Toch groei voor Belgische economie

Toch groei voor Belgische economie

KBC is redelijk optimistisch over de vooruitzichten voor de Belgische economie. De bank gaat nu uit van een groei met 2,2 procent over heel 2021. Eerder werd een groei voorspeld van amper 0,9 procent. Vooral in de tweede jaarhelft, als meer Belgen gevaccineerd zijn, zou de economie moeten aantrekken.

Voor 2020, dat volledig beheerst werd door de coronapandemie, verwacht KBC een krimp van de Belgische economie met 7,1 procent. Het vierde kwartaal was uiteindelijk iets beter dan verwacht.

Voor 2021 is de bank veel optimistischer geworden. Ze verwijst daarbij naar de jongste vertrouwensindicatoren van de Nationale Bank, ‘die verrasten in positieve zin’. Zo staat het ondernemersvertrouwen in de Belgische industrie weer op het niveau van voor de coronacrisis. En ook de Belgische consument toonde in december weer meer vertrouwen.

Ook de start van de vaccinaties biedt perspectief, al ziet KBC ook wel nog een aantal uitdagingen. Ze verwacht dat versoepelingen slechts zeer geleidelijk zullen kunnen gebeuren. Ook zijn er nog onzekerheden over de werkzaamheidsduur van het vaccin en de vaccinatiebereidheid bij de Belgen.

Daarnaast blijft ook de vrees om de volgende maanden werkloos te worden op een historisch hoog niveau. Gevreesd wordt dat de Belg hierdoor de vinger op de knip zal houden. Tot slot vormt ook de brexit een uitdaging voor de Belgische economie.

Als met dit alles rekening wordt gehouden, verwacht KBC een groei van het Belgische bruto binnenlands product (bbp) met 2,2 procent dit jaar. ‘We blijven ervan uitgaan dat het herstel van de Belgische economie tot de zomer traag zal verlopen. Vanaf midden 2021 zal de bbp-groei versnellen in lijn met het vervolledigen van de uitrol van het vaccin en het bereiken van voldoende immuniteit onder de bevolking’, klinkt het.

KBC blijft hiermee wel nog voorzichtiger dan sommige andere instellingen, waaronder de Nationale Bank. Die gaat uit van 3,5 procent groei in 2021. Voor volgend jaar verwacht KBC nog een versnelling, tot een toename van het bbp met 4,2 procent.

Bron: Trends

Geen loonsverhoging?

Volgens het VBO, de Vereniging van Belgische Ondernemingen is er geen ruimte voor een loonsverhoging.
Zo zegt Pieter Timmermans in De Standaard: ‘België heeft na grote crisissen zoals de oliecrisis in 1973 en de financiële crisis uit 2008 de lonen laten ontsporen.’
Het VBO schetste – twee weken voor de onderhandelingen voor een nieuwe loonakkoord starten – een grimmig beeld van de toestand van de Belgische bedrijven. 100.000 bedrijven die voor de crisis kerngezond waren, hebben volgens het VBO ernstige financiële problemen. Marge voor loonsverhogingen is er daardoor nauwelijks.

Pieter Timmermans, topman bij het VBO, gaf bij de presentatie van de conjunctuurvooruitzichten een schot voor de boeg in het vooruitzicht van de onderhandelingen voor een Interprofessioneel Akkoord (IPA). Dat is het tweejaarlijks overleg tussen werkgevers en werknemers dat de lonen van alle werknemers in de private sector bepaalt. ‘We mogen niet de fouten uit het verleden herhalen. België heeft telkenmale na grote crisissen zoals de oliecrisis in 1973 en de financiële crisis uit 2008 de lonen laten ontsporen. Dat heeft veel jobs gekost en vergde pijnlijke correcties achteraf, zoals de devaluatie van de Belgische frank of de indexsprong in 2016. Op dit moment staat de competitiviteit van de Belgische bedrijven opnieuw onder druk. De productiviteit is door de coronacrisis gezakt, wat betekent dat de loonkosten per product gestegen zijn. Bovendien zijn er zo’n 100.000 ondernemingen die voor de crisis financieel kerngezond waren en nu door het snel opdrogen van de financiële reservers op omvallen staan.’

Timmermans wil zich wel niet concreet uitspreken hoeveel de lonen kunnen stijgen. Hij verwijst wel naar Nederland: ‘Daar zijn de vakbonden akkoord gegaan met een nominale loonstijging van 1,2 procent. Dat is evenveel als de inflatie’, waarmee Timmermans aangeeft dat er nauwelijks ruimte is voor een reële loonsverhoging (verhoging bovenop de inflatie). Timmermans waarschuwde ook dat heel wat bedrijven extra kapitaal zullen nodig hebben. ‘Veel bedrijven hebben of hadden een liquiditeitsprobleem, en daarvoor zijn er steunmechanismes uitgewerkt. In 2021 zal er voor heel wat bedrijven stilaan nood zijn aan ondersteuning van de solvabiliteit, zodat ze niet failliet gaan. Ik denk aan achtergestelde obligaties (vorm van eigen vermogen, red.) of een nieuwe wet Cooreman-De Clercq die in de jaren 80 beleggingen op de beurs aanmoedigde.’

VBO-hoofdeconoom Edward Roosens gaf in de presentatie wel aan dat bedrijven volgens de VBO-enquêtes wat minder somber zijn dan zes maanden geleden. In de eerste jaarhelft verwachten ze dat de omzet 3 tot 5 procent lager zal liggen dan tegenover een normaal niveau. Nu ligt die 6,8 procent lager. De verschillen tussen de sectoren zijn wel groot. De papiersector verwacht een daling met 30 tot 50 procent. De werkgelegenheid zou volgens het VBO met 2 tot 4 procent zakken. Let wel: in de cijfers van het VBO is de horeca niet inbegrepen. Roossens raamt dat nu 9,8 procent van alle werknemers (inclusief horeca) tijdelijk werkloos is. Dat zijn zo’n 300.000 mensen. Dat zijn er drie keer minder dan in april 2020, maar wel drie keer zoveel als in afgelopen zomer, toen de horeca wel open was.

Uit de enquêtes van het VBO blijkt ook dat de meeste bedrijven een daling van de productiviteit zien. Dat komt volgens Roosens omdat er door de coronaveiligheidsmaatregelen meer personeel nodig was voor dezelfde omzet. Hierdoor stijgen de loonkosten per product. Het VBO stelt ook vast dat bedrijven in 2021 minder gaan investeren.

De werkgeversorganisatie verwacht dus een al bij al zwak eerste semester. Het herstel zal in functie van de opening en de heropstart van de economie geleidelijk aantrekken. Het gedwongen sparen bij de consumenten de afgelopen maanden, leidt ertoe dat in de tweede jaarhelft veel meer uitgegeven zal worden. Het VBO verwacht pas tegen de tweede helft van 2022 een volledig herstel van de economie.

Opvallend op de persconferentie was dat Timmermans het vaccinatiebeleid van de regering ondersteunt. Hij onderschrijft niet de oproep van de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka dat de regering de vaccinaties dringend moet opschalen.

Bron: De Standaard

Bedrijfswagens hoger belast

Op 1 januari 2021 ging het belastbare voordeel voor bedrijfswagens de hoogte in door een aanpassing van de referentie-uitstoot in de berekeningsformule. Dat kost u maandelijks al snel 10 euro netto.

Wie van zijn werkgever of vennootschap een bedrijfswagen krijgt en die auto ook voor zuivere privéverplaatsingen of voor het woon-werkverkeer mag gebruiken, wordt op dat zogeheten ‘voordeel van alle aard’ belast tot 50 procent. Sinds 1 januari 2021 steeg dat belastbare voordeel door een aanpassing in de berekening. Het voordeel van alle aard wordt forfaitair bepaald op basis van de formule [cataloguswaarde x degressiviteitscoëfficiënt x 6/7] x CO2-coëfficiënt.

Wat betekenen die parameters?
De cataloguswaarde is de catalogusprijs in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, met inbegrip van de opties en de werkelijk betaalde btw, maar zonder rekening te houden met kortingen en verminderingen. Die definitie geldt voor alle wagens, dus voor zowel nieuwe, tweedehands- als leasingwagens.

De degressiviteitscoëfficiënt brengt de ouderdom van de auto in rekening. Het percentage verschilt naargelang de periode die verstreken is sinds de datum van eerste inschrijving van het voertuig, ongeacht of dat in België dan wel in het buitenland gebeurde. Voor elk verlopen jaar daalt daardoor de cataloguswaarde met 6 procent, tot minimaal 70 procent van de initiële waarde. Die grens wordt bereikt vanaf het zesde jaar.

De CO2-coëfficiënt is de derde parameter in de berekeningsformule. Hij wordt vastgesteld door de CO2-uitstoot van uw bedrijfswagen te vergelijken met de gemiddelde uitstoot van nieuw ingeschreven wagens.

Het belastbaar voordeel van alle aard kan op jaarbasis nooit minder bedragen dan een (jaarlijks geïndexeerde) ondergrens. Voor het inkomstenjaar 2020 bedroeg die 1360 euro. Op 1 januari 2021 is dat bedrag opgetrokken naar 1370 euro.

Wat betekent dat in de praktijk?
De CO2-referentieaanpassing van 91 naar 84 gram per kilometer voor dieselwagens komt overeen met een daling van 7,7 procent. De bijstelling van 111 naar 102 gram per kilometer voor andere brandstoffen is goed voor een afname met 8,1 procent. Die aanpassingen zijn het gevolg van het feit dat autoconstructeurs het afgelopen jaar nieuwe modellen op de markt hebben gebracht, die dankzij technische innovaties veel minder CO2 uitstoten dan hun voorgangers. Dat resulteert dus in een hoger belastbaar voordeel voor bestaande bedrijfswagens.

Hoeveel het voordeel van alle aard precies stijgt in 2021, hangt dus af van de CO2-uitstoot, de cataloguswaarde en de leeftijd van uw auto.

Dat kan leiden tot een hoger belastbaar “voordeel” van alle aard. Je moet het maar kunnen uitleggen!
Naargelang de berekening komt dat neer op een nettoverlies van ongeveer 212 euro per jaar of gemiddeld zo’n 17,5 euro per maand.

Bron: Trends

Corona veroorzaakt vooral achterstand in wiskunde

Covid-19 heeft tot een leerachterstand geleid. Maar tien jaar na de introductie van Bingel blijkt de digitalisering wel helemaal op snelheid in het lager onderwijs. Dat bevestigt een bevraging van de educatieve uitgeverij Van In.

Covid-19 en de bijbehorende lockdowns veroorzaakten vooral in wiskunde een achterstand voor kinderen in de lagere school. Dat blijkt uit de jaarlijkse enquête die de educatieve uitgever Van In afnam bij zo’n 1300 leerkrachten in het basisonderwijs. Niet minder dan 84 procent merkte een leerachterstand voor wiskunde. In zowat de helft van de gevallen gaat het om een grote leerachterstand.

Ook voor taal (81%) en spelling (77%) is er volgens de leerkrachten een achterstand, terwijl voor wereldoriëntatie die achterstand veel minder zou zijn (55%). “Dat is logisch” vindt Winfried Mortelmans, de CEO bij Van In. “In wiskunde of taal wordt sterk voortgebouwd op kennis van het vorig trimester. Leerachterstand is daardoor sneller zichtbaar.”

Tien jaar Bingel
Uitgeverij Van In is al tien jaar actief met zijn digitale leerplatform Bingel. Dat is bedoeld voor het basisonderwijs. Van de kinderen in de Vlaamse lagere scholen gebruikt 86 procent Bingel. Op een schooldag maken die dagelijks samen meer dan 1 miljoen oefeningen op het platform. De dagpiek in het eerste trimester liep op tot 3,7 miljoen oefeningen. In het afgelopen decennium werden op die manier al meer dan 2 miljard oefeningen gemaakt op Bingel. Tijdens de lockdown voor de zomervakantie haalde het platform zijn dagrecord met 7 miljoen oefeningen op één dag.

Voor het secundair onderwijs heeft de uitgever Diddit. Dat bestaat vijf jaar en heeft niet de dominante marktpositie van Bingel. Maar ook in het secundair veroorzaakte corona een groei voor de digitale leerplatformen. Zo liet Diddit in het eerste trimester van dit schooljaar een stijging van 47 procent in het aantal gebruikers optekenen.

Minstens een keer per week
In de enquête geeft 75 procent van de leerkrachten aan dat ze minstens een keer per week Bingel gebruiken in de klas. Bingel is met andere woorden niet enkel een oefenplatform voor thuis. Het laat met differentiatiemodules toe leerlingen een gepersonaliseerd traject te laten volgen en is een hulpmiddel om leerachterstand op te volgen en te remediëren. In 2019 gebruikte 57 procent de differentiatiemodules. Vorig jaar is dat gestegen tot 69 procent van de leerkrachten. “We zijn blij met die toename”, zegt Mortelmans. “We zien dat niet alleen het aantal gemaakte oefeningen per dag met 20 procent is gestegen, maar ook dat leerkrachten meer zelf taken klaarzetten. Vorig schooljaar werd 46 procent van de oefeningen op Bingel nog spontaan door kinderen gemaakt. Dat leerkrachten meer zelf de zaken in de hand nemen, past in die tendens van differentiatie en remediëring van de leerachterstand. We denken ook dat die toename structureel is, omdat we in het lager onderwijs toch al opnieuw in een post-lockdownscenario zitten.”

Meer ICT-beleid
Voor corona bleef de visie op digitaal leren in de meeste scholen tamelijk beperkt. De epidemie heeft dat veranderd. Uit de bevraging van Van In blijkt dat 44 procent van de leerkrachten vindt dat het ICT-beleid op zijn school is veranderd.

Maar er is nog werk aan de winkel. “We zijn blij met het Digisprong-programma dat minister Ben Weyts heeft voorgesteld”, zegt Mortelmans. “Al geeft dat veel aandacht aan laptops. Er wordt ook expliciet melding gemaakt van het opleiden van leerkrachten en het ondersteunen van scholen in de ontwikkeling van een ICT-beleid. Je hoort schooldirecteuren digitaal onderwijs weleens gelijkstellen aan het organiseren van afstandsonderwijs. Dat is maar een klein facet. De digitalisering biedt meer kansen als je het niet beperkt tot laptops in de kast. We moeten investeren in het materiaal en de infrastructuur, maar ook de visie en de opleiding van de leerkrachten spelen een rol.”

Bron: Trends

Brexit blijft voor problemen zorgen

Brexit blijft voor problemen zorgen

De onderhandelaars van de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn eind december 2020 een handels- en samenwerkingsovereenkomst overeengekomen om de nieuwe relatie vanaf 1 januari 2021 te regelen. Een overeenkomst was nodig omdat het Verenigd Koninkrijk op 31 januari 2020 de Europese Unie heeft verlaten en de overgangsperiode na die ‘brexit’ op 31 december 2020 afliep. Het akkoord is voorlopig goedgekeurd door zowel de Europese Unie als het Verenigd Koninkrijk. De definitieve goedkeuring volgt vóór 1 maart 2021.

De brexit was de uitkomst van een referendum over het lidmaatschap van de EU in het Verenigd Koninkrijk in 2016. Nadien volgde lange onderhandelingen over de scheidingsvoorwaarden en de overgangperiode, en toen dat rond was, een definitief handelsakkoord tussen beide partijen.

Voor de EU heeft deze brexit grote gevolgen. Ondanks het akkoord zullen er meer formaliteiten en regels zijn in de handel tussen de twee partijen, omdat het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer uitmaakt van de interne markt. De EU-landen proberen de schade van een brexit waar mogelijk te beperken.

Maar de export vanuit de Europese Unie naar het Verenigd Koninkrijk zal naar verwachting dit jaar met 10 miljard euro terugvallen. Dit effect zal pas in de tweede helft van het jaar te merken zijn. Britse exporteurs staan een klap te wachten van 27,3 miljard euro dit jaar.

Eerder ging men uit van een exportverlies van 18 miljard euro voor de EU. Maar door de afgesproken overgangsperiode tussen de machtsblokken van zes maanden valt dit bedrag dus lager uit. België, Nederland, Duitsland en Frankrijk behoren tot de zwaarst getroffen landen door de exportdaling. Dit komt door een reeks van oorzaken zoals een zwakkere vraag, mede door corona en de lockdowns, toegenomen administratieve rompslomp en extra kosten voor transport en logistiek.

Goederen die gemaakt zijn in het Verenigd Koninkrijk of in de EU kunnen tariefvrij verhandeld blijven worden, zo staat in de brexitdeal. Volgens de kredietverzekeraars klinkt de term kredietvrij leuk, maar is de praktijk veel moeilijker. Bedrijven die met de Britten zakendoen krijgen namelijk te maken met ‘rules of origin’, waarbij wordt gekeken naar de oorsprong van onderdelen. Daarop gelden wel tarieven.

Vooral bedrijven die materialen en onderdelen elders halen, krijgen met tarieven meer te maken. Dan gaat het om spullen en materialen als hout, metalen, chemicaliën, farmaceutica, computers en elektronica, transportmiddelen en machines.

Een derde van de Britse bedrijven zou ondertussen zoeken naar binnenlandse toeleveranciers ter vervanging van buitenlandse leveranciers. Dat kan ook de export naar het Verenigd Koninkrijk uit onder meer België bemoeilijken.

De brexitklap wordt enigszins verzacht door de steun die overheden aan bedrijven bieden om de coronacrisis te doorstaan. Ook is er door de crisis en de restricties minder drukte aan de grens. Daarmee is er meer tijd om de afhandeling bij douane te verbeteren.