‘Lokale besturen kijken te eenzijdig naar zestigplussers’

‘Lokale besturen kijken te eenzijdig naar zestigplussers’

Lokale besturen gaan vaak te eenzijdig om met de vergrijzing. Ze organiseren ijverig dansnamiddagen en feestmaaltijden. “Maar zo gaan ze voorbij aan de enorme diversiteit onder zestigplussers”, schrijft ouderenbeleidscoördinator Tina Vanhoye.

Dé oudere bestaat niet

We worden met z’n allen een pak ouder dan vroeger. En dat is goed nieuws. Maar onze samenleving is er nog altijd niet op georganiseerd.

Lokale besturen weten dat 25 procent van hun inwoners ouder is dan zestig jaar, maar ze gaan daar eenzijdig mee om. Ze organiseren ijverig dansnamiddagen en feestmaaltijden, of springen op de kar van buurtgerichte zorg en de strijd tegen eenzaamheid. Alleen gaan ze zo voorbij aan de enorme diversiteit onder de zestigplussers. Want dé oudere bestaat niet. Nieuwe noden worden door deze tunnelvisie amper opgemerkt.

Heb jij al gehoord van de derde en vierde levensfase? De derde fase rol je langzaam binnen als je kinderen het huis uit zijn, je ouders meer aandacht vragen, je met pensioen gaat, je minder inkomen en meer vrije tijd hebt. De vierde fase kenmerkt zich door minder mobiel worden, trager zijn, meer beroep doen op anderen en als je minder geluk hebt, ook ziek worden.

Voor ieder van ons beginnen deze levensfases op een ander moment. En toch blijft de buitenwereld geloven dat alle zestigplussers in de laatste levensfase zitten, een rechte en neerwaartse lijn richting graf. Niet te verbazen dat lokale overheden focussen op zorg, hulp en entertainment uit ver vervlogen tijden.

Akkoord, ik ga misschien wat kort door de bocht, maar om de vergrijzing te omarmen hebben lokale besturen meer instrumenten in handen dan ze zelf geloven en inzetten.

Ga in gesprek

Politici en ambtenaren zijn zelden zestigplussers. Ze maken beleid voor senioren, maar amper met senioren. Alsof ouderen niet meer tellen eens ze met pensioen zijn. Ze formuleren hun mening misschien trager en bedachtzamer, maar dat betekent niet dat ze niet meer weten wat ze zeggen. Ouderen willen inspraak, geen beslissingen boven hun hoofd.

Als lokaal bestuur kan je participatiekanalen inzetten om de mening van oudere volwassenen in al hun diversiteit te capteren. De adviesraad en ouderenverenigingen zijn vanzelfsprekende partners, maar waarom ook niet langsgaan op plekken waar veel ouderen zijn. Denk aan schoolpoorten op woensdagmiddag, lokale dienstencentra, organisaties die met vrijwilligers werken, culturele activiteiten of woonzorgcentra.

Beperk participatie zeker niet tot online formulieren die mensen moeten invullen. Makkelijk om te organiseren, maar zo krijg je geen dialoog met je inwoners.

Openbaar domein

Biologisch verandert het lichaam met ouder worden. Spieren verslappen, het geheugen laat steken vallen, de mobiliteit verandert. Op een bepaald moment staan auto en fiets aan de kant, en worden de eigen benen het belangrijkste vervoersmiddel. Alleen zijn die benen niet meer zo stevig.

In tijden van afbouw van het openbaar vervoer kan een lokaal bestuur met de vinger naar bovenlokale overheden wijzen, maar daar hebben voetgangers weinig aan. Maak daarom van voetgangers een beleidsprioriteit.

Werk samen met minder mobiele bewoners aan het openbaar domein en alternatieve mobiliteit. Breng plekken waar ze vaak passeren in kaart, noteer struikelblokken en hindernissen. Zorg voor een centrale plek, online en telefonisch, waar mensen een tijdelijk ontoegankelijke plaats kunnen melden. En voer vervolgens aanpassingen door. Want weet: mensen die nergens meer geraken vereenzamen snel en worden ook sneller ziek. En niemand valt graag familie of vrienden lastig.

Attente buurten

Ouderen spenderen gemiddeld 80 procent van hun tijd in hun woning. Als deze onaangepast is, dan loeren valpartijen om de hoek. Een oude boom laat zich niet makkelijk verplaatsen. Stel bewoners daarom tijdig de vraag of hun woning aangepast is aan de toekomst. Idealiter wordt deze vraag bij het (ver)bouwen op elke leeftijd gesteld.

Bied ouderen, ongeacht hun inkomen, verhuisondersteuning en hulp bij de aanvraag van vergunningen. En zorg voor een stimulerend premiebeleid waarmee mensen hun huis kunnen aanpassen. Ontwikkel ook nieuwe en betaalbare woonvormen die zorgzame gemeenschappen stimuleren. En experimenteer met gemeenschappelijke woonvormen.

Ook de buurt wordt steeds belangrijker naarmate we ouder worden. Bepaal je aanpak per buurt, samen met de bewoners. Onderzoek grondig waar behoeftes liggen, van oud en jong. Welke zorg- en welzijnsdiensten zijn aanwezig? Wat ontbreekt? Zijn er winkels op wandelafstand? Is laagdrempelige vrijetijdsinfrastructuur te voet bereikbaar?

Kijk qua vrije tijd ook verder dan de clichés. Organiseer meer matinees, zorg voor toegankelijke locaties, betaalbare toegangskaarten en regel vervoer van en naar activiteiten. Als lokaal bestuur kan je private organisatoren via subsidiereglementen stimuleren hetzelfde te doen. En ondersteun verenigingen in hun zoektocht om nieuwe ouderen aan te trekken.

Samengevat: zorg dat in elke buurt ‘attente plekken’ ontstaan die uitnodigen tot ontmoeting en waar bewoners zorg voor elkaar dragen, met professionals en vrijwilligers als ondersteuning. Wedden dat babyboomers zich nog meer ontpoppen tot behulpzame buren?Attente plekken is een begrip dat Ludo Glimmerveen gebruikt in: Glimmerveen, L. (2023), ‘Lessen uit de buurtkroeg. Attente plekken in de grote stad’, in Linders, L., & Co (red.), Ouderen als oplossing. Over seniorisme, samenleven en solidariteit, Amsterdam, van Gennep.

Stop met digitale muren te bouwen

Ideaal is een gemeente- of stadhuis de plek waar ouderen relevante informatie gebundeld vinden, de nodige ondersteuning krijgen en waardevolle input kunnen geven voor een leeftijdsvriendelijk beleid. Vandaar deze oproep: maak je eigen dienstverlening terug bereikbaar! Bouw er niet langer digitale muren rond. Zorg voor begeleiding door mensen van vlees en bloed.

En heb oog voor de zorg die zestigplussers nu al in de samenleving opnemen. Als vrijwilliger zetten ze zich belangeloos in. Als grootouder of mantelzorger nemen ze zorgtaken op zich. Zo leveren ze een wezenlijke economische en sociale bijdrage aan onze samenleving. Zestigplussers zijn heus niet enkel een kost.

Een lokaal bestuur moet deze vrijwillige krachten koesteren. Geef alle pas gepensioneerden de kans om hun talenten te ontdekken. Wedden dat ze deze inzetten in het vrijwilligers- en verenigingsleven? Wedden dat ze de cement zijn voor hun buurt? Wedden dat ze zich beter in hun vel voelen en zo minder kans lopen om ziek te worden?

De nieuwe generatie ouderen heeft andere noden en ideeën dan de generaties voor hen. Omarm deze diversiteit en je maakt van je gemeente een leeftijdsvriendelijke plek, voor elke leeftijd, voor elke inwoner.

Bron: sociaal.net

Verplichte inburgeringscursus voor arbeidsmigranten en strenger op Nederlands: dit wil Vlaamse regering doen rond integratie

Een verplichte inburgeringscursus voor arbeidsmigranten, nog meer nadruk op de kennis van het Nederlands en stappen richting een voor-wat-hoort-wat-beleid: de nieuwe Vlaamse regering verscherpt het beleid rond integratie van nieuwkomers en mensen met een migratieachtergrond. Lees hier de plannen en voornemens voor de komende vijf jaar. 

“Ons doel is duidelijk: zelfredzaamheid bij nieuwkomers in een maatschappij waar goed samenleven vooropstaat en waar iedereen zijn deel doet”, zo klinkt het bij de nieuwe Vlaamse regering met Hilde Crevits (CD&V) als minister van Integratie en Inburgering. 

Toch is het hoofdstuk rond integratie één van de kortste van het regeerakkoord: 4,5 pagina’s. Het inburgeringstraject voor nieuwkomers of migranten is tijdens de vorige regeerperiode al hervormd. Vlaanderen heeft intussen één van de meest uitgebreide inburgeringsprogramma’s, volgens de OESO. De nieuwe Vlaamse regering wil daar dan ook vooral op voortbouwen, zo blijkt uit het regeerakkoord.

Twee concrete maatregelen staan vast: er komt een verplichte inburgering voor arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie en de eisen gaan omhoog over de kennis van het Nederlands.

Voorts is er een opvallend en wellicht controversieel plan: er komt een onderzoek “voor welke Vlaamse sociale ondersteuning we een algemene verblijfsvoorwaarde van 5 jaar kunnen invoeren.”

De overige tekst bestaat vooral uit een aantal voornemens zonder concrete doelstelling of plan van aanpak. Nochtans zijn er nog tal van werkpunten. Zo is er de moeizame integratie van laaggeschoolde vrouwen. Of de vaststelling dat in Vlaanderen nog altijd minder nieuwkomers aan het werk zijn dan gemiddeld in Europa

Verplichte inburgering voor arbeidsmigranten

Arbeid is de belangrijkste reden voor migratie naar Vlaanderen. Migranten van buiten de Europese Unie die hier op uitnodiging van werkgevers komen werken zullen voortaan verplicht een inburgeringstraject moeten volgen. Die verplichting was er tot nu toe enkel voor gezinsherenigers en erkende vluchtelingen. 

“Het is een vraag die we al langer hebben”, zo reageert Jan Knockaert van Fairwork Belgium, een organisatie die opkomt voor de rechten van arbeidsmigranten. “Arbeidsmigranten zijn vandaag niet op de hoogte van hun rechten en plichten. Sommige werkgevers maken daar misbruik van en stellen de migranten te werk in slechte omstandigheden en tegen een loon dat onwettig is.” 

Inburgeren in eigen land

De nieuwe regering wil bovendien dat kandidaat-nieuwkomers al in hun land van herkomst starten met een inburgeringstraject. Het afgelopen jaar liepen er proefprojecten, onder meer voor arbeidsmigranten en gezinsherenigers. Die worden verder uitgerold en op termijn verplicht.

“Geen goed idee”, vindt Pascal Debruyne, onderzoeker asiel en migratie aan de Odisee Hogeschool. “Op die manier houd je gezinnen langer uit elkaar, wat slecht is voor de integratie. Migranten investeren minder in hun toekomst hier, zolang ze niet weten of en wanneer hun gezin kan komen.” Met andere woorden: het vertraagt het integratieproces.

Fairwork vreest bovendien dat detachering nóg aantrekkelijker wordt zo. En dat is net wat de Vlaamse regering wil tegengaan door in te zetten op gewone arbeidsmigratie. Bij detachering komen EU-burgers hier werken, maar vallen ze wel nog onder de sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden van hun eigen land. Dat maakt de werknemers kwetsbaarder voor fraude en uitbuiting. Ook mensen van buiten de EU komen zo naar ons land. Het gaat dan bijvoorbeeld over Brazilianen die via Portugal komen.

Snel maar duurzaam aan het werk

Werk is belangrijk voor een geslaagde integratie, zo staat het in het regeerakkoord. Nieuwkomers snel aan het werk krijgen, is één ding. Nog belangrijker is dat het om duurzame jobs gaat. Daarom wil de nieuwe Vlaamse regering verschillende drempels naar de arbeidsmarkt wegwerken.

Zo duurt het vandaag maanden voor iemand een erkenning krijgt van zijn of haar buitenlands diploma. Dat moet sneller, vindt de nieuwe regering. Het is een doelstelling die ook al bij voorgaande regeringen genoemd werd. Een streeftijd voor de erkenning is er (voorlopig) niet. 

“Snellere diploma-erkenning is absoluut belangrijk, maar daar stopt het niet”, zo vertelt Dries Lens migratie-onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. “Buitenlandse masterdiploma’s worden hier vaak maar als bachelordiploma’s erkend. Daardoor zijn veel nieuwkomers genoodzaakt om nog een bijkomende studie te volgen in het hoger onderwijs. Maar de doorverwijzing en begeleiding van nieuwkomers naar het hoger onderwijs verloopt erg stroef.”

Daarnaast zullen kortgeschoolden die niet duurzaam aan het werk zijn verplicht kunnen worden om een beroepsopleiding of tweedekansonderwijs te volgen. “We kijken specifiek naar opleidingen in knelpuntberoepen”, aldus het regeerakkoord. 

Praktijktesten op de werkvloer per sector moeten dan weer voor minder discriminatie zorgen. Al valt het nog af te wachten of er ook effectief iets zal gedaan worden met de resultaten van die testen. Voormalig Vlaams minister van Werk Jo Brouns (CD&V) liet vorig jaar een nulmeting rond discriminatie uitvoeren per sector. Niet alle sectoren waren daar blij mee. De resultaten van de meting werden nooit bekendgemaakt, waardoor er geen verdere opvolging kon gebeuren om eventuele discriminatie aan te pakken.

Strenger op Nederlands

De kennis van het Nederlands is volgens de nieuwe regering cruciaal. Ze verhoogt daarom de eisen voor wie een inburgeringstraject volgt: nieuwkomers moeten op hun mondelinge test niveau B1 behalen. Dat is gevorderde kennis, met correcte zinsconstructies en een uitgebreide alledaagse woordenschat. Vandaag is dat niveau enkel verplicht voor wie na 2 jaar niet aan het werk is. 

Ook binnen de rest van het onderwijs komt er extra aandacht voor Nederlands. Met onder andere een taalbadklas voor anderstalige kinderen in het lager onderwijs. Ouders die zelf geen Nederlands willen leren, kunnen dan weer de schoolbonus voor hun kinderen verliezen. 

Daarnaast zal ook wie een sociale woning huurt, beter Nederlands moeten kunnen (niveau B1 in plaats van A2). 

Geen sociale steun voor nieuwkomers?

En dan is er ten slotte nog het plan dat de nieuwe Vlaams minister voor Integratie Hilde Crevits moet onderzoeken “voor welke Vlaamse sociale ondersteuning we een algemene verblijfsvoorwaarde van 5 jaar kunnen invoeren.”

Sociale ondersteuning die onder Vlaamse bevoegdheid valt, is bijvoorbeeld het groeipakket, de sociale bescherming en de studietoelage. Of het wettelijk mogelijk is om inwoners uit te sluiten, zal dus worden onderzocht. Sociale steun zou dan pas kunnen na vijf jaar wonen in Vlaanderen.

“Dit plan valt moeilijk te rijmen met de verplichting voor kortgeschoolden om een opleiding te volgen binnen hun inburgeringstraject. Het zal vaak gaan om voltijdse opleidingen, dus de vraag is hoe zij zich financieel dan nog kunnen redden”, zo legt Lens uit.

“De plannen van de nieuwe regering over integratie zijn onevenwichtig”, vindt hij. “Enerzijds klinkt er een veronderstelling door dat nieuwkomers niet willen integreren. Dat zet de regering ertoe aan om allerlei extra eisen op te leggen. Anderzijds nemen ze weinig concrete maatregelen om drempels weg te werken die het voor nieuwkomers moeilijk maken om deel te nemen aan het integratieaanbod.”

Bron: vrt.nws

Arizona: een brutaal project tegen onze sociale klasse. Ons organiseren om te winnen!

Het is onmogelijk om in de 600 woorden die ik heb voor dit artikel alle maatregelen uit de nota van De Wever op te sommen. Ik nodig iedereen uit om de analyses van de vakbonden, het dossier in deze krant of de nota zelf te lezen, want de uitdaging van de komende weken zal zijn om de ongekende omvang van de aanvallen die worden voorbereid te bespreken en onder de aandacht te brengen. We nemen best de tijd om met onze collega’s de voorstellen te ontleden en uit te leggen wat er gepland wordt. Dat is een eerste stap om hen bij de strijd te betrekken. 

Door Karim, delegee ACOD

De toekomstige regering hoopt ongetwijfeld verdeeldheid te zaaien door elk van haar doelwitten gefaseerd aan te vallen. Het voordeel van dit lek is dat hun plan om iedereen aan te vallen nu duidelijk is. Op het menu van de aanvallen: besparingen op de budgetten van de openbare diensten (al in een erbarmelijke staat), nieuwe aanvallen op de pensioenen (het opleggen van de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar is dus niet genoeg), leraren, werklozen (ga maar eens uitleggen aan de vele slachtoffers van collectieve afdankingen zoals bij Audi dat ze binnen twee jaar naar het OCMW moeten), het zorgpersoneel (hoe snel zijn de beloften na de Covid-crisis vergeten?!). Kortom, iedereen zal getroffen worden. 

De kapitalistische maatschappij plaatst alle werkenden voor de noodzaak van een verenigd front. Tegenover deze aanval van historische proporties moeten we actief nadenken over de opbouw van een verenigd front van strijd door onze klasse. Als we onze levensomstandigheden willen beschermen, is er geen andere optie dan de weg van de strijd op te gaan. 

De vele bedrijfssluitingen dragen bij aan dit sombere beeld en vragen om een dringende discussie in alle organisaties van de sociale beweging over een strategie van massale strijd tegen de toekomstige regering en voor het behoud van onze sociale verworvenheden. We zijn nogal sceptisch over de huidige strategie van de vakbondsstrijd bij Audi, we vrezen dat de strijd zal begraven worden voor hij echt begonnen is. 

Er is echter potentieel. Op maandag 16 september kwamen we met duizenden op straat om onze woede en actiebereidheid te laten zien. Personeel van de onderaannemers van Audi liepen vooraan. De toespraken van de vakbondsleiders leken moedeloos, ze gaven geen uitdrukking aan de actiebereidheid op de betoging. Er kwamen geen vooruitzichten, geen eisen die ons toelaten om een bredere eenheid in strijd op te bouwen waarmee we ons ook kunnen verzetten tegen de toekomstige Arizona-aanvallen. 

Kameraden, we staan tegenover een heersende klasse die haar belangen hardhandig zal verdedigen met een beleid dat een mix is van het slechtste van Thatcher en Trump. Kameraden, we moeten aan de slag. Discussiëren, druk zetten op onze vakbondsleiders, desnoods zonder hen acties op gang trekken. We kunnen het ons niet veroorloven om te verliezen. Samen kunnen we de aanvallen stoppen. 

Iemand wiens naam ik me niet herinner, schreef lang geleden dat “bedeesdheid bij de slaven leidt tot stoutmoedigheid bij de tirannen.” Laten we niet bedeesd zijn, maar de strijd aangaan!

Bron: socialisme.be

Vlaamse regering. Vage sociale beloften kunnen harde rechtse aanvallen niet verbergen

Op het congres van Vooruit moest Conner Rousseau zwaar uithalen naar N-VA om het Vlaams regeerakkoord te kunnen framen als iets waarmee erger vermeden werd. Hij beweerde veel van de “lelijke ideeën” van N-VA te hebben gestopt en tegelijk middelen afgedwongen te hebben voor welzijn en openbaar vervoer. Een nadere blik toont enkele vage sociale beloften, maar vooral veel rechts en verdelend venijn dat wel concreet is.

Sancties voor de ‘have-nots’, “zuurstof voor de markt” om hun winsten veilig te stellen

Het sanctionerende gehalte in dit Vlaamse regeerakkoord is opvallend. Het doet wat denken aan een keizer-koster-mentaliteit waarbij voor van alles en nog wat regels worden opgelegd. Tenminste voor wie niet als volwaardig wordt beschouwd: werklozen, vluchtelingen, sociaal huurders, anderstaligen … Daarbij wordt de toegang tot sociale rechten meer voorwaardelijk, individueler en in het bijzonder gelinkt aan taaleisen. Taalnationalisme als uitsluitingsmechanisme dus!

Het regeerakkoord pleit voor een “aanklampende bemiddeling en controle” van werklozen met snellere controles en sanctioneringen. Er moet sneller gestart worden met opleidingen. De rol van de VDAB daarin wordt beperkt tot de “regie” van het traject. “Enkel waar er geen privé of semipubliek opleidingsaanbod is, kan de VDAB dat zelf voorzien.” De private opleidingssector staat mooie tijden te wachten! Opvolging van werklozen kan ook meer op het lokale niveau gebeuren, waarbij de verplichte gemeenschapsdienst wordt uitgebreid onder de nieuwe naam van “samenlevingsjobs.” Het gaat om verplichte tewerkstelling na een jaar werkloosheid in taken voor lokale besturen, vzw’s en scholen aan 4,5 euro per uur bovenop de werkloosheidsuitkering. Waarom zouden lokale besturen nog personeel aan goede voorwaarden en lonen aanwerven als ze beroep kunnen doen op goedkoop dwangpersoneel? Het idee dat deze werkervaring een opstap is naar een reguliere job wordt op die manier ondermijnd.   

Gezien het federale voorstel om de werkloosheidsuitkering in de tijd te beperken, wil de nieuwe Vlaamse regering meer inzetten op arbeidsbemiddeling van leefloongerechtigden. In aansluiting op het federale voorstel van een jacht op langdurig zieken krijgt de VDAB de verplichting om 12.000 terug-naar-werktrajecten per jaar te realiseren, wat tegen 2029 moet toenemen tot 20.000. Het uitgangspunt is niet dat er minder langdurig zieken zullen zijn. Dat zou ook vreemd zijn met een beleid dat geen antwoorden biedt op de redenen waarom mensen ziek uitvallen.

Anderstaligen moeten van deze Vlaamse regering eveneens een tandje bijsteken. Anderstalige nieuwkomers met schoolgaande kinderen moeten aantonen dat ze een inspanning doen om Nederlands te leren. Zonder bewijs van deelname aan een cursus door minstens één ouder verliezen ze de schoolbonus. Dit is het eerste punt rond onderwijs in het akkoord. Pas erna wordt ingegaan op de positie van leerkrachten. Dit gebeurt in erg vage bewoordingen zoals het “opwaarderen van de maatschappelijke status van het beroep.” Allemaal goed en wel, maar om dat te doen is er geld nodig. Een massaal plan van publieke investeringen in opleiding, infrastructuur en voldoende personeel is niet te vinden in het regeerakkoord. Zo wordt rond de infrastructuur enkel gezegd dat het “investeringsritme aangehouden wordt.” Lees: er komen geen extra middelen. De noodzakelijke massale investeringen waar het onderwijspersoneel eerder dit jaar voor betoogde, komen er niet. In plaats van meer middelen voor het hoger onderwijs, wil de Vlaamse regering het aantal studenten beperken met verplichte starttoetsen. De sancties zijn concreet, de beloften vaag. Het is een rode draad in het regeerakkoord. Als de scholen via het CLB het lokale sociaal beleid kunnen contacteren als “ouders moeite hebben om hun verantwoordelijkheid op te nemen,” doet dit vermoeden dat het eerder gericht zal zijn op sancties dan op het aanbieden van hulp. In een op sancties gericht beleid zijn er op alle niveaus kleine politieagenten nodig.

Het opleggen van regeltjes wordt verder aangevuld met het optrekken van het verplichte taalniveau voor sociaal huurders of nog de aanzet tot een breder hoofddoekenverbod bij de Vlaamse overheid onder het mom dat elk contact “als neutraal” moet ervaren worden. Het opleggen van regels gebeurt natuurlijk niet overal. De mogelijkheden van bezwaar tegen vergunningen wil de regering inperken. De actiegroep Climaxi stelt vast: “De combinatie van weinig klimaatinvesteringen en een minder democratische wetgeving is zowel voor lokale dossiers als voor het internationale klimaat nefast.”

De winstbelangen staan centraal in het regeerakkoord en er wordt gepleit voor een KMO-vriendelijk beleid. Tegelijk wil de Vlaamse regering bedrijfssubsidies onder de loep nemen omdat deze een “rem kunnen zijn op ‘creatieve destructie’.” Ook bij het verdedigen van de winstmachines en het doorsluizen van publieke middelen daartoe, wordt de controle dus overgelaten aan de ‘vrije markt’. Het is een indicatie dat publieke investeringen geen sociaal doeleinde hebben, maar gericht worden op de belangen van de grote bedrijven. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de extra investeringen in openbare werken.

Wat met de sociale beloften?

De extra investeringen in welzijn zijn een trofee van CD&V en Vooruit. Er komen (voorwaardelijk) 10.000 plaatsen bij in de kinderopvang. Dat is minder dan nodig, maar een noodzakelijke stap vooruit. Voor de Vlaamse regering gaat het niet enkel om een sociale dienst, maar ook om een “belangrijk instrument om de combinatie tussen werk en privé ook praktisch werkbaar te maken.” Rond werkbaar werk wordt voor de rest amper iets concreet gezegd in het akkoord. Omdat de maatregel rond kinderopvang vooral daarop gericht is, wordt ook de voorrang voor werkenden bevestigd. 

De daling van de registratierechten voor de aankoop van een eerste eigen woning van 3 naar 2%, wordt voorgesteld als een maatregel om wonen meer betaalbaar te maken. De Wever had het echter meteen ook over “een stukje zuurstof voor de markt” omdat er “veel te weinig wordt gebouwd in Vlaanderen.” De connecties met de private projectontwikkelaars beperken zich duidelijk niet tot het lokale niveau. Het regeerakkoord stelt: “Als overheid faciliteren we de gezonde werking van de vastgoedmarkt en sturen we gericht bij waar nodig.” De noodzaak van een drastische uitbreiding van het aanbod van sociale huisvesting werd daarbij niet opgemerkt.

Als sociale maatregelen passen in de winstbelangen, zijn ze concreter in het regeerakkoord. Andere voorstellen blijven wel erg vaag. De belofte van Vooruit om alle schoolkinderen een gezonde maaltijd op school aan te bieden, is bijvoorbeeld sterk afgezwakt: “Als basisscholen en het betrokken lokale sociale beleid in collectieve ondersteuning willen voorzien rond gezonde maaltijden op school, kunnen ze een beroep doen op Vlaamse cofinanciering.”

Het gedeeltelijk herstel van de indexering van het groeipakket (de kinderbijslag) komt op een ogenblik dat de inflatie weer lager is, waardoor er voorlopig niets verandert. De sociale toeslag voor ouders met laag inkomen wordt niet geïndexeerd. En over het inhalen van het voorheen geleden verlies door de onvolledige indexering de afgelopen jaren, een verlies van 1 miljard euro, wordt uiteraard niets gezegd. CD&V mocht een trofee binnenhalen, maar het mocht niets kosten.

Rond het openbaar vervoer wordt in vage termen gesproken over uitbreiding van het aanbod. Inzake de noodzakelijke middelen wordt enkel gesteld dat de “investeringstoezeggingen uit het openbaredienstencontract met De Lijn nagekomen” worden. Meer middelen voor onderhoud en vervanging hebben als doel om “onze infrastructuur op peil te houden.” Tegelijk wordt de deur geopend voor fors duurdere tarieven. Met Annick De Ridder (N-VA) als nieuwe minister van Mobiliteit, is het duidelijk dat dienstverlening geen prioriteit zal zijn. De Ridder is een gekende en rabiate tegenstander van het openbaar vervoer. Twintig jaar geleden, toen ze nog liberaal parlementslid was, klaagde ze steen en been over de zogenaamd vele “lege bussen” die rondreden. Dat belooft dus weinig goeds.

De verlaging van successierechten kan overkomen als sociaal, aangezien steeds meer mensen voor hun oudere dag afhankelijk zijn van middelen die ze erven van hun ouders. Het is frustrerend dat daar een groot deel van verdwijnt via successierechten. De grootste bedragen van erfenissen zijn echter niet bij de werkende klasse te zoeken. De superrijken organiseren hun erfenissen veel efficiënter en hebben tal van achterpoortjes om op de veel grotere bedragen minder te moeten betalen. Dit versterkt en vergroot de ongelijkheid in de samenleving, erfenissen zijn voor superrijken doorgaans de belangrijkste bron van hun rijkdom. Het verlagen van successierechten zou volgens het regeerakkoord in eerste instantie gericht zijn op kleine en middelgrote erfenissen. Concreet is het nog niet en er wordt niets gezegd over hoe achterpoortjes voor de allerrijksten aangepakt worden. Dient een eventuele verlaging van onze erfbelasting als middel om het niet over de enorme ongelijkheidsmachine van het erfrecht tout court te moeten hebben?

De afschaffing van de jobbonus voor lage lonen treft 1 miljoen rechthebbenden op 2,5 miljoen werkenden. Die jobbonus was een paradepaardje van Open VLD en moest daarom verdwijnen. Met deze bonus werd het loon van werkenden aangevuld, zodat de werkgevers dat niet moesten doen. De bijpassing verdwijnt op termijn, enige druk op de werkgevers om zelf degelijke lonen te betalen is er niet. 

Over de dienstencheques zou er naast het regeerakkoord een informeel akkoord zijn om de prijs te verhogen en de fiscale aftrek af te schaffen. Dit maakt dienstencheques duurder. Slechts een beperkt deel hiervan zou gaan naar het loon van het personeel in de sector, dat nochtans al lang actie voert voor echte loonsverhogingen. 

Sterke oppositie nodig tegen zwakke regering

De onderhandelingen verliepen stroef, op het einde moest De Wever erbij gehaald worden om de laatste plooien glad te strijken. Er waren lekken over bitsige confrontaties, ook tussen N-VA’ers onderling (Demir versus Weyts en Demir versus De Ridder, waarbij De Wever moest tussenkomen).  ‘Sterke Jan’ Jambon is al lang gelost, niet enkel omdat Conner Rousseau daarop aandrong. Enkele N-VA-sterkhouders van de vorige Vlaamse regering deden het niet goed inzake voorkeurstemmen op 9 juni. Het verlies van N-VA bij de Vlaamse verkiezingen (opnieuw een daling met 4 zetels nadat er in 2019 ook al 8 zetels verloren gingen), maakt dat Vooruit en CD&V relatief meer gewicht hebben. Om zijn congres mee te krijgen, haalde Conner Rousseau zwaar uit naar N-VA. Tijdens de onderhandelingen aarzelde Sammy Mahdi (CD&V) niet om naar de media te stappen met zijn eisen. Zelfs indien het alsnog gelukt is om voor de gemeenteraadsverkiezingen te landen, is de kans klein dat dit een stabiele en samenhangende regering wordt.  

Bovendien is er een context van enorme tekorten en crisis op de terreinen waarvoor de Vlaamse regering bevoegd is. In De Standaard stelt Marc Reynebeau: “Onderfinanciering heeft al tal van Vlaamse kroonjuwelen, van onderwijs via zorg en sociale huisvesting tot openbaar vervoer, tot probleemgevallen gemaakt.” De PVDA merkt terecht op: “We zitten in een wooncrisis, het openbaar vervoer faalt en de tekorten in de zorg en het onderwijs zijn groot. Maar ondanks lange onderhandelingen leggen de N-VA, CD&V en Vooruit amper oplossingen op tafel. Wel komen ze met vage beloftes, zonder uit te doeken te doen waar ze gaan besparen.” 

Het ABVV zegt tevreden te zijn met de aangekondigde investeringen in zorg, kinderbijslag, openbaar vervoer en onderwijs, maar stelt zich “ook nog veel vragen” omdat “de budgetten en de concrete uitwerking vaag blijven.” Bij het ACV wordt gelijkaardig gereageerd, met de waarschuwing dat “de commercialisering van de zorg geen duidelijke halt wordt toegeroepen.” BBTK Social Profit verklaart “voorzichtig optimistisch” te zijn over zorg en welzijn. “Er wordt een ongezien grote investering in de Vlaamse social profit aangekondigd,” aldus BBTK, dat echter ook moet erkennen dat er nog geen exacte cijfers beschikbaar zijn. Over de asociale aanvallen in het regeerakkoord blijft het ondertussen veel te stil in de vakbondsreacties. 

De PVDA merkt op: “Wij gaan er de komende vijf jaar alles aan doen om de nodige investeringen in huisvesting, zorg, openbaar vervoer en het onderwijs af te dwingen.” Dat is een goede opstelling, die we best concretiseren met plannen inzake strijd. De uitdagingen zijn enorm, de tekorten blijven oplopen en deze regering zal die verder vergroten. Het regeerakkoord maakt duidelijk dat de deelnemende partijen ervan uitgaan dat de Arizona-regering op federaal niveau er komt. Dat betekent extra aanvallen op de werkende klasse en al wie het moeilijk heeft. De oppositie hiertegen mag niet beperkt worden tot sterke uitspraken, we moeten ons organiseren op elke werkplek en in elke buurt om doorheen strijd eisen rond onze noden te formuleren en te populariseren. Zo kunnen we een krachtsverhouding opbouwen waarmee we kunnen winnen. Als we dat niet doen, laten we ruimte aan allerhande valse profeten – van marketingboys tot extreemrechts vergif – die door verdeeldheid te zaaien de werkende klasse verzwakken.

Bron: Socialisme.be

Betoging ‘Audi is van ons’. Is het al niet meer toegelaten om een spandoek uit te rollen?

“Terwijl duizenden van ons solidair waren met de arbeiders van Audi, ontvouwde een kleine groep kameraden een spandoek langs de route waarin werd opgeroepen tot een algemene staking in solidariteit met de arbeiders in de strijd.

“Tot onze verbazing zagen we vier mannen in burger van de andere kant van de weg op het spandoek afrennen en het weghalen. Toen we dichterbij kwamen, realiseerden we ons dat het politieagenten waren. Toen een kameraad hen vroeg waarom ze het spandoek hadden weggehaald, werd hij weggeduwd.

“Kortom, geconfronteerd met de legitieme woede van delen van onze sociale klasse, wordt er een duidelijke boodschap naar ons gestuurd: betoog rustig en denk niet dat de straat van jullie is!

“Kameraden, het is tijd om ons zelfvertrouwen te herwinnen. Laten we ons klaarmaken voor sterke en strijdbare mobilisaties in de komende maanden! We zullen geen enkele antidemocratische houding tolereren in onze strijd!

“Lang leve de strijd en solidariteit!”

Bron: Socialisme.be