Bijgedachte Onderwijs

Vinden we het echt normaal dat 16-jarigen in het volwassenenonderwijs terechtkomen?

Dat er plots aandacht is voor het volwassenenonderwijs komt doordat de Vlaamse regering er meer geld aan wil verdienen. Vreemd genoeg wordt in het regeerakkoord met geen woord gerept over de groeiende groep tieners die er vaak willens nillens belandt.

217 miljoen euro. Zoveel zal de nieuwe Vlaamse regering de komende vijf jaar in het volwassenenonderwijs proberen te besparen. Dat wil ze doen door het inschrijvingsgeld inkomensgerelateerd te maken, zoals dat heet. Wie voor een opleiding kiest die hem voor een knelpuntberoep klaarstoomt, zal minder moeten betalen dan andere cursisten. Aangezien het om een besparingsoperatie gaat, kunnen we er behoorlijk zeker van zijn dat het aanbod voor heel wat mensen duurder wordt.

Dat de nadruk in de passage over volwassenenonderwijs – naast het organiseren van cursussen Nederlands – sterk op de aansluiting met de arbeidsmarkt ligt, past natuurlijk helemaal in de geest van het nieuwe Vlaamse regeerakkoord. Het is geen toeval dat kersvers Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) ook bevoegd is voor werk. Nogal logisch dus dat de regering wil dat de centra voor volwassenenonderwijs (CVO) mensen in de eerste plaats klaarstomen voor een job waar veel vraag naar is. Het regeerakkoord wekt ook de indruk dat ze geacht zullen worden om zich als de wiedeweerga aan die veranderende vraag aan te passen.

Geen woord echter over het feit dat centra voor volwassenenonderwijs steeds meer jongeren opvangen die tussen de mazen van het leerplichtonderwijs zijn gevallen. Op sommige plekken maken zij al een derde tot zelfs de helft van de deelnemers aan de cursus algemene vorming uit. Dat hangt natuurlijk samen met het feit dat liefst een op de zeven Vlaamse leerlingen vandaag zonder diploma van school komt.

Jongeren kunnen vanaf hun zestiende een beroepsopleiding volgen in het volwassenenonderwijs, aan de algemene vorming mogen ze pas beginnen als ze achttien zijn. Veel van die tieners hebben in het secundair onderwijs een hobbelig parcours doorlopen. Ze hebben meer dan eens een jaar moeten overdoen en vaak zijn ze een paar keer noodgedwongen van richting veranderd. Wanneer er dan nog maar eens een C-attest dreigt, besluiten sommigen hun kans te wagen in het volwassenenonderwijs. Vandaar dat de telefoon in die centra in juni meestal roodgloeiend staat: ouders die inzien dat hun kind wellicht niet zal slagen, informeren zich over de mogelijkheden in het volwassenenonderwijs. Er zijn zelfs klassenraden die expliciet het advies geven om het daar eens te proberen. 

Anderen schrijven zich bij een CVO in omdat ze via het watervalsysteem in het secundair onderwijs uiteindelijk in een richting zijn beland die hen totaal niet ligt. In het volwassenenonderwijs kunnen ze dan kiezen voor een opleiding die hen wél interesseert. Daarnaast zijn er ook tieners die niet meer naar een gewone school willen gaan omdat ze er, bijvoorbeeld, zwaar worden gepest of omdat ze zich in zo’n drukke, lawaaierige omgeving onmogelijk kunnen concentreren. Er zijn er ook die al tevergeefs hebben geprobeerd hun diploma voor de examencommissie te behalen. Wanneer het hen maar niet lukt om voor alle vakken te slagen, kiezen ze dan toch voor een traject waarbij ze niet alle leerstof zelfstandig hoeven te verwerken.

Veruit de meeste jongeren die zich in het volwassenenonderwijs aanmelden, dragen een zware rugzak met zich mee. Sommigen zijn in kansarmoede opgegroeid, staan overal alleen voor, worstelen met zware leerstoornissen, herstellen van een eetstoornis of hebben een opname in de psychiatrie achter de rug. Vormen zulke moeilijkheden een enorme uitdaging voor secundaire scholen, dan is het volwassenenonderwijs al helemaal niet uitgerust om ermee om te gaan. Daar zijn geen zorgleerkrachten die de tijd kunnen nemen om de leerlingen bij te staan en eventueel in de richting van hulpverlening te sturen, en ook geen CLB dat kan tussenkomen. In veel gevallen kennen trajectbegeleiders in het volwassenenonderwijs zelfs de voorgeschiedenis van de cursisten niet.

Als de nieuwe Vlaamse regering het volwassenenonderwijs dus echt wil versterken om zo veel mogelijk mensen in de richting van de arbeidsmarkt te sturen, zal het niet volstaan om het aanbod meer te richten op anderstalige nieuwkomers en mensen die interesse hebben in het een of andere knelpuntberoep. Dan zal ze ook een van de vaagste beloftes uit haar regeerakkoord moeten zien waar te maken: volop de kaart trekken van het technisch en beroepsonderwijs.

Bron: Knack.be

De Vlaamse renovatieplicht is fors afgezwakt:  ‘Maar de renovatieregels zullen onvermijdelijk weer strenger worden’

De renovatieplicht werd in het Vlaamse regeerakkoord een stuk minder streng. ‘Renovatie lijkt wel de processie van Echternach, maar dan met meer stappen achteruit’, zegt Ruben Baetens (KU Leuven). ‘En onvermijdelijk komen er straks toch strengere eisen.’

Het Vlaamse regeerakkoord is op heel wat punten erg vaag, maar niet als het gaat over de renovatieplicht, een bevoegdheid die valt onder Vlaams minister van Wonen, Energie en Klimaat Melissa Depraetere (Vooruit). Daarover is het regeerakkoord klaar en duidelijk: ‘De renovatieplicht wordt beperkt tot op het huidige niveau van EPC-label D. Het verstrengingspad wordt afgeschaft.’ En ‘de termijn voor de uitvoering van de werkzaamheden om aan de renovatieplicht te voldoen (…) wordt verhoogd naar 6 jaar’.

Ruben Baetens van het Instituut voor Energie & Maatschappij (KU Leuven) vindt die stelligheid opvallend: ‘Het regeerakkoord staat vol met zinsneden als “we onderzoeken”, “we bekijken” of “we evalueren”, maar voor de renovatieplicht is dat niet het geval. Men legt in het regeerakkoord duidelijk vast hoe de renovatieplicht er vanaf nu uitziet en laat schijnbaar geen mogelijkheid open om daar de volgende jaren nog iets aan te veranderen. Terwijl er ooit onvermijdelijk strengere renovatie-eisen zullen moeten komen.’

Tot nu toe was het zo dat alle woningen en appartementen met EPC-label E of F die vanaf 2023 zijn aangekocht, verplicht gerenoveerd moesten worden naar minstens label D, en dat binnen de vijf jaar na aankoop. Bovendien was dat maar een eerste stap, want in de toekomst zou het strenger worden. Wie in 2028 een huis of appartement zou kopen, moest binnen de vijf jaar renoveren tot label C. Vanaf 2040 moest elke woning na verkoop tot label A gerenoveerd worden. Dat allemaal om te beantwoorden aan de eis van Europa om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn en dus niet méér broeikasgas uit te stoten dan de natuur kan absorberen, zoals eerder in Knack uitgelegd.

De regering-Diependaele heeft die renovatieplicht nu erg afgezwakt: ze wordt bevroren tot EPC-label D en men heeft zes in plaats van vijf jaar om tot dat niveau te komen. ‘Dat is bijzonder eigenaardig’, zegt Baetens. ‘Je geeft de mensen dus meer tijd om ervoor te zorgen dat hun woning EPC-label D haalt, wat nog steeds een erg slechte score is inzake energiezuinigheid. Eigenlijk gaat dit niet langer over renoveren, maar hooguit om opkalefateren. En daar mag je nu dus ook nog eens langer over doen.’

In het regeerakkoord staat ook nog dat de regering zal ‘focussen op de minst zuinige energielabels (E en F) door in heel Vlaanderen laagdrempelige collectieve renovatieprogramma’s uit te rollen’. Dat zou dan gebeuren in ‘in de vorm van groepsaankopen met de Mijn VerbouwLening als prefinanciering’, zo staat er. Baetens: ‘Als mensen erin slagen zich te organiseren om samen te renoveren, is de Vlaamse overheid bereid om dat een beetje te subsidiëren. Eigenlijk bestond zoiets al in het verleden, maar het was geen succes omdat mensen er niet toe komen om samen te renoveren. Dat zal ook in de toekomst zo zijn. Die collectieve renovatieprogramma’s werken niet zonder een trekker die de regie in handen neemt.’

Het is dus zeer de vraag of met de passages in het Vlaamse regeerakkoord over de verplichte renovatie de Europese doelstellingen tegen 2050 worden gehaald. In het regeerakkoord staat bovendien ook dat de Vlaamse regering vasthoudt aan haar eigen doelstelling om in 2030 40 procent minder CO₂ uit te stoten dan in 2005. Er wordt zelfs gewag van gemaakt om die ambitie op te trekken richting 47 procent. Hoe die eigen doelstelling met de afgezwakte renovatieplicht moet worden gehaald, is nog minder duidelijk.

Baetens: ‘Mensen die nu een huis kopen, willen daar meestal de volgende 30 jaar in wonen. Dan zijn we voorbij 2050, het jaar dat de Europese doelstellingen gerealiseerd moeten zijn. Maar in het huidige Vlaamse regeerakkoord wordt niet meer uitgesproken over wat er van de burger tegen die tijd wordt verwacht. Moeten we tegen 2050 allemaal naar EPC-label A? Of wordt het iets anders? Dat vind je nergens terug in het regeerakkoord. Men laat de burger in het ongewisse.’

‘De afzwakking van de renovatieplicht is onbegrijpelijk’, zegt Baetens. ‘Het Vlaamse renovatiebeleid lijkt wel de processie van Echternach, maar dan met meer stappen achteruit. Men had in het regeerakkoord de opening kunnen laten om gedurende deze bestuursperiode de renovatieplicht aan te passen aan de Europese richtlijnen, maar zelfs dat staat er niet in. Het is duidelijk dat deze regering het verduurzamen van de woningen niet au sérieux neemt.’

‘De Vlaamse regering heeft zich niet durven uit te spreken over de doelstellingen op wat langere termijn’, vervolgt Baetens. ‘Maar we weten welke doelstellingen er voor België en Vlaanderen op tafel liggen, en dan is het duidelijk dat je in de toekomst toch meer zult moeten renoveren dan wat er nu in het regeerakkoord staat. Het is onvermijdelijk dat er ooit opnieuw strengere renovatieregels zullen volgen. Je zult beter moeten isoleren, je zult een warmtepomp moeten installeren.’

Baetens concludeert: ‘De Vlaamse regering had in het regeerakkoord beter geschreven dat ze de huidige renovatieplicht ging evalueren, om dan over een jaar te zien wat er allemaal zou moeten veranderen en dan vervolgens met duidelijke, aangepaste renovatieregels te komen, ook op langere termijn. En die renovatieregels zullen onvermijdelijk strenger zijn. Maar de nieuwe Vlaamse regering is blijkbaar bang om dat aan de burgers te vertellen.’

Bron: Knack.be

Personeel van Audi-onderaannemers: de vergeten slachtoffers

De aankondiging van de sluiting van Audi in Vorst heeft niet alleen gevolgen voor de bijna 3.000 werknemers in de fabriek, maar ook voor honderden werknemers bij onderaannemers op de site van het bedrijf. 

door Guy Van Sinoy

Het gaat onder meer om toeleveringsbedrijven als DP World, dat instaat voor de ontvangst van materiaal, magazijnbeheer en ordervoorbereiding. Rhenus Automitive is verantwoordelijk voor de ontvangst van onderdelen en de bevoorrading van de productielijn. Plastic Omnium staat in voor de uitrusting van de carrosserie (bumpers, koplampen, radiators …). Van Eupen Sesé doet de verpakking. Honderden arbeiders werken voor deze onderaannemers, die integraal deel uitmaken van het productieproces. 

Naast de metaalarbeiders is er ook personeel voor de schoonmaak en kantines, waar er veel vrouwen werken. Van de 800 mensen in dienst bij onderaannemers, werken er ongeveer 250 in taken van horeca en schoonmaak. 

Zonder al deze werkenden rolt er geen enkel afgewerkte auto van de productielijn in Vorst.

Verdeel en heers

Het systematische gebruik van onderaannemers en uitzendkrachten (bijna 300!) is een weloverwogen beleid van Audi om de uitbuiting van het personeel te verhogen. Er zijn verschillen in de arbeidsomstandigheden en de lonen tussen het personeel van Audi en dat van onderaannemers. In de term ‘onderaanneming’ heeft het woord ‘onder’ een belangrijke betekenis.

Wat wordt het lot van al die werkenden bij onderaannemers indien het bedrijf zoals gepland sluit in 2025? Niemand die het weet! De arbeiders van de onderaannemers die al enkele weken voor de ingang van de fabriek in Vorst kamperen, maken zich grote zorgen.

Audi wil de productie van zijn model Q8 e-tron (catalogusprijs in België: €91.480 incl. btw) overbrengen naar een fabriek in Puebla, Mexico (die in 2016 openging en waar de lonen lager liggen dan in Vorst). Maar grenzen houden de klassenstrijd niet tegen. Afgelopen februari wonnen de arbeiders bij Audi Puebla een loonsverhoging van 7% en een verhoging van de sociale voordelen met 3,2% voor 2024, nadat ze bijna een maand staakten!

Solidariteit en eenheid 

De onderaannemers zijn de vergeten slachtoffers van het conflict. Hun werk is 100% afhankelijk van Audi, maar ze vallen niet onder de collectieve ontslagprocedure volgens de wet-Renault. In 2006, ten tijde van de grote herstructurering van het toenmalige Volkswagen Vorst, kregen de werkenden in onderaanneming veel minder. Toen de directie van Audi eind augustus een personeelsbijeenkomst belegde, werden de onderaannemers niet uitgenodigd. We hebben een strijdplan nodig dat niemand achterlaat, noch bij Audi, noch bij de onderaannemers.

Bron: Socialisme.be

Jacht op wie ziek is, zonder antwoord op waarom aantal zieken toeneemt

Jacht op wie ziek is, zonder antwoord op waarom aantal zieken toeneemt

Bij gebrek aan antwoord op het toenemend aantal mensen dat uitvalt wegens ziekte, is de jacht op de zieken geopend. Die jacht wordt uitgebreid tot al wie verdacht wordt van medeplichtigheid, van dokters tot ziekenfondsen. De nota van De Wever voorzag in een heel arsenaal aan maatregelen daartoe. 

Door Geert Cool

Niet beperkt tot langdurig zieken, iedereen wordt geraakt

De aanvallen zouden zo goed als iedereen treffen. Zo wil De Wever de carensdag terug invoeren. Die maatregel houdt in dat een eerste dag ziekte bij een korte arbeidsongeschiktheid niet uitbetaald wordt. Tien jaar na de afschaffing ervan – in het kader van de eenmaking van het statuut van arbeiders en bedienden – wil de N-VA het voor iedereen terug invoeren. De nota van De Wever stelt dat dit nodig is om “oneigenlijk gebruik van korte periodes van arbeidsongeschiktheid zonder medisch attest tegen te gaan.” Tegelijk wordt korte afwezigheid zonder doktersbriefje (wat mogelijk is in grote bedrijven) op de helling gezet: werkgevers kunnen van deze maatregel afwijken “voor het geheel of een deel van de werknemers.” De onderliggende boodschap is duidelijk: wie ziek thuis zit, is een profiteur en “oneigenlijk” afwezig. 

Net zoals er na de afschaffing van de carensdag op 1 januari 2014 geen toename was van het aantal ziektedagen, was dit ook na de afschaffing van de verplichting van een doktersbriefje niet het geval. De werkgevers klaagden dat meer werknemers zich één dag ziek melden. Bij de federale ambtenaren werd eveneens vastgesteld dat meer ambtenaren zich voor één dag ziek melden, maar tegelijk komen die sneller opnieuw werken en is het totaal aantal dagen ziekte van korte duur licht gedaald. Hetzelfde blijkt in de privé: volgens onderzoek van Attentia nam het kort ziekteverzuim in 2023 af tegenover 2022. Ook Acerta kwam tot de vaststelling dat het kort ziekteverzuim niet stijgt als gevolg van de afschaffing van het ziektebriefje voor 1 dag. (zie: https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2024/01/05/ziekteverzuim-klimt-naar-recordhoogtes-werknemers-10-procent-va/) 

Anders geformuleerd: als de nota De Wever het geeft over oneigenlijk gebruik van korte periodes van arbeidsongeschiktheid zonder medisch attest, is dat niets anders dan stemmingmakerij en het verdacht maken van wie een dag ziek thuis blijft. 

Geen diagnose van waarom er toename is van aantal langdurig zieken

De strafste aanval in de nota van De Wever is die op de langdurig zieken. Zij moeten zo snel mogelijk terug aan het werk. Ongetwijfeld zijn er veel langdurig zieken die niet liever zouden willen dan een mogelijkheid om aan de samenleving bij te dragen. Het probleem zit echter meestal bij de kwestie van aangepast en haalbaar werk. Als werkenden uitvallen, komt dit doorgaans ofwel door fysieke gezondheidsproblemen ofwel door mentale overbelasting. Hierover zegt de nota van De Wever echter niets.

Van de bazen vraagt hij enkel in bijzonder vage termen dat ze een “werkomgeving” creëren “waar langdurig ziekteverzuim zo veel als mogelijk wordt vermeden.” Het blijft bij vriendelijk vragen en een tijdelijke niet nader bepaalde bijdrage aan het bedrag van de ziekte-uitkering die na de maand gewaarborgd loon wordt betaald. Die algemene regel zou meteen de sanctie vervangen die recent ingevoerd werd voor bedrijven met een groot aantal langdurig zieken. De verantwoordelijkheid van de bazen wordt dus veralgemeend en afgebouwd. 

Wel dreigt een sanctie voor werkgevers die niet snel genoeg een re-integratietraject opstarten om hun zieke personeel “met een arbeidspotentieel” terug aan de slag te krijgen. Niet dat de bazen zich daar echt zorgen over hoeven te maken: er wordt voorzien in een grotere rol voor de regionale bemiddelingsdiensten en er kan voor tewerkstelling naar andere bedrijven gekeken worden. Oh ja, de baas kan vanaf de eerste dag ziekte een re-integratietraject opstarten. 

Zieken die onvoldoende meewerken aan dit traject kunnen meteen gedurende zes maanden een deel van hun uitkering verliezen en nadien een nog groter deel indien geoordeeld wordt dat ze onvoldoende actief zijn inzake hun terugkeer naar de werkvloer. Kortom, als ze niet aan de slag gaan, komt dat omdat ze niet genoeg hun best doen. Zou de stress die dit alles met zich meebrengt een positief of een negatief medisch effect hebben op mensen met een burn-out of psychische problemen? 

Financiering van dokters en ziekenfondsen afhankelijk van hoeveel zieken ze arbeidsgeschikt verklaren

Om de druk nog verder op te voeren, komen de dokters in het vizier. Een ziekte-attest moet volgens De Wever vervangen worden door een “geschiktheidsattest” waarin een dokter aangeeft waartoe de patiënt wel geschikt is. Wat dit concreet inhoudt, is onduidelijk. Moet een behandelde arts een overzicht geven van mogelijke jobs of handelingen die iemand wel kan uitvoeren? Om te vermijden dat artsen niet meestappen in dit beleid, voorziet de nota van De Wever in de mogelijkheid om wie “significant meer en/of langere periodes van arbeidsongeschiktheid voorschrijft” aan te spreken en “financieel te responsabiliseren” (lees: te sanctioneren). De gegevens daartoe moeten op basis van datamining verzameld worden. Bescherming van privacy en van de relatie tussen dokter en patiënt? Daar doen we niet aan mee onder N-VA-bewind! 

Behalve de artsen worden ook de ziekenfondsen aangepakt. De Wever ziet een belangenconflict omdat adviserende geneesheren van de ziekenfondsen oordelen over de arbeidsongeschiktheid van leden van diezelfde ziekenfondsen. Het wil daarom de verantwoordelijkheid overdragen naar een nog nader te bepalen overheidsinstantie. In afwachting daarvan zou de financiering van de werkingskosten van de ziekenfondsen “meer afhankelijk” worden “van de mate waarin zij er effectief in slagen om langdurige zieken te re-integreren op de arbeidsmarkt.” Hiermee worden de adviserend artsen een kanjer van een belangenconflict opgelegd: de financiering van hun werking wordt afhankelijk van het aantal beslissingen die langdurig zieken arbeidsgeschikt verklaren. Een langdurig zieke arbeidsongeschikt verklaren, betekent snijden in de eigen werkingsmiddelen. Over de redenen waarom iemand arbeidsongeschikt is, wordt ondertussen uiteraard niet gesproken.  

De ziekenfondsen hebben vandaag nog een zekere onafhankelijke positie tegenover de overheid. Dat is verdacht en onaanvaardbaar voor de N-VA. Niet dat er cijfers kunnen voorgelegd worden van vermeende laksheid bij adviezen over arbeidsongeschiktheid. Het is het principe dat telt: de controle moet gebeuren door een instantie die veel directer de bevelen van de overheden, in het bijzonder van de N-VA, uitvoert. In dat kader moet de “focus verschuiven van een grotendeels medische benadering naar een multidisciplinaire en meer arbeidsmarktgerichte benadering.” Mensen die ziek zijn medisch benaderen, getuigt voor de N-VA van een verkeerde focus. Het gaat niet om het wegnemen van redenen waarom mensen ziek worden of om een genezingsproces. Neen, zieken zo snel mogelijk terug aan het werk krijgen is de enige doelstelling. Ook de financiering van de bemiddelingsdiensten zou daarop afgestemd worden: de nota heeft het over samenwerkingsakkoorden met een “ambitieuze doelstelling en groeipad” in het “actieve bereik van re-integratie naar werk” waarbij er ook sprake is van “resultaatgerichte financiering.”

Waarom stijgt het aantal langdurig zieken?

Volgens een studie van de Nationale Bank van België is de demografische evolutie van de werkenden een belangrijke factor. In 1999 was een kwart van de werkenden ouder dan 45 jaar, in 2019 ging het om 42%. (https://www.nbb.be/doc/ts/publications/economicreview/2024/ecorevi2024_h03.pdf) 

Hoe ouder de werkenden, hoe meer risico op uitval wegens ziekte. Meer dan driekwart van de langdurig zieken is 45 jaar of ouder. De sterkste toename van het aantal langdurig zieken is onder werkenden van 55 jaar en ouder. De belangrijkste redenen zijn psychische stoornissen (37,54%) en ziekten van het bewegingsapparaat en bindweefsel (31,88%). (https://www.vbo-feb.be/nl/nieuws/meer-dan-500-000-langdurig-zieken/)

Het pensioenbeleid van de opeenvolgende regeringen doet ons steeds langer werken. Dit leidt onvermijdelijk tot meer uitval wegens ziekte. Het komt er eigenlijk op neer dat ze ons doen werken tot we letterlijk niet meer kunnen. Om vervolgens wie uitvalt af te doen als luie profiteurs…

De steeds verder opgedreven productiviteit verhoogt de werkdruk, wat leidt tot meer burn-outs en depressies. Bijna een kwart van wie langdurig arbeidsongeschikt is, kampt met een burn-out of depressie. Tussen 2016 en 2021 was er een toename met 46% van de langdurige burn-outs en depressies. (https://www.riziv.fgov.be/nl/statistieken/statistieken-uitkeringen/langdurige-arbeidsongeschiktheid-hoeveel-langdurige-burn-outs-en-depressies-hoeveel-kost-dat-aan-uitkeringen) 

Hierover zwijgt de rechterzijde in alle talen. Het lot van wie ziek is, interesseert hen immers niet. De medische focus moet weg, de enige vraag is hoe die zieken terug aan de slag kunnen. Het probleem is overigens nog groter. Verschillende Arizona-voorstellen zullen het aantal burn-outs verder opdrijven. Op de gezondheidszorg wil De Wever bijvoorbeeld 300 miljoen euro besparen. Hoeveel extra zorgwerkers willen ze in een burn-out storten door onvoldoende middelen uit te trekken voor een degelijke zorgsector? 

Geen individuele kwestie, maar een maatschappelijk probleem

De bedrijven willen zo productief mogelijk personeel. Langdurig zieken horen daar niet bij, er is immers het risico op herval en mogelijk is er nood aan een overgangsperiode waarin de werknemer minder productief is. Het is ook die drang naar steeds meer productiviteit die de werkdruk verhoogt en aanleiding geeft tot een toename van het aantal burn-outs en andere mentale problemen. 

Dat de bazen niet staan te springen om zieken in dienst te nemen, blijkt onder meer uit het gebrek aan succes voor de maatregel van Vandenbroucke om hen een premie van 1000 euro te geven. Na zes maanden werden slechts 408 premies aangevraagd. (https://www.tijd.be/politiek-economie/belgie/algemeen/werkhervattingspremie-langdurig-zieken-werkt-niet/10555929.html)

De nota De Wever speelt in op en versterkt onbegrip over langdurig zieken. Van verwijten dat het ‘hun eigen schuld’ is tot beschuldigingen van luiheid. Dit onbegrip wordt in stand gehouden door de dominante visie die burn-out beperkt tot een louter individueel probleem. Voor de bazen en politieke verantwoordelijken is dat een interessante visie, zo blijft hun verantwoordelijkheid buiten schot. Het antwoord kan eveneens beperkt worden tot het individuele terrein, inclusief een steeds grotere nadruk op sancties. Op die manier wordt sociale bescherming omgevormd van iets algemeen geldend tot een individueel ‘privilege’. 

Klinisch psycholoog Paul Verhaeghe merkte jaren geleden al op: “De stoflong en de loodvergiftiging hebben plaats gemaakt voor stress gerelateerde aandoeningen die zowel het gezond zijn als het welzijn betreffen.” (https://m.standaard.be/cnt/dmf20131220_00897586) Daarmee legt hij terecht het verband tussen ziektes en de sociaaleconomische omgeving waarin ze voorkomen. Een dergelijk verband is voor De Wever en co taboe. Het resultaat is dat er geen correcte diagnose kan gesteld worden van het probleem en dat bijgevolg ook het antwoord niet kan werken. 

Een antwoord door de arbeidersbeweging

Het kapitalistische systeem maakt ons letterlijk ziek. De druk van de winstmachines levert hen fenomenale winsten op, voor ons houdt het werkomstandigheden in die niet vol te houden zijn. De Arizona-onderhandelaars leggen de verantwoordelijkheid bij wie uit de boot valt omdat zelfs over het zieke systeem spreken taboe is.

Bescherming van de gezondheid van werkenden is steeds een belangrijk strijdpunt van de arbeidersbeweging geweest. Opkomen voor een gezonde werk- en leefomgeving en voor degelijke lonen, lag zelfs aan de basis van de organisatie van de werkende klasse. 

Vandaag is er nood aan offensieve eisen voor betere arbeidsomstandigheden (zoals arbeidsduurvermindering zonder loonverlies en met bijkomende aanwervingen), toegang tot rustmomenten, verlaging van de werkdruk en strikte medische opvolging van problematische werksituaties. Daarnaast is er nood aan voldoende personeel en middelen in sectoren die vandaag een grote uitval kennen, zoals zorg, onderwijs en de welzijnssector. Een collectieve kwestie zoals de toename van het aantal burn-outs en langdurig zieken vraagt collectieve antwoorden waarvoor de arbeidersbeweging moet strijden. 

Bron: socialisme.be

Harde aanvallen op onze levensstandaard in aantocht… En rechts wil nog meer!

De verkiezingen van 9 juni leverden een verrassende overwinning van de MR langs Franstalige kant op. Een regering van de ‘overwinnaars’ vormen, leek een kwestie van weken. MR en Les Engagés vormden meteen een Franstalige regering. De Wever werd al gauw federaal informateur om een Arizona-coalitie te vormen met N-VA, Vooruit en CD&V langs Nederlandstalige kant. Bijna drie maanden later blijft er weinig over van het optimisme.

9 miljard cadeau aan bedrijven, 14 miljard besparen op werklozen, vluchtelingen en werkenden

De nota van De Wever wil de bedrijven 9 miljard euro lastenverlagingen cadeau doen op kosten van de gemeenschap en de sociale zekerheid. Een deel van die middelen zou gecompenseerd worden door andere taksen, onder meer op consumptie. Kortom, een transfer van de werkenden en hun gezinnen naar de aandeelhouders. Dit alles met de instemming van Conner Rousseau en Vooruit!  

Om te besparen kijken de Arizona-partijen naar de pensioenen (2 miljard), werklozen (1,7 miljard), gepruts aan de index en dus aan onze lonen (600 miljoen), langdurig zieken (362 miljoen), overheidspersoneel (1,8 miljard), vluchtelingen (1,5 miljard), de welvaartsenveloppe van uitkeringsgerechtigden (1,4 miljard), in de zorg wordt nog eens 300 miljoen gezocht … En dat is pas het begin: bovenop de 14 miljard euro geplande besparingen is er sprake van nog eens 19,6 miljard euro die de komende jaren gezocht wordt.

Een miniem deel van de compensaties voor de lastenverlagingen wou De Wever bij de rijksten zoeken, onder meer in de vorm van een beperkte meerwaardebelasting op aandelen die in het ultieme voorstel nog amper 120 miljoen euro zou opleveren. Zelfs dat is onmogelijk voor de MR, die verklaarde dat het de verkiezingen niet gewonnen had om “miljarden nieuwe belastingen in te voeren.” Een deel van het patronaat moedigt Bouchez aan. Het wil nog meer dan de reeds beloofde 9 miljard euro, en het wil geen cent betalen voor dat cadeau! Andere bazen likkebaarden al danig bij wat nu op tafel ligt, dat ze het meteen willen grijpen. Zo riep Unizo op om meteen verder te onderhandelen, omdat wat op tafel ligt “veelbelovend” is.

Zelfs geen schijn van evenwichtigheid

De schijn van evenwichtigheid dat ‘iedereen’ een duit in het zakje moet doen, is voor de MR niet nodig. ‘Daarvoor hebben we de verkiezingen niet gewonnen’, luidt het. Het plaatst de N-VA van De Wever in een moeilijke positie. Ten gronde is de N-VA het eens met Bouchez, maar tegelijk is er het besef dat een horrorbeleid voor de werkende klasse zal leiden tot sociale onrust en ongenoegen die de electorale positie van de N-VA ondermijnen. De afstraffing van de Vlaamse regering, inclusief zijn N-VA-kopstukken, gaf een indicatie op 9 juni. 

Die afstraffing van de Vlaamse regering en de rechtse overwinning langs Franstalige kant zorgden voor een beperktere nadruk op het communautaire. Het argument van ‘twee democratieën’ maakte plaats voor dat van een ‘historische kans’. Ondertussen verloopt de Vlaamse regeringsvorming stroef en zijn er donderwolken boven de ‘historische kans’ op federaal niveau. Samen met de omvang van de besparingsoperatie – het bedrag van 28 miljard euro doet onvermijdelijk denken aan het Globaal Plan van Dehaene in de jaren 1990 – is een terugkeer van communautaire spanningen onvermijdelijk.

Antwoord van arbeidersbeweging nodig

Wat plaatsen de arbeidersbeweging en de linkerzijde hiertegenover, en hoe kunnen we dat afdwingen? Ons gewillig laten pluimen is geen optie. De sociale noden zijn groot en we moeten ervoor strijden om die in te vullen. De middelen hiervoor moeten gezocht worden waar ze zitten. Niet bij de werklozen, werkenden of vluchtelingen, maar bij de superrijken en grote aandeelhouders. Offensieve campagnes kunnen solidariteit en sociale thema’s centraal stellen, in plaats van verdeeldheid waarop extreemrechts verder groeit.

Met een kapitalistisch systeem dat op alle vlakken in verval is, moeten we de kwestie van een andere samenleving durven stellen. Links staat sterker als het een omvattende visie heeft over het falen van het kapitalisme en de noodzaak van een socialistische samenleving die niemand achterwege laat en de klimaatuitdagingen aanpakt, een samenleving gebaseerd op de democratische collectivisering van sleutelsectoren van de economie, binnen een kader van rationele en democratische planning van de economie om te voldoen aan sociale behoeften en niet aan de hebzucht van aandeelhouders.

Bron: Socialisme.be