‘Beste klant, houd uw mening voor uzelf’

Alles moet je tegenwoordig beoordelen. Van restaurants en kleding tot banken, supermarkten en koerierdiensten. ‘Die evaluatiedwang wordt niet alleen irritant, we hechten ook veel te veel waarde aan al die subjectieve meningen’, schrijft Knack-redactrice Ann Peuteman in haar column De Zoetzure Dinsdag.

Mijn mening is ontzettend belangrijk. Toch als ik mijn e-mails mag geloven. Ik heb de tijd nog niet gehad om de boodschappen uit te pakken of ik krijg al een bericht van de directie van de supermarkt die wil weten hoe tevreden ik ben over ‘mijn winkelervaring’. In mijn mailbox zit ook al een evaluatieformulier van Bpost over de levering van een pakje dat ik nog niet eens in het postpunt heb kunnen ophalen. Ondertussen maant de verkoper van de inhoud van datzelfde pakje (een zwarte poncho) me aan om een aantal sterren aan zijn koopwaar toe te kennen. Daarnaast wacht er ook nog zo’n mail van een kledingverkoper bij wie ik een cadeaubon voor heb gekocht, een garagist die graag wil weten hoe ik me bij het laatste onderhoud van mijn auto heb gevoeld, de producent van mijn wasmachine die polst naar het werk van zijn onderhoudstechnicus en mijn energieleverancier die heel graag wil dat ik mijn contact met de klantendienst beoordeel.

Nieuw is dat natuurlijk niet, maar het wordt wel steeds erger. Het gevolg is dat ik dat soort vragen haast nooit meer beantwoord. Alleen pikken veel bedrijven dat niet zomaar. Wanneer ik na een week nog altijd de moeite niet genomen om te laten weten hoe mijn nieuwe printerinkt me bevalt, komt er een herinneringsmail. ‘Uw mening télt’, klinkt het enigszins dwingend. Deze week kreeg ik zelfs een e-mail van een koerierdienst die begon met: ‘Wij hebben vastgesteld dat we uw mening over onze service nog altijd niet hebben ontvangen.’ Heu, willen ze nu excuses ofzo?

Nog niet zo lang geleden beloofden bedrijven je nog iets in ruil voor je moeite. Je maakte kans op een cadeaubon of je kreeg korting op je volgende aankoop. Daar zijn ze ondertussen helemaal van afgestapt. Tegenwoordig lijken bedrijven het de normaalste zaak van de wereld te vinden dat we onze aankopen systematisch beoordelen. Doen we dat niet, dan moeten we achteraf niet komen zeuren dat we niet tevreden zijn over hun service of koopwaar. Maar dat is niet het enige waarvoor zulke formulieren worden gebruikt. Ze hebben ook impact op de interne beoordeling, de eventuele promotiekansen en soms ook de vergoeding van callcentermedewerkers, verkopers, koeriers, onderhoudstechnici en loketbedienden. Dat is meteen de reden waarom medewerkers van een klantendienst aan het eind van een gesprek vaak vragen of je de evaluatiemail die je toegestuurd zal krijgen alsjeblief wil invullen.

Onlangs kreeg ik die vraag zelfs van een adviseur van de bank. ‘Ik vind het een beetje vervelend om u dat te vragen’, zei ze verontschuldigend. ‘Maar mensen beseffen vaak niet hoeveel daar voor ons van afhangt.’ Kijk, als iemand me zoiets vriendelijk vraagt, doe ik dat meestal. En dan geef ik ze doorgaans ook een lovende beoordeling. Wie weet denken ze dan nog eens aan mij als ze aan het eind van het jaar een dikke bonus krijgen. Of tenminste toch niet worden ontslagen.

Dat klantvriendelijkheid in zoveel sectoren aan belang heeft gewonnen, is natuurlijk een heel goede zaak. Maar tegenwoordig gaat het soms te ver. Niet alleen wordt die evaluatiedwang op den duur ontzettend irritant, het is ook niet zonder risico om dienstverlening en zelfs een deel van het personeelsbeleid van de vaak erg subjectieve meningen van klanten te laten afhangen. Mijn mening ís niet altijd belangrijk. En de uwe ook niet.

Vorige week, bijvoorbeeld, belde een koerier aan. Nog voor ik de voordeur had opengedaan, was hij alweer weg. Op de stoep, in de hevige regen, stond een zware kartonnen doos met boeken. Ik stapte naar buiten, tilde de doos op en voelde meteen een hevige pijnscheut in mijn onderrug. Toen ik even later doorweekt en met een pijnlijke rug weer achter mijn computer zat, kreeg ik een e-mail van de koerierdienst. Dat ik net een pakje had ontvangen (dat wist ik ook wel) en of ik hun diensten even wou beoordelen (natúúrlijk wilde ik dat). In een furie schreef ik tekstkader na tekstkader vol. Daarbij gebruikte ik ook termen die ik in deze column nooit zou durven neer te schrijven. Toen ik daar eindelijk mee klaar was, wist ik eigenlijk al niet goed meer waar ik me zo druk over maakte. Dus wiste ik die hele beoordeling weer en sleepte de mail naar de prullenbak. Mijn kleren waren ondertussen alweer droog en de doos bleek niet beschadigd te zijn. En die gehaaste koerier? Ach, aan hem ben ik ondertussen wel gewend. Toch genoeg om hem niet te laten boeten voor mijn slechte humeur en het druilerige weer.

Bron: Knack

‘Het is nog steeds niet evident om autonoom te beslissen over je levenseinde’

Mieke Vogels

Mieke Vogels ziet ook bij ons steeds meer tekenen die wijzen op een ethisch reveil. ‘De euthanasiewet is inmiddels 20 jaar oud, maar soms lijkt het alsof het steeds moeilijker wordt om het recht op euthanasie waar te maken.’

Ook na twintig jaar euthanasiewet is het niet evident om autonoom te beslissen over je levenseinde. Recente getuigenissen van Leif-artsen in verschillende media, waaronder Knack, zijn duidelijk en intriest.

Sinds de assisenzaak tegen de artsen die Tine Nys hielpen bij euthanasie, kwamen meer zaken boven water waarbij artsen en patiënten worden geïntimideerd of bedreigd met rechtszaken. De verhalen van de Leif-artsen tonen dat ook in ziekenhuizen en woonzorgcentra de individuele keuze voor euthanasie moeilijk of onmogelijk wordt gemaakt.

Euthanasie, abortus, vrouwenrechten en LGTBQ+-rechten, werden pas na een lange strijd ethische basisrechten. Vandaag klinkt de tegenbeweging die terug naar de oude waarden wil, naar het herstel van de ‘natuurlijke en/of goddelijke orde’, steeds luider.

Zo maakt de uitspraak over abortus van het Amerikaans Hooggerechtshof duidelijk dat rechten gebaseerd op zelfbeschikking onder druk staan. Net zoals de LGTBQ+-rechten in vraag gesteld worden in conservatief katholieke Europese landen als Hongarije, Polen en Rusland, of in door de Islam gedomineerde landen zoals Qatar.

Maar ook dichter bij huis zien we steeds meer tekenen van een ethisch reveil.

Recent publiceerde Chris Gastmans het boek Kwetsbare waardigheid Ethiek aan het begin en einde van het leven. Professor Gastmans is directeur van het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht en lid van de ethische commissie van het UZ Leuven. In zijn boek stelt hij  de klassieke gezondheidsethiek, die vertrekt vanuit respect voor de autonomie als belangrijkste principe, in vraag.  Niet het respect voor autonomie maar wel de ‘kwetsbare waardigheid’ van de mens moet het vertrekpunt zijn van het ethisch handelen bij het begin en einde van het leven.

Respect voor autonomie vervangen door kwetsbare waardigheid brengt het oude zorgmodel terug. Er wordt ‘over’ en niet ‘door’ de zorgvrager beslist; ”wij weten best wat goed is voor jou, jij bent kwetsbaar en wij zullen u helpen.”

Recent publiceerde zorgnet/icuro de koepel van ziekenhuizen en woonzorgcentra ‘ Ethisch advies 22. Levensmoeheid bij ouderen: een ethische benadering’. Professor Gastmans werkte mee aan deze brochure die na vele bladzijden besluit:

Ethisch verantwoord omgaan met ouderen die levensmoe zijn is een kwestie van de juiste evenwichten. Het evenwicht tussen activiteit (doen) en passiviteit (zijn), tussen de verantwoordelijkheid ‘van’ ouderen en onze verantwoordelijkheid ‘voor’ ouderen, tussen een persoonlijke en een maatschappelijke aanpak.

In het verlengde van dit standpunt argumenteren sommige directies dat zij de plicht hebben om zorgzaam te zijn. Deze waarde staat blijkbaar boven het wettelijk recht op euthanasie en het zelfbesschikkingsrecht van ouderen. Ouderen die te kennen geven niet meer naar een ziekenhuis te willen, worden toch opgenomen en verder behandeld. 

Signalen van levensmoeheid worden zelden ernstig genomen niet door de arts, niet door de hulpverleners, niet door de familie.

Terwijl de vorige generatie hoogbejaarden nog vaak geloofden, hun lot ondergingen en ‘wachten tot ze hen kwamen halen’, gelooft de aanstormende generatie van oude babyboomers niet in iemand die hen komt halen. Ze staan op hun zelfbeschikkingsrecht en willen binnen de wettelijke grenzen, autonoom beslissen over hun laatste levensfase. Vandaag al blijkt uit de suïcidecijfers dat meer 70-plussers kiezen voor zelfdoding.  Toekijken dat steeds meer ouderen beslissen tot eenzame zelfdoding lijkt me alvast niet zorgzaam.

Mieke Vogels is voorzitter van GroenPlus.

Bron: Knack

‘Het “lerarentekort” is het gevolg van het wantrouwen van de overheid’

Mark Van de Voorde

Onafhankelijk publicist en gewezen raadgever van Herman Van Rompuy, Yves Leterme en Steven Vanackere.

‘Geen gevaarlijker adagium dan: vertrouwen is goed, controle is beter! Overdreven controle, summum én gevolg van wantrouwen, heeft bovendien een averechts effect’, schrijft Mark Van de Voorde naar aanleiding van de discussie over de ‘planlast’ en het lerarentekort in onderwijs in Vlaanderen. ‘Als het wantrouwen de basishouding wordt in onze intermenselijke verhoudingen, stokt de samenleving.’

Er is eigenlijk geen tekort aan leerkrachten, werd onlangs vastgesteld. Integendeel, het aantal personeelsleden in het Vlaamse onderwijs stijgt zelfs. Er zijn dus wel voldoende leerkrachten, maar ze staan te weinig uren voor de klas. Niet omdat ze niet hard willen werken. Integendeel, voltijdse leraren werken meer uren dan fulltimers in de privésector.

Het probleem is dat ze veel te veel tijd en moeite spenderen aan bureaucratie, met een eufemisme ‘planlast’ genoemd. Niet omdat ze dat graag doen, maar omdat ze moeten van de controlerende overheid. Door het netjes invullen van hun agenda en andere papieren eisen verliezen leraren tijd die ze liever zouden spenderen aan lesgeven.

Helaas, de inspectie wil controleren dat de leerkracht de eindtermen nastreeft, de pedagogische vereisten naleeft en de didactische werkvormen hanteert. De eindtermen zijn bovendien zo gedetailleerd dat leraren de vrijheid kwijt zijn om uit te pakken met het specifieke dat van hen opvoeders maakt: persoonlijkheid, bewogenheid, authenticiteit en creativiteit. Het zogenaamde lerarentekort is dus het gevolg van het wantrouwen van de overheid. Maar niemand die het durft te zeggen.

De overheid is ziek van wantrouwen (en niet alleen inzake onderwijs). Dat zet een keten van wantrouwen in gang. Wie wantrouwen ondervindt, gaat op zijn beurt wantrouwen. Het wantrouwen neemt daarom in onze samenleving exponentieel toe, het vermenigvuldigt voortdurend zichzelf. Het maatschappelijke wantrouwen is een epidemie geworden die sluipend meer slachtoffers heeft gemaakt dan gedacht. Wantrouwen – het gebrek aan vertrouwen – is de belangrijkste reden waarom zo veel mensen in een burn-out belanden of er de brui aan geven (zoals in het onderwijs).

Geen gevaarlijker adagium dan: vertrouwen is goed, controle is beter! Overdreven controle, summum én gevolg van wantrouwen, heeft bovendien een averechts effect. Als controle de grondslag van een organisatie wordt, gaat de samenleving in het defensief door onder te duiken. De ambtenaar of de burger probeert de controle te ontlopen en wordt bijgevolg aangemoedigd om achterpoortjes op te zoeken of zelfs fraude te plegen. Wantrouwen zet aan tot misbruik. Misbruik op zijn beurt leidt tot  juridisering: alles moet wettelijk worden vastgelegd, want we vertrouwen informele afspraken niet.

Het gevoel gewantrouwd te worden is vooral dodelijk voor het engagement. Een samenleving kan niet worden gemobiliseerd, als wantrouwen overheerst. Wie wil nog zijn nek uitsteken, wie wil nog initiatief nemen, wie wil zich nog voor een zaak inzetten, als hij voortdurend moet bewijzen dat hij te goeder trouw is en als hij zich geremd weet in zijn vrijheid? Als het wantrouwen de basishouding wordt in onze intermenselijke verhoudingen, stokt de samenleving.

De leraar, de werkgever, de werknemer, de ondernemer, de kunstenaar en de burger moeten opnieuw de vrijheid krijgen om verantwoordelijkheid op zich te nemen. Vrijheid ontspringt aan het vertrouwen dat de burger krijgt van de overheid. Pas als de overheid de burger vertrouwt door hem niet voor alles te onderwerpen aan slopende procedures en aan het noteren van elke stap die hij zet, zal de burger opnieuw vertrouwen krijgen in de overheid. En zullen er alvast voldoende leerkrachten voor de klas staan.

Mag ik het evenwel veelzeggend voor onze samenleving noemen dat ook in de media meer aandacht uitging naar de ideologische ideetjes om scholen netoverschrijdend te doen samenwerken dan naar naar het fundamentele probleem van het zogenaamde lerarentekort, nl. het wantrouwen van een overheid die de controle van de leraren belangrijker acht dan hun engagement?

Mark Van de Voorde is onafhankelijk publicist.

Bron: Knack

“Hoe lager het inkomen, hoe slechter de gezondheid”

Hoe lager het mediaaninkomen van een wijk, hoe slechter de gezondheidstoestand van de inwoners, besluit een grote studie door het Gezondheidsfonds van ziekteverzekeringsfonds Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (CM). CM volgde zijn 4,5 miljoen leden in 20.000 wijken en legde een fijnmazig en rechtlijnig verband bloot tussen inkomen en gezondheid. ‘Deze resultaten zijn alarmerend.’

In een persmededeling licht de CM de resultaten toe van een uitgebreide studie onder al zijn leden. Zij wijst op de belofte van de federale regering De Croo om tegen 2030 de gezondheidskloof tussen mensen met de hoogste en de laagste gezonde levensverwachting met minstens 25 procent te verkleinen.

De CM stelt de vraag hoe die doelstelling kan worden gemeten en opgevolgd.  Deze nieuwe studie kan helpen om concrete beleidsmaatregelen te formuleren én te meten. De resultaten zijn gebaseerd op data van alle CM-leden – bijna 1 op de 2 Belgen – en is niet gebaseerd op zelfgerapporteerde gegevens, in tegenstelling tot enquêtes waarin respondenten met lage inkomens vaak ondervertegenwoordigd zijn.

Methode: gezondheidsongelijkheid op wijkniveau

Om een grondige analyse te kunnen maken, deelde de CM België op in 20.000 wijken, die verder werden ingedeeld in tien categorieën op basis van het mediaan fiscaal inkomen (volgens de gegevens van Statbel, het statistiekbureau van de overheid).

Het mediaaninkomen is een veel betere maatstaf om welvaart te meten dan het gemiddelde. Als vijf personen 1100 – 1200 – 1300 – 1400 – 15.000 euro verdienen, totaal 20.000, is het gemiddelde inkomen van deze vijf personen 4.000 euro. Het mediaaninkomen is het inkomen in het midden van deze reeks: 1300 euro (nvdr).

Alle 4,5 miljoen CM-leden werden, op basis van hun adres, ingedeeld in één van deze tien categorieën, waardoor een onderscheid kan worden gemaakt tussen leden die in arme en in rijke wijken wonen.

Vervolgens konden de onderzoekers aan de hand van enkele beschikbare gezondheidsindicatoren en zorggebruik meten hoe de gezondheidstoestand en het zorggebruik verschillen naargelang het inkomensniveau van elk van deze 20.000 wijken.

De onderzoeksresultaten bewijzen dat wie in een arme wijk woont 1,8 keer (of 80 procent) meer kans heeft om binnen het jaar te overlijden (alle oorzaken samen) dan wie in de rijkste wijken woont.

Mensen die in arme wijken wonen hebben daarnaast ook een hoger risico om verschillende chronische aandoeningen te ontwikkelen. Inwoners van de armste wijken hebben bijvoorbeeld 51 procent meer kans op diabetes in vergelijking met inwoners van de rijkste wijken.

Ze hebben ook 59 procent meer kans om minstens dertig dagen arbeidsongeschikt te raken, de zogenaamde ‘primaire arbeidsongeschiktheid’ (het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid, nvdr).

Het risico om in blijvende invaliditeit te verzeilen is zelfs 2,5 keer (150 procent) hoger voor mensen die zich in de meest kwetsbare situatie bevinden, in vergelijking met wie in de rijkste wijken woont.

Laagste inkomens stellen zorg uit en verzeilen uiteindelijk in zware zorg

Mensen die in de armste wijken wonen, stellen preventieve zorg vaker uit. Zij hebben bijvoorbeeld 70 procent meer risico om gedurende drie opeenvolgende jaren geen contact te hebben met een tandarts in vergelijking met bewoners van de rijkste wijken. Daartegenover staat dat arme groepen veel meer beroep moeten doen op  ziekenhuiszorg.

Mensen uit de armste wijken hebben 23 procent meer risico om opgenomen te moeten worden in een algemeen ziekenhuis en 39 procent meer risico om op een spoeddienst terecht te komen in vergelijking met mensen uit de rijkste wijken. Deze resultaten tonen duidelijk aan dat de gezondheidssituatie progressief verslechtert naarmate het inkomen daalt, waardoor er uiteindelijk meer nood is aan zware zorg.

Lage inkomens gaan naar psychiater, hogere inkomens naar psycholoog

Terwijl mensen in de rijkere wijken eerder naar de psycholoog gaan, maken mensen die in arme wijken wonen meer gebruik van een raadpleging bij een psychiater omdat deze zorg financieel toegankelijker is.

Hoe armer de wijk waarin men woont, hoe hoger het risico op gebruik van antidepressiva (26 procent hoger dan in de rijkste wijken) of antipsychotica (160 procent hoger). Daarnaast is het risico op een psychiatrische ziekenhuisopname 2,8 keer hoger in de armste wijken dan in de rijkste.

Het risico op een opname in een Initiatief voor Beschut Wonen (IBW) is 14,7 keer hoger, maar zelfs tot 31 keer hoger als we kijken naar het risico op opname in een Psychiatrisch Verzorgingstehuis (PVT), voornamelijk voor mensen die in de armste wijken wonen.

Een Initiatief voor beschut Wonen (IBW) wordt voorzien voor volwassenen en ouderen met langdurige ernstige psychische problemen. Een IBW biedt begeleiding op vlak van zelfzorg, wonen, werken of alternatief voor werken, leren, ontspanning, sociale contacten, budgetbegeleiding, hulp bij administratie, huishouden, mobiliteit… (nvdr).

‘We zien dat mensen die zich in een economisch kwetsbare situatie bevinden, moeilijker de toegang vinden naar geestelijke gezondheidszorg,’ verklaart CM-voorzitter  Luc Van Gorp. ‘Zij krijgen vaker psychologische problemen. Het is voor ons belangrijk dat geestelijke gezondheidszorg zo wordt georganiseerd dat deze mensen gemakkelijker toegang vinden tot de juiste hulp.’

Gezondheidsongelijkheid aanpakken

CM Gezondheidsfonds pleit er tevens voor een federale methodiek om gezondheidsongelijkheid aan te pakken met meetbare doelstellingen (SMART). Die doelstellingen moeten worden bereikt om de collectieve inspanning op alle beleidsterreinen beter te coördineren (Health in All Policies).

‘Daar willen we als gezondheidsfonds graag mee onze schouders onder zetten,’ zegt Luc Van Gorp. ‘De data die uit zulke methodiek voortvloeien, kunnen we als gebruiken om de gezondheid van onze leden te verbeteren.’

Bijkomend moet er worden nagedacht over de betaalbaarheid van de gezondheidszorg, want hoewel er maatregelen zijn om de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren (zoals het VT-statuut, maximumfactuur, statuut chronische aandoening, enz.), moet iedereen betalen naargelang hun draagkracht.

Het VT-statuut (Verhoogde Tegemoetkoming) voorziet voor lage inkomens een hogere tussenkomst voor gezondheidszorg. De maximumfactuur is de financiële bovengrens voor de jaarlijkse uitgaven voor onderwijs en ziekteverzekering (nvdr). 

Er wordt momenteel enkel een onderscheid gemaakt tussen mensen met of zonder Verhoogde Tegemoetkoming. Deze dualiteit strookt niet met de reële behoeften van de bevolking.

Tot slot pleit CM voor een omvattende Health in All Policies-aanpak door er in de eerste plaats voor te zorgen dat iedereen over de middelen beschikt om zelf in de eigen basisbehoeften te voorzien (huisvesting, voeding, verwarming, gezondheidszorg).

Het is immers duidelijk dat gezondheid niet op zichzelf staat: het beschikbaar inkomen, de arbeids- en huisvestingsomstandigheden, de kwaliteit van de directe omgeving (met name de beschikbare diensten of de mate van vervuiling), het sociale netwerk, het vermogen om vrijetijdsactiviteiten te financieren, zijn allemaal factoren die een rol spelen bij de gezondheidstoestand.

Gezondheid moet daarom volgens de CM net heel breed worden bekeken en niet worden verengd tot één bevoegdheidsdomein. De impact op gezondheid moet in eender welk beleidsdomein doorslaggevend zijn.

Voor de volledige studie, zie: Hervé Avalosse, Clara Noirhomme en Sophie Cès (CM-Studiedienst), Ongelijk in gezondheid: Kwantitatief onderzoek van economische ongelijkheden op vlak van gezondheid en gebruik van gezondheidszorg door CM-leden.

Bron: DeWereldMorgen

Dienstencheques: 90% van de bedrijven respecteert gezondheid van huishoudhulpen niet

In het voorjaar van 2022 voerde de sociale inspectie controles uit bij 175 dienstencheque-ondernemingen. Bij 159 bedrijven zag de inspectie zich verplicht om schriftelijke waarschuwingen op te stellen wegens inbreuken op één of meerdere bepalingen van de Welzijnswet. De vakbonden zeggen het sociaal overleg in de sector op.

Verschillende studies tonen enorme aantallen medische klachten in de dienstencheque-sector aan. Huishoudhulpen maken 35 keer meer kans op musculoskeletale aandoeningen dan werknemers in andere sectoren, en 260 procent meer kans op langdurige arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 5 jaar in de sector. Schokkende cijfers die veel werkgevers niet lijken te verontrusten gezien de resultaten van de door het kabinet van minister Dermagne gepubliceerde controles.

De vakbonden, ABVV Dienstencheques, ACV Voeding en Diensten en ACLVB, willen dat de werkgevers een gezamenlijke verklaring ondertekenen waarin het inspectieverslag volledig wordt erkend en waarin zij hun leden tot actie aanzetten om de wetgeving te doen naleven. Tot dat gebeurt blijven de vakbonden weg van het sociaal overleg.

De werkgeversorganisatie Federgon, die de commerciële dienstenchequebedrijven vertegenwoordigt, wil geen gezamenlijke verbintenisverklaring ondertekenen. De federatie is ook niet bereid om de intrekking van de erkenning te vragen van bedrijven die de regels niet naleven.

De sector wordt voor 70 procent met overheidsgeld gesubsidieerd.

Bron: DeWereldMorgen