‘straatwijsheid’ is des te groter. Hoe goed hij thuis is in Molenbeek, blijkt alleen al uit het feit dat hij zowat iedereen lijkt te kennen. Tot en met de echt zware jongens zoals Mohammed Abrini, de man met het hoedje bij de aanslagen in Zaventem, en Salah Abdeslam. ‘Die woonden gewoon om de hoek van het commissariaat. We kenden ze maar al te goed. Als van sinds ze kind waren. Kleine boefjes die winkeldiefstallen en drugfeiten pleegden.’

Voordat Abrini zich definitief bekeerde tot het jihadisme, had Sutherland een gewoon contact met hem. Hij vertelde hem kort voor de aanslagen dat hij een nieuw liefje had en dat hij misschien vader zou worden. Pas op 22 maart 2016 bleek dat hij de hele tijd wel heel andere plannen had gehad. Sutherland is er ook van overtuigd dat de hele buurt in Molenbeek het onderduikadres van Abdeslam kende. Maar dat niemand wou dat zeggen, waardoor hij er vier maand lang kon rondlopen. ‘Dat hij bescherming kreeg uit de buurt is wel duidelijk’, stelt hij zonder aarzelen.

Sutherland verbaast zich erover en ergert er zich ook aan de al of niet gespeelde naïeve onwetendheid van ouders die niet willen zien of weten dat hun zoons criminele daden stellen. Hij hoedt er zich echter voor om de alle jongeren van Molenbeek over één kam te scheren: ‘Het is jammer genoeg een relatief kleine groep van een paar honderd probleemjongeren die het verpest voor de rest. Jongens die geen ontzag meer hebben voor de politie, die aan alles lak hebben, die stapje voor stapje groeien in hun criminele activiteiten.’

Politiezones

Sutherland waagt zich ook kort aan enkele reflecties over de zes politiezones van de hoofdstad. Niet weinigen menen dat die beter eengemaakt zouden worden. De auteur meent echter dat die ene zone niet noodzakelijk beter zou functioneren. Het is jammer dat hij niet ingaat op de logistieke kost van teveel hogere postjes en verkeerd gebruik van overheidsgeld. Zoals te zien is in de Zone Oost, waar door karig toezicht van boven liefst vijf commissarissen een wagen ter waarde van 20 000 euro kregen waarop ze geen recht hadden. Wie dan klaagt over een gebrek aan middelen is niet echt geloofwaardig.

Jammer ook dat Sutherland ietwat meewarig doet over Nederlandstaligen die niet gediend zijn met agenten die hun taal niet spreken. Hij lijkt het normaal te vinden dat Franstaligen het nooit nodig hebben gevonden om de taalwetten na te leven. ‘Als we alleen maar de agenten zouden aannemen die perfect tweetalig zijn, dan verliezen we de helft van ons korps.’ Met dat soort toegeeflijkheid van de Vlamingen werd Brussel in de vorige eeuw verfranst. Sutherland vertelt zelf dat hij al doende Frans geleerd heeft. Die voor Vlamingen vanzelfsprekende houding zou een evidentie moeten zijn voor al wie deel wil uitmaken van het politiekorps van een tweetalig gewest.

Bron: Doorbraak

De ontmaskering van de desinformatie

De ontmaskering van de desinformatie

Al vijftig jaar komen de doemscenario’s – dat de mens en onze planeet ten dode opgeschreven zijn – niet uit. Patrick Moore is als doorgewinterde wetenschapper en levenslange milieuactivist de aangewezen persoon om de leugens van de media, de politiek en de pseudo-wetenschap te ontmaskeren.

Dat doet hij in dit boek, in klare taal en met niet mis te verstane feiten. Toch is Moore een milieu-activist in hart en nieren.

Begin zeventiger jaren was Patrick Moore een van de sleutelfiguren van Greenpeace. En dit op basis van zijn wetenschappelijke achtergrond, zijn reputatie (als milieuactivist) en zijn vermogen om praktische, no-onzin inzichten in de discussies. Zo zegden medewerkers van Greenpeace zelf.

No-nonsens

Moore: ‘Op een dag besefte ik dat de meeste angstaanjagende verhalen in de media op onzichtbare zaken gebaseerd zijn, zoals CO2, of over dingen gaan die heel ver weg zijn, zoals ijsberen en koraalriffen.

De gemiddelde persoon kan dat niet zelf waarnemen en dus het waarheidsgehalte van die beweringen niet verifiëren. Hij moet erop vertrouwen dat de activisten, de media, de politici en de wetenschappers – die allemaal enorme financiële en/of politieke belangen hebben bij het onderwerp – de waarheid vertellen.’ Dat blijkt niet altijd zo te zijn.

Na vijftig jaar onderzoek als onafhankelijk wetenschapper en milieuactivist is dit boek Onzichtbare neprampen en verzonnen onheil een ontmaskering van de desinformatie en de leugens. Zo toont hij aan dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de mensheid een wereldwijde klimaatverandering veroorzaakt.

Omgekeerd

‘Wij mensen zijn inderdaad verantwoordelijk voor de recente stijging van het CO2-gehalte op aarde’, schrijft Moore. ‘Dat maakt ons (onbedoeld) de hoeders van het leven op aarde in plaats van de vernietigers ervan, omdat het CO2-gehalte rond 1900 nog op een historisch en gevaarlijk laag niveau was.’

De werkelijkheid is ook hier precies omgekeerd van wat men ons probeert wijs te maken.

De huidige stijging van het CO2-gehalte is bijzonder goed nieuws voor planten en dieren en zorgt al tientallen jaren voor een wereldwijde vergroening. ‘CO2 moet gevierd worden, niet gevreesd.’

Moore bewijst in zijn boek dat de zogenaamde ‘Groene stroom’ helemaal niet groen is, maar juist een enorme belasting vormt voor het milieu. De Amerikaanse natuurkundige William Happer, emeritus hoogleraar aan Princeton University zegt dat het klimaatbeleid een omgekeerde Robin Hood-strategie hanteert: “Je steelt van de armen en geeft het aan de rijken.”

Moore plaatst de huidige klimaatveranderingen in een historisch en wetenschappelijk perspectief dat duidelijk laat zien dat het klimaat van angst en schuld waarin we nu zitten, volstrekt onnodig is.

Onzichtbare neprampen en verzonnen onheil is deze week ons boek van de week, in klare taal en niet mis te verstane feiten. Verkrijgbaar in onze Doorbraak boekenwinkel tegen een tijdelijke voordeelprijs.

Rovers en predatoren in de energiemarkt

De huidige, alsmaar driftigere explosies van de prijzen op de groothandelsmarkten, voor gas en elektriciteit, die neerdwarrelen naar elke consument, tonen aan dat een bovengrens voor de prijzen alleen nog een illusie is. Een leverancier die niet-producent is, kan zich onmogelijk nog het risico veroorloven te moeten leveren aan onvoorspelbare prijzen.

Marginal-pricing-systeem in theorie

Groothandelsprijzen van meer dan € 500 per megawatt per uur voor elektriciteit zijn nu schering en inslag, vooral in Frankrijk. En niemand durft er nog een cent op te verwedden dat we de bovengrens inmiddels bereikt hebben. Met andere woorden: de elektriciteitsmarkt is ‘on fire’. We opereren gezamenlijk in een zogezegde Centraal-West-Europese (CWE) prijszone. Daarbij zijn markten aan mekaar gekoppeld en leiden ze tot één prijs voor de ganse prijszone. Dat is de theorie. De praktijk vandaag toont echter aan dat de markten zich steeds meer van elkaar loskoppelen en dat verschillende prijzen tot stand komen in de CWE-prijszone.

Vanuit de app Electricity Maps stelde ik op vrijdag 12 augustus 2022, om 12.00 uur, vast dat de output van de Belgische kerncentrales en zonne-energie ruimschoots volstonden om de Belgische behoeften te dekken. Maar we voeren ook veel uit naar Frankrijk en Duitsland, waardoor ook gascentrales in werking waren. Dit doet het marginal-pricing-systeem tot meerdere eer en veel glorie van de producenten functioneren als nooit tevoren. (Zie voetnoot.) We voeren uit naar Frankrijk, en daar is weinig tegen in te brengen. In het verleden voerden we veel in van Frankrijk. Europese interne marktwerking op haar best, althans volgens de theorie.

Prijzen en onderliggende kosten

Het resultaat daarvan is dat elektriciteitsprijzen gevormd worden rond de € 500 per megawatt per uur, en meer. Het resultaat is ook dat daarmee elk verband met de werkelijke kost, en al zeker met de marginale kost van de individuele productiemiddelen van het aanbod, volledig verdwenen is. De marginale kost van zonne-energie is zo goed als nihil en de marginale kost van nucleair bedraagt, injectiekosten inbegrepen, minder dan € 10 per megawatt per uur.

Er is, met andere woorden, een volledige systemische deconnectie tussen prijzen en onderliggende kosten. Als leverancier X een bestelling zou plaatsen bij producent Y en hem gewoon de prijs zou vragen, zou producent Y dan even onbeschroomd een prijs durven te vragen die uit een droomwereld komt? Niet dus, en laat ons dan gewoon het prijsplatform, beurs genaamd, overboord kieperen en terug handelen zoals vroeger, in het pre-beurs tijdperk. Een grotere financiële bonanza dan thans het geval is op de energiebeurs is moeilijk denkbaar.

Prijszettingssysteem moet op de schop

Er is nog meer. De gasvoorraden worden vandaag opgevuld om tijdens de winter te kunnen overleven. Die voorraden worden gevormd aan onwaarschijnlijke prijzen van rond de € 150-200 per megawatt per uur. In de winter zullen ze de voorraden vrijgeven. Dit doen ze om er — onder meer — elektriciteit van te produceren aan de voorspelbare prijs van rond de € 350-500 per megawatt per uur (150-200 x 2.5). Het feestje op het prijzenplatform zal dus nog ten minste enkele maanden aanhouden.

Promotoren van hernieuwbare energie — en dat zijn we toch allemaal — moeten beseffen dat de activering van één gascentrale in de prijszone aanleiding is voor torenhoge prijzen die niets meer te maken hebben met de goedkope zon, wind en kernenergie! Een reden temeer om het huidige prijszettingssysteem op de schop te gooien. En hoe groter die prijszone, hoe groter de schade aan het systeem.

Stapeling

Nog erger wordt de analyse van deze situatie wanneer men bedenkt dat de stapeling van de productiemiddelen, die ervoor zorgt dat het aanbod gelijk wordt aan de vraag, door niemand wordt gecontroleerd. Er is er niet een die zich bezighoudt met de controle en de verantwoording van de stapeling van de centrales.

Dit is niet zomaar een theoretische bedenking. Vanuit diezelfde app konden we namelijk vaststellen dat een park met windmolens van meer dan 5 gigawatt slechts voor 0.5 gigawatt aan vermogen werd ingezet. Terwijl gascentrales, wellicht meer dan nodig, werden ingezet, terwijl de windmolens nauwelijks in de stapeling van ‘productiemiddelen’ werden ingezet. Het marginale pricing system zou te grote schade oplopen voor de belanghebbende producenten bij de verhoogde inzet van windmolens: het zou namelijk de marktprijs doen instorten.

De consument zal bij de huidige praktijken verder en grondig gepluimd worden en een tsunami van onbetaalbare facturen kondigt zich aan, ook en vooral voor KMO’s.

Grote winst

In Frankrijk kondigde een oliemultinational spontaan een symbolische korting aan van 20 eurocent per liter aan de benzinepomp. Dit kwam na rapportering van een toename ten opzichte van voorgaande jaren van meerdere miljarden winst. In Duitsland sluit men alleen nog elektriciteitsleveringscontracten aan € 700 per megawatt per uur, en meer. Het Saoedische Aramco rapporteert een record-jongstekwartaalwinst van 48 miljard dollar. Zou het kunnen dat de gele hesjes aanstaande november-december noodzakelijkerwijs terugkomen?

Ingrijpen na de prijs- en winstvorming via een belasting op de overwinsten is geen optie omdat het te laat komt en niet ingrijpt in de wortel van het probleem. En dat probleem is het falende pricing system. Er moet dringend ingegrepen worden op de prijsvorming zelf en op het toezicht in de stapeling van productiemiddelen. En prijsmaxima zullen een maatschappelijke revolutie voorkomen.

Concurrentie tussen technologieën heeft onbedoelde en onberekenbare neveneffecten en nopen tot dringende herziening van het gevoerde prijsbeleid.

Voetnoot:

Om aan de vraag te voldoen worden langs de aanbodzijde de productiemiddelen ‘gestapeld’ totdat er voldoende aanbod is om aan de vraag te voldoen. Hierbij worden de productiemiddelen met de laagste variabele kosten (marginale kosten) eerst ingezet, en daarna de duurdere, totdat er voldoende aanbod is. De prijs wordt dan gevormd door de marginale kost van de marginale centrale, de laatste en dus duurste kost van al de centrales die ingezet worden.

In de praktijk is de gascentrale meestal de centrale die als laatste ingezet wordt. Hierdoor bepaalt de variabele kost (dit is de kost van het gas) van de gascentrale de facto ook de marktprijs. Ook binnen de groep van gascentrales zijn er goedkopere en duurdere, zodat het mogelijk is dat de modernste gascentrales ook nog bijkomend winst maken bij de inzet van oudere, minder efficiënte en dus duurdere gascentrales.

De ervaring heeft me geleerd dat bovenop de theoretische prijs (zoals hiervoor beschreven) nog een marge van € 10 per megawatt per uur en meer wordt gerealiseerd.

Bron: Doorbraak